Wet natuurbescherming: Regeling


Menu
Loading...
Index
  1. Regeling natuurbescherming
  2. HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN
    1. Artikel 1.1
  3. HOOFDSTUK 2. NATURA 2000-GEBIEDEN
    1. TITEL 2.1. PROGRAMMATISCHE AANPAK STIKSTOF
      1. § 2.1.1. Bepaling stikstofdepositie
      2. Artikel 2.1
      3. Artikel 2.2
      4. § 2.1.2. Ontwikkelingsruimte
      5. Artikel 2.3
      6. Artikel 2.4
      7. Artikel 2.5
      8. Artikel 2.6
    2. TITEL 2.2. MELDINGSPLICHT IN VERBAND MET VRIJSTELLING VERGUNNINGPLICHT GRENSWAARDE 1 MOL
      1. Artikel 2.7
      2. Artikel 2.8
    3. TITEL 2.3. VRIJSTELLING VOOR WEIDEN EN GEBRUIKEN MESTSTOFFEN
      1. Artikel 2.9
  4. HOOFDSTUK 3. SOORTEN
    1. TITEL 3.1. VRIJSTELLING BESTRIJDING SOORTEN DIE IN HET GEHELE LAND SCHADE VEROORZAKEN
      1. Artikel 3.1
      2. Artikel 3.2
      3. Artikel 3.3
      4. Artikel 3.4
    2. TITEL 3.2. JACHT
      1. § 3.2.1. Regels over de uitoefening van de jacht
      2. Artikel 3.5
      3. Artikel 3.6
    3. TITEL 3.3. MIDDELEN
      1. § 3.3.1. Erkenning examens
      2. Artikel 3.7
      3. Artikel 3.8
      4. § 3.3.2. Inhoud examens
      5. Artikel 3.9
      6. Artikel 3.10
      7. Artikel 3.11
      8. § 3.3.3. Wijze van aanvragen en model jachtakte en valkeniersakte
      9. Artikel 3.12
      10. Artikel 3.13
    4. TITEL 3.4. ONDER ZICH HEBBEN OF VERHANDELEN VAN DIEREN OF PLANTEN
      1. § 3.4.1. Uitvoering EU-verordeningen en EU-richtlijnen
      2. Artikel 3.14
      3. Artikel 3.15
      4. § 3.4.2. Vrijstellingen soorten Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn
      5. Artikel 3.16
      6. Artikel 3.17
      7. Artikel 3.18
      8. § 3.4.3. Vrijstellingen gefokte vogels en soorten op bijlagen CITES
      9. Artikel 3.19
      10. Artikel 3.20
      11. Artikel 3.21
      12. § 3.4.4. Vrijstellingen wild in de zin van Benelux-overeenkomst
      13. Artikel 3.22
      14. § 3.4.5. Administratie en merktekens
      15. Artikel 3.23
      16. Artikel 3.24
      17. Artikel 3.25
      18. Artikel 3.26
      19. § 3.4.6. Aanwijzing douanekantoren
      20. Artikel 3.27
    5. TITEL 3.5. OVERIG
      1. Artikel 3.28
      2. Artikel 3.29
      3. Artikel 3.30
      4. Artikel 3.31
      5. Artikel 3.32
  5. HOOFDSTUK 4. HOUTOPSTANDEN, HOUT EN HOUTPRODUCTEN
    1. Artikel 4.1
    2. Artikel 4.2
    3. Artikel 4.3
  6. HOOFDSTUK 5. RETRIBUTIES
    1. Artikel 5.1
    2. Artikel 5.2
    3. Artikel 5.3
    4. Artikel 5.4
    5. Artikel 5.5
  7. HOOFDSTUK 6. HANDHAVING
    1. Artikel 6.1
  8. HOOFDSTUK 7. SLOTBEPALINGEN
    1. TITEL 7.1. WIJZIGING ANDERE REGELINGEN
      1. Artikel 7.1
      2. Artikel 7.2
      3. Artikel 7.3
      4. Artikel 7.4
      5. Artikel 7.5
      6. Artikel 7.6
      7. Artikel 7.7
      8. Artikel 7.8
      9. Artikel 7.9
      10. Artikel 7.10
      11. Artikel 7.11
      12. Artikel 7.12
    2. TITEL 7.2. OVERGANGSRECHT
      1. Artikel 7.13
      2. Artikel 7.14
      3. Artikel 7.15
      4. Artikel 7.16
      5. Artikel 7.17
    3. TITEL 7.3. INWERKINGTREDING EN CITEERTITEL
      1. Artikel 7.18
      2. Artikel 7.19
      3. BIJLAGE 1 BEHORENDE BIJ ARTIKEL 2.5 VAN DE REGELING NATUURBESCHERMING
      4. BIJLAGE 2 BEHORENDE BIJ ARTIKEL 3.6 VAN DE REGELING NATUURBESCHERMING
      5. BIJLAGE 3 BEHORENDE BIJ ARTIKEL 3.13, TWEEDE LID, VAN DE REGELING NATUURBESCHERMING
      6. BIJLAGE 4 BEHORENDE BIJ ARTIKEL 3.13, DERDE LID, VAN DE REGELING NATUURBESCHERMING
      7. BIJLAGE 5 BEHORENDE BIJ ARTIKEL 3.13, VIERDE LID, VAN DE REGELING NATUURBESCHERMING
      8. BIJLAGE 6 BEHORENDE BIJ ARTIKEL 3.13, VIJFDE LID, VAN DE REGELING NATUURBESCHERMING
      9. BIJLAGE 7 BEHORENDE BIJ ARTIKEL 3.13, ZEVENDE LID, VAN DE REGELING NATUURBESCHERMING
      10. BIJLAGE 8 BEHORENDE BIJ ARTIKEL 3.15, TWEEDE LID, VAN DE REGELING NATUURBESCHERMING
      11. BIJLAGE 9 BEHORENDE BIJ ARTIKEL 3.25, EERSTE LID, VAN DE REGELING NATUURBESCHERMING
      12. BIJLAGE 10 BEHORENDE BIJ ARTIKEL 3.26, EERSTE LID VAN DE REGELING NATUURBESCHERMING
      13. BIJLAGE 11 BEHORENDE BIJ ARTIKEL 3.28, EERSTE LID, VAN DE REGELING NATUURBESCHERMING
      14. BIJLAGE 12 BEHORENDE BIJ ARTIKEL 3.28, TWEEDE EN DERDE LID, VAN DE REGELING NATUURBESCHERMING
      15. BIJLAGE 13 BEHORENDE BIJ ARTIKEL 3.31, EERSTE LID, VAN DE REGELING NATUURBESCHERMING
      16. Voetnoten:

Regeling natuurbescherming

Hieronder is de tekst van het Besluit natuurbescherming opgenomen zoals gepubliceerd in Stcrt. 2016/55791. Direct onder ieder artikel is de artikelsgewijze toelichting geplaatst zodat u in één oogopslag kunt zien wat de wetgever met het artikel bedoeld heeft.

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1.1

In deze regeling wordt verstaan onder:

– AERIUS Calculator: rekeninstrument als bedoeld in artikel 2.1, bestaande uit een softwareprogramma, beschikbaar op www.aerius.nl, versie 2015, en een handboek, beschikbaar op www.aerius.nl, versie 2015;
– AERIUS Register: registratie-instrument als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, beschikbaar op www.aerius.nl, versie 2015;
– CITES-basisverordening: verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van de Europese Unie van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEG L 61);
– CITES-uitvoeringsverordening: verordening (EG) nr. 865/2006 van de Commissie van 6 mei 2006, houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEU 2006, L 166);
– depositieruimte: ruimte, uitgedrukt in mol stikstof per hectare per jaar, die in het kader van het programma beschikbaar is voor stikstofdepositie op een in het programma opgenomen Natura 2000-gebied die het gevolg is van wijziging of uitbreiding van bestaande activiteiten of het gevolg is van de realisatie van nieuwe projecten of verrichting van nieuwe andere handelingen;
– gesloten pootring: individueel gemerkte, ononderbroken ring of manchet, zonder enige naad of las, waarmee op geen enkele wijze is geknoeid en waarvan het formaat zodanig is dat hij, nadat hij in de eerste levensdagen van de vogel is aangebracht, niet kan worden verwijderd wanneer de poot van de vogel zijn definitieve omvang heeft bereikt;
– minister: Minister van Economische Zaken;
– ontwikkelingsruimte: deel van de depositieruimte dat, met inachtneming van artikel 2.3, beschikbaar is voor toedeling in of reservering voor besluiten als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming;
– programma: programma aanpak stikstof als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming;
– toestemmingsbesluit: besluit als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming;
– Verordening invasieve uitheemse soorten: verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten (PbEU L 317);
– voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied: voor stikstof gevoelige leefgebieden voor vogelsoorten, natuurlijke habitats en habitats van soorten in een Natura 2000-gebied dat in het programma is opgenomen en waarvoor een instandhoudingsdoelstelling geldt;

– wet: Wet natuurbescherming.

HOOFDSTUK 2. NATURA 2000-GEBIEDEN

TITEL 2.1. PROGRAMMATISCHE AANPAK STIKSTOF

§ 2.1.1. Bepaling stikstofdepositie

Artikel 2.1

1. Voor de vaststelling of een project of een andere handeling als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de wet, of een plan als bedoeld in artikel 5.6 van de wet, door het veroorzaken van stikstofdepositie op een voor stikstof gevoelig habitat in een Natura 2000-gebied een verslechterend of significant verstorend effect kan hebben, wordt de stikstofdepositie berekend met gebruikmaking van AERIUS Calculator.
2. In zoverre in afwijking van het eerste lid in samenhang met de begripsomschrijving van ‘AERIUS Calculator’ in artikel 1.1, wordt voor de toepassing van artikel 2.12 of 2.13 van het Besluit natuurbescherming en voor de toepassing van artikel 2.7 gebruik gemaakt van de versie van AERIUS Calculator die was voorgeschreven op het moment van het doen van de in het laatstgenoemde artikel bedoelde melding, dan wel, als geen melding is voorgeschreven, op het moment dat de realisatie van het project aanving, onderscheidenlijk op het moment dat de andere handeling voor het eerst werd verricht.
3. AERIUS Calculator wordt beheerd onder verantwoordelijkheid van de minister.

Dit artikel is toegelicht in paragraaf 2.2 van deze toelichting, waarnaar zij verwezen. In aanvulling daarop zij opgemerkt dat het tweede lid81  beoogt te voorkomen dat – door de enkele vaststelling van een nieuwe versie van AERIUS – een project dat of andere handeling die eerst de in de artikelen 2.12 en 2.13 van het Besluit natuurbescherming bedoelde grenswaarde niet overschreed, uitkomt op een berekening waardoor die waarde alsnog blijkt te worden overschreden, waardoor alsnog een vergunning zou moeten worden aangevraagd of de stikstofdepositie bij de verlening van de vergunning zou moeten worden betrokken.

Artikel 2.2

De berekening van de stikstofdepositie, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, ten behoeve van een project dat betrekking heeft op de aanleg of wijziging van een hoofdweg als bedoeld in artikel 1 van de Tracéwet, dan wel een andere handeling met betrekking tot een hoofdweg, wordt beperkt tot de Natura 2000-gebieden die zijn gelegen in de nabijheid van het gebied dat zich uitstrekt van de voorafgaande tot en met de eerstvolgende aansluiting op het wegvak waar het project of de andere handeling betrekking op heeft, aangevuld met de Natura 2000-gebieden in de nabijheid van de wegvakken waar de toename van de weekdaggemiddelde verkeersintensiteit als gevolg van het project of de andere handeling ten minste 1.000 motorvoertuigen per rijrichting bedraagt. Daarbij wordt uitgegaan van het jaar waarin de toename van de depositie als gevolg van het project of de andere handeling het hoogst is.

Dit artikel voorziet in de afbakening van het gebied dat betrokken dient te worden bij de vaststelling of de aanleg of wijziging van een hoofdweg, dan wel een andersoortige aanpassing van een hoofdweg, verslechterende of significant verstorende effecten voor een Natura 2000-gebied kan hebben, gelet op de te veroorzaken stikstofdepositie. Deze effecten worden in de regel bepaald bij het vaststellen van een tracébesluit voor de aanleg of de aanpassing van een hoofdweg. Het artikel bepaalt dat het onderzoeksgebied wordt beperkt tot de Natura 2000-gebieden die zijn gelegen in de nabijheid van het gebied dat zich uitstrekt van de voorafgaande tot en met de eerstvolgende aansluiting op het wegvak waar de aanleg of wegaanpassing plaatsvindt, aangevuld met de Natura 2000-gebieden in de nabijheid van de wegvakken waar de aanleg of wegaanpassing een toename van de weekdaggemiddelde verkeersintensiteit veroorzaakt van ten minste 1.000 motorvoertuigen per rijrichting. De gebieden in de nabijheid zijn die Natura 2000-gebieden waar zich nog effecten voordoen als gevolg van het wegverkeer binnen het onderzoeksgebied. Deze afbakening van het onderzoeksgebied geldt naast de grenswaarde die ten aanzien van hoofdwegen is vastgelegd in artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van het Besluit natuurbescherming.

Met de afbakening van het onderzoeksgebied is uitvoering gegeven aan de wens van het kabinet om de bepaling van de effecten van Rijksinfrastructuurprojecten te vereenvoudigen door te komen tot zinvolle methoden van effectbepaling. Vanuit verkeerskundig oogpunt is bij de berekening van de effecten van afzonderlijke projecten met betrekking tot de aanleg of aanpassing van hoofdwegen een intensiteitsverandering van 1.000 motorvoertuigen per etmaal per rijrichting de laagste waarde waarover het daarvoor best beschikbare model – het Nederlands Regionaal Model (NRM) – nog zinvolle uitspraken kan doen. Om die reden is in deze regeling bepaald dat bij de berekening van effecten ten behoeve van de aanleg of wijziging, dan wel andersoortige aanpassing van een hoofdweg, geen projectspecifieke berekeningen worden uitgevoerd voor wegvakken waar de verkeerstoename lager is dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal per rijrichting.

Daar waar op het hoofdwegennet wijzigingen in de verkeersintensiteit optreden die kleiner zijn dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal per rijrichting, maken deze wijzigingen onderdeel uit van de doorrekening van het verkeerseffect van het totale wegverkeer, inclusief het verkeerseffect van alle hoofdinfrastructuurprojecten gezamenlijk. De stikstofdepositie die het totale wegverkeer op het hoofdwegennet veroorzaakt, wordt in het kader van de jaarlijkse monitoring op basis van de meest actuele inzichten voor de verschillende zichtjaren berekend en in AERIUS meegenomen in de depositieruimte. Op deze manier worden de prognoses van de stikstofdepositie van het wegverkeer, bestaande uit een combinatie van autonome ontwikkeling en effecten van hoofdwegenprojecten zo goed mogelijk inzichtelijk gemaakt en jaarlijks geactualiseerd. In de gebiedsanalyses is per Natura 2000 gebied onderbouwd dat deze totale depositieruimte beschikbaar kan worden gesteld en niet leidt tot verslechtering van de kwaliteit van de voor stikstof gevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten en dat de instandhoudingsdoelstellingen op termijn kunnen worden gerealiseerd. Indien nodig worden de gebiedsanalyses op basis van de monitoringsresultaten geactualiseerd. Hierdoor is uitgesloten dat de stikstofdepositie als gevolg van de aanleg, wijziging of andersoortige aanpassing van een hoofdweg, langs wegvakken die niet in het onderzoeksgebied ten behoeve van een tracébesluit zijn onderzocht, de kwaliteit van de voor stikstof gevoelige habitats kan verslechteren of daarvoor significante gevolgen kan hebben.

§ 2.1.2. Ontwikkelingsruimte

Artikel 2.3

1. De omvang van de ontwikkelingsruimte voor een hectare van een voor stikstof gevoelig habitat in een Natura 2000-gebied op enig moment is de ontwikkelingsruimte die op 15 december 2015 in AERIUS Register was opgenomen, verminderd met de ontwikkelingsruimte die sindsdien overeenkomstig artikel 2.9, eerste en tweede lid, van het Besluit natuurbescherming voor die hectare is afgeschreven en vermeerderd met de ontwikkelingsruimte die sindsdien overeenkomstig artikel 2.9, derde lid, van dat besluit voor die hectare is bijgeschreven.
2. Bij de toepassing van het eerste lid worden in aanmerking genomen de eventuele wijzigingen in de omvang van de ontwikkelingsruimte die het gevolg zijn van toepassing van de paragrafen 4.2.2, onder 2, sub c, en 4.2.9, onder 5, van het Programma aanpak stikstof 2015-2021, zoals dat is vastgesteld bij besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken en de Minister van Infrastructuur en Milieu van 10 juni 2015, nr. DGAN-NB / 15076652 (Stcrt. 18411), en nadien in voorkomend geval bij een of meer besluiten van de minister en de Minister van Infrastructuur en Milieu is gewijzigd.

De artikelen 2.3 en 2.4 zijn toegelicht in paragrafen 2.3.1 en 2.3.2 van deze toelichting. In aanvulling daarop kan ten aanzien van artikel 2.4 – dat regels stelt over de berekening van de omvang van de ontwikkelingsruimte die aan een project of andere handeling moet worden toegedeeld – nog het volgende worden gemeld.

Zoals in het algemene deel van de toelichting is aangegeven, bevat het vierde lid van artikel 2.4 een specifieke regel voor de berekening van de toename van de stikstofdepositie die wordt veroorzaakt door tijdelijke projecten of tijdelijke andere handelingen, met een duur van ten hoogste vijf jaar. Voor dergelijke projecten en handelingen ligt het niet in de rede om – zoals de hoofdregel in het tweede en derde lid van artikel 2.4 is – uit te gaan van een permanente stikstofdepositie, maar van de gemiddelde stikstofdepositie gedurende de periode dat het project of de andere handeling wordt uitgevoerd. Ter toelichting van de methodiek van middeling voor tijdelijke projecten en andere tijdelijke handelingen moge het volgende rekenvoorbeeld dienen. Een tijdelijk project dat gedurende vijf jaar een depositie van 12 mol per hectare per jaar veroorzaakt, veroorzaakt in totaal gedurende de looptijd van dat project een depositie van 60 mol per hectare. Deze totale depositie wordt gedeeld door zes, gegeven de zesjaarse periode waarvoor het programma aanpak stikstof wordt vastgesteld. De ontwikkelingsruimte die voor het tijdelijk project benodigd is, is daarmee een gemiddelde depositie van 10 mol per hectare per jaar gedurende de zes jaar van de programmaperiode. Deze 10 mol wordt aan het tijdelijke project toegedeeld bij het desbetreffende toestemmingsbesluit.

Voor de vraag of sprake is van een tijdelijk project of tijdelijke handeling, wordt overigens niet alleen naar de realisatiefase, maar ook naar de exploitatiefase gekeken. Wanneer een project bestaat uit een realisatiefase van ten hoogste vijf jaar, maar datzelfde project vervolgens in de exploitatiefase blijvend stikstofdepositie veroorzaakt, dan is geen sprake van een tijdelijk project en geldt de reguliere systematiek als neergelegd in het tweede en derde lid van artikel 2.4 en zal op basis van de hoogste depositie die gedurende één van deze fasen wordt veroorzaakt ontwikkelingsruimte moeten worden toegekend. Als sprake is van duidelijk afgebakende activiteiten die respectievelijk betrekking hebben op een voorbereidingsfase van ten hoogste vijf jaar en een exploitatiefase van onbepaalde duur, en als deze als twee verschillende projecten kunnen worden gezien waarvoor afzonderlijke vergunningen worden aangevraagd, dan kunnen de voorbereidingsactiviteiten gelden als tijdelijk project. Door tegelijkertijd voor de onderscheiden activiteiten afzonderlijke vergunningen aan te vragen, kan de ondernemer wel direct zekerheid verkrijgen over het totale traject, voordat hij de investering aangaat.82

In het vijfde tot en met negende lid van artikel 2.4 wordt geregeld welke situatie als uitgangspunt moet worden genomen voor de bepaling van de toename van de stikstofdepositie die een project of een andere handeling veroorzaakt.

Indien het project of de andere handeling een uitbreiding of een andere wijziging van een bestaande situatie betreft die eerder is toegestaan op grond van de wet83, dan wordt ingevolge het vijfde lid, onderdeel a, de toename van de stikstofdepositie door het project of de andere handeling bepaald ten opzichte van de bestaande activiteit en de daarbij behorende stikstofdepositie die eerder is toegestaan. Dat kan zijn een vergunning op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de wet, een omgevingsvergunning waarbij de Natura 2000-toets op grond van artikel 2.2aa, onderdeel a, van het Besluit omgevingsrecht aanhaakt of een beheerplan waarin een project of andere handeling is vrijgesteld van de vergunningplicht op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet. Het volstaat als voor de bestaande activiteit toestemming is verleend voor de stikstofdepositie op het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied of het Natura 2000-gebied waarop de depositie het hoogst is. Wanneer eerder een melding op grond van artikel 2.7 van deze regeling is gedaan, wordt de toename van de stikstofdepositie bepaald ten opzichte van die melding.

In het zesde lid van artikel 2.4 is een specifieke regel opgenomen voor het geval dat een voorgenomen project of andere handeling bestaat uit de wijziging of uitbreiding van een bestaande activiteit ten aanzien waarvan één of meer meldingen zijn gedaan na het toestemmingsbesluit of de melding, bedoeld in het vijfde lid, onderdeel a. In dat geval wordt voor het bepalen van de toe te delen ontwikkelingsruimte uitgegaan van het project dan wel de andere handeling zoals gerealiseerd overeenkomstig de laatste melding. Als zich na het toestemmingsbesluit of de eerste melding wijzigingen hebben voorgedaan waarvoor een toestemmingsbesluit is verleend, dan geldt uiteraard wel de hoofdregel van het vijfde lid, onderdeel a, en geldt dat toestemmingbesluit als uitgangssituatie.

