Wet natuurbescherming: Besluit


Menu
Loading...
Index
  1. Besluit natuurbescherming
  2. HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN
    1. TITEL 1.1. BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN
      1. Artikel 1.1
    2. TITEL 1.2. RIJKSBEVOEGDHEDEN
      1. Artikel 1.2
      2. Artikel 1.3
      3. Artikel 1.4
      4. Artikel 1.5
      5. Artikel 1.6
      6. Artikel 1.7
      7. Artikel 1.8
      8. Artikel 1.9
  3. HOOFDSTUK 2. NATURA 2000-GEBIEDEN
    1. TITEL 2.1. PROGRAMMATISCHE AANPAK STIKSTOF
      1. § 2.1.1. Doelstelling, tijdvak en betrokken bestuursorganen
      2. Artikel 2.1
      3. § 2.1.2. Inhoud programma
      4. Artikel 2.2
      5. Artikel 2.3
      6. Artikel 2.4
      7. Artikel 2.5
      8. Artikel 2.6
      9. § 2.1.3. Toedeling en reservering ontwikkelingsruimte
      10. Artikel 2.7
      11. Artikel 2.8
      12. Artikel 2.9
      13. § 2.1.4. Vereenvoudigde procedure wijziging maatregelen; betrokkenheid andere bestuursorganen bij ministeriële regeling
      14. Artikel 2.10
      15. Artikel 2.11
    2. TITEL 2.2. GRENSWAARDEN STIKSTOF EN EXTERNE SALDERING
      1. Artikel 2.12
      2. Artikel 2.13
      3. Artikel 2.14
  4. HOOFDSTUK 3. SOORTEN
    1. TITEL 3.1. SOORTEN DIE IN HET GEHELE LAND SCHADE VEROORZAKEN
      1. Artikel 3.1
    2. TITEL 3.2. JACHT
      1. § 3.2.1. Uitoefening van de jacht buiten gezelschap jachthouder
      2. Artikel 3.2
      3. Artikel 3.3
      4. § 3.2.2. Jachtvogels en eendenkooien
      5. Artikel 3.4
      6. Artikel 3.5
      7. § 3.2.3. Overige regels over de uitoefening van de jacht
      8. Artikel 3.6
      9. Artikel 3.7
      10. § 3.2.4. Regels over de overeenkomst tot huur van het jachtrecht
      11. Artikel 3.8
    3. TITEL 3.3. MIDDELEN VOOR HET VANGEN EN DODEN VAN DIEREN
      1. § 3.3.1. Middelen, methoden en installaties voor het vangen en doden van vogels
      2. Artikel 3.9
      3. § 3.3.2 Verboden middelen buiten gebouwen, behoudens ontheffing, vrijstelling of opdracht
      4. Artikel 3.10
      5. Artikel 3.11
      6. § 3.3.3. Regels inzake het gebruik van het geweer
      7. Artikel 3.12
      8. Artikel 3.13
      9. Artikel 3.14
      10. Artikel 3.15
      11. Artikel 3.16
      12. Artikel 3.17
      13. § 3.3.4. Jachtexamens, examens voor het gebruik van jachtvogels, de jachtakte en de valkeniersakte
      14. Artikel 3.18
      15. Artikel 3.19
      16. Artikel 3.20
      17. Artikel 3.21
      18. § 3.3.5. Examens voor het gebruik van eendenkooien en opschrift afpaling eendenkooien
      19. Artikel 3.22
      20. Artikel 3.23
    4. TITEL 3.4. ONDER ZICH HEBBEN OF VERHANDELEN VAN DIEREN OF PLANTEN
      1. § 3.4.1. Beperkingen onder zich hebben, verhandelen of vervoeren van dieren of planten
      2. Artikel 3.24
      3. Artikel 3.25
      4. § 3.4.2. Prepareren van vogels
      5. Artikel 3.26
      6. § 3.4.3. Administratie, merktekens en plaatsen van in- en uitvoer
      7. Artikel 3.27
      8. Artikel 3.28
      9. Artikel 3.29
      10. § 3.4.4. Aanwijzing EU-wetgeving
      11. Artikel 3.30
    5. TITEL 3.5 REGELS TER UITVOERING VAN EU-VERORDENINGEN INZAKE INVASIEVE UITHEEMSE SOORTEN
      1. Artikel 3.31
      2. Artikel 3.32
  5. HOOFDSTUK 4. BESTUURLIJKE BOETEN
    1. Artikel 4.1
  6. HOOFDSTUK 5. SLOTBEPALINGEN
    1. TITEL 5.1. WIJZIGING ANDERE REGELGEVING
      1. Artikel 5.1
      2. Artikel 5.2
      3. Artikel 5.3
      4. Artikel 5.4
      5. Artikel 5.5
      6. Artikel 5.6
      7. Artikel 5.7
      8. Artikel 5.8
      9. § 5.6. Regels met betrekking tot Natura 2000-activiteiten en flora- en fauna-activiteiten
      10. Artikel 5.10
      11. Artikel 5.11
    2. TITEL 5.2. OVERGANGSRECHT
      1. Artikel 5.13
      2. Artikel 5.14
      3. Artikel 5.15
      4. Artikel 5.16
    3. TITEL 5.3. INWERKINGTREDING EN CITEERTITEL
      1. Artikel 5.17
      2. Voetnoten:

Besluit natuurbescherming

Hieronder is de tekst van het Besluit natuurbescherming opgenomen zoals gepubliceerd in Stb. 2016/383. Direct onder ieder artikel is de artikelsgewijze toelichting geplaatst zodat u in één oogopslag kunt zien wat de wetgever met het artikel bedoeld heeft.

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

TITEL 1.1. BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN

Artikel 1.1

In dit besluit wordt verstaan onder:

depositieruimte: ruimte, uitgedrukt in mol stikstof per hectare per jaar, die in het kader van het programma, bedoeld in artikel 2.1, beschikbaar is voor stikstofdepositie op een in het programma opgenomen Natura 2000-gebied die het gevolg is van wijziging of uitbreiding van bestaande activiteiten of het gevolg is van de realisatie van nieuwe projecten of verrichting van nieuwe andere handelingen;
jachtexamen: jachtexamen als bedoeld in artikel 3.28, tweede lid, onderdeel a, van de wet;
korpschef: korpschef als bedoeld in artikel 27 van de Politiewet 2012;
ontwikkelingsruimte: deel van de depositieruimte dat, met inachtneming van de in voorkomend geval op grond van artikel 2.7, derde lid, gestelde regels, beschikbaar is voor toedeling in of reservering voor besluiten als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid;
CITES-basisverordening: verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van de Europese Unie van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEG L 61);
CITES-uitvoeringsverordening: verordening (EG) nr. 865/2006 van de Commissie van 6 mei 2006, houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEU 2006, L 166);
Verordening invasieve uitheemse soorten: verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten (PbEU L 317);
voor stikstof gevoelige habitats: voor stikstof gevoelige leefgebieden voor vogelsoorten, natuurlijke habitats en habitats van soorten waarvoor een instandhoudingsdoelstelling geldt;
wet: Wet natuurbescherming.

In de omschrijving van het begrip «voor stikstofgevoelige habitats in en Natura 2000-gebied», dat relevant is voor de in hoofdstuk 2 van het besluit gestelde regels over onder meer de programmatische aanpak stikstof, zijn ook de voor stikstof gevoelige leefgebieden van vogels opgenomen. De begripsomschrijving in artikel 1, onderdeel s, van de toenmalige Natuurbeschermingswet 1998, bevatte op dit punt een omissie. De op grond van artikel 6, tweede en derde lid, van de Habitatrichtlijn te bieden waarborgen ten aanzien van het voorkomen van verslechtering van de kwaliteit van de natuur en aantasting van de natuurlijke kenmerken hebben immers niet alleen betrekking op de natuurlijke typen habitats en habitats van soorten, genoemd in de bijlagen I en II bij de richtlijn, in de op grond van de Habitatrichtlijn aangewezen speciale beschermingszones. Zij gelden op grond van artikel 7 van de Habitatrichtlijn evenzeer voor de op grond van de Vogelrichtlijn aangewezen speciale beschermingszones voor leefgebieden van vogels, die eveneens deel uitmaken van het Natura 2000-netwerk en niet zelden ook geheel of gedeeltelijk samenvallen met de speciale beschermingszones die zijn aangewezen op grond van de Habitatrichtlijn. Dat geldt ook voor de verplichtingen ten aanzien van behoud en herstel van deze habitats en leefgebieden. Zoals artikel 6, eerste lid, van de Habitatrichtlijn voorziet in het treffen van instandhoudingsmaatregelen gericht op behoud en herstel van habitats, zo voorzien artikel 4, eerste en tweede lid, van de Vogelrichtlijn in een gelijkaardige verplichtingen voor leefgebieden van vogels. De programmatische aanpak stikstof strekt ertoe – zoals ook de vergunningplicht van artikel 2.7, tweede lid, van de wet – al deze verplichtingen in te vullen ten aanzien van beide categorieën van speciale beschermingszones, voor zover stikstofbelasting een gevaar is voor de realisatie van de natuurdoelstellingen in die zones, en de vergunningverlening voor stikstofdepositie veroorzakende projecten en andere handelingen te ondersteunen. Het geldende programma aanpak stikstof voor het tijdvak 1 juli 2015 – 1 juli 2021 heeft, derhalve mede betrekking op de voor stikstof gevoelige leef-gebieden van vogels.