Indien sprake is van wijziging of uitbreiding van een vóór 1 januari 2015 al bestaande activiteit waarvoor geen toestemmingsbesluit als bedoeld in het vijfde lid, onderdeel a, is verleend, dan wordt ingevolge het vijfde lid, onderdeel b, de toename afgezet tegen de stikstofdepositie die de bestaande activiteit feitelijk vóór 1 januari 2015 ten hoogste veroorzaakte. Het vijfde lid, onderdeel c, bevat een bijzondere regeling voor het geval dat de stikstofdepositie die de activiteit feitelijk veroorzaakte in de periode vóór 1 januari 2015 hoger was dan de stikstofdepositie als gevolg van de activiteit waarvoor vóór 1 juli 2015 – de ingangsdatum van het programma aanpak stikstof – toestemming is verleend. In dat geval wordt de stikstofdepositie afgezet tegen de stikstofdepositie die de bestaande activiteit feitelijk veroorzaakte. Deze regels sluiten aan bij de wijze waarop in het programma rekening is gehouden met de bestaande, feitelijke depositie van activiteiten. Voor het programma aanpak stikstof zijn met behulp van het rekeninstrument AERIUS de feitelijke emissies berekend voor de aanvang van het programma op basis van het feitelijk gebruik door de verschillende sectoren. Deze feitelijke stikstofdepositie maakt deel uit van de achtergronddepositie waarmee rekening is gehouden in het programma en de daarvan deel uitmakende gebiedsanalyses, die op gebiedsniveau de ecologische beoordeling van het programma vormen. De bevoegde gezagen kunnen daarom bij de toestemmingverlening voor de stikstofdepositie die de betrokken activiteiten veroorzaakten vóór het tijdstip van inwerkingtreding van het programma verwijzen naar de ecologische beoordeling die ten grondslag ligt aan het programma. Toekenning van ontwikkelingsruimte blijft hiervoor achterwege. Er wordt uitsluitend ontwikkelingsruimte toegedeeld voor de toename van de stikstofdepositie die het gevolg is van de voorgenomen uitbreiding of wijziging van de activiteit ten opzichte van de bestaande activiteit en de daarbij behorende stikstofdepositie die feitelijk werd veroorzaakt vóór de inwerkingtreding van het programma. Aan het bevoegde gezag voor de toestemmingverlening wordt de keuze gelaten om bij de toestemmingverlening voor wijzigingen van bedrijven vanaf 1 februari 2009 – de datum waarop de vergunningplicht van artikel 19d van de toenmalige Natuurbeschermingswet 1998 van toepassing werd voor alle Natura 2000-gebieden – waarvoor geen vergunning is aangevraagd maatwerk toe te passen, binnen de kaders van deze regeling.

Het vijfde lid is niet relevant ingeval sprake is van ongewijzigde voortzetting van projecten waarvoor al een vergunning was verleend op grond van de Hinderwet of de Wet milieubeheer vóór de datum waarop artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn moest zijn omgezet84. In dat geval behoefde voor dat project onder de toenmalige Natuurbeschermingswet 1998 niet een afzonderlijke vergunning te worden verleend85; met de Wet natuurbescherming is dat niet anders geworden. Deze uitzondering op de vergunningplicht geldt overigens niet zonder meer voor het op de realisatie van het project volgende gebruik dat zelf niet als project maar als andere handeling is aan te merken (bijvoorbeeld het houden van vee in de voor de omzettingsdatum vergunde stal). Voor deze andere handeling kan evenwel de vrijstelling voor ‘bestaand gebruik’ van artikel 2.9 van de Wet natuurbescherming, voorheen artikel 19d, tweede lid, van de Natuurbeschermingswet 1998, gelden; dat is het geval als sprake is van gebruik dat op 31 maart 2010 bestond en daarna ongewijzigd is voortgezet.86  Als sprake is van wijziging of uitbreiding van het project of – na 31 maart 2010 – van de andere handeling, dan is wel een vergunning vereist op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming, voorheen artikel 19d, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998. Deze heeft dan overeenkomstig vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State betrekking op de volledige activiteit, zoals deze is gewijzigd, maar de toe te delen ontwikkelingsruimte kan, zoals hiervoor is uiteengezet, worden beperkt tot de toename van de depositie ten opzichte van de feitelijke depositie vóór 1 januari 2015.87

De feitelijke stikstofdepositie die een bestaande activiteit veroorzaakte vóór 1 januari 2015 is volgens het zevende lid de stikstofdepositie die ten hoogste werd veroorzaakt in de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2014 op grond van het gebruik dat daadwerkelijk heeft plaatsgevonden met inachtneming van de stikstofdepositie die ten hoogste kon plaatsvinden overeenkomstig de geldende omgevingsvergunning voor de betrokken inrichting op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of overeenkomstig een vergunning of melding krachtens de Wet milieubeheer of de daaraan voorafgaande Hinderwet. Daarbij is het zevende lid ten opzichte van de regeling in de toenmalige Regeling programmatische aanpak stikstof verduidelijkt, in die zin dat niet langer is bepaald dat moet zijn gehandeld binnen de kaders van de geldende vergunning, maar is bepaald dat de depositie niet hoger mag zijn dan de depositie die was toegestaan op grond van de geldende omgevingsvergunning, milieuvergunning of Hinderwetvergunning. Voor de toepassing van de onderhavige regeling is immers een eventuele afwijking van de vergunning alleen relevant voor zover deze de omvang van de stikstofemissie betreft.88

De initiatiefnemer moet in in het kader van de toepassing van het zevende lid aantonen wat binnen deze kaders de hoogste feitelijke stikstofdepositie als gevolg van zijn bestaande activiteit was in de jaren 2012 tot en met 2014. Voor een veehouderijbedrijf kan de initiatiefnemer de feitelijke depositie aantonen met behulp van gegevens uit een landbouwtelling als bedoeld in de Landbouwwet, uit de Geografische Informatie Agrarische Bedrijven (GIAB), gegevens over de aantallen op het bedrijf aanwezige dieren (op grond van artikel 32, tweede lid, onderdelen d en e, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet) of financiële gegevens waaruit blijkt hoeveel dieren zijn aangevoerd en afgevoerd. Voor industrie kan de initiatiefnemer bijvoorbeeld gebruik maken van (milieu)jaarverslagen. Provincies kunnen in beleidsregels bepalen dat zij aanvullende informatie vragen waarmee een initiatiefnemer zijn bestaande activiteit kan aantonen, zoals een omgevingsvergunning voor het bouwen. Daarmee kan worden voorkomen dat een initiatiefnemer een vergunningaanvraag indient voor vermeende bestaande dieraantallen, terwijl niet eerder een vergunning voor stallen voor dat aantal dieren is verleend.

Het achtste lid bevat een specifieke regeling in verband met de specifieke aard van de bedrijfsvoering van Defensie, die wordt gekenmerkt door fluctuaties. Zowel door het aangaan of beëindigen van missies, waardoor personeel en materieel wordt uitgezonden naar het buitenland of weer terugkomt, alsmede door variaties in oefenprogramma’s, kan tijdelijk minder gebruik plaatsvinden dan binnen de vergunning is toegestaan of kan juist sprake zijn van volledig gebruik. Voor activiteiten die in opdracht van de Minister van Defensie plaatsvinden wordt de feitelijk veroorzaakte stikstofdepositie daarom bepaald op grond van het volledig operationeel gebruik. Voor een milieu-inrichting (bijvoorbeeld een kazerne) gaat het om het volledig operationeel gebruik binnen de kaders van een omgevingsvergunning voor een milieuactiviteit, een milieuvergunning of een melding krachtens de Wet milieubeheer. Voor oefenterreinen van de Defensie wordt het bestaand gebruik beschreven in beheerplannen. Voor militaire luchthavens volgt uit de Wet luchtvaart het maximale gebruik dat is toegestaan. In de ecologische beoordeling van het programma aanpak stikstof is rekening gehouden met het maximale operationele gebruik door Defensie.

Voor een project dat of andere handeling die betrekking heeft op een wijziging of uitbreiding van een weg, vaarweg of spoorweg wordt ingevolge het negende lid de toename van de stikstofdepositie bepaald ten opzichte van de stikstofdepositie die het gevolg is van het verkeer op het wegennet, vaarwegennet, onderscheidenlijk het spoorwegennet, uitgaande van de autonome ontwikkeling van het verkeer. Voor de autonome ontwikkeling van het verkeer vanaf de inwerkingtreding van het programma is geen ontwikkelingsruimte benodigd. Hiermee is in het programma reeds rekening gehouden in de depositieruimte.89

Artikel 2.4

1. Het bevoegd gezag stelt de omvang van de in een toestemmingsbesluit toe te delen ontwikkelingsruimte vast met gebruikmaking van AERIUS Calculator.
2. De ontwikkelingsruimte die het bevoegd gezag toedeelt in een toestemmingsbesluit is gelijk aan de toename van de stikstofdepositie op een hectare van een voor stikstof gevoelig habitat in een Natura 2000-gebied die een project of andere handeling per kalenderjaar kan veroorzaken, uitgaande van het jaar waarin de depositie als gevolg van dat project of die andere handeling het hoogst is.
3. In een toestemmingsbesluit dat geldig is voor onbepaalde tijd kent het bevoegd gezag ontwikkelingsruimte eenmalig toe voor onbepaalde tijd.
4. Ingeval sprake is van een project of een andere handeling waarvoor toestemming wordt verleend voor een duur van ten hoogste vijf jaar is, in afwijking van het tweede lid, de ontwikkelingsruimte die het bevoegd gezag in het toestemmingsbesluit voor dat project of die handeling toedeelt gelijk aan de som van de stikstofdeposities die het project of de andere handeling in de onderscheiden jaren op de desbetreffende hectare kan veroorzaken, gedeeld door zes.
5. Ingeval een voorgenomen project of een andere handeling bestaat uit de wijziging of uitbreiding van een bestaande activiteit, wordt de in het tweede lid bedoelde toename bepaald ten opzichte van:
a. het project dat, of de andere handeling die is toegestaan op grond van een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de wet, een beheerplan als bedoeld in artikel 2.3 van de wet of een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel a, van het Besluit omgevingsrecht, indien voor dat project of die handeling reeds toestemming is verleend door middel van een zodanig besluit, onderscheidenlijk het project of de andere handeling waarvoor een melding als bedoeld in artikel 2.7 is gedaan, of,
b. bij gebreke van een eerder besluit als bedoeld in onderdeel a, de bestaande activiteit en de daarbij behorende stikstofdepositie die ten hoogste feitelijk door die bestaande activiteit werd veroorzaakt vóór 1 januari 2015, of
c. de feitelijk veroorzaakte stikstofdepositie, bedoeld in onderdeel b, ingeval die hoger is dan de stikstofdepositie die is toegestaan op grond van een eerder besluit als bedoeld in onderdeel a, voor zover dat besluit vóór 1 juli 2015 is genomen.
6. Ingeval na een besluit als bedoeld in het vijfde lid, onderdeel a, of na een melding als bedoeld in artikel 2.7 een of meer meldingen zijn gedaan die betrekking hebben op wijzigingen van het project of de andere handeling waarop dat toestemmingsbesluit of de eerstgenoemde melding betrekking had, wordt de in het tweede lid bedoelde toename bepaald ten opzichte van het project of de andere handeling zoals dat, onderscheidenlijk die is gewijzigd overeenkomstig de laatste melding.
7. De stikstofdepositie, bedoeld in het vijfde lid, onderdelen b en c, betreft de hoogste stikstofdepositie die in de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2014 als gevolg van de daadwerkelijk in de betrokken inrichting verrichte activiteiten plaatsvond, voor zover die stikstofdepositie niet meer bedroeg dan de stikstofdepositie die mogelijk was overeenkomstig:
a. de op 1 januari 2015 voor de betrokken inrichting geldende omgevingsvergunning, voor zover het een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel e of i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of
b. de op 1 januari 2015 voor de betrokken inrichting geldende vergunning of gedane melding krachtens de Wet milieubeheer of Hinderwet.
8. In gevallen als bedoeld in het vijfde lid, onderdelen b en c, waarin een voorgenomen project of andere handeling betrekking heeft op een wijziging of uitbreiding van een bestaande activiteit in opdracht van de Minister van Defensie, wordt de toename, bedoeld in het tweede lid, bepaald ten opzichte van de stikstofdepositie van het volledig operationeel gebruik:
a. van een inrichting binnen de kaders van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel e of i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of een vergunning of melding krachtens de Wet milieubeheer of Hinderwet;
b. van een militaire luchthaven, met inbegrip van burgermedegebruik dat ingevolge de Wet luchtvaart is toegestaan en met inbegrip van het luchtvaartterrein, bedoeld in de Luchtvaartwet;
c. van een oefenterrein dat is toegestaan ingevolge het beheerplan, bedoeld in artikel 2.3 van de wet, voor het Natura 2000-gebied waarin dat oefenterrein ligt.
9. In afwijking van het vijfde lid wordt, ingeval een voorgenomen project of andere handeling betrekking heeft op de wijziging of uitbreiding van een weg, vaarweg of spoorweg, de toename, bedoeld in het tweede lid, bepaald ten opzichte van de stikstofdepositie als gevolg van het verkeer op het wegennet, het vaarwegennet onderscheidenlijk het spoorwegennet, uitgaande van de autonome ontwikkeling van dat verkeer.
10. Toedeling van ontwikkelingsruimte in een toestemmingsbesluit kan er niet toe leiden dat de resterende ontwikkelingsruimte voor een hectare van een voor stikstof gevoelig habitat in een Natura 2000-gebied minder bedraagt dan nul.

Zie voor de toelichting onder artikel 2.3.

Artikel 2.5

Als projecten of andere handelingen dan wel als categorieën van projecten of andere handelingen als bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming zijn aangewezen de in bijlage 1 bij deze regeling genoemde of beschreven projecten of andere handelingen.

Artikel 2.5 voorziet in de aanwijzing van de zogenoemde prioritaire projecten en prioritaire andere handelingen, waarvoor op voorhand ontwikkelingsruimte is gereserveerd. In paragraaf 2.3.3 van het algemene deel van de toelichting is daarop ingegaan. In bijlage 1 zijn de naam, de locatie en een korte omschrijving van de projecten en andere handelingen waarvoor ontwikkelingsruimte is gereserveerd, vermeld. De laatst geldende lijst van projecten en andere handelingen als opgenomen in de bijlage bij de toenmalige Regeling programmatische aanpak stikstof is ongewijzigd overgenomen. Een wijziging van de lijst is in voorbereiding; deze zal naar verwachting in het eerste kwartaal van 2017 van kracht worden. Voor een uitgebreide beschrijving van de projecten van het Meerjarenprogramma Infrastructuur en Ruimte (MIRT) wordt in de bijlage verwezen naar documenten waarin die projectomschrijvingen zijn opgenomen. Voor de prioritaire projecten en andere prioritaire handelingen wordt in de bijlage tevens verwezen naar een website (http://pas.natura2000.nl/pages/prioritaire-projecten.aspx) voor meer informatie over de aard van de projecten en handelingen.

Artikel 2.6

1. Er is een registratie-instrument waarin gegevens worden opgenomen die betrekking hebben op de afschrijving, bijschrijving en reservering van ontwikkelingsruimte en op meldingen als bedoeld in artikel 2.7.
2. Bij aanvang van het programma en na wijziging van het programma draagt de minister er zorg voor dat de beschikbare ontwikkelingsruimte in AERIUS Register wordt opgenomen.
3. De registraties, bedoeld in artikel 2.9, eerste tot en met vijfde lid, van het Besluit natuurbescherming, geschieden in AERIUS Register, terstond nadat een toestemmingsbesluit is genomen, gewijzigd of ingetrokken, of terstond nadat ontwikkelingsruimte in deze regeling is gereserveerd of een reservering van ontwikkelingsruimte in deze regeling is gewijzigd of vervallen.
4. In zoverre in afwijking van het derde lid, geschiedt de registratie door het bestuursorgaan dat bevoegd is voor de in artikel 2.9, tweede lid, van het Besluit natuurbescherming bedoelde verklaring terstond na ontvangst van het afschrift van de omgevingsvergunning waarin de ontwikkelingsruimte is toegedeeld.
5. AERIUS Register wordt beheerd onder verantwoordelijkheid van de minister.

De in artikel 2.6 geregelde registratie van afschrijvingen en bijschrijvingen van ontwikkelingsruimte in AERIUS Register is toegelicht in artikel 2.3.4 van het algemene deel van de toelichting. In aanvulling daarop zij opgemerkt dat het vierde lid nieuw is ten opzichte van de vergelijkbare bepaling in de toenmalige Regeling programmatische aanpak stikstof. Ingeval van aanhaking van de Natura 2000-toets bij een omgevingsvergunning waarvoor de provincie een verklaring van geen bedenkingen afgeeft, kan de provincie niet terstond na verlening van de vergunning afschrijven, maar eerst na ontvangst van het door het bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning – overeenkomstig artikel 3.12, vierde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht – toe te zenden afschrift van die vergunning.90

TITEL 2.2. MELDINGSPLICHT IN VERBAND MET VRIJSTELLING VERGUNNINGPLICHT GRENSWAARDE 1 MOL

Artikel 2.7

1. Degene die voornemens is een project te realiseren of een andere handeling te verrichten waarop artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van het Besluit natuurbescherming van toepassing is, doet ten minste vier weken maar ten hoogste twee jaar voor de aanvang daarvan een melding, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:
a.           
1°. het project of de andere handeling heeft betrekking op de oprichting, verandering of uitbreiding van een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer bestemd voor landbouw, industrie of het gebruik van gemotoriseerde voertuigen voor wedstrijden, of
2°. de andere handeling heeft betrekking op het plaatsen van extra landbouwhuisdieren in een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer bestemd voor landbouw, of
3°. het project heeft betrekking op de aanleg of wijziging van infrastructuur die uitsluitend of in hoofdzaak bestemd is voor gemotoriseerd weg-, spoorweg-, vaarweg- of luchtvaartverkeer, en
b. het project of de andere handeling veroorzaakt stikstofdepositie op een voor stikstof gevoelig habitat in een Natura 2000-gebied die hoger is dan 0,05 mol per hectare per jaar.
2. In afwijking van het eerste lid, aanhef, doet degene die een andere handeling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 2°, realiseert ten minste vier weken maar ten hoogste drie maanden daaraan voorafgaand een melding.
3. De melding, bedoeld in het eerste lid, wordt gedaan bij gedeputeerde staten van de provincie waarin het project of de andere handeling in hoofdzaak wordt gerealiseerd, of, indien het een project of andere handeling of een gebied als bedoeld in artikel 1.3, vijfde lid, onderdeel a of b, van de wet betreft, bij de minister.
4. De melding, bedoeld in het eerste lid, kan worden gedaan met gebruikmaking van AERIUS Calculator.
5. Bij de melding, bedoeld in het eerste lid, worden de volgende gegevens verstrekt:
a. de naam en het adres van de persoon of de rechtspersoon die de melding doet, alsmede het elektronisch adres van die persoon of rechtspersoon, indien de melding met behulp van AERIUS Calculator wordt gedaan;
b. indien de melding wordt gedaan door een gemachtigde: zijn naam en adres, de machtiging, alsmede het elektronisch adres van die persoon of rechtspersoon, indien de melding met behulp van AERIUS Calculator wordt gedaan;
c. indien het project of de andere handeling wordt gerealiseerd door een ander dan de aanvrager: zijn naam en adres;
d. het adres, de kadastrale aanduiding dan wel de ligging van het project of de andere handeling;
e. een omschrijving van de aard en de omvang van het project of de andere handeling;
f. de omvang van de stikstofdepositie die het project of de andere handeling per hectare per kalenderjaar veroorzaakt op een voor stikstof gevoelig habitat in een Natura 2000-gebied en de berekening waaruit die omvang blijkt, en, ingeval toepassing is gegeven aan artikel 2.4, vijfde lid, de gegevens ter onderbouwing van de stikstofdepositie, veroorzaakt door de bestaande activiteit;
g. het tijdstip waarop het project of de andere handeling naar verwachting wordt aangevangen.
6. Op het bepalen van de omvang van de stikstofdepositie, bedoeld in het vijfde lid, onderdeel f, is artikel 2.4, tweede lid en vierde tot en met negende lid, van overeenkomstige toepassing.

De meldingsplicht waarin artikel 2.7 voorziet is toegelicht in paragraaf 2.4 van het algemene deel van de toelichting. In aanvulling daarop kan het volgende worden opgemerkt.

De in het eerste lid neergelegd minimumtermijn betekent dat de melding ten minste vier weken voorafgaand aan het begin van de uitvoering van de werkzaamheden moet worden gedaan. Met de uitvoering van de werkzaamheden moet binnen twee jaar na de melding worden gestart. Dat impliceert dat voorgenomen activiteiten voldoende concreet moeten zijn voordat een melding kan worden gedaan. Alleen voor het plaatsen van extra dieren in een bestaande inrichting geldt dat de melding uiterlijk drie maanden van tevoren moet worden gedaan (tweede lid).

Het bevoegd gezag, waarbij ingevolge het derde lid de melding moet worden gedaan, is het bevoegde gezag dat ingevolge artikel 1.3, eerste en vierde lid, van de wet bevoegd is voor de verlening van de vergunning, bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de wet.

De melding kan ingevolge het vierde lid worden gedaan met gebruikmaking van AERIUS Calculator, maar dit is niet verplicht. Ingevolge artikel 2.1 van deze regeling moet de initiatiefnemer met behulp van AERIUS Calculator de stikstofdepositie berekenen die zijn voorgenomen project of andere handeling veroorzaakt op een voor stikstof gevoelig habitat in een Natura 2000-gebied. In de praktijk is een elektronische melding met behulp van AERIUS dan ook praktischer dan een afzonderlijke schriftelijke melding. Ingeval een initiatiefnemer niet met behulp van AERIUS meldt, dan moet hij de ingevolge het vijfde lid vereiste gegevens schriftelijk melden bij het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag voert vervolgens die gegevens in AERIUS in. Voor de gegevens die moeten worden gemeld is aangesloten bij de eisen aan een aanvraag om een omgevingsvergunning, waarbij voor de natuurtoets kan worden aangehaakt (artikelen 1.3 en 8.1 van de Regeling omgevingsrecht en artikel 2.2aa, onderdeel a, van het Besluit omgevingsrecht).

In de Wet op de economische delicten is overtreding van krachtens artikel 2.9, achtste lid, van de wet gestelde regels strafbaar gesteld (artikel 1a, onderdeel 2°). Dat betekent dat het strafbaar is als ten onrechte geen melding wordt gedaan, dus wanneer een meldingsplichtig project wordt gerealiseerd of een meldingsplichtige andere handeling wordt verricht zonder dat een melding is gedaan, of als bij een melding onjuiste gegevens wordt verstrekt, of als een activiteit ten onrechte wordt gemeld, in het bijzonder als een melding is gedaan en binnen twee jaar nog niet met het project of de handeling is gestart.

Artikel 2.8

Als internetadres als bedoeld in artikel 2.12, derde lid, Besluit natuurbescherming wordt aangewezen: http://pas.bij12.nl/content/mededeling-over-de-ruimte-voor-meldingen.

Wanneer 95% van de depositieruimte voor de grenswaarde die voor een hectare van voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied beschikbaar is, is benut, is de algemene grenswaarde voor niet-prioritaire projecten en handelingen die stikstofdepositie veroorzaken op het desbetreffende gebied, van rechtswege 0,05 mol per hectare per jaar voor het gehele gebied (artikel 2.12, tweede lid, Besluit natuurbescherming). Uit AERIUS moet blijken dat deze situatie zich voordoet. Zodra dit uit AERIUS blijkt, doet de Minister van Economische Zaken daarvan mededeling op internet (artikel 2.12, derde lid, Besluit natuurbescherming). Artikel 2.8 wijst het internetadres aan, waarop zulks plaatsvindt.

TITEL 2.3. VRIJSTELLING VOOR WEIDEN EN GEBRUIKEN MESTSTOFFEN

Artikel 2.9

Als categorieën van handelingen als bedoeld in artikel 2.9, derde lid, van de wet worden aangewezen:
a. het weiden van vee en
b. het op of in de bodem brengen van meststoffen, voor zover zij zijn aan te merken als handelingen als bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming.

In artikel 1.3, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming zijn categorieën van handelingen en projecten aangewezen waarvoor de Minister van Economische ingevolge artikel 1.3 van de wet bevoegd gezag is in plaats van provinciale staten of gedeputeerde staten van de provincies, ten aanzien van de bevoegdheden aangewezen in het tweede lid van artikel 1.3 van het Besluit natuurbescherming. Één van de aangewezen bevoegdheden betreft de bevoegdheid om categorieën van projecten of andere handelingen aan te wijzen waarop het verbod van artikel 2.7, tweede lid, van de wet niet van toepassing is (artikel 2.9, derde lid, van de wet). Artikel 2.7, tweede lid, van de wet verbiedt om zonder vergunning handelingen te verrichten of projecten te realiseren die, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Artikel 2.9, vierde lid, van de wet bepaalt dat de aanwijzing van categorieën van projecten of andere handelingen alleen kan plaatsvinden als ten aanzien van projecten op voorhand kan worden uitgesloten dat sprake zal zijn van aantasting van de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied (onderdeel a), of – indien het andere handelingen betreft – op voorhand rekening is gehouden met de gevolgen voor een Natura 2000-gebied. Aan deze aanwijzing kan als voorwaarde worden verbonden dat aan nader gestelde regels wordt voldaan (artikel 2.9, derde lid, van de wet).

Op grond van de toenmalige Natuurbeschermingswet 1998 was het weiden van vee en het op of in de bodem brengen van meststoffen vrijgesteld van de vergunningplicht als voorzien in artikel 19d van die wet, welk artikel de voorganger was van artikel 2.7, tweede lid, van de huidige wet (artikel 3a van het toenmalige Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998). De aanwijzing van het weiden van vee en het op of in de bodem brengen van meststoffen in artikel 2.9 van de onderhavige regeling leidt er in samenhang met artikel 2.9, derde lid, van de wet toe dat de eerdere vrijstelling wordt gecontinueerd, voor zover sprake is van in artikel 1.3, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming aangewezen categorieën van handelingen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als het weiden van vee of het op of in de bodem brengen van meststoffen onderdeel is van het gebruik, beheer en onderhoud van militaire terreinen en oefengebieden, of van de maatregelen en voorzieningen die nodig zijn met het oog op de ontwikkeling, werking en bescherming van hoofdwateren (artikel 1.3, onderdeel a, onder 3°, onderscheidenlijk onderdeel c, van het Besluit natuurbescherming). Voor zover geen sprake is van handelingen waarvoor de Minister van Economische Zaken bevoegd is, is het aan provinciale staten van de onderscheiden provincies om voor het weiden van vee of op of in de bodem brengen van meststoffen vrijstelling van de vergunningplicht te verlenen.

De aanwijzing in artikel 2.9 van de onderhavige regeling ziet op het weiden van alle soorten vee en het op of in de bodem brengen van meststoffen, te weten: dierlijke meststoffen, overige organische meststoffen en kunstmest. Bij het gebruik van meststoffen gaat het, overeenkomstig de begripsomschrijving in artikel 1 van het Besluit gebruik meststoffen, om het op of in de bodem brengen van meststoffen.

Zoals in de nota van toelichting bij de wijziging van het toenmalige Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998 uitvoerig is onderbouwd, leidt de vrijstelling voor het weiden van vee en het op of in de bodem brengen van meststoffen niet tot negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden, gegeven de uitvoering van het programma aanpak stikstof en algemene tendensen (plafonnering mestgebruik door mestgebruiksnormen, regels over de aanwending van meststoffen, de voorziene verdere aanscherping van deze normen en regels, de afname van het landbouwareaal, en de stabilisering van de weidegang op het niveau van 2012).91  Dat geldt ook voor de vrijstelling waartoe de aanwijzing in artikel 2.9 van de onderhavige regeling leidt. Inmiddels is ook voorzien in de invoering van een stelsel van fosfaatrechten voor melkvee per 1 januari 2017, waardoor een afname van de rundveestapel zal plaatsvinden.92  Er is derhalve voldaan aan artikel 2.9, vierde lid, van de wet. In casu ontbreekt ook de noodzaak om nadere voorwaarden te stellen waaraan de vrijgestelde activiteiten moeten voldoen.

HOOFDSTUK 3. SOORTEN

TITEL 3.1. VRIJSTELLING BESTRIJDING SOORTEN DIE IN HET GEHELE LAND SCHADE VEROORZAKEN

Artikel 3.1

1. Van de verboden, bedoeld in artikel 3.1 van de wet, wordt vrijstelling verleend aan grondgebruikers voor de bestrijding van Canadese ganzen, houtduiven, kauwen en zwarte kraaien.
2. Van de verboden, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdelen a en b, van de wet, wordt vrijstelling verleend aan grondgebruikers voor de bestrijding van konijnen en vossen.
3. De vrijstellingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden verleend voor de handelingen, bedoeld in artikel 3.15, vijfde lid, van de wet.
4. De categorieën van schade, bedoeld in artikel 3.15, zesde lid, onderdeel c, van de wet, zijn de categorieën van schade als bedoeld in de artikelen 3.10, eerste lid, onderdeel b, en 3.15, zesde lid, onderdeel b, van de wet.
5. De vrijstellingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, gelden uitsluitend, indien wordt voldaan aan de in de artikelen 3.2 tot en met 3.4 gestelde voorschriften en beperkingen.

De artikelen 3.1 tot en met 3.4 regelen de landelijke vrijstelling voor de bestrijding van dieren van enkele soorten die in het gehele land schade veroorzaken. Zij zijn toegelicht in paragraaf 3.1 van deze toelichting. In aanvulling daarop zij het volgende opgemerkt.

De vrijstellingen in artikel 3.1, eerste en tweede lid, worden verleend van alle wettelijke verboden die op de betrokken soorten van toepassing zijn. Alle in die verboden genoemde handelingen kunnen immers aan de orde zijn bij de voorkoming van schade door dieren van de betrokken soorten. Bij de Canadese gans, houtduif, kauw en zwarte kraai (eerste lid) gaat het om: het opzettelijk doden of vangen van vogels van de betrokken soorten, het opzettelijk vernielen of beschadigen van hun nesten, rustplaatsen of eieren en het opzettelijk storen van de vogels. Bij vossen en konijnen (tweede lid) gaat het om: het opzettelijk vangen of doden van deze dieren en het opzettelijk beschadigen of vernielen van hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Niet voorzien wordt in vrijstelling van het verbod om vogels onder zich te hebben (artikel 3.2, zesde lid, van de wet), aangezien dit verbod niet van toepassing is op vogels die aantoonbaar overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de wet, bijvoorbeeld in het kader van schadebestrijding op grond van onderhavige vrijstelling, zijn gedood of gevangen.

Overeenkomstig artikel 3.15, vijfde lid, van de wet wordt de vrijstelling verleend voor handelingen op door de grondgebruiker gebruikte gronden, dan wel in of aan door hem gebruikte opstallen; deze handelingen moeten zijn gericht op het voorkomen van in het lopende of volgende jaar dreigende schade op deze gronden, in of aan deze opstallen, of in het omringende gebied (artikel 3.1, derde lid).93

Uitgezonderd van de vrijstelling is schade die wordt bestreden op begraafplaatsen (artikel 3.2). Bij individuele ontheffing, te verlenen door gedeputeerde staten van de betrokken provincie, kan beter dan in een algemene vrijstelling, worden geborgd dat die schadebestrijding op zodanige wijze geschiedt dat recht wordt gedaan aan het bijzondere karakter van begraafplaatsen.

Voor het vangen en doden van de in de vrijstelling genoemde vogelsoorten zijn in artikel 3.3, eerste lid, middelen geselecteerd uit de in artikel 3.9 van het Besluit natuurbescherming opgenomen lijst van middelen en methoden die mogen worden gebruikt voor het vangen of doden van vogels in het kader van een ontheffing of vrijstelling. Niet aangewezen zijn de in artikel 3.9 van dat besluit genoemde niet-selectieve vangmiddelen: kastvallen, vangkooien, vangnetten, bal chatri, eendenkooien en de middelen die krachtens de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden zijn toegelaten of vrijgesteld. Het gebruik daarvan voor vogels is op grond van artikel 3.4 van de wet verboden. De kastval en de vangkooi zijn ingevolge artikel 3.3, tweede lid, van de regeling derhalve uitsluitend toegelaten als middelen voor het vangen van konijnen of vossen. Voor het gebruik van de betrokken middelen voor vogels kunnen de provincies ontheffing of vrijstelling op grond van artikel 3.4, tweede lid, van de wet verlenen, zodat de middelen voor schadebestrijding kunnen worden toegestaan in een door gedeputeerde staten verleende specifieke ontheffing voor schadebestrijding op grond de artikel 3.3, eerste lid, of 3.8, eerste lid, van de wet. Een dergelijke specifieke ontheffing maakt het mogelijk zodanige voorwaarden en beperkingen te stellen, aansluitend bij de specifieke omstandigheden waarin de schadebestrijding plaatsvindt, dat voorkomen wordt dat andere dan de beoogde vogels worden gevangen.

Artikel 3.2

De handelingen waarvoor vrijstelling wordt verleend, vinden plaats overeenkomstig het faunabeheerplan, dat is vastgesteld overeenkomstig artikel 3.12, eerste, derde tot en met zesde lid, van de wet en dat is goedgekeurd overeenkomstig artikel 3.12, zevende lid, van de wet.

Zie voor de toelichting onder artikel 3.1.

Artikel 3.3

1.   Als middelen en methoden als bedoeld in de artikelen 3.3, vijfde lid, onderdeel a, en 3.25, tweede lid, van de wet, die mogen worden gebruikt ter uitvoering van de vrijstelling, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, worden aangewezen:
a. geweren;
b. honden, niet zijnde lange honden, en
c. haviken, slechtvalken en woestijnbuizerds.
2. Als middelen als bedoeld in artikel 3.25, tweede lid, van de wet, die mogen worden gebruikt ter uitvoering van de vrijstelling, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, worden aangewezen:
a. geweren;
b. honden, niet zijnde lange honden;
c. haviken, slechtvalken en woestijnbuizerds;
d. fretten;
e. kastvallen;
f. vangkooien, en
g. buidels.

Zie voor de toelichting onder artikel 3.1.

Artikel 3.4

Ter uitvoering van de vrijstellingen, bedoeld in artikel 3.1, eerste en tweede lid, worden:
a. geen andere vangmiddelen of dodingsmiddelen gebruikt dan de in artikel 3.3, eerste, onderscheidenlijk tweede lid, genoemde middelen;
b. aardhonden niet gebruikt voor het vangen of doden van vossen in holen in de periode van 1 maart tot en met 31 augustus;
c. de in artikel 3.3, eerste en tweede lid, aangewezen middelen, met uitzondering van fretten, kastvallen, vangkooien en buidels, niet gebruikt op zondagen, de nieuwjaarsdag, de tweede paasdag, de tweede pinksterdag, de eerste en tweede kerstdag, en de hemelvaartsdag.

Zie voor de toelichting onder artikel 3.1.

TITEL 3.2. JACHT

§ 3.2.1. Regels over de uitoefening van de jacht

Artikel 3.5

De jacht op de hierna genoemde wildsoorten is geopend gedurende de daarbij vermelde tijdvakken:
a. fazantenhaan: van 15 oktober tot en met 31 januari;
b. fazantenhen: van 15 oktober tot en met 31 december;
c. haas: van 15 oktober tot en met 31 december;
d. houtduif: van 15 oktober tot en met 31 januari;
e. konijn: van 15 augustus tot en met 31 januari;
f. wilde eend: van 15 augustus tot en met 31 januari.

Deze artikelen zijn toegelicht in paragraaf 3.2 van deze toelichting.

Artikel 3.6

Als organisaties als bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit natuurbescherming worden aangewezen de organisaties, genoemd in bijlage 2.

Deze artikelen zijn toegelicht in paragraaf 3.2 van deze toelichting.

TITEL 3.3. MIDDELEN

§ 3.3.1. Erkenning examens

Artikel 3.7

Als examens als bedoeld in de artikelen 3.28, tweede lid, onderdeel a, en 3.30, tweede lid, tweede volzin, in samenhang met artikel 3.28, tweede lid, onderdeel a, en 3.30, derde lid, van de wet worden erkend het jachtexamen, het examen voor het gebruik van jachtvogels en het examen voor het gebruik van eendenkooien die worden afgenomen door de Stichting Flora- en faunawetexamens.

Deze artikelen zijn toegelicht in paragraaf 3.3.1. van deze toelichting.

Artikel 3.7 voorziet in de erkenning van jachtexamens, de examens voor het gebruik van jachtvogels, en de examens voor het gebruik van eendenkooien die worden afgenomen door de Stichting Flora- en faunawetexamens. De examens van deze stichting waren voorheen ook erkend ingevolge de Regeling erkenning jachtexamen en preparateursexamen Flora- en faunawet. Op de kwaliteit van deze examens en de wijze van beoordeling van de examenresultaten is toezicht gehouden door op grond van artikel 8 van de toenmalige Jachtregeling aangewezen toezichthouders. De examens van de Stichting Flora- en faunawetexamens voldeden steeds aan de eisen die in het toenmalige Jachtbesluit en de toenmalige Jachtregeling werden gesteld. Deze eisen zijn in het Besluit natuurbescherming en in de onderhavige regeling ongewijzigd gebleven.

Op grond van artikel 3.28, tweede lid, onderdeel a, van de wet kan een jachtakte ook worden verleend als de aanvrager met gunstig gevolg een door de bevoegde autoriteit van een andere staat erkend jachtexamen heeft afgelegd, mits dat examen door de Minister van Economische Zaken is aangemerkt als een examen dat gelijkwaardig is aan de door hem erkende examens. Ingevolge artikel 3.30, tweede en derde lid, van de wet geldt dat ook voor de examens voor het gebruik van jachtvogels en examens voor het gebruik van eendenkooien. De als gelijkwaardig aangemerkte buitenlandse examens zijn in artikel 3.8 van deze regeling opgenomen. In de eerste plaats gaat het om examens die erkend zijn in de andere Benelux-landen. De verplichting om deze examens als gelijkwaardig aan de nationale examens aan te merken vloeit voort uit de Beschikking van het Comité van Ministers van de Benelux Economische Unie van 27 april 1983 strekkende tot onderlinge erkenning van jachtexamens. Daarnaast is – evenals op grond van de toenmalige Flora- en faunawet het geval was – ook het Duitse jachtexamen, dat behaald is bij of krachtens het Bundesjagdgesetz, als gelijkwaardig aangemerkt.

Op grond van de artikelen 3.18, tweede lid, 3.19, tweede lid, en 3.22, tweede lid, van het Besluit natuurbescherming moeten bij ministeriële regeling regels worden gesteld over de wijze van toetsing van kennis, vaardigheid en bekwaamheid en de wijze van beoordeling van examenresultaten. De artikelen 3.9, 3.10, en 3.11 van deze regeling bevatten deze regels, zowel voor het jachtexamen als het examen voor het gebruik van jachtvogels en het examen voor het gebruik van eendenkooien. Deze regels zijn onveranderd overgenomen uit de artikelen 4, 5 en 6 van de Jachtregeling. In de praktijk is gebleken dat deze regels werkbaar zijn en geen aanpassing behoeven.

Artikel 3.8

Als gelijkwaardig aan erkende examens als bedoeld in de artikelen 3.28, tweede lid, onderdeel a, tweede zinsdeel, 3.30, tweede lid, tweede volzin, in samenhang met artikel 3.28, tweede lid, onderdeel a, tweede zinsdeel, en 3.30, derde lid, van de wet worden aangemerkt:
a. met betrekking tot het theoretische gedeelte: het theoretische gedeelte A en B van het jachtexamen, afgelegd vanaf 1 april 1984 op grond van het bepaalde bij of krachtens het Belgisch Koninklijk besluit van 28 februari 1977 betreffende de afgifte van jachtverloven en jachtvergunningen, het Belgisch ministerieel besluit van 2 maart 1977 tot inrichting van het jachtexamen en het Besluit van de Vlaamse Executieve van 29 mei 1991 tot inrichting van het jachtexamen;
b. het jachtexamen, afgelegd op grond van het bepaalde bij of krachtens het Besluit van de Vlaamse regering van 18 januari 1995 betreffende de organisatie van het jachtexamen;
c. het jachtexamen, afgelegd op grond van het bepaalde bij of krachtens het Besluit van de Waalse regering van 2 april 1998 tot organisatie van het jachtexamen in het Waalse Gewest;
d. met betrekking tot het theoretische gedeelte, het theoretische gedeelte A en B van het jachtexamen, afgelegd vanaf 1 april 1984 op grond van het bepaalde bij of krachtens het Belgisch Koninklijk besluit van 28 februari 1977 betreffende de afgifte van jachtverloven en jachtvergunningen en het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 21 januari 1991 tot organisatie van het jachtexamen in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest;
e. het jachtexamen, afgelegd op grond van het bepaalde bij of krachtens het gewijzigde Règlement grand-ducal van 16 april 1991 betreffende de voorwaarden en modaliteiten met betrekking tot de bekwaamheidsproef voor het verlenen van een eerste jachtvergunning;
f. het jachtexamen, afgelegd op grond van het bepaalde bij of krachtens het Bundesjagdgesetz.

Zie voor de toelichting onder artikel 3.7.

§ 3.3.2. Inhoud examens

Artikel 3.9

1. De kennis, bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit natuurbescherming, wordt getoetst met:
a. ten minste vijftig meerkeuzevragen, waarvan:
1°. vijftien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, 2°, 3° en 4°, van het Besluit natuurbescherming;
2°. tien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 5° en 6°, van het Besluit natuurbescherming;
3°. tien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 7° en 8°, van het Besluit natuurbescherming;
4°. tien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 9° en 10°, van het Besluit natuurbescherming, en
5°. vijf vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 11° en 12°, van het Besluit natuurbescherming;
b. ten minste vijfentwintig meerkeuzevragen, gesteld met behulp van beelddragers, waarvan:
1°. vijftien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, van het Besluit natuurbescherming, en
2°. tien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, 4°, 5°, 6°, 7°, 8°, 9°, 10°, 11° en 12°, van het Besluit natuurbescherming.
2. De schietvaardigheid en vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit natuurbescherming, worden getoetst door middel van:
a. het schieten op ten minste vijfentwintig kleiduiven met hagel;
b. het doen van ten minste vier schoten in twee series van twee schoten met groot-kaliber kogelgeweer op een doel gelegen op een afstand van ten minste vijftig meter, en
c. het tonen van weidelijk gedrag en bekwaamheid in het veilig omgaan met een geweer in ten minste tien gesimuleerde situaties.
3. Een jachtexamen is uitsluitend met gunstig gevolg afgelegd, indien degene die het examen aflegt:
a. van de vragen, bedoeld in het eerste lid, ten minste 70% goed heeft beantwoord;
b. bij het schieten, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, ten minste achttien van de vijfentwintig kleiduiven heeft geraakt;
c. bij het doen van schoten, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, ten minste drie treffers heeft die zijn gelegen binnen een cirkel van vijftien centimeter, en
d. weidelijk gedrag en bekwaamheid als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, naar het oordeel van de organisatie die het examen afneemt, heeft getoond.

Zie voor de toelichting onder artikel 3.7.

Artikel 3.10

1. De kennis, bedoeld in artikel 3.19, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit natuurbescherming, wordt getoetst met:
a. ten minste vijftig meerkeuzevragen, waarvan:
1°. vijftien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, 2° en 3°, van het Besluit natuurbescherming;
2°. vijf vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 5°, van het Besluit natuurbescherming;
3°. tien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 7° en 8°, van het Besluit natuurbescherming;
4°. vijftien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 10°, van het Besluit natuurbescherming, en
5°. vijf vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 11° en 12°, van het Besluit natuurbescherming;
b. ten minste twintig meerkeuzevragen, gesteld met behulp van beelddragers, waarvan:
1°. tien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, van het Besluit natuurbescherming, en
2°. tien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, 5°, 7°, 8°, 10°, 11° en 12°, van het Besluit natuurbescherming.
2. De bekwaamheid, bedoeld in artikel 3.19, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit natuurbescherming, wordt getoetst bij de beoordeling van twee stages van een jaar bij twee mentoren, aangewezen door de in artikel 3.7 genoemde organisatie. De stages hebben tot doel om bekwaamheid te verwerven ten aanzien van de omgang met jachtvogels, het dragen en zeeg maken van jachtvogels, de verzorging van jachtvogels, het aanleggen van tuig, het doden van prooien en slachten van aasdieren, het aanleren van gewenst gedrag van jachtvogels, het voorkomen en afleren van ongewenst gedrag van jachtvogels, het zoeken en terugvangen van verloren jachtvogels, het beoordelen van de inzetbaarheid van jachtvogels, het toepassen van fretten en het gebruik van fluit, loer en balg.
3. Een examen voor het gebruik van jachtvogels is uitsluitend met gunstig gevolg afgelegd indien degene die het examen aflegt:
a. van de vragen, bedoeld in het eerste lid, ten minste 70% goed heeft beantwoord;
b. voldoende bekwaamheid als bedoeld in het tweede lid heeft verworven, naar het oordeel van de organisatie die het examen afneemt.

Zie voor de toelichting onder artikel 3.7.

Artikel 3.11

1. De kennis, bedoeld in artikel 3.22, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming, wordt getoetst met:
a. ten minste veertig meerkeuzevragen, waarvan:
1°. vijftien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, 2° en 3°, van het Besluit natuurbescherming;
2°. vijf vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 5°, van het Besluit natuurbescherming;
3°. vijftien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 10°, van het Besluit natuurbescherming, en
4°. vijf vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 11° en 12°, van het Besluit natuurbescherming;
b. ten minste vijftien meerkeuzevragen, gesteld met behulp van beelddragers, waarvan:
1°. tien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, van het Besluit natuurbescherming, en
2°. vijf vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, 5°, 10°, 11° en 12°, van het Besluit natuurbescherming.
2. Een examen voor het gebruik van eendenkooien is uitsluitend met gunstig gevolg afgelegd indien degene die het examen aflegt van de vragen, bedoeld in het eerste lid, ten minste 70% goed heeft beantwoord.

Zie voor de toelichting onder artikel 3.7.

§ 3.3.3. Wijze van aanvragen en model jachtakte en valkeniersakte

Artikel 3.12

1. Een jachtakte wordt aangevraagd door middel van een volledig ingevuld en ondertekend formulier, dat kosteloos bij de korpschef verkrijgbaar is.
2. Een valkeniersakte wordt aangevraagd door middel van een volledig ingevuld en ondertekend formulier, dat kosteloos bij de Minister van Economische Zaken verkrijgbaar is.
3. Een jachtakte of valkeniersakte kan in het geval, bedoeld in artikel 3.28, vijfde lid, van de wet namens de persoon voor wie de akte bestemd is, worden aangevraagd door een jachthouder die hem voor de jacht heeft uitgenodigd.
4. Een aanvraag als bedoeld in het eerste of tweede lid gaat vergezeld van twee goed gelijkende pasfoto's van degene voor wie de akte bestemd is.

In aanvulling op de toelichting van de artikelen 3.12 en 3.13 in paragraaf 3.3.2, zij ten aanzien van artikel 3.13 nog het volgende opgemerkt. Het model van de jachtakte bestaat uit een formulier, voorzien van een zegel die door de korpschef wordt aangebracht. Het model van deze zegel wordt jaarlijks opnieuw vastgesteld. In aanvulling op de modelzegel voor de reguliere jachtakte (artikel 3.13, derde lid) wordt een aparte modelzegel vastgesteld voor de zogenoemde ‘logeerakte’ (artikel 3.13, vierde lid). De logeerakte is de benaming van een akte van zes dagen, die op grond van artikel 3.28, vijfde lid, van de wet, wordt verleend aan personen die niet woonachtig zijn in Nederland en op uitnodiging van een Nederlandse jachthouder op Nederlands grondgebied komen jagen. Ook voor de zogenoemde duplicaatakte is een aparte modelzegel vastgesteld (artikel 3.13, vijfde lid).

Artikel 3.13

1. Het model van de jachtakte, bedoeld in artikel 3.28, zevende lid, van de wet, wordt gevormd door een modelformulier en een modelzegel, die door de korpschef op de jachtakte wordt aangebracht en gestempeld.
2. Als modelformulier als bedoeld in het eerste lid wordt vastgesteld het modelformulier, opgenomen in bijlage 3.
3. Als modelzegel als bedoeld in het eerste lid wordt voor het tijdvak 1 april 2016 tot en met 31 maart 2017 vastgesteld de modelzegel, opgenomen in bijlage 4. De zegel wordt gedrukt op een donkerblauwe achtergrond (kleuraanduiding Pantone blue 072).
4. Voor een jachtakte als bedoeld in artikel 3.28, vijfde lid, van de wet wordt, in afwijking van het derde lid, als modelzegel als bedoeld in het eerste lid voor het tijdvak van 1 april 2016 tot en met 31 maart 2017 vastgesteld de modelzegel, opgenomen in bijlage 5. De zegel wordt gedrukt op een turquoise achtergrond (kleuraanduiding Pantone 333).
5. Voor een duplicaat van een jachtakte wordt, in afwijking van het derde lid, als modelzegel als bedoeld in het eerste lid voor het tijdvak van 1 april 2016 tot en met 31 maart 2017 vastgesteld de modelzegel, opgenomen in bijlage 6. De zegel wordt gedrukt op een roodbruine achtergrond (kleuraanduiding Pantone 484).
6. De jachtakte wordt voorzien van de pasfoto van degene voor wie de akte is bestemd. Deze foto wordt door middel van een stempelafdruk gewaarmerkt.
7. Als model van de valkeniersakte, bedoeld in artikel 3.30, tweede lid, van de wet, in samenhang met artikel 3.28, zevende lid, van de wet, wordt vastgesteld het modelformulier, opgenomen in bijlage 7
.

Zie voor de toelichting onder artikel 3.12.

TITEL 3.4. ONDER ZICH HEBBEN OF VERHANDELEN VAN DIEREN OF PLANTEN

§ 3.4.1. Uitvoering EU-verordeningen en EU-richtlijnen

Artikel 3.14

Als voorschriften als bedoeld in artikel 3.37, eerste lid, van de wet worden aangewezen:
a. de artikelen 4, eerste lid, eerste volzin, tweede lid, eerste volzin, derde en vierde lid, 5, eerste en vierde lid, eerste volzin, 6, derde lid, 8, eerste lid, in samenhang met het vijfde lid, en 9, eerste, vierde en vijfde lid van de CITES-basisverordening;
b. artikel 3, eerste lid, van verordening (EG) nr. 1007/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de handel in zeehondenproducten (PbEU 2009, L 286), en
c. artikel 3, eerste lid, van verordening (EEG) nr. 3254/91 van de Raad van 4 november 1991 houdende een verbod op het gebruik van de wildklem in de Gemeenschap en op het binnenbrengen in de Gemeenschap van pelzen en produkten die vervaardigd zijn van bepaalde in het wild levende diersoorten uit landen waar gebruik wordt gemaakt van de wildklem of andere vangmethoden die niet stroken met de internationale normen voor humane vangst met behulp van vallen (PbEG 1991, L 308).

Artikel 3.14, onderdeel a, wijst voorschriften van CITES-basisverordening aan die vergunningplichten opleggen voor soorten die zijn genoemd in de bijlagen bij de verordening.

Artikel 4 van de verordening vereist dat voorafgaand aan invoer van specimens van soorten, genoemd in de bijlagen A en B van de verordening, een invoervergunning wordt voorgelegd. Bij specimens van soorten, genoemd in de bijlagen C en D van de verordening, is voorafgaand aan invoer een kennisgeving van invoer vereist.

Bij uitvoer of wederuitvoer dient op grond van artikel 5 van de verordening een voorafgaande uitvoervergunning of wederuitvoercertificaat te worden voorgelegd.

Indien een vergunning of certificaat bij een eerdere aanvraag is gewijzigd, dient de aanvrager de redenen van de afwijzing aan bevoegd gezag mede te delen volgens artikel 6, derde lid, van de verordening.

Artikel 8 van de verordening voorziet in een verbod in op handelingen die verband houden met de handel en gebruik voor commerciële doeleinden van specimens van de in bijlage A en B genoemde soorten. Voor specimens van soorten op bijlage B geldt een uitzondering op het verbod indien zij verkregen werden en binnengebracht overeenkomstig de geldende wetgeving inzake de instandhouding van de wilde flora en fauna.

Artikel 9 van de verordening stelt regels over de zorg voor levende dieren die op de bijlagen zijn opgenomen. Indien een specimen behoort tot een soort die is opgenomen op bijlage A, is voorafgaande toestemming vereist. Bij specimens van soorten op de andere bijlagen dient de persoon verantwoordelijk voor het vervoer het bewijs van wettelijke oorsprong te leveren. Bezitters van levende specimens van een soort genoemd in bijlage B mogen hiervan uitsluitend afstand doen indien de toekomstige ontvanger voldoende is ingelicht over het onderbrengen, de uitrusting en de handelingen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat het specimen op gepaste wijze zal worden behandeld.

Artikel 3.14, onderdeel b, wijst een voorschrift van verordening nr. 1007/2009 aan. Dat voorschrift behelst een verbod op het invoeren en op de markt brengen van zeehondenproducten, tenzij deze afkomstig zijn van door de Inuit- en andere inheemse gemeenschappen traditioneel voor hun levensonderhoud beoefende jacht. Het Beroepslichaam van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) heeft in 2014 uitspraak gedaan in de door Canada en Noorwegen tegen de EU aangespannen zaak over het EU-handelsverbod voor producten afkomstig van zeehonden. Verordening nr. 1007/2009 is naar aanleiding van deze uitspraak gewijzigd.

Artikel 3.14, onderdeel c, wijst een voorschrift aan van verordening nr. 3254/1991 dat verbiedt om dieren of producten afkomstig van dieren, van dertien aangewezen soorten, in de Gemeenschap binnen te brengen uit landen waar het gebruik van de wildklem ten aanzien van die dieren niet is verboden. Het gebruik van wildklemmen in Nederland is op grond van de wet verboden (artikel 3.24, tweede lid, van de wet en artikel 3.11, eerste lid, onderdeel b, van het besluit)

Artikel 3.15

1. Het is verboden in strijd te handelen met de voorwaarden en vereisten, bedoeld in artikel 11, derde lid, van de CITES-basisverordening.
2. Ten aanzien van een plant van een in bijlage 8 van deze regeling genoemde soort kan degene die de plant uitvoert een fytosanitair certificaat aanvragen bij de Minister van Economische Zaken. Het fytosanitaire certificaat voldoet aan artikel 17, tweede lid, van de CITES-uitvoeringsverordening.
3. In plaats van een uitvoervergunning als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de CITES-basisverordening wordt aanvaard een fytosanitair certificaat dat is verleend overeenkomstig het tweede lid of dat is afgegeven door een bevoegde administratieve instantie van een andere lidstaat van de Europese Unie.
4. Het is verboden de producten, genoemd in de bijlage bij richtlijn 83/129/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de invoer in de Lid-Staten van huiden van bepaalde zeehondenjongen en daarvan vervaardigde produkten (PbEG 1983, L 91), voor handelsdoeleinden binnen Nederland te brengen.
5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, geldt niet voor producten die afkomstig zijn van de traditionele jacht van de Eskimobevolking.

Op grond van artikel 17, eerste lid, onderdeel a, van de CITES-uitvoeringsverordening mogen lidstaten bepalen dat bij de uitvoer van bepaalde gekweekte planten een fytosanitair certificaat wordt afgegeven in plaats van een uitvoervergunning als bedoeld in artikel 5, vierde lid, van de CITES-basisverordening. Van deze mogelijkheid is in artikel 3.15, tweede en derde lid, van deze regeling gebruik gemaakt, net zoals onder de Flora- en faunawet het geval was. Fytosanitaire certificaten zijn in veel gevallen al voorgeschreven voor de uitvoer van deze planten en op deze wijze worden de administratieve lasten beperkt voor de exporteur. In Nederland worden fytosanitaire certificaten uitgegeven door de Minister van Economische Zaken, ter uitvoering van de Plantenziektenwet. De soorten waar deze uitzondering voor geldt, zijn aangewezen in bijlage 8 bij de regeling. Onder de toenmalige Flora- en faunawet waren deze soorten niet in regelgeving vastgelegd. Wel was de betreffende lijst met soorten neergelegd bij het CITES-secretariaat.94  Bijlage 8 van deze regeling is in vergelijking met die lijst aangevuld met plantensoorten waarvan de export sinds het vaststellen van de vorige lijst dermate is gegroeid dat opname op de lijst in de rede ligt.

§ 3.4.2. Vrijstellingen soorten Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn

Artikel 3.16

1. Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van de verboden, bedoeld in de artikelen 3.2, eerste lid, en 3.6, eerste lid, van de wet, voor het verkopen, vervoeren voor verkoop, onder zich hebben voor verkoop of ten verkoop aanbieden van een dode vogel of een ander dood dier, of producten daarvan.
2. De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, geldt uitsluitend, indien de vogel of het andere dier aantoonbaar is verkregen overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de artikelen 3.15, tweede of vierde lid, 3.16, tweede of vierde lid, 3.17, eerste lid, of 3.18, eerste lid, van de wet.

De artikelen 3.16 tot en met 3.21 bevatten verschillende vrijstellingen van de in de wet en het Besluit natuurbescherming opgenomen verboden om dieren en planten van beschermde soorten te verhandelen of onder zich te hebben. Wil een handelaar of houder van een dier of plant van deze soorten een beroep op een vrijstelling willen kunnen doen, dan zal hij moeten aantonen dat wordt voldaan aan de voorschriften en beperkingen die aan de vrijstelling zijn verbonden. Kan hij dat niet, dan geldt het verbod waarop de vrijstelling ziet onverkort en begaat hij bij handelen in strijd daarmee een strafbaar feit. De artikelen zijn toegelicht in de paragrafen 3.4.3 en 3.4.4 van deze toelichting.

De in de artikelen 3.19, 3.20 en 3.21 opgenomen vrijstellingen voor in de bijlagen bij de CITES-basisverordening genoemde soorten gelden ten aanzien van planten of dieren die uit andere landen Nederland worden binnengebracht uitsluitend, indien:

a. met betrekking tot de aanvraag, afgifte, vorm, inhoud, overlegging en geldigheid en het gebruik van invoervergunningen, uitvoervergunningen, kennisgevingen van invoer en certificaten, dan wel afschriften daarvan, alsmede van merken en etiketten is voldaan aan hetgeen daarover in de basis- en uitvoeringsverordening is bepaald, en

b. het bewijs daarvan door de houder van de betrokken specimens desgevraagd aan de ambtenaren belast met de handhaving van de wet wordt overgelegd.

Dat vloeit voort uit de aan de vrijstellingen verbonden vereisten dat de dieren en planten aantoonbaar overeenkomstig de betrokken verordeningen Nederland moeten zijn binnengebracht.

In artikel 3.19, vierde lid, is een uitzondering gemaakt op de vrijstelling van het verbod op het onder zich hebben van gefokte zwanen, roofvogels of uilen in het ‘veld’; daarvoor blijft het verbod onverkort van kracht. Daarbij is niet relevant of het houden van de dieren bedrijfsmatig, hobbymatig of anderszins plaatsvindt. Voor het begrip ‘veld’ zij verwezen naar de uitleg die hier in de jurisprudentie aan wordt gegeven: een voor de uitoefening van de jacht bestemd of geschikt terrein; in artikel 1.1 van de Wet natuurbescherming is een uitbreiding gegeven aan hetgeen in het normale taalgebruik onder een ‘veld’ wordt verstaan, door ook wateren en daaraan verbonden natuur als schorren en slikken, alsook wegen en paden daaronder te vatten, mits deel uitmakend van een voor de uitoefening van de jacht geschikt of bestemd terrein.

In artikel 3.19, vijfde lid, is een uitzondering gemaakt op de vrijstelling van het verbod op onder zich hebben of verhandelen van gefokte vogels ten aanzien van haviken. Voor deze soort gelden extra eisen voor een afwijking van de verbodsbepalingen, verbonden aan een individuele toets door de Minister van Economische Zaken. Voor het onder zich hebben van gefokte haviken kan op grond van artikel 3.40 van de wet door de minister ontheffing worden verleend, indien de aanvrager door het overleggen van DNA-fingerprints van zowel de oudervogels als de jonge vogel het bewijs levert dat de vogels inderdaad in gevangenschap zijn gefokt (artikel 3.19, vijfde lid, tweede volzin). Voorheen gold deze aanvullende eis op grond van artikel 17 van de toenmalige Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten, vanwege de vaststelling destijds dat er aanwijzingen waren dat haviken aan de natuur werden onttrokken ten behoeve van valkerij en pseudo-valkerij, dat de betrokken soort zeer kwetsbaar is en dat het zeer lucratief is om haviken te verhandelen.95  Hoewel de staat van instandhouding van de havik sindsdien is verbeterd, biedt de aanvullende eis ten aanzien van de bewijsvoering aan de hand van over te leggen DNA-fingerprints wenselijke extra waarborgen bij de vaststelling dat de betreffende havik niet op illegale wijze aan de natuur is onttrokken. De mogelijkheid om te eisen dat de afstamming door middel van typering van bloed of ander weefsel wordt vastgesteld wordt geboden door artikel 55 van de CITES-uitvoeringsverordening.

Artikel 3.17

1. Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van de verboden, bedoeld in de artikelen 3.2, zesde lid, en 3.6, tweede lid, van de wet, voor het vervoeren van een vogel of een ander dier met een dierenambulance.
2. De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, geldt uitsluitend, indien de vogel of het andere dier binnen twaalf uur wordt overgedragen aan personen of instanties die krachtens de wet en de Wet dieren gerechtigd zijn uit het wild afkomstige dieren onder zich te hebben voor opvang en verzorging.

Zie voor de toelichting onder artikel 3.16.

Artikel 3.18

1. Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, zesde lid, van de wet, voor het onder zich hebben en vervoeren van een dode vogel met het oog op preparatie daarvan.
2. De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, geldt uitsluitend, indien:
a. de vogel kennelijk is gestorven buiten schuld of medeweten van degene die zich de vogel heeft toegeëigend, of overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de wet is gedood en verkregen, of niet uit Nederland afkomstig is en kennelijk niet in strijd met de wetgeving van het land van herkomst is verkregen, en
b. degene die de vogel onder zich heeft:
1°. de vogel binnen drie dagen aflevert bij een preparateur voor preparatie, of
2°. de vogel zelf prepareert en voldoet aan artikel 3.26 van het Besluit natuurbescherming en artikel 3.23 van deze regeling.
3. Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, zesde lid, van de wet, voor het onder zich hebben van een geprepareerde vogel.
4. De vrijstelling, bedoeld in het tweede lid, geldt uitsluitend, indien de vogel is gemerkt met een merkteken overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.26, tweede lid, onderdeel b, van het Besluit natuurbescherming en artikel 3.23, vierde en vijfde lid.

Zie voor de toelichting onder artikel 3.16.

§ 3.4.3. Vrijstellingen gefokte vogels en soorten op bijlagen CITES

Artikel 3.19

1. Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van de verboden, bedoeld in artikel 3.24, eerste, tweede en derde lid, van het Besluit natuurbescherming, voor onderscheidenlijk:
a. het onder zich hebben of verhandelen van een aantoonbaar gefokte vogel van een soort als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, die niet is genoemd in bijlage A, B, C of D bij de CITES-basisverordening, of producten of eieren daarvan;
b. het onder zich hebben van een aantoonbaar gefokte vogel van een soort die is genoemd in bijlage A, B, C of D bij de CITES-basisverordening, en
c. het verhandelen van een aantoonbaar gefokte vogel van een soort die is genoemd in bijlage C of D bij de CITES-basisverordening, of producten of eieren daarvan.
2. Ingeval de vogel behoort of mede behoort tot een soort als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, geldt de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend, indien:
a. de vogel is voorzien van:
1°. een gesloten pootring, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.28 van het Besluit natuurbescherming en artikel 3.25;
2°. een gesloten pootring die, of een ander merkteken dat aantoonbaar rechtmatig is afgegeven door een overheidsorgaan van een andere staat dan Nederland, of een door een overheidsorgaan van een andere staat dan Nederland erkende organisatie, in overeenstemming met de wettelijke eisen van de betreffende staat, onderscheidenlijk indien het product of ei van een dergelijke vogel afkomstig is, of
3°. ingeval de vogel behoort tot een soort, genoemd in bijlage A, B, C of D, bij de CITES-basisverordening, een microchiptransponder overeenkomstig artikel 66, derde lid, van verordening nr. 856/2006, tenzij de minister een verklaring heeft afgegeven dat een microchiptransponder wegens lichamelijke kenmerken van de betrokken dieren aantoonbaar niet veilig kan worden aangebracht, en
b. ingeval het een levende vogel betreft die behoort tot een soort, genoemd in bijlage A bij de CITES-basisverordening, is voldaan aan het bepaalde in artikel 3.27 van het Besluit natuurbescherming en het bepaalde in artikel 3.24.
3. Ingeval de vogel behoort tot een soort, genoemd in bijlage A, B, C of D, bij de CITES-basisverordening, niet zijnde een soort als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, geldt de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend indien:
a. ingeval het een levende gefokte vogel betreft, behorende tot een soort, genoemd in bijlage A bij de CITES-basisverordening:
1°. ten aanzien van de vogel is voldaan aan het tweede lid, onderdeel a, b of c, onderscheidenlijk indien het product of ei van een dergelijke vogel afkomstig is, en
2°. is voldaan aan het bepaalde in artikel 3.27 van het Besluit natuurbescherming en het bepaalde in artikel 3.24;
b. ingeval het een dode vogel, een product of een ei van een vogel betreft, behorende tot een soort, genoemd in bijlage A bij de CITES-basisverordening, de vogel, het product of het ei met inachtneming van de CITES-basisverordening en de CITES-uitvoeringsverordening in Nederland is gebracht of verkregen, of
c. ingeval de vogel behoort tot een soort, genoemd in bijlage B, C of D, bij de CITES-basisverordening:
1°. de vogel aantoonbaar is gefokt of het product of het ei van een dergelijke vogel afkomstig is of de vogel, het product of het ei met inachtneming van de CITES-basisverordening en de CITES-uitvoeringsverordening in Nederland zijn gebracht of verkregen, en
2°. ingeval de vogel behoort tot een soort, genoemd in bijlage B bij de CITES-basisverordening, is voldaan aan het bepaalde in artikel 3.27 van het Besluit natuurbescherming en het bepaalde in artikel 3.24.
4. De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op het onder zich hebben in het veld van een levende vogel van een in artikel 1 van de Vogelrichtlijn bedoelde soort:
a. van het geslacht Cygnus, of
b. van de orde roofvogels of uilen, tenzij degene die de vogel onder zich heeft, overeenkomstig artikel 3.30, eerste lid, van de wet gerechtigd is de vogel te gebruiken als jachtvogel.
5. De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op het onder zich hebben van een levende havik. Een ontheffing als bedoeld in artikel 3.40 van de wet van het verbod, bedoeld in artikel 3.24, eerste of tweede lid, van het Besluit natuurbescherming, op het onder zich hebben, onderscheidenlijk verhandelen van een gefokte havik, wordt slechts verleend indien de aanvrager door het overleggen van DNA-fingerprints van zowel de oudervogels als de jonge vogel het bewijs levert dat de havik in gevangenschap is gefokt.

Zie voor de toelichting onder artikel 3.16.

Artikel 3.20

1. Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.24, tweede lid, van het Besluit natuurbescherming, voor het onder zich hebben van:
a. een dood gewerveld dier, een ongewerveld dier of een plant, behorende tot een soort, genoemd in bijlage A bij de CITES-basisverordening, of producten of eieren daarvan;
b. een levend, aantoonbaar gefokt gewerveld dier, niet zijnde een vogel als bedoeld in artikel 3.19, eerste lid, onderdeel a of b, van een soort, genoemd in bijlage A bij de CITES-basisverordening, of producten of eieren daarvan, of
c. een dier, niet zijnde een vogel als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, of een plant van een soort, genoemd in bijlage B, C of D bij de CITES-basisverordening, of producten of eieren daarvan.
2. De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, geldt uitsluitend, indien:
a. het dier of de plant:
1°. aantoonbaar met inachtneming van de CITES-basisverordening en de CITES-uitvoeringsverordening in Nederland is gebracht of verkregen, of
2°. als het een ongewerveld dier of een plant betreft, aantoonbaar in Nederland is gefokt, onderscheidenlijk gekweekt, of, als het een levend, gefokt gewerveld dier van een soort, genoemd in bijlage A bij de CITES-basisverordening, betreft, is voorzien van een microchiptransponder overeenkomstig artikel 66, derde lid, van verordening nr. 856/2006, tenzij de minister een verklaring heeft afgegeven dat een microchiptransponder wegens lichamelijke kenmerken van de betrokken dieren aantoonbaar niet veilig kan worden aangebracht, en
b. is voldaan aan het bepaalde in artikel 3.27 van het Besluit natuurbescherming en het bepaalde in artikel 3.24.
3. De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is niet van toepassing ten aanzien van botten en daarvan of daarmee vervaardigde producten van de tijger (Panthera tigris) en hoorns en daarvan of daarmee vervaardigde producten van de soorten van de familie neushoorns (Rhinocerotidea).
4. De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, is niet van toepassing ten aanzien van dieren van soorten behorende tot de orde van de primaten (Primates) of de familie van de katachtigen (Felidae).
5. De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel c, is niet van toepassing ten aanzien van levende dieren van de soorten:
a. Bengaalse kat (Prionailurus bengalensis);
b. Canadese lynx (Lynx canadensis);
c. caracal (Caracal caracal);
d. poema (Puma concolor);
e. roestkat (Prionailurus rubiginosus);
f. rode lynx (Lynx rufus);
g. jagoearoendi of otterkat (Herpailurus yaguarondi);
h. leeuw (Panthera leo);
i. fretkat (Cryptoprocta ferox), en
j. behorende tot de orde van de primaten (Primates).
6. Onverminderd het tweede lid, geldt de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel c, ten aanzien van de aal (Anguilla anguilla) uitsluitend indien aantoonbaar is voldaan aan het bij of krachtens de Visserijwet 1963 bepaalde.

Zie voor de toelichting onder artikel 3.16.

Artikel 3.21

1. Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.24, derde lid, van het Besluit natuurbescherming, voor het verhandelen van een dier, niet zijnde een vogel als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, of een plant van een soort, genoemd in bijlage C of D bij de CITES-basisverordening, of producten of eieren daarvan.
2. De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, geldt uitsluitend, indien het dier of de plant aantoonbaar:
a. in Nederland is gebracht of verkregen met inachtneming van de CITES-basisverordening en de CITES-uitvoeringsverordening, of
b. in Nederland is gefokt, onderscheidenlijk gekweekt.

Zie voor de toelichting onder artikel 3.16.

§ 3.4.4. Vrijstellingen wild in de zin van Benelux-overeenkomst

Artikel 3.22

1. Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.25 van het Besluit natuurbescherming, voor het onder zich hebben of verhandelen van een dier.
2. De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, geldt uitsluitend, indien het dier:
a. aantoonbaar is verkregen:
1°. in Nederland overeenkomstig een ontheffing of vrijstelling als bedoeld in de artikelen 3.10, tweede lid, in samenhang met artikel 3.8, eerste of tweede lid, van de wet een vrijstelling als bedoeld in de artikelen 3.15, tweede of vierde lid, of 3.16, tweede of vierde lid, van de wet, een ontheffing als bedoeld in 3.17, eerste lid, van de wet een opdracht als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, van de wet of op grond van artikel 3.20, eerste lid, van de wet, of
2°. buiten Nederland overeenkomstig de aldaar geldende regelgeving;
b. ziek of gewond is en:
1°. wordt opgevangen en verzorgd door personen of instanties die krachtens de Wet dieren gerechtigd zijn uit het wild afkomstige dieren onder zich te hebben voor opvang en verzorging, of
2°. binnen twaalf uur wordt overgedragen aan personen of instanties als bedoeld onder 1°, of
c. kennelijk in het wild is gestorven buiten schuld of medeweten van degene die zich het dier heeft toegeëigend.
3. In afwijking van het tweede lid, onderdeel b, onder 2°, is het onder zich hebben ten behoeve van het vervoeren van zieke of gewonde reeën, edelherten, damherten en wilde zwijnen uitsluitend toegestaan indien vóór het vervoer melding is gemaakt bij de meldkamer van de politie van het aantal, de vindplaats en de soort zieke of gewonde dieren en voorzover dat vervoer geschiedt door een door de politie aangewezen vervoerder.

De in artikel 3.22 neergelegde vrijstelling voor het vervoer van wild is toegelicht in paragraaf 3.4.5.

§ 3.4.5. Administratie en merktekens

Artikel 3.23

1. De gegevens, bedoeld in artikel 3.26, derde lid, onderdeel a, van het Besluit natuurbescherming, zijn:
a. de soort waartoe de ter preparatie aangeboden vogel behoort;
b. het aantal ter preparatie aangeboden vogels;
c. de datum van ontvangst en aflevering van de ter preparatie aangeboden vogel;
c. de kennelijke doodsoorzaak van de ter preparatie aangeboden vogel;
d. de naam en het adres van degenen van wie de ter preparatie aangeboden vogel is ontvangen;
e. de naam en het adres van degenen aan wie de ter preparatie aangeboden vogel is afgeleverd, en
f. het nummer van het op de ter preparatie aangeboden vogel overeenkomstig artikel 3.26, tweede lid, onderdeel b, van het Besluit natuurbescherming, aangebrachte merkteken.
2. Degene die de vogel prepareert, verstrekt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, aan de minister door middel van een elektronische melding in een door de minister aangeboden systeem.
3. Degene die de vogel prepareert geeft een wijziging in gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, door aan de minister. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op het doorgeven van een wijziging.
4. Een merkteken als bedoeld in artikel 3.26, derde lid, onderdeel b, van het Besluit natuurbescherming wordt door de minister verstrekt en is voorzien van de letters NL, gevolgd door de letters EZ en een uniek nummer.
5. Een merkteken als bedoeld in het derde lid wordt aangevraagd door middel van een volledig ingevuld en ondertekend formulier, dat kosteloos bij de minister verkrijgbaar is.

Artikel 3.26 van het Besluit natuurbescherming bevat de verplichting voor preparateurs tot het verstrekken van gegevens en het aanbrengen van merktekens op preparaten. Artikel 3.23, eerste lid, van onderhavige regeling bevat regels over welke gegevens dienen te worden verstrekt en over de aan te brengen merktekens. Deze regels zijn ongewijzigd in vergelijking met de oude Regeling prepareren van dieren, met dien verstande dat de betreffende gegevens voorheen in een administratie dienden te worden opgenomen en thans op grond van artikel 3.26 van het Besluit natuurbescherming aan de Minister van Economische Zaken moeten worden verstrekt. Nieuw is de verplichting om een wijziging in de gegevens door te geven aan de Minister van Economische Zaken (derde lid). Deze voorziening is wenselijk voor de gevallen waarin de preparateur een geprepareerde vogel aflevert aan een andere persoon dan de persoon die de vogel bij hem heeft afgeleverd.

Artikel 3.24

1. De administratie, bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming, bevat de volgende gegevens over de aldaar bedoelde dieren en planten:
a. de wetenschappelijke soortnaam van het dier of de plant en het aantal dieren of planten van die soort;
b. de datum en de plaats van verkrijging van het dier of de plant;
c. de naam, het adres en het land van de leverancier van wie het dier of de plant is verkregen;
d. het land van herkomst van het dier of de plant, indien dit afwijkt van onderdeel c;
e. het nummer van het bij de verkrijging van het dier of de plant behorende CITES-document;
f. de datum en de plaats van vervreemding van het dier of de plant;
g. de naam, het adres en het land van de afnemer van het dier of de plant;
h. het nummer van het bij de vervreemding van het dier of de plant behorende CITES-document;
i. de datum van de geboorte en het aantal nakomelingen van een dier;
j. gegevens over de soort en de code van de merktekens;
k. de datum van de aanbrenging van merktekens aan het dier of de plant;
l. de datum en de plaats van sterfte van het dier of de plant.
2. Bij de administratie, bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming, worden bewaard alle aantekeningen en bescheiden, waaronder nota's, vrachtbrieven en andere bewijsmiddelen, boeken, registers of andere hulpmiddelen, die betrekking hebben op het onder zich hebben en verhandelen van dieren op planten als bedoeld in het eerste lid.
3. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, en de documenten, bedoeld in het tweede lid, worden bewaard gedurende ten minste drie jaren na de datum van de laatste in de administratie aangebrachte wijziging of aanvulling.

Artikel 3.27, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming verplicht tot het bijhouden van een administratie ten aanzien van levende gefokte dieren en levende gekweekte planten. Op grond van artikel 3.27, tweede lid, van het besluit zijn in artikel 3.24 van de regeling regels gesteld over de administratie. Deze regels zijn onveranderd in vergelijking met de Regeling administratie bezit van en handel in beschermde dier- en plantensoorten onder de Flora- en faunawet.

Artikel 3.25

1. Voor de soorten, genoemd in bijlage 9, heeft een pootring als bedoeld in artikel 3.28, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming een maximale diameter als in de bijlage bij die soort genoemd.
2. In afwijking van het eerste lid kan de pootring een diameter hebben die groter is dan de in de bijlage 9 vastgestelde maximale diameter, als de aanvrager aannemelijk kan maken dat een grotere diameter in verband met de dikte van de poot bij de aanvraag noodzakelijk is.
3. Een pootring als bedoeld in het eerste lid voldoet aan de volgende eisen:
a. ringen met een diameter van 2,5 tot en met 2,9 mm, gemeten aan de binnenkant van een ring, zijn vervaardigd van metaal, waarop een geanodiseerde kleurlaag is aangebracht, en zijn op zodanige wijze voorzien van een breukzone, dat de ring knapt, indien de ring wordt opgerekt;
b. ringen met een diameter kleiner dan 2,5 mm en groter dan 2,9 mm, gemeten aan de binnenkant van een ring, zijn vervaardigd van metaal, waarop een geanodiseerde kleurlaag is aangebracht, of zijn vervaardigd van gekleurde kunststof, en zijn van zodanige kwaliteit, dat de ring knapt, indien de ring wordt opgerekt.
4. In afwijking van het derde lid kunnen ringen voor papegaaiachtigen en roofvogels vervaardigd zijn van roestvrij staal.
5. Een pootring als bedoeld in het eerste lid is voorzien van een kleurlaag, die voor elk jaar waarin de ring mag worden aangebracht, verschillend is.
6. De aanvrager brengt een pootring als bedoeld in het eerste lid uitsluitend aan op gefokte vogels van de soort waarvoor hij de ring heeft aangevraagd.
7. Een aanvrager is niet gerechtigd een pootring als bedoeld in het eerste lid aan derden te verschaffen.

Artikel 3.28, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming verplicht tot het aanbrengen van pootringen op in Nederland gefokte vogels van soorten onder de reikwijdte van de Vogelrichtlijn of genoemd op bijlage A bij de CITES-basisverordening. In de artikelen 3.25 en 3.26 van de onderhavige regeling zijn op grond van artikel 3.28, vierde, vijfde en zesde lid, van het Besluit natuurbescherming regels gesteld over de pootringen, waaronder de maximale maten van de pootringen en de uitvoering van de uitgifte van de pootringen door de in bijlage 10 genoemde vogelbonden. Deze regels zijn onveranderd in vergelijking met de toenmalige Flora- en faunawet, met uitzondering van de wijziging van de maximale diameter van de pootringen van enkele vogelsoorten.96  In verband met de toegankelijkheid is de opzet van de bijlage met de maximale diameters gewijzigd in vergelijking met de betreffende bijlage in de voormalige Regeling afgifte en kenmerken gesloten pootringen en andere merktekens. Geschrapt is de kolom met de orde en familie van de vogelsoort, omdat dit geen noodzakelijke informatie betreft. Voorts zijn de soorten geschrapt waarvoor geen maximale diameter wordt vastgesteld. Bij deze soorten is het aan de houder van de vogel om in samenspraak met de organisatie die de ringen uitgeeft om te bepalen welke diameter de pootring voor een vogel van die soort heeft. Nu in het Besluit natuurbescherming al is bepaald van welke soorten gefokte vogels moeten zijn voorzien van een pootring, is het niet nodig om die soorten in bijlage 9 op te nemen als er geen maximale diameter geldt.

Op grond van 3.26 van onderhavige regeling zijn in bijlage 10 de organisaties aangewezen die krachtens artikel 3.28, vijfde lid, van het besluit zijn belast met de uitgifte van de ringen. Deze aanwijzing wijkt niet af van de betreffende aanwijzing onder de voormalige Flora- en faunawet, met uitzondering van het feit dat Euro-parrot niet langer is aangewezen vanwege de opheffing van die organisatie per 1 januari 2016.

De Staatssecretaris van Economische Zaken verkent thans of er verbeteringen kunnen worden doorgevoerd in het systeem van pootringen. Maatschappelijke organisaties – waaronder de vogelbonden – zijn bij deze verkenning betrokken.97  Eventuele verbeteringen zullen hun beslag krijgen in onderhavige regeling.

Artikel 3.26

1. Als rechtspersoonlijkheid bezittende organisaties als bedoeld in artikel 3.28, vijfde lid, van het Besluit natuurbescherming die zijn belast met de uitgifte van gesloten pootringen zijn aangewezen de in bijlage 10 genoemde organisaties.
2. De organisaties, bedoeld in het eerste lid, verstrekken uitsluitend gesloten pootringen:
a. waarvoor door de leverancier een schriftelijke garantie is afgegeven dat de ringen voldoen aan de specificaties, bedoeld in artikel 3.25, en
b. die ten minste zijn voorzien van de letters NL, de aanduiding van de binnendiameter tot in tienden van een millimeter, de laatste twee cijfers van het jaartal waarin de ring mag worden aangebracht en, per ringmaat, een uniek nummer bestaande uit de bondscode, een kweeknummer en een volgnummer.
3. In afwijking van het tweede lid, onderdeel b, zijn de gesloten pootringen, afgegeven door Kleindier Liefhebbers Nederland, voorzien van een uniek nummer bestaande uit de bondscode en een volgnummer.
4. Gesloten pootringen worden aangevraagd met gebruikmaking van een door één van de organisaties, bedoeld in het eerste lid, ter beschikking gesteld aanvraagformulier dat volledig ingevuld en ondertekend wordt teruggestuurd.
5. De aanvrager vermeldt in zijn aanvraag per soort hoeveel ringen hij aanvraagt. De hoeveelheid ringen staat in verhouding tot de te verwachten nakweek.
6. De organisaties, bedoeld in het eerste lid, houden een administratie bij met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld automatiseringssysteem. In de administratie worden de volgende gegevens opgenomen:
a. de soorten vogels waarvoor gesloten pootringen zijn aangevraagd;
b. bij gefokte vogels behorende tot soorten die zijn opgenomen in bijlage A bij de CITES-basisverordening, het aantal verstrekte gesloten pootringen, de ringmaat en de bijbehorende unieke nummers als bedoeld in artikel 4 per soort en het aantal ouderparen;
c. bij gefokte vogels behorende tot andere soorten dan bedoeld in onderdeel b, het aantal verstrekte pootringen, de ringmaat en de bijbehorende unieke nummers, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, en derde lid;
d. de datum van toekenning van de gesloten pootringen, en
e. de noodzakelijke gegevens ter identificatie van de personen aan wie de gesloten pootringen zijn verstrekt.

7. De administratie, bedoeld in het zesde lid, wordt bewaard gedurende een periode van ten minste vijf jaren.

Zie voor de toelichting onder artikel 3.25.

§ 3.4.6. Aanwijzing douanekantoren

Artikel 3.27

1. Als douanekantoren als bedoeld in artikel 3.29 van het Besluit natuurbescherming worden aangewezen:
a. voor levende dieren:
1°. Schiphol Cargo, Evert van de Beekstraat 384, 1118 CZ Schiphol;
2°. Schiphol Passagiers, vertrekpassage 1 -260, 1118 AP, Luchthaven Schiphol;
3°. Maastricht Aachen Airport, Vliegveldweg 2, 6199 AD, Maastricht;
4°. Rotterdam Haven, Bosporusstraat 5, 3199 LJ, Rotterdam (Maasvlakte);
5°. Rotterdam Haven, Reeweg 16, 3088 KA, Rotterdam, en
b. voor dode dieren, dode of levende planten en producten, nesten en eieren van dieren of producten van planten: alle douanekantoren.
2. Indien voor dieren dan wel producten, nesten of eieren van dieren, behorende tot soorten als bedoeld in het eerste lid, veterinaire voorschriften gelden, worden deze dieren of producten, nesten of eieren daarvan binnengebracht op plaatsen die voor de betrokken dieren of producten, nesten of eieren daarvan als inspectiepost aan de grens zijn erkend ingevolge richtlijn 91/496/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1991 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor dieren uit derde landen die in de Gemeenschap worden binnengebracht en tot wijziging van de richtlijnen 89/662/EEG, 90/425/EEG en 90/675/EEG (PbEG L 268) of richtlijn 97/78/EG van de Raad van de Europese Unie van 18 december 1997 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor producten die uit derde landen in de Gemeenschap worden binnengebracht (PbEG 1998, L 24).

Artikel 3.27 bevat de aanwijzing op grond van artikel 3.29 van het Besluit natuurbescherming van de plaatsen waar levende dieren en levende planten Nederland binnengebracht of waar vanuit die uitgevoerd mogen worden uit Nederland. Deze aanwijzing is ongewijzigd in vergelijking met de aanwijzing van deze plaatsen onder de Flora- en faunawet.

TITEL 3.5. OVERIG

Artikel 3.28

1. Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.34, eerste lid, van de wet, voor het uitzetten van dieren van de in bijlage 11 bij deze regeling aangewezen diersoorten voor de bestrijding van ziekten, plagen of onkruiden.
2. Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.34, eerste lid, van de wet, voor het uitzetten van dieren van de in bijlage 12 bij deze regeling aangewezen diersoorten tezamen met de in het eerste lid bedoelde dieren, als prooidieren voor die dieren.
3. Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Wet dieren, voor het gebruiken van dieren van de in bijlage 12 bij deze regeling aangewezen diersoorten, met het oog op de productie van van die dieren afkomstige producten.

De prooidieren van de soorten, genoemd in bijlage 12 bij de regeling, worden gekweekt om de biologische bestrijders van voldoende voedsel te kunnen voorzien. Het onder zich hebben van deze prooidieren, alvorens deze uit te zetten, is te beschouwen als het houden van deze dieren met het oog op de productie van van die dieren afkomstige producten, hetgeen verboden is op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Wet dieren. In artikel 3.28, derde lid, van onderhavige regeling is – net als in de toenmalige Regeling vrijstelling dier- en plantensoorten – vrijstelling verleend van dat verbod voor het houden van de in bijlage 12 genoemde prooidieren, op grond van artikel 10.1, eerste lid, van de Wet dieren. Artikel 2.3, eerste lid, van de Wet dieren is overigens niet van toepassing op de biologische bestrijders, genoemd in bijlage 11 van de regeling, omdat deze dieren niet worden gehouden met het oog op de productie van van die dieren afkomstige producten.

Artikel 3.29

Als voorschrift als bedoeld in artikel 3.37, eerste lid, van de wet is aangewezen artikel 7, eerste lid, aanhef in samenhang met de onderdelen a, b, c, d, e, f, g of h, van de Verordening uitheemse invasieve soorten.

De artikelen 3.29 en 3.30 zijn ten algemene toegelicht in paragraaf 3.5.2 van deze toelichting. Aan het vereiste in artikel 8 van de EU-verordening inzake invasieve uitheemse soorten om een vergunningensysteem in te stellen op basis waarvan instellingen invasieve uitheemse soorten onder zich mogen hebben en onderzoeken, wordt invulling gegeven met de grondslag in artikel 3.40 van de wet om ontheffingen te verlenen van het verbod in artikel 3.37, eerste lid, van de wet. Krachtens artikel 3.40 van de wet zijn op het verlenen van deze ontheffingen de beperkingen ter zake uit de exotenverordening van toepassing.98

Artikel 3.30

1. Van het verbod, bedoeld in artikel 3.37, eerste lid, van de wet in samenhang met artikel 3.29 van deze regeling, wordt, voor zover het betreft de handelingen, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdelen b, d, e en f, van de Verordening uitheemse invasieve soorten, vrijstelling verleend als beheersmaatregel als bedoeld in artikel 19 van de Verordening uitheemse invasieve soorten voor handelingen met dieren van de volgende soorten:
a. de Chinese wolhandkrab (Eriocheir sinensis);
b. de Gevlekte Amerikaanse rivierkreeft (Orconectus Limosus);
c. de Geknobbelde Amerikaanse rivierkreeft (Orconectes virilis);
d. de Californische rivierkreeft (Pacifastacus leniusculus);
e. de Rode Amerikaanse rivierkreeft (Procambarus Clarkia), en
f. de Marmerkreeft (Procambarus fallax forma virginalis).
2. De vrijstelling wordt slechts verleend voor:
a. bevissing van de dieren in Nederlandse binnenwateren en kustwateren, de opslag, de handel, het transport, het houden, het gebruik of de vernietiging van de opgeviste dieren, en alle onmiddellijk daarmee samenhangende handelingen, en
b. handelingen als bedoeld in onderdeel a ten aanzien van dieren die als beheersmaatregel zijn opgevist en in de handel zijn gebracht in andere lidstaten van de Europese Unie overeenkomstig de in die lidstaten geldende wetgeving.
3. Aan de vrijstelling zijn de volgende voorschriften en beperkingen verbonden:
a. degene die de in het tweede lid, onder a, bedoelde handelingen verricht draagt er zorg voor dat:
1°. alle passende maatregelen worden getroffen bij de bevissing, de opslag, de handel, het transport, het houden en het gebruik van de betrokken dieren om te voorkomen dat zij zich kunnen voortplanten, kunnen ontsnappen en zich kunnen verspreiden;
2°. alle passende maatregelen worden getroffen bij de opslag, het transport en het houden van de dieren om te voorkomen dat de betrokken dieren door onbevoegden kunnen worden verwijderd uit de omgeving waarin zij worden opgeslagen of getransporteerd;
3°. het schoonmaken, het beheren van afval en het onderhoud van vistuigen, transport- en opslagmaterialen bij bevissing, de opslag, de handel, het transport en het houden van de dieren op zodanige wijze plaatsvindt dat exemplaren van de soorten zich niet kunnen verspreiden of door onbevoegden kunnen worden verwijderd;
4°. voorkomen wordt dat dieren van de soorten op het grondgebied van andere lidstaten worden gebracht, tenzij die lidstaten dat toestaan in het kader van door hen getroffen beheersmaatregelen, en
b. degene die de in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde handelingen verricht maakt te allen tijde aannemelijk dat hij voldoet aan de in het eerste lid bedoelde voorschriften.
4. Als passende maatregel als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, onderdelen 1° en 2°, wordt in ieder geval beschouwd een fysieke scheiding tussen de dieren en hun natuurlijke leefomgeving, waarbij de dieren die overleven zich vervolgens niet kunnen voortplanten en zich niet kunnen verspreiden.

Zie voor de toelichting onder artikel 3.29.

Artikel 3.31

Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van de verboden, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdelen a, b en c, van de wet, ten aanzien dieren en planten van de in bijlage 13 bij deze regeling aangewezen soorten, indien het betreft handelingen in het kader van:
a. bestendig beheer of onderhoud van vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;
b. bestendig beheer of onderhoud in de landbouw en de bosbouw;
c. bestendig gebruik, of
d. de ruimtelijke ontwikkeling of inrichting van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, voor zover de in de onderdelen a tot en met d genoemde handelingen onderdeel zijn van een in artikel 1.3, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming aangewezen categorie van handelingen.

Onder de Flora- en faunawet gold een vrijstelling van de soortenbeschermingsverboden voor werkzaamheden in het kader van bestendig beheer en onderhoud, bestendig gebruik en werkzaamheden ter uitvoering van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting.99  De vrijstelling was van toepassing ten aanzien van een aantal algemeen voorkomende beschermde inheemse soorten.100

Onder de Wet natuurbescherming is het een bevoegdheid van provinciale staten om in hun provincie een dergelijke vrijstelling te verlenen (artikel 3.10, tweede lid, in samenhang met artikel 3.8, tweede lid, van de wet). Het beeld is dat de provincies voornemens zijn om deze vrijstelling inhoudelijk te continueren in hun verordeningen.

Voor de in artikel 1.3 van het Besluit natuurbescherming aangewezen categorieën van handelingen is echter de Minister van Economische Zaken bevoegd voor het verlenen van deze vrijstelling. Artikel 3.31 van onderhavige regeling voorziet in vrijstelling in die gevallen. Inhoudelijk gezien betreft het een voortzetting van de betreffende vrijstelling onder de Flora- en faunawet, met dien verstande dat de lijst met soorten waarop de vrijstelling van toepassing is – opgenomen in bijlage 13 van de regeling – is aangepast in vergelijking met de lijst onder de Flora- en faunawet, in die zin dat de soorten zijn geschrapt die niet langer zijn aangewezen als beschermde soort. Voorts is de molmuis – die onder de Flora- en faunawet werd gezien als ondersoort van de woelrat en onder de Wet natuurbescherming als aparte soort wordt gezien en als zodanig is opgenomen in de bijlage van de wet – niet opgenomen als soort waarop de vrijstelling van toepassing is. De molmuis komt enkel in beperkte aantallen in Limburg voor en kan dus niet verondersteld worden algemeen voor te komen. Toepassing van deze vrijstelling ten aanzien van de molmuis ligt derhalve niet in de rede. Tot slot is de formulering van de categorieën vrijgestelde handelingen aangepast aan de formulering van artikel 3.10, tweede lid, van de wet.

Artikel 3.32

1. De faunabeheereenheid met het werkgebied bestaande uit de gebieden, bedoeld in artikel 1.7, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming, heeft de rechtsvorm van een stichting. De leden van het bestuur van de stichting worden benoemd en ontslagen door de gerechtigde, bedoeld in artikel 1.7, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming.
2. De faunabeheereenheid, bedoeld in het eerste lid, stelt voor de in dat lid bedoelde gebieden een faunabeheerplan op, dat ten minste de volgende gegevens bevat:
a. de omvang van het werkgebied van de faunabeheereenheid;
b. een kaart waarop de begrenzing van het werkgebied van de faunabeheereenheid is aangegeven;
c. kwantitatieve gegevens over de populatie van de diersoorten ten aanzien waarvan een duurzaam beheer of bestrijding noodzakelijk wordt geacht, met inbegrip van gegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebied gedurende het jaar;
d. een onderbouwing van de noodzaak van een duurzaam beheer of bestrijding van de in onderdeel c bedoelde diersoorten, waaronder een onderbouwde verwachting van de belangen die zouden worden geschaad, indien niet tot beheer of bestrijding zou worden overgegaan;
e. een beschrijving van de mate waarin de in onderdeel d bedoelde belangen zijn geschaad in de vijf jaren voorafgaand aan het tijdstip van de aanvraag om goedkeuring van het faunabeheerplan;
f. de gewenste stand van de in onderdeel c bedoelde diersoorten;
g. per diersoort een beschrijving van de aard, omvang en noodzaak van de handelingen die zullen worden verricht om de gewenste stand, bedoeld in onderdeel f, te bereiken;
h. per diersoort en gewas een beschrijving van de handelingen die in de periode, bedoeld in onderdeel e, zijn verricht om het schaden van de in onderdeel d bedoelde belangen te voorkomen, alsmede, voorzover daarover redelijkerwijs kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een beschrijving van de effectiviteit van die handelingen;
i. voor zover het plan betrekking heeft op het beheer van edelherten, damherten, reeën of wilde zwijnen, een beschrijving van het voedselaanbod, de relatie tussen dit voedselaanbod en de grootte van de populatie van de betrokken dieren alsmede de mogelijkheden van uitwisseling met aangrenzende terreinen;
j. een beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar en de perioden in het jaar waarin de in onderdeel g bedoelde handelingen zullen plaatsvinden;
k. voor zover daarover kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een onderbouwde inschatting van de verwachte effectiviteit van de in onderdeel g bedoelde handelingen;
l. een beschrijving van de wijze waarop de effectiviteit van de voorgenomen handelingen zal worden bepaald.
3. Het faunabeheerplan heeft een geldigheidsduur van ten hoogste vijf jaren.
4. De jachthouder van de gebieden, bedoeld in artikel 1.7, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming, is uitgezonderd van artikel 3.14, eerste lid, van de wet.

De Minister van Economische Zaken is het bevoegde gezag voor besluiten ten aanzien van faunabeheereenheden, faunabeheerplannen, populatiebeheer en schadebestrijding, voor zover het terreinen betreft waarvan de Kroondrager het jachtrecht heeft (artikel 1.9 van het Besluit natuurbescherming).101  Artikel 3.32 van de onderhavige regeling voorziet voor deze terreinen in de op grond van artikel 3.12 van de wet te stellen regels waaraan faunabeheereenheden en faunabeheerplannen moeten voldoen.

Het eerste lid stelt regels over de rechtsvorm en de samenstelling van het bestuur van de betrokken faunabeheereenheid. In dit geval ligt de rechtsvorm van de stichting in de rede. In het werkgebied van de onderhavige faunabeheereenheid is immers sprake van slechts één jachthouder. De vertegenwoordiging in het bestuur zal moeten voldoen aan de in artikel 3.12, tweede lid, van de wet gestelde eisen. Deze brengen mee dat, behalve de jachthouder zelf of diens vertegenwoordiger, ook ten minste twee vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties die het doel behartigen van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren in de betrokken regio in het bestuur zitting hebben.

Het tweede lid stelt inhoudelijke eisen aan het door vorenbedoelde faunabeheereenheid op te stellen faunabeheerplan. Deze hebben tot doel om overeenkomstig artikel 3.12, derde en vierde lid, van de wet te verzekeren dat populatiebeheer en schadebestrijding op passende, doeltreffende en planmatige wijze plaatsvinden en dat aan de te treffen maatregelen en aantallen dieren een zo goed mogelijke onderbouwing ten grondslag ligt. De eisen sluiten aan bij de eisen die werden gesteld in het voormalige Besluit faunabeheer, met dien verstande dat deze thans niet alleen betrekking hebben op populatiebeheer, maar ook op schadebestrijding. Er worden geen eisen gesteld die betrekking hebben op de jacht, als gedefinieerd in artikel 1.1, eerste lid, van de wet, aangezien deze op de betrokken terreinen niet wordt uitgeoefend. Niet overgenomen uit het Besluit faunabeheer zijn de eisen met betrekking tot de minimumoppervlakte van het gebied waarop het faunabeheerplan betrekking heeft, omdat in dit geval op voorhand vast staat dat aan deze eisen wordt voldaan. Evenmin behoeft het faunabeheerplan te voorzien in de mogelijkheid dat en de voorwaarden waaronder populatiebeheer op terreinen van niet bij de faunabeheereenheid aangesloten jachthouders plaatsvindt, nu de onderhavige faunabeheereenheid alleen werkzaam zal zijn op de terreinen waarvan de Kroondrager het jachtrecht heeft. Op de voldoening aan de in het tweede lid gestelde eisen wordt getoetst, in het kader van de behandeling van de aanvraag tot goedkeuring van het faunabeheerplan op grond van artikel 3.12, zevende lid, van de wet; de bevoegdheid tot goedkeuring ligt op grond van artikel 1.9 van het Besluit natuurbescherming bij de Minister van Economische Zaken.

Voor een effectieve uitvoering van populatiebeheer en schadebestrijding is over het algemeen een meerjarige aanpak nodig. Faunabeheerplannen en de ontheffingen voor populatiebeheer hebben in de huidige praktijk gebruikelijkerwijs betrekking op een periode van vijf jaren. Dat is tevens de maximale geldigheidsduur van het faunabeheerplan zoals deze voorheen was voorzien in het Besluit beheer en schadebestrijding. Het derde lid sluit daarbij aan.

Zoals in de memorie van toelichting bij het voorstel voor Wet natuurbescherming is aangegeven, heeft de verplichting voor jachthouders om zich overeenkomstig artikel 3.14, eerste lid, van de wet aan te sluiten bij een wildbeheereenheid geen toegevoegde waarde in een situatie als de onderhavige, waarin sprake is van een groot gebied dat slechts één beheerder heeft en een samenhangend en verantwoord beheer van het terrein is verzekerd.102  Het vierde lid van artikel 3.32 voorziet dan ook – op grond van artikel 3.14, tweede lid, onderdeel b, van de wet in samenhang met artikel 1.9 van het Besluit natuurbescherming – in een uitzondering op de aansluitplicht.

HOOFDSTUK 4. HOUTOPSTANDEN, HOUT EN HOUTPRODUCTEN

Artikel 4.1

1. Als voorschriften als bedoeld in artikel 4.8, eerste lid, van de wet worden aangewezen:
a. artikel 4, eerste lid, van verordening (EG) nr. 2173/2005 van de Raad van de Europese Unie van 20 december 2005 inzake de opzet van een FLEGT-vergunningen-systeem voor de invoer van hout in de Europese Gemeenschap (PbEU 2005, L 347);
b. de artikelen 4 en 5 van verordening (EU) nr. 995/2010 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 oktober 2010 tot vaststelling van de verplichtingen van marktdeelnemers die hout en houtproducten op de markt brengen (PbEU 2010, L 295).
2. In afwijking van artikel 5, eerste lid, van verordening (EG) nr. 2173/2005 van de Raad van de Europese Unie van 20 december 2005 inzake de opzet van een FLEGT-vergunningen-systeem voor de invoer van hout in de Europese Gemeenschap (PbEU 2005, L 347), wordt de aldaar bedoelde vergunning ingediend ten minste één werkdag voorafgaand aan het moment dat de aangifte voor het in het vrije verkeer brengen bij de douane wordt ingediend.

Artikel 4.2

1. De melding, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de wet, vindt voor de categorieën van handelingen en projecten, bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming, plaats door het zenden aan de Minister van Economische Zaken van een door hem beschikbaar gesteld formulier.
2. Het formulier, bedoeld in het eerste lid, wordt aan de Minister van Economische Zaken gezonden ten minste één maand doch niet langer dan één jaar voor het moment van de voorgenomen velling van de houtopstand.

In artikel 1.3, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming zijn categorieën van handelingen en projecten aangewezen waarvoor de Minister van Economische ingevolge artikel 1.3 van de wet bevoegd gezag is, in plaats van provinciale staten of gedeputeerde staten van de provincies, ten aanzien van de bevoegdheden aangewezen in het tweede lid van artikel 1.3 van het Besluit natuurbescherming. Tot de aangewezen bevoegdheden behoren het stellen van regels op grond van artikel 4.2, tweede lid, van de wet, over de melding van het voornemen tot het vellen of doen vellen van een houtopstand en het verlenen van vrijstellingen op grond van artikel 4.5, vierde lid, van de wet.

Artikel 4.2 van onderhavige regeling bevat de betreffende regels voor de categorieën van handelingen en projecten, bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming. Deze regels waren voorheen vastgelegd in artikel 2, eerste lid, van de Boswet en de regels zijn in vergelijking daarmee ongewijzigd.

In artikel 4.3 van onderhavige regeling is de vrijstelling gecontinueerd die was opgenomen in de Regeling meldings- en herplantplicht voor de categorieën van handelingen en projecten, bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming. Deze vrijstelling ziet op het aanplanten van houtopstanden die korter dan veertig jaar zullen bestaan. Indien aan de voorwaarden is voldaan, geldt ten aanzien van deze houtopstanden geen herbeplantingsplicht. Deze vrijstelling kan van belang zijn voor de aanleg of uitbreiding en beheer en onderhoud van militaire terreinen, oefengebieden en inrichtingen en militaire vliegvelden (artikel 1.3, eerste lid, onderdeel a, onder 3° en 4° van het Besluit natuurbescherming).

Artikel 4.3

1. Aan een ieder die een handeling of project als bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming uitvoert, wordt vrijstelling verleend van de artikelen 4.2, eerste lid, en 4.3, eerste, tweede en vijfde lid, van de wet.
2. De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, geldt uitsluitend indien:
a. de houtopstand niet ter voldoening aan artikel 4.3, eerste lid, van de wet is aangelegd;
b. voordat tot aanleg van de houtopstand wordt overgegaan, het tijdstip en de plaats van aanleg middels een formulier zijn gemeld bij de minister en de minister de ontvangst van de melding heeft bevestigd;
c. het bos binnen een periode van 40 jaar na het op het formulier vermelde tijdstip van aanleg in zijn geheel wordt geveld.
3. De minister stelt het modelformulier voor de melding, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, vast. Het modelformulier voorziet onder meer in een kadastrale omschrijving van de percelen waar tot aanleg van het bos wordt overgegaan.

Zie voor de toelichting onder artikel 4.2.

HOOFDSTUK 5. RETRIBUTIES

Artikel 5.1

1. Voor de behandeling van een aanvraag tot afgifte of wijziging van een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de wet worden, ingeval artikel 1.3, vijfde lid, van de wet van toepassing is, door de minister aan de aanvrager de volgende vergoedingen in rekening gebracht:
a. indien de vergunning voor de duur van maximaal één jaar wordt verleend: € 800,–;
b. indien de vergunning voor de duur van één tot drie jaar wordt verleend: € 1.900,–;
c. indien de vergunning voor de duur van drie jaar of meer wordt verleend: € 3.500,–.
2. Voor de behandeling van een aanvraag tot afgifte of wijziging van een ontheffing als bedoeld in de artikelen 3.3, eerste lid, en 3.8, eerste lid, in voorkomend geval in samenhang met artikel 3.10, tweede lid, van de wet worden, ingeval artikel 1.3, vijfde lid, van de wet van toepassing is, door de minister aan de aanvrager de volgende vergoeding in rekening gebracht:
a. indien de vergunning voor de duur van maximaal één jaar wordt verleend: € 600,–;
b. indien de vergunning voor de duur van één tot drie jaar wordt verleend: € 1.600,–;
c. indien de vergunning voor de duur van drie jaar of meer wordt verleend: € 3.000,–.
3. Voor de behandeling van een aanvraag tot afgifte of wijziging van een ontheffing als bedoeld in de artikelen 3.3, derde lid, en 3.8, derde lid, van de wet wordt door de minister aan de aanvrager de volgende vergoeding in rekening gebracht: € 80,–.
4. Voor de behandeling van een aanvraag tot afgifte of wijziging van een ontheffing als bedoeld in artikel 3.34, vijfde lid, van de wet wordt door de minister aan de aanvrager de volgende vergoeding in rekening gebracht:
a. voor de herintroductie van een soort: € 1.600,–;
b. voor het uitzetten, planten of zaaien van exoten: € 800,–.
5. Voor de behandeling van een aanvraag tot afgifte of wijziging van een ontheffing als bedoeld in artikel 3.40 van de wet wordt door de minister aan de aanvrager de volgende vergoeding in rekening gebracht: € 100,–.
6. In afwijking van het vijfde lid, wordt voor de behandeling van een aanvraag tot afgifte of wijziging van een ontheffing als bedoeld in artikel 3.40 van de wet van het bepaalde in artikel 3.24, eerste, tweede of derde lid, van het Besluit natuurbescherming ten aanzien van levende dieren door de minister aan de aanvrager de volgende vergoeding in rekening gebracht: € 15,–.
7. In afwijking van het eerste en tweede lid wordt, ingeval een aanvraag wordt afgewezen omdat voor het uitvoeren van de betreffende handeling geen vergunning, onderscheidenlijk ontheffing is vereist, aan de aanvrager de volgende vergoeding in rekening gebracht: € 800,–, onderscheidenlijk € 600,–.
8. Voor de goedkeuring van een gedragscode als bedoeld in de artikelen 3.31, eerste lid, of 4.4, eerste lid, onderdeel d, van de wet wordt door de minister aan de aanvrager de volgende vergoeding in rekening gebracht: € 3.000,–.

Artikel 5.2

1. De vergoeding die de minister in rekening brengt aan de aanvrager voor de behandeling van een aanvraag tot afgifte van een valkeniersakte, bedraagt voor:
a. de uitgifte van een akte: € 65,–;
b. een duplicaat van een akte: € 30,–.
2. De gelden die voldaan zijn ter zake van uitgereikte valkeniersakten, worden niet gerestitueerd.
3. Voor de behandeling van een aanvraag tot afgifte of wijziging van de hierna genoemde documenten worden door de minister aan de aanvrager de volgende vergoedingen in rekening gebracht:
a. een invoervergunning als bedoeld in artikel 4 van de CITES-basisverordening: € 60,–;
b. een uitvoervergunning als bedoeld in artikel 5 van de CITES-basisverordening: € 60,–;
c. een wederuitvoercertificaat als bedoeld in artikel 5 van de CITES-basisverordening: € 60,–;
d. een bijlage bij een document als bedoeld in onderdeel a, b of c waarop maximaal 3 soorten worden vermeld: € 60,–;
e. een inschrijving als wetenschappelijke instelling als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de CITES-basisverordening: € 40,–;
f. een certificaat als bedoeld in de artikelen 8, derde lid, en 9, tweede lid, onderdeel b, van de CITES-basisverordening: € 15,–;
g. een certificaat van monsterverzameling als bedoeld in artikel 44 bis van de CITES-uitvoeringsverordening: € 60,–;
h. een muziekinstrumentencertificaat als bedoeld in artikel 44 decies, eerste lid, van de CITES-uitvoeringsverordening: € 45,–;
i. een label als bedoeld in artikel 66, zesde lid, van de CITES-uitvoeringsverordening: € 60,–;
j. een vergunning als bedoeld in artikel 66, zevende lid, van de CITES-uitvoeringsverordening: € 400,–.
4. Voor de behandeling van een aanvraag tot afgifte van merktekens als bedoeld in artikel 3.24, vierde lid, wordt door de minister aan de aanvrager de volgende vergoeding in rekening gebracht: € 1,– per merkteken.

Artikel 5.3

1. De aan erkende organisaties door de leverancier in rekening gebrachte kostprijs voor de vervaardiging van gesloten pootringen wordt aan de aanvrager doorberekend.
2. De erkende organisaties kunnen de in het eerste lid bedoelde kostprijs verhogen met een bedrag ter dekking van de kosten voor de uitreiking van ringen ter hoogte van maximaal € 1,– per ring.
3. Gesloten pootringen worden niet uitgereikt dan na voldoening van de som van in het eerste en tweede lid bepaalde bedragen.

Artikel 5.4

1. De vergoeding van kosten voor het verstrekken van een jachtakte bedraagt voor:
a. de uitgifte van een jachtakte: € 65,–;
b. het verlengen van de geldigheidsduur van een jachtakte: € 30,–;
c. het wijzigen van een jachtakte: € 15,–;
d. het vervangen als gevolg van verlies van een jachtakte: € 15,–;
e. een duplicaat van een jachtakte: € 15,–.
2. De gelden die voldaan zijn ter zake van uitgereikte akten, worden niet gerestitueerd.
3. De vergoeding van kosten voor een combinatie van de in het eerste lid genoemde handelingen bedraagt niet meer dan het bedrag dat verschuldigd zou zijn voor dat deel van de combinatie waarvoor de hoogste vergoeding geldt.

Artikel 5.5

1. Een ontheffing, vergunning, akte of document als bedoeld in de artikelen 5.1 of 5.2 wordt niet afgegeven dan na voldoening van de in bedoelde artikelonderdelen genoemde vergoedingen van kosten of nadat zekerheid tot betaling is gesteld.
2. Indien ter uitvoering van een door de minister op grond van artikel 7.4 van de wet genomen besluit een ontheffing of document benodigd is, kan de minister in afwijking van de artikelen 5.1 en 5.2 van deze regeling bepalen dat geen vergoeding van kosten in rekening wordt gebracht.

HOOFDSTUK 6. HANDHAVING

Artikel 6.1

Als ambtenaren als bedoeld in artikel 7.1, eerste lid, onderdeel a, van de wet worden aangewezen:
a. de ambtenaren van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken, en
b. de ambtenaren van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, met uitzondering van de ambtenaren, bedoeld in artikel 7.1, eerste lid, onderdeel b, van de wet.

Artikel 7.1, eerste lid, van de Wet natuurbescherming regelt wie is belast met het toezicht op de naleving van de wet, het Besluit natuurbescherming en de onderhavige regeling. Deze toezichthouders voeren de reguliere controles uit op de naleving van de voorschriften, met toepassing van de daarvoor in de Algemene wet bestuursrecht geregelde bevoegdheden. Aangezien een belangrijk deel van de taken van de Wet natuurbescherming is neergelegd bij de provincies, regelt artikel 7.1, eerste lid, onderdeel c, van de wet dat de door gedeputeerde staten aan te wijzen ambtenaren worden belast met het toezicht op de naleving.

In aanvulling daarop voorziet artikel 7.1, eerste lid, onderdeel a, van de wet in een aanwijzing van toezichtambtenaren door de Minister van Economische Zaken. Dat is van belang voor de onderdelen van de wet en de uitvoeringsregelgeving waarvoor de Minister van Economische Zaken bevoegd gezag is, zoals de CITES-regelgeving en de vergunningen en ontheffingen voor categorieën van activiteiten als bedoeld in titel 1.2 van het Besluit natuurbescherming. Voor het overige zij verwezen naar hoofdstuk 6 van deze toelichting.

HOOFDSTUK 7. SLOTBEPALINGEN

TITEL 7.1. WIJZIGING ANDERE REGELINGEN

Artikel 7.1

In de tabel ‘Taak 2. Het opstellen van een risicoanalyse ten behoeve van het advies’ van bijlage 3 bij de Regeling eindtermen en toetstermen examens financiële dienstverlening Wft wordt in de rubriek ‘Kennis’ in onderdeel 1c.12 ‘de Flora- en faunawet’ vervangen door: hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming.

In het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft is bepaald dat werknemers en andere natuurlijke personen die zich onder verantwoordelijkheid van een financiële dienstverlener bezighouden met advisering over onder meer schadeverzekeringen, over het vereiste diploma beschikken. In de op dat besluit gebaseerde Regeling eindtermen en toetstermen examens financiële dienstverlening Wft zijn voor deze diploma’s de zogeheten eindtermen en toetstermen vastgesteld.

Eén van de toetstermen in de tabel ‘Taak 2. Het opstellen van een risicoanalyse ten behoeve van het advies’ is dat de kandidaat de aansprakelijkheidsrisico’s kan onderscheiden ingeval de klant een vergunning op basis van de toenmalige Flora- en faunawet beoogt. Deze verwijzing wordt met artikel 7.1 van de onderhavige regeling geactualiseerd.

Artikel 7.2

Artikel 2 van de Regeling groenprojecten 2011 wordt als volgt gewijzigd:

A

De aanhef komt te luiden:

De Minister van Infrastructuur en Milieu kan, in overeenstemming met de Minister van Financiën en na overleg met de Minister van Economische Zaken, een verklaring afgeven voor:.

B

Onderdeel a, onder 3°, komt te luiden:
3°. de ontwikkeling en instandhouding van natuur- en landschappelijke waarden in gebieden die als Natura 2000-gebied, bijzonder nationaal natuurgebied, als gebied dat behoort tot het natuurnetwerk Nederland of als nationaal park zijn aangewezen op grond van de Wet natuurbescherming;.

Op grond van artikel 5.13 en verder van de Wet inkomstenbelasting 2001 geldt kort en goed een vrijstelling van de inkomstenbelasting, met een maximum, voor inkomsten uit ‘groene beleggingen’, zijnde aandelen in, winstbewijzen van en geldleningen aan aangewezen groene fondsen. Als groene fondsen kunnen banken worden aangewezen, waarvan het doel en de feitelijke werkzaamheden hoofdzakelijk bestaan in het direct of indirect verstrekken van kredieten ten behoeve van projecten in het belang van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos, of het direct of indirect beleggen van vermogen in dergelijke projecten.

In de Regeling groenprojecten 2010 kon voorheen onder meer voor projecten die zijn gericht op de ontwikkeling en instandhouding van natuur- en landschappelijke waarden in gebieden die als Natura 2000-gebied, Beschermd Natuurmonument of Wetland (Ramsar) zijn aangewezen op grond van de toenmalige Natuurbeschermingswet 1998, of in Nationale Parken of gebieden die onderdeel zijn van de Nationale of Provinciale Ecologische Hoofdstructuur inclusief robuuste ecologische verbindingszones een verklaring worden afgegeven.

De verwijzingen naar deze natuurgebieden in de Regeling groenprojecten 2010 wordt in artikel 7.2 geactualiseerd. Opgemerkt wordt dat met de inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming het specifieke beschermingsregime voor beschermde natuurmonumenten is vervallen. Een verwijzing naar Ramsargebieden is overbodig omdat deze gebieden zijn aangewezen als Natura 2000-gebied.

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt in de aanhef van het desbetreffende artikel de aanduiding van de verantwoordelijke bewindspersonen te actualiseren.

Artikel 7.3

In artikel 15, onderdeel d, van de Regeling herverkaveling wordt ‘artikel 3, eerste lid, van de Boswet’ vervangen door: artikel 4.3, eerste lid, van de Wet natuurbescherming.

De Regeling herverkaveling geeft uitvoering aan artikel 95 van de Wet inrichting landelijk gebied. Op grond van dit artikel worden landinrichtingsprojecten waarvoor op grond van artikel 198 van de Landinrichtingswet een zogeheten wenszitting heeft plaatsgevonden, afgerond volgens de procedure van de Landinrichtingswet. Voor deze projecten stelt de Regeling herverkaveling nadere regels voor enkele onderdelen van de landinrichtingsprocedure: het stelsel van classificatie, het plan van toedeling en de tweede schatting. Ingevolge artikel 15, onderdeel d, van de Regeling herverkaveling, kunnen in een plan van toedeling dat wordt opgesteld in het kader van een landinrichtingsprocedure dat voorziet in herverkaveling geen gronden worden opgenomen waarop een houtopstand die groter is dan 10 are heeft gestaan en waarvoor een herbeplantingsplicht als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de toenmalige Boswet geldt. De verwijzing naar de betrokken bepaling van de toenmalige Boswet wordt met artikel 7.3 van de onderhavige regeling vervangen door de verwijzing naar de bepaling die in de Wet natuurbescherming de herbeplantingsplicht regelt.

Artikel 7.4

Bijlage 2 bij de Regeling houders van dieren wordt als volgt gewijzigd:

A

Onderdeel d wordt vervangen door het volgende onderdeel onder vermelding van de daarbij opgenomen gegevens in de daarvoor binnen de tabel onderscheiden kolommen:

d. opvangcentra, die voldoen aan het Protocol opvang verboden diersoorten, bedreigde uitheemse diersoorten en bedreigde inheemse diersoorten:

zoogdieren van soorten ten aanzien waarvan het besluit is genomen dat zij niet worden aangewezen of waarvan de aanwijzing is ingetrokken en zoogdieren van soorten als bedoeld in bijlage IIa bij het besluit.

B

De onderdelen e en f vervallen.

C

De onderdelen g, h en i worden geletterd e, f en g.

Op grond van artikel 2.3 van de Regeling houders van dieren zijn van het verbod op het houden van dieren vrijgesteld de categorieën houders van dieren die zijn genoemd in bijlage 2 bij die regeling, voor de daarbij genoemde diersoorten en met inachtneming van de daarbij genoemde voorschriften.

In de onderdelen e en f van bijlage 2 werden opvangcentra die voldoen aan het Protocol opvang bedreigde inheemse diersoorten respectievelijk het Protocol opvang bedreigde uitheemse diersoorten vrijgesteld, voor de bedreigde inheemse en uitheemse zoogdiersoorten die op grond van de toenmalige Flora- en faunawet werden aangewezen.

Aangezien de Wet natuurbescherming niet voorziet in een algemene lijst van aangewezen inheemse en uitheemse soorten, is via het Besluit natuurbescherming in het Besluit houders van dieren ter vervanging een nieuwe lijst opgenomen waarin deze soorten zijn aangewezen (bijlage IIa nieuw). Artikel 7.4 van deze regeling regelt dat in bijlage 2 bij de Regeling houders van dieren wordt verwezen naar die nieuwe lijst.103  Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om te verwijzen naar het Protocol opvang verboden diersoorten, bedreigde uitheemse diersoorten en bedreigde inheemse diersoorten, dat op 1 december 2015 in werking is getreden en dat dient ter vervanging van het Protocol opvang verboden diersoorten, Protocol opvang bedreigde inheemse diersoorten en Protocol opvang bedreigde uitheemse diersoorten.104

Artikel 7.5

De artikelen 8.1 en 8.2 van de Regeling omgevingsrecht komen te luiden:

Artikel 8.1 Natura 2000-activiteiten

1. In of bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel a, van het besluit, vermeldt de aanvrager voor welk Natura 2000-gebied de activiteit gevolgen kan hebben. Als de activiteit gevolgen kan hebben voor meer dan één gebied, worden alle gebieden vermeld. Daarbij vermeldt de aanvrager wat de precieze afstand van de activiteit tot het gebied is en voegt deze op kaartbeeld de locatie van de activiteit in relatie tot de betreffende gebieden bij.
2. In of bij de aanvraag om een vergunning als bedoeld in het eerste lid vermeldt de aanvrager naast de omschrijving van de aard en de omvang van de activiteit tevens de periodes waarbinnen de activiteit plaatsvindt.
3. Ingeval de activiteit een andere handeling is als bedoeld in artikel 2.7, derde lid, onderdeel b, van de Wet natuurbescherming is, dient de aanvrager bij een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, naast de gegevens, bedoeld in artikel 1.3 van deze regeling, een verslag van een onderzoek en de uitkomsten daarvan naar de mogelijkheid dat de andere handeling, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor de desbetreffende Natura 2000-gebieden, de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen.
4. Ingeval de activiteit een project is als bedoeld in artikel 2.7, derde lid, onderdeel a, van de Wet natuurbescherming, dient de aanvrager bij een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, naast de gegevens, bedoeld in artikel 1.3 van deze regeling, een passende beoordeling als bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, van die wet in. De passende beoordeling bevat in elk geval de volgende gegevens:
a. een gebiedsbeschrijving met inbegrip van de instandhoudingsdoelstellingen voor de desbetreffende gebieden, bedoeld in artikel 2.1, vierde lid, van de Wet natuurbescherming;
b. voor welke specifieke instandhoudingsdoelstellingen het project een mogelijk negatief of positief gevolg heeft en voor welke specifieke instandhoudingsdoelstellingen het project geen gevolg heeft;
c. een zo nauwkeurig mogelijke beschrijving van de gevolgen per individuele instandhoudingsdoelstelling;
d. een beschrijving van de concrete maatregelen die genomen kunnen worden om de negatieve gevolgen te verzachten of te voorkomen (mitigerende maatregelen);
e. of, en zo ja in welke mate de gevolgen van het project op de instandhoudingsdoelstellingen de gevolgen van andere projecten of plannen op diezelfde instandhoudingsdoelstellingen versterken.
5. Ingeval de activiteit een project is als bedoeld in artikel 2.7, derde lid, onderdeel a, van de Wet natuurbescherming waarop artikel 2.8, vierde lid, van die wet van toepassing is, dient de aanvrager bij de aanvraag tevens de uitkomsten van de ‘adc-toets’ in. Deze adc-toets bevat in elk geval de volgende gegevens:
a. een omschrijving van alternatieve oplossingen voor hetgeen beoogd wordt met het project, waarbij voldoende aannemelijk wordt gemaakt waarom het toch beter is dat de door de aanvrager voorgestelde uitvoering wordt gekozen;
b. een omschrijving van een dwingende reden van groot openbaar belang als bedoeld in artikel 2.8, vierde lid, onderdeel b, van de Wet natuurbescherming die met het project wordt gediend;
c. een omschrijving van de compenserende maatregelen als bedoeld in artikel 2.8, vierde lid, onderdeel c, van de Wet natuurbescherming.
6. Voor zover een aanvraag betrekking heeft op het veroorzaken van stikstofdepositie op een voor stikstof gevoelig habitat of habitat van voor stikstof gevoelige soorten waarvoor een instandhoudingsdoelstelling geldt in een Natura 2000-gebied dat in het programma aanpak stikstof, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming is opgenomen:
a. verstrekt de aanvrager in of bij de aanvraag een afschrift van een berekening van de stikstofdepositie die het project of de handeling op een Natura 2000-gebied veroorzaakt met gebruikmaking van AERIUS Calculator als bedoeld in artikel 2.1 van de Regeling natuurbescherming en de gegevens waarop die berekening is gebaseerd;
b. bestaat het onderzoek, bedoeld in het derde lid, dan wel de passende beoordeling, bedoeld in het vierde lid, slechts uit een verwijzing naar dat programma aanpak stikstof.

Artikel 8.2 Flora- en fauna-activiteiten

1. In of bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel b, van het besluit, vermeldt de aanvrager:
a. een beschrijving van de handelingen die uitgevoerd zullen worden;
b. het doel en belang van de handelingen die zullen plaatsvinden;
c. voor welke beschermde soorten een omgevingsvergunning wordt aangevraagd, zowel met de Nederlandse naam als de wetenschappelijke naam van de beschermde soorten;
d. voor welke handelingen, bedoeld in artikel 3.1, 3.5 of 3.10 van de Wet natuurbescherming de vergunning wordt aangevraagd.
2. In of bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, dient de aanvrager een activiteitenplan in, dat bestaat uit de volgende onderdelen en gegevens:
a. een beschrijving van het gebied waarin de locatie van de handelingen is gelegen;
b. een beschrijving van de staat van instandhouding en de verspreiding op en nabij het gebied van vogels als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming, dieren en planten van soorten als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, van die wet en dieren en planten van soorten als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel a, van die wet;
c. in voorkomend geval een beschrijving van de functies van in dat gebied voorkomende nesten of rustplaatsen voor vogels als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming, voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren van soorten als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, van die wet of vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren van soorten als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel a, van die wet en hoe essentieel deze zijn voor de staat van instandhouding van de desbetreffende soorten;
d. een beschrijving van de manier waarop de aanvrager de handelingen wil uitvoeren;
e. de periode waarin de handelingen uitgevoerd zullen worden;
f. de planning van de handelingen en de onderbouwing daarvan;
g. een beschrijving van alternatieven met een gemotiveerde toelichting waarom een eventuele andere mogelijke bevredigende oplossing niet is gekozen;
h. een beschrijving van de effecten van de voorgenomen handelingen op de staat van instandhouding van de onder b genoemde soorten, voor dieren mede aan de hand van de onder c genoemde aanwezige essentiële functies voor die beschermde soorten.
i. een verantwoording van het onderzoek dat naar de effecten van de voorgenomen handelingen is gedaan;
j. een verantwoording van het onderzoek dat naar de verspreiding van de beschermde soorten is gedaan;
k. een beschrijving van de eventuele maatregelen om schade aan de beschermde soort te voorkomen (mitigerende maatregelen);
l. een beschrijving van de eventuele maatregelen om onvermijdelijke schade aan de beschermde soort te herstellen (compenserende maatregelen);
m. een ingetekende topografische kaart met de locatie van de handelingen, de verspreiding van de beschermde soorten en de locatie van de mitigerende of compenserende maatregelen;
n. al naar gelang de handeling gevolgen heeft voor vogels, voor dieren of planten van soorten als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, van de Wet natuurbescherming of voor dieren of planten van soorten als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, van die wet, een onderbouwing vanwege welk belang de handeling nodig is, genoemd in artikel 3.3, vierde lid, onderdeel b, onderscheidenlijk artikel 3.8, vijfde lid, onderdeel b, onderscheidenlijk artikel 3.10, tweede lid, al dan niet in samenhang met artikel 3.8, vijfde lid, onderdeel b, van die wet.

Op grond van artikel 4.4, eerste lid van het Besluit omgevingsrecht verstrekt de aanvrager bij de aanvraag de bij ministeriële regeling aangewezen gegevens en bescheiden ten aanzien van de activiteiten binnen het project waarop de aanvraag betrekking heeft.

Artikel 8.1 van de Regeling omgevingsrecht bevatte een opsomming van de gegevens die een aanvrager moest aanleveren indien zijn vergunningaanvraag betrekking had op projecten die schadelijke gevolgen konden hebben voor een beschermd natuurmonument of een Natura 2000-gebied. In de Wet natuurbescherming is niet langer een specifiek beschermingsregime voorzien voor beschermde natuurmonumenten. Alleen voor Natura 2000-gebieden blijft een bijzondere bescherming gelden. Met artikel 7.6 van de onderhavige regeling worden de gegevens die een aanvrager moet aanleveren geactualiseerd.

Artikel 8.2 van de Regeling omgevingsrecht bevatte een opsomming van de gegevens die aan aanvrager moest aanleveren indien zijn vergunningaanvraag betrekking had op activiteiten die schadelijke gevolgen konden hebben voor beschermde soorten op grond van de toenmalige Flora- en faunawet. De aanvrager moest onder andere het doel en belang van de activiteiten omschrijven. Deze belangen stonden beschreven in het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten. Deze belangen staan thans beschreven in de Wet natuurbescherming (3.3, vierde lid, onderdeel b, onderscheidenlijk artikel 3.8, vijfde lid, onderdeel b, onderscheidenlijk artikel 3.10, tweede lid, al dan niet in samenhang met artikel 3.8, vijfde lid, onderdeel b, van de wet).105

Artikel 7.6

In artikel 2.8 van de Regeling tijdelijke maatregelen dierziekten wordt ‘in afwijking van artikel 50, eerste lid, onderdelen d en e, van de Flora- en Faunawet’ vervangen door: in afwijking van artikel 3.21, eerste lid, onderdeel e, van de Wet natuurbescherming is het gebruik van gehouden eenden als lokvogels als middel tot jagen verboden.

De Regeling tijdelijke maatregelen dierziekten bevat tijdelijke maatregelen die in het kader van het weren, de preventie of de bestrijding van dierziekten noodzakelijk zijn. In artikel 2.8 wordt in afwijking van de toenmalige Flora- en faunawet het gebruik van gehouden eenden als lokvogels als middel tot jagen verboden. Deze verwijzing wordt met artikel 7.6 van de onderhavige regeling geactualiseerd.

Artikel 7.7

In artikel 266, eerste lid, onderdeel a, van de Regeling uitvoering GMO groenten en fruit wordt ‘macrobiologische bestrijders en aaltjes, die zijn toegelaten op grond van de Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten Flora- en faunawet’ vervangen door: macrobiologische bestrijders en aaltjes ten aanzien waarvan op grond van de Regeling natuurbescherming vrijstelling is verleend voor het uitzetten voor de bestrijding van ziekten, plagen of onkruiden.

De Regeling uitvoering GMO groenten en fruit geeft uitvoering aan de Europese marktordeningsregels voor de groente- en fruitsector die zijn opgenomen in verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkt en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (‘Integrale GMO-verordening’) (PbEU 2007, L 299) en verordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (PbEU 2011, L 157).

De Regeling uitvoering GMO groenten en fruit bevat onder meer voorschriften over de aanvraag en de verlening van steun. Artikel 266 van die regeling regelde dat uitgaven voor macrobiologische bestrijders en aaltjes als middelen voor biologische of geïntegreerde gewasbescherming en het voorkomen van ziekten en plagen subsidiabel indien die middelen zijn toegelaten op grond van de toenmalige Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten Flora- en faunawet. Die verwijzing is via artikel 7.7 van deze regeling geactualiseerd.

Artikel 7.8

In artikel 1 van de regeling van de Minister van Justitie houdende toekenning van opsporingsbevoegdheid voor de Flora- en Faunawet aan buitengewoon opsporingsambtenaren van 3 juni 2002, nr. 5167271/502/AJT (Stcrt. 110) wordt ‘Flora- en Faunawet’ vervangen door: hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming.

Op grond van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder ten tweede, van de Wet op de economische delicten zijn met de opsporing van economische delicten belast de ambtenaren, aangewezen door de Minister van Veiligheid en Justitie. In de Regeling van de Minister van Justitie houdende toekenning van opsporingsbevoegdheid voor de Flora- en Faunawet aan buitengewoon opsporingsambtenaren zijn de buitengewoon opsporingsambtenaren met de functie van flora- en faunabeheerder aangewezen als ambtenaren, belast met de opsporing van de bij of krachtens de toenmalige Flora- en Faunawet strafbaar gestelde feiten. Deze verwijzing wordt met artikel 7.9 van de onderhavige regeling geactualiseerd.

Artikel 7.9

In artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de Regeling wapens en munitie, wordt ‘artikel 38, eerste lid, onder a, van de Flora- en faunawet’ vervangen door: artikel 3.26, eerste lid, onderdeel a, van de Wet natuurbescherming.

Op grond van artikel 9, vijfde lid, van de Wet wapens en munitie kan de Minister van Veiligheid en Justitie bij regeling vrijstelling verlenen van het verbod om zonder erkenning een wapen of munitie te vervaardigen, te transformeren of in de uitoefening van een bedrijf uit te wisselen, te verhuren of anderszins ter beschikking te stellen, te herstellen, te beproeven of te verhandelen.

In de Regeling wapens en munitie wordt onder meer vrijstelling verleend voor het vervaardigen en transformeren van munitie, voor zover het gaat om herladen voor eigen gebruik door personen die houder zijn van een jachtakte. Voor de definitie van ‘jachtakte’ werd naar de toenmalige Flora- en faunawet verwezen. Die verwijzing wordt met artikel 7.10 van de onderhavige regeling geactualiseerd.

Artikel 7.10

De Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 2.15, eerste lid, wordt ‘artikel 10a van de Natuurbeschermingswet 1998’ vervangen door: artikel 2.1, eerste lid, van de Wet natuurbescherming.

B

Bijlage 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de tabel van onderdeel RBE2 wordt ‘artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998’ vervangen door: artikelen 2.7, tweede lid, en 2.9, eerste, tweede en derde lid, van de Wet natuurbescherming.
2. In de tabel van onderdeel RBE3 wordt ‘artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998’ vervangen door: artikelen 2.7, tweede lid, en 2.9, eerste, tweede en derde lid, van de Wet natuurbescherming.

C

Onderdeel A van paragraaf 6 van bijlage 4 komt te luiden:

A. De landbouwer is verplicht de volgende bepalingen in acht te nemen:
1°. de artikelen 4.2 en 4.3, eerste en tweede lid, van de Wet natuurbescherming, en
2°. de in voorkomend geval door desbetreffende provinciale staten krachtens artikel 4.3, derde lid, gestelde regels.

Artikel 45 van verordening (EU) nr. 1307/2013 verplicht lidstaten om blijvend grasland te beschermen. In de eerste plaats dienen lidstaten arealen blijvend grasland aan te wijzen dat ecologisch kwetsbaar is. In artikel 2.15, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB werd daartoe blijvend grasland aangewezen dat is gelegen in Natura 2000-gebieden die op grond van de oude Natuurbeschermingswet 1998 als zodanig waren aangewezen. Deze verwijzing wordt met artikel 7.10, onderdeel A, van de onderhavige regeling geactualiseerd.

In artikel 3.1, aanhef en onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betaling GLB is de verplichting neergelegd voor landbouwers die een aanvraag hebben ingediend voor rechtstreekse betalingen om te voldoen aan de randvoorwaarden van het GLB. Deze randvoorwaarden betreffen onder meer beheerseisen, neergelegd in Europese richtlijnen op het gebied van de bescherming van natuur en milieu, van de volksgezondheid, diergezondheid en plantgezondheid, alsmede het dierenwelzijn. Deze beheerseisen en normen zijn neergelegd in bijlage II van verordening (EU) nr. 1306/2013. Ten aanzien van de beheerseisen is in bijlage 3 bij die deze regeling opgenomen in welke nationale regelgeving deze eisen worden uitgevoerd of geïmplementeerd, of voor zover de Europese norm van toepassing in welke bepaling deze Europese norm is terug te vinden. Voor de betreffende randvoorwaarden uit de Vogelrichtlijn en de Habitatlijn werd verwezen naar artikel 19d van de toenmalige Natuurbeschermingswet 1998. Deze verwijzing wordt met artikel 7.10, onderdeel B, van de onderhavige regeling geactualiseerd naar artikel 2.7, tweede lid van de wet.

Daarnaast was voor landbouwers op grond van artikel 3.1, aanhef en onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB de naleving van de meldings- en herbeplantingsplicht en het kapverbod van de toenmalige Boswet een van de randvoorwaarden om in aanmerking te komen voor rechtstreekse betalingen. Deze verwijzingen worden met artikel 7.10, onderdeel C, van de onderhavige regeling geactualiseerd.

Artikel 7.11

De Uitvoeringsregeling visserij wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 28, onderdeel b, wordt ‘artikel 10, 10a en 12 van de Natuurbeschermingswet 1998’ vervangen door: artikel 2.1, eerste lid of 2.11, eerste lid, van de Wet natuurbescherming.

B

In onderdeel 2 van bijlage 17 wordt ‘artikel 20 van de Natuurbeschermingswet 1998’ vervangen door: artikel 2.5, eerste lid, van de Wet natuurbescherming.

Op grond van artikel 28, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling visserij geldt een verbod op het uitzetten van graskarpers in wateren die geheel dan wel ten dele zijn gelegen in beschermde gebieden, waarbij werd verwezen naar gebieden die waren aangewezen op grond van de toenmalige Natuurbeschermingswet 1998. Deze verwijzing wordt met artikel 7.11, onderdeel A, van de onderhavige regeling geactualiseerd naar Natura 2000-gebieden of bijzondere nationale natuurgebieden.

Op grond van artikel 52a van de Uitvoeringsregeling visserij geldt een vrijstelling op het verbod te vissen in het zeegebied en de kustwateren met een aalfuik, staand want, hoekwant, aalkistje, ankerkuil of enig ander vast vistuig, niet zijnde een vistuig, bestemd voor het vangen van schelpdieren voor de kustwateren voor het gebruik voor de recreatieve visserij met vistuig van het type staand want. De vrijstelling geldt niet voor de groene lijngebieden van de Waddenzee waar de toegang beperkt is, onder verwijzing naar toegangsbeperkingen krachtens de toenmalige Natuurbeschermingswet 1998. Deze verwijzing wordt met artikel 7.11, onderdeel B, van de onderhavige regeling geactualiseerd.

Artikel 7.12

Artikel 1, onderdeel d, van de Vrijstellingsregeling plantenresten komt te luiden:
d. natuurgebied: Natura 2000-gebied als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wet natuurbescherming dan wel een ander gebied met als hoofdfunctie natuur.

In de Vrijstellingsregeling plantenresten worden specifieke categorieën van plantenresten aangewezen ten aanzien waarvan een vrijstelling geldt van het verbod om zich van afvalstoffen te ontdoen door deze – al dan niet in verpakking – buiten een inrichting te storten, anderszins op of in de bodem te brengen of te verbranden (artikel 10.2 van de Wet milieubeheer). Heideplagsel en maaisel dat vrijkomt binnen een natuurgebied en dat op of in de bodem wordt gebracht op de plaats of in de directe nabijheid daarvan waar dit is vrijgekomen is een van de vrijgestelde categorieën. De definitie van natuurgebied is met artikel 7.12, van de onderhavige regeling geactualiseerd.

TITEL 7.2. OVERGANGSRECHT

Artikel 7.13

Artikel 2.1 is niet van toepassing op:
a. een besluit op een aanvraag als bedoeld in artikel 5.13, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming;
b. projecten, plannen en andere handelingen als bedoeld in 5.13, tweede lid, van het Besluit natuurbescherming.

Overeenkomstig artikel 9, eerste en tweede lid, van de Regeling programmatische aanpak stikstof is geregeld dat de verplichting om de stikstofdepositie die wordt veroorzaakt door een project, plan of andere handeling te berekenen met behulp van AERIUS Calculator, niet geldt voor vergunningaanvragen die dateren van vóór de inwerkingtreding op 1 juli 2015 van het Programma aanpak stikstof 2015-2021 en evenmin voor projecten, plannen en andere handelingen waarvoor de voorbereiding van de besluitvorming op die datum reeds in ver gevorderd stadium verkeerde.

Artikel 7.14

Als examens als bedoeld in de artikelen 3.28, tweede lid, onderdeel a, 3.30, tweede lid, tweede volzin, in samenhang met artikel 3.28, tweede lid, onderdeel a, onderscheidenlijk 3.30, derde lid, van de wet worden erkend de krachtens artikel 39, eerste lid, onderdeel c, van de Flora- en faunawet erkende jachtexamens voor de jacht met het geweer, de jacht met jachtvogels, onderscheidenlijk de jacht met de eendenkooi.

Op grond van de artikelen 3.26, eerste lid, onderdeel a, en 3.30, eerste lid, onderdeel a, van de wet is het verboden het geweer en jachtvogels te gebruiken zonder een geldige jachtakte, onderscheidenlijk valkeniersakte. Eén van de voorwaarden waaronder deze akten worden verleend is dat de aanvrager een jachtexamen, onderscheidenlijk een examen voor het gebruik van jachtvogels met gunstig gevolg heeft afgelegd (artikelen 3.28, tweede lid, onderdeel a, en 3.30, tweede lid, van de wet). Voor kooikers geldt een verbod op het gebruik van eendenkooien zonder een examen voor het gebruik van eendenkooien met gunstig gevolg te hebben afgelegd (artikel 3.30, derde lid, van de wet). Voor de drie genoemde examens geldt als eis dat deze door de Minister van Economische Zaken zijn erkend.

Artikel 7.13 waarborgt dat drie genoemde examens die met gunstig gevolg zijn afgelegd toen de toenmalige Flora- en faunawet van kracht was, ook onder het regime van de Wet natuurbescherming erkend blijven. Hiermee is verzekerd dat degene die het jachtexamen of examen voor het gebruik van jachtvogels heef afgelegd voor het moment waarop de wet in werking is getreden, na inwerkingtreding van de wet de jachtakte of de valkeniersakte kan aanvragen en dat de kooiker die onder het toenmalige regime examen heeft gedaan, zijn eendenkooi mag gebruiken.

Artikel 7.15

Het verbod, bedoeld in artikel 3.37, eerste lid, van de wet geldt niet ten aanzien van het voorschrift, bedoeld in artikel 3.29 van deze regeling, voor de houder van dieren van de soorten Amerikaanse voseekhoorn (Sciurus niger), grijze eekhoorn (Sciurus carolinensis) en Pallas’ eekhoorn (Callosciurus erythraeus), indien de houder op het tijdstip van inwerkingtreding van de wet aantoonbaar voldeed aan het bepaalde in artikel 8a, tweede en derde lid, van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten.

Op grond van artikel 3.37, eerste lid, van de wet is het verboden om in strijd te handelen met artikel 7 van de EU-verordening inzake invasieve uitheemse soorten, dat een verbod behelst op het – kort gezegd – onder zich hebben en verhandelen van dieren of planten van op de Unielijst opgenomen invasieve uitheemse soorten. Voor wie deze dieren onder zich had voor de vaststelling van de Unielijst, biedt de verordening een overgangsregime.

Voor drie eekhoornsoorten – die inmiddels zijn opgenomen op de Unielijst – gold op grond van de toenmalige Flora- en faunawet een verbod op het onder zich hebben en verhandelen ervan. Het toenmalige Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten bevatte ten aanzien van dat verbod een overgangsregeling, waar een aantal voorschriften aan was verbonden. De houder moest de dieren laten chippen en dieren onvruchtbaar laten maken. Ook diende de houder zijn naam en adresgegevens en de unieke nummers van de microchiptransponders van zijn dieren te registreren bij de Minister van Economische Zaken. Deze voorwaarden moesten waarborgen dat het aantal gehouden eekhoorns van deze soorten langzaam afnam en risico’s bij ontsnapping van het dier grotendeels werden weggenomen. De dieren mochten tevens niet voor commerciële doeleinden gehouden worden.

Dit regime wijkt op punten af en is strenger dan het overgangsregime van de EU-verordening inzake invasieve uitheemse soorten. Het is dan ook wenselijk dat wie eekhoorns onder zich heeft en bij inwerkingtreding van deze regeling voldeed aan de voorschriften van de overgangsregeling uit het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten, is uitgezonderd van het verbod van artikel 7 van de verordening. Artikel 7.14 van deze regeling voorziet hierin.

Artikel 7.16

Een ring die of een ander merkteken dat rechtmatig is aangebracht vóór de inwerkingtreding van deze regeling en, voorzover van toepassing, in overeenstemming is met de basisverordening en de uitvoeringsverordening wordt beschouwd als een ring of merkteken als bedoeld in deze regeling.

De artikelen 3.25 en 3.26 van deze regeling hebben betrekking op pootringen of merktekens voor geprepareerde vogels en gefokte vogels. Onderhavig artikel borgt dat pootringen of merktekens, die op grond van de toenmalige Flora- en faunawet zijn verstrekt en overeenkomstig die wet zijn aangebracht, gelden als pootringen of merktekens in de zin van deze regeling. Die pootringen of merktekens hebben immers dezelfde eigenschappen en functionaliteit als de op grond van deze regeling verstrekte pootringen en merktekens.

Artikel 7.17

Archiefbescheiden van de Minister van Economische Zaken betreffende een bevoegdheid tot het nemen van een besluit met betrekking tot projecten of handelingen die op grond van de wet wordt uitgeoefend door gedeputeerde staten, worden overgedragen aan gedeputeerde staten van de provincie waar het project of de handeling in hoofdzaak wordt gerealiseerd, onderscheidenlijk verricht, voor zover de archiefbescheiden niet overeenkomstig de Archiefwet 1995 zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats.

De wet voorziet in een decentralisatie van bevoegdheden om besluiten te nemen van Rijk naar provincies, met name op het gebied van de soortenbescherming (§3.1 tot en met § 3.3 van de wet) en de bescherming van houtopstanden (§4.1 van de wet). Deze decentralisatie van bevoegdheden noodzaakt tot het treffen van een regeling voor archiefbescheiden ten aanzien van deze bevoegdheden. Onderhavig artikel voorziet daarin en bepaalt dat de relevante archiefbescheiden worden overgedragen door de Minister van Economische Zaken aan gedeputeerde staten van de provincies. Dit is onder meer van belang voor reeds genomen beschikkingen, omdat provincies op grond van het overgangsrecht verantwoordelijk zijn voor toezicht op de naleving van de aan de ontheffingen verbonden voorwaarden en bevoegd zijn tot intrekking en wijziging van deze beschikkingen (artikel 5.4 van de wet).

TITEL 7.3. INWERKINGTREDING EN CITEERTITEL

Artikel 7.18

Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2017.

Artikel 7.19

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling natuurbescherming.

BIJLAGE 1 BEHORENDE BIJ ARTIKEL 2.5 VAN DE REGELING NATUURBESCHERMING

Projecten en andere handelingen of categorieën van projecten of andere handelingen waarvoor ontwikkelingsruimte is gereserveerd.

Deze bijlage vindt u hier.

BIJLAGE 2 BEHORENDE BIJ ARTIKEL 3.6 VAN DE REGELING NATUURBESCHERMING

a. Vereniging tot behoud van Natuurmonumenten in Nederland;
b. LandschappenNL;
c. Stichting het Gooisch Natuurreservaat;
d. Stichting Marke Vragenderveen;
e. G.A. van der Lugtstichting;
f. Stichting Edwina van Heek;
g. Stichting Het Nationale Park De Hoge Veluwe;
h. Staatsbosbeheer.

BIJLAGE 3 BEHORENDE BIJ ARTIKEL 3.13, TWEEDE LID, VAN DE REGELING NATUURBESCHERMING

Deze bijlage vindt u hier.

BIJLAGE 4 BEHORENDE BIJ ARTIKEL 3.13, DERDE LID, VAN DE REGELING NATUURBESCHERMING

Deze bijlage vindt u hier.

BIJLAGE 5 BEHORENDE BIJ ARTIKEL 3.13, VIERDE LID, VAN DE REGELING NATUURBESCHERMING

Deze bijlage vindt u hier.

BIJLAGE 6 BEHORENDE BIJ ARTIKEL 3.13, VIJFDE LID, VAN DE REGELING NATUURBESCHERMING

Deze bijlage vindt u hier.

BIJLAGE 7 BEHORENDE BIJ ARTIKEL 3.13, ZEVENDE LID, VAN DE REGELING NATUURBESCHERMING

Deze bijlage vindt u hier.

BIJLAGE 8 BEHORENDE BIJ ARTIKEL 3.15, TWEEDE LID, VAN DE REGELING NATUURBESCHERMING

− Apocynaceae: Pachypodium spp.
− Cactaceae: de soorten, genoemd in bijlage B van CITES-basisverordening
− Cycadaceae: Cycas revoluta
− Droseraceae: Dionaea muscipula
− Euphorbiaceae: de succulente soorten, genoemd in bijlage B van CITES-basisverordening
− Liliaceae: de soorten Aloe, genoemd in bijlage B van CITES-basisverordening
− Nepenthaceae: de soorten Nepenthes, genoemd in bijlage B van CITES-basisverordening
− Orchidaceae: de soorten, genoemd in bijlage B van CITES-basisverordening, de hybriden van de soorten Paphiopedilum
− Sarraceniaceeae: de soorten, genoemd in bijlage B van CITES-basisverordening

BIJLAGE 9 BEHORENDE BIJ ARTIKEL 3.25, EERSTE LID, VAN DE REGELING NATUURBESCHERMING

Deze bijlage vindt u hier.

BIJLAGE 10 BEHORENDE BIJ ARTIKEL 3.26, EERSTE LID VAN DE REGELING NATUURBESCHERMING

a. Algemene Nederlandse Bond van Vogelhouders, gevestigd te Zutphen;
b. Kleindier Liefhebbers Nederland, gevestigd te Utrecht;
c. Nederlandse Bond van Vogelliefhebbers, gevestigd te Bergen op Zoom;
d. Parkieten Sociëteit, gevestigd te Arnhem;
e. Vereniging Aviornis International Nederland, gevestigd te Wijchen;
f. Vereniging Belangenbehartiging Europese Cultuurvogel, gevestigd te Eindhoven.

BIJLAGE 11 BEHORENDE BIJ ARTIKEL 3.28, EERSTE LID, VAN DE REGELING NATUURBESCHERMING

Deze bijlage vindt u hier.

BIJLAGE 12 BEHORENDE BIJ ARTIKEL 3.28, TWEEDE EN DERDE LID, VAN DE REGELING NATUURBESCHERMING

Deze bijlage vindt u hier.

BIJLAGE 13 BEHORENDE BIJ ARTIKEL 3.31, EERSTE LID, VAN DE REGELING NATUURBESCHERMING

Deze bijlage vindt u hier.

Voetnoten:

81 De verduidelijking in het tweede lid is mede naar aanleiding van het commentaar van het Interprovinciaal Overleg opgenomen.

82 Dit kan onder meer relevant zijn voor de winning van oppervlaktedelfstoffen, zoals de Federatie Oppervlaktedelfstoffenwinnendeindustrieën (FODI) in haar commentaar aangaf. Zij gaf ook aan dat na de daadwerkelijke winning veelal een fase volgt van herinrichting van het gebied. Die laatste fase is duidelijk te onderscheiden van de voorgaande fasen en zou – als zij een periode van ten hoogste vijf jaar betreft – dus onder de regeling voor tijdelijke projecten en andere handelingen van het vierde lid van artikel 2.4 vallen. Ook in het commentaar van VNO/NCW & MKB-Nederland werd aandacht gevraagd voor dit punt.

83 Het kan daarbij ook gaan om op grond van artikel 19d van de toenmalige Natuurbeschermingswet 1998 verleende vergunningen. Deze gelden ingevolge artikel 9.4, eerste lid, van de Wet natuurbescherming als vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming.

84 Voor Natura 2000-gebieden die als speciale beschermingszones op grond van de Habitatrichtlijn zijn aangewezen, is dat de datum van plaatsing van het Natura 2000-gebied door de Europese Commissie op de lijst gebieden van communautair belang; voor de meeste gebieden is dat 7 december 2004. Voor Natura 2000-gebieden die als speciale beschermingszones op grond van de Vogelrichtlijn zijn aangewezen, is de referentiedatum de datum van de nationale aanwijzing van het desbetreffende Natura 2000-gebied, of, als de aanwijzing dateert van vóór 10 juni 1994, 10 juni 1994.

85 ABRvS 31 maart 2010, zaaknr. 200903784/1.

86 De tekst is op dit punt verduidelijkt naar aanleiding van het commentaar van VNO/NCW & MKB Nederland. De Federatie van Oppervlaktedelfstoffenwinnende Industrieën (FODI) bepleitte in haar commentaar dat een eventuele uitbreiding van de activiteiten binnen de vóór de omzettingsdatum geldende milieu- of Hinderwetvergunning niet als andere handeling vergunningplichtig is, ook als die uitbreiding na 31 maart 2010 plaatsvond. In dat geval is echter niet voldaan aan de voorwaarden voor de vrijstelling voor bestaand gebruik als neergelegd in artikel 2.9, tweede lid, van de wet. Die vrijstelling is een voortzetting van artikel 19d, tweede lid, van de toenmalige Natuurbeschermingswet 1998. Volgens jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over dat artikel, geldt de vrijstelling voor bestaand gebruik niet langer als gebruik na 31 maart 2010 is gewijzigd, tenzij is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: 1) er is sprake van een fluctuatie in het gebruik die eigen is aan de bedrijfsvoering en 2) voor dat gebruik was vóór de bij uitzondering 1 genoemde referentiedatum een vergunning op grond van de Hinderwet of de Wet milieubeheer verleend en het na 31 maart 2010 gewijzigde gebruik is lager dan destijds was vergund. Verwezen zij naar ABRvS 19 februari 2014, zaaknr. 201305070/1/R2.

87 De Federatie Oppervlaktedelfstoffenwinnende Industrieën (FODI) gaf in haar commentaar aan dat uit moet worden gegaan van de stikstofdepositie die op grond van de milieuvergunning of Hinderwetvergunning mocht plaatsvinden. Dat is juist als sprake is van vóór de omzettingsdatum verleende vergunningen en ongewijzigde voortzettting van de toen vergunde activiteiten. Ingeval van vergunningverlening voor uitbreiding of wijziging van een activiteit wordt voor de toe te delen ontwikkelingsruimte echter niet uitgegaan van de eerder vergunde ruimte – tenzij sprake is van een specifieke toestemming als bedoeld in artikel 2.7, vijfde lid, onderdeel a – maar van de hoogste feitelijke depositie in de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2014. Daarmee is rekening gehouden in de ecologische onderbouwing van het Programma aanpak stikstof 2015-2021.

88 De verduidelijking heeft plaatsgevonden naar aanleiding van het commentaar van het Interprovinciaal Overleg.

89 In het commentaar van Prorail BV werd bepleit het begrip ‘spoorwegen’ te verduidelijken door te verwijzen naar ‘hoofdspoorwegen’ in de zin van de Spoorwegwet. Het uitgangspunt als neergelegd in het negende lid ziet evenwel niet uitsluitend op hoofdspoorwegen, maar op alle spoorwegen.

90 Het Interprovinciaal Overleg vroeg aandacht voor dit punt in zijn commentaar.

91 Zie voor een uitgebreide toelichting Stb. 2016, 75.

92 Zie de brief van de Staatssecretaris van Economische Zaken aan de Tweede Kamer van 3 maart 2016; Kamerstukken II 2015/16, 33 979, nr. 108.

93 De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in een uitspraak over artikel 65 van de toenmalige Flora- en faunawet – dat inhoudelijk overeenkomt met artikel 3.15 van de wet – erop gewezen dat uit de wet volgt dat één van de voorwaarden waaronder deze vrijstelling geldt is dat de grondgebruiker kan aantonen dat hij belangrijke schade tracht te voorkomen op het moment dat deze optreedt. Daarvoor zijn, aldus de Afdeling, objectieve en controleerbare gegevens nodig (uitspraak van 13 januari 2016, 201409932/1/A3). Vogelbescherming Nederland en Staatsbosbeheer vroegen in hun commentaar aandacht voor dit aspect van de vrijstelling. Anders dan de Vogelbescherming Nederland en Natuurmonumenten vroegen, is het opnemen van extra voorwaarden hieromtrent in de onderhavige regeling niet nodig.

94 Zie https://www.nvwa.nl/onderwerpen/meest-bezocht-a-z/dossier/export-planten-groenten-fruit-plantaardige-producten/meer-documenten-over-export-fytosanitair/bestand/2000966/cites-instructiebeschrijving-fytosanitaire-certificaten.

95 Het Nationaal Overleg Valkerij Organisaties stelde in zijn consultatiereactie dat de georganiseerde valkerij geen haviken aan de natuur onttrekt. Ik verwelkom dit signaal en acht het een goede zaak dat de valkerijorganisaties in Nederland hier aandacht voor hebben.

96 Kleindier Liefhebbers Nederland heeft in haar consultatiereactie om deze wijziging gevraagd. Het gaat om een kleinere ringmaat voor de volgende soorten: slobeend, Europese wilde eend, grote toppereend, rotgans, grote zee-eend, zwarte zee-eend, zaagbek (middelste) en casarca en een grotere ringmaat voor de kleine rietgans en fluitzwaan / kleine zwaan. De Parkieten Sociëteit heeft gevraagd om het vergroten van de ringmaat voor de soldaten ara en de opname van twee ondersoorten, te weten de oranjekuifkaketoeen de Ouvea-hoornparkiet.

97 De Vogelbescherming verwees in haar consultatiereactie in dit verband naar een door haar in 2007 opgesteld rapport ‘Gekweekt met de vangkooi’. De Faunabescherming zette in haar consultatiereactie vraagtekens bij het gehele systeem van pootringen, omdat het systeem niet waterdicht zou zijn.

98 Zie artikel 8, tweede lid, van de verordening.

99 Zie artikel 16b van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten.

100 Deze soorten waren aangewezen in bijlage 4 van de Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten Flora- en faunawet.

101 Zie over het beheer van deze terreinen ook Aanhangsel Handelingen nrs. 716, 717 en 718, Tweede Kamer, vergaderjaar 2007-2008.

102 Kamerstukken II 2011/12, 33 348, nr. 3, blz. 166.

103 Stichting Dier en Recht vroeg in haar consultatiebijdrage welke eisen gelden voor de opvang en verzorging van de das, eekhoorn, egel, gewone zeehond en grijze zeehond, nu het onder zich hebben van deze dieren niet verboden is bij of krachtens de wet. Het vangen van deze dieren is verboden op grond van de wet en gedeputeerde staten van de provincies kunnen ontheffing verlenen van dat verbod. Zonder ontheffing, die onder voorwaarden kan worden verleend, is het vangen van gewonde of zieke dieren van voornoemde soorten dus verboden. Verder bepaalt artikel 2.1, zesde lid, van de Wet dieren dat hulpbehoevende dieren de nodige zorg verleend moet worden. Op het verlenen van ontheffingen hieromtrent waren de Beleidsregels kwaliteit opvang diersoorten van toepassing. Op grond van de Wet natuurbescherming is de verlening van deze ontheffingen een bevoegdheid van de provincie, behoudens ten aanzien van mariene soorten (artikel 1.6 van het Besluit natuurbescherming). De beleidsregels worden aangepast aan de komst van de Wet natuurbescherming.

104 Stcrt. 2015, 42940.

105 Het Interprovinciaal Overleg deed in zijn commentaar suggesties om deze bepaling te verduidelijken. Deze zijn overgenomen, met uitzondering van de suggestie om de vereiste beschrijving van de gevolgen van de voorgenomen handeling voor de essentiële functies te koppelen aan het gehele gebied waarin de handeling zal plaatsvinden. Dit omdat het niet het gebied als zodanig een functie heeft voor de dieren van beschermde soorten, maar de daar aanwezige nesten, rustplaatsen en voortplantingsplaatsen als genoemd in deze bepaling.