TITEL 1.2. RIJKSBEVOEGDHEDEN

Artikel 1.2

Als minister als bedoeld in artikel 1.3, vijfde lid, aanhef, van de wet wordt aangewezen Onze Minister.

Op grond van artikel 1.3, vijfde lid, van de wet zijn in het eerste lid van de artikelen 1.3 tot en met 1.9 van het onderhavige besluit de handelingen en projecten en de gebieden aangewezen, ten aanzien waarvan de in het tweede lid van die artikelen genoemde bevoegdheden worden uitgeoefend door de minister in plaats van door gedeputeerde staten of provinciale staten. Als bevoegde minister is in artikel 1.2 aangewezen «Onze Minister», zijnde ingevolge de begripsomschrijvingen in artikel 1 van de wet de Minister van Economische Zaken. Deze minister is verantwoordelijk voor het natuurbeleid en was op grond van de toenmalige Natuurbeschermingswet 1998, Flora- en faunawet en Boswet bevoegd voor het nemen van gelijkaardige besluiten. Afgezien is van de aanwijzing van ook andere ministers als bevoegd gezag. Op deze wijze zijn voor de besluiten die op het niveau van het Rijk blijven worden genomen continuïteit en concentratie van expertise verzekerd. Verwezen zij verder naar hoofdstuk 2 van deze nota van toelichting.

Artikel 1.3

1. Als categorieën van handelingen en projecten als bedoeld in artikel 1.3, vijfde lid, onderdeel a, van de wet worden aangewezen:
a. aanleg, uitbreiding en, voor zover van toepassing, inrichting, alsmede wijziging, gebruik, beheer en onderhoud van:
1°. hoofdwegen en hoofdvaarwegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Tracéwet en hoofdspoorwegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Spoorwegwet;
2°. primaire waterkeringen als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Waterwet, voor zover deze in beheer zijn bij het Rijk;
3°. militaire terreinen en oefengebieden, alsmede de inrichtingen, bedoeld in categorie 29 van bijlage I, onder C, bij het Besluit omgevingsrecht;
4°. militaire luchthavens, de luchthaven Schiphol en overige burgerluchthavens van nationale betekenis als bedoeld in artikel 8.1, tweede lid, van de Wet luchtvaart;
5°. het landelijke gastransportnet, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel n, van de Gaswet;
6°. hoogspanningsverbindingen met een spanning van ten minste 220 kV en de daarmee verbonden schakel- en transformatorstations en andere hulpmiddelen;
b. activiteiten ten aanzien van:
1°. het voorkomen of tegengaan van landwaartse verplaatsing van de kustlijn als bedoeld in artikel 2.7 van de Waterwet;
2°. landaanwinning in de territoriale zee, bedoeld in artikel 1 van de Wet grenzen Nederlandse territoriale zee;
3°. het opsporen, winnen of opslaan van diepe delfstoffen, bedoeld in artikel 1 van de Mijnbouwwet;
c. het treffen van maatregelen en voorzieningen die nodig zijn met het oog op de ontwikkeling, werking en bescherming van hoofdwateren als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van het Waterbesluit;
d. militaire activiteiten buiten de in onderdeel a, onder 3°, bedoelde terreinen, gebieden en inrichtingen, en de in onderdeel a, onder 4°, bedoelde militaire luchthavens;
e. vluchten met opsporings- of reddingshelikopters buiten de reguliere routes;
f. uitoefening van de volgende vormen van visserij:
1°. niet-handmatige schaal- en schelpdiervisserij, met inbegrip van het invangen van schelpdierenzaad en van schelpdiercultures en het uitzetten van schelpdieren;
2°. sleepnetvisserij in zoute wateren;
g. lozing van afvalwater in de Waddenzee;
h. activiteiten van buitenlandse mogendheden;
i. activiteiten die direct het op 19 april 1839 te Londen gesloten Tractaat tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België betreffende de scheiding der wederzijdse grondgebieden (Trb. 1966, nr. 161) raken;
j. activiteiten van of namens een lid van het Koninklijk Huis, en
k. activiteiten die geheel of grotendeels plaatsvinden in:
1°. het grensgebied, bedoeld in artikel 1 van de op 14 mei 1962 te Bennekom tot stand gekomen aanvullende Overeenkomst bij het Eems-Dollardverdrag (Trb. 1962, nr. 54);
2°. de exclusieve economische zone van Nederland, bedoeld in de Rijkswet instelling exclusieve economische zone, of
3°. andere niet-provinciaal ingedeelde gebieden.
2. Het eerste lid is uitsluitend van toepassing ten aanzien van de bevoegdheden, verantwoordelijkheden en verplichtingen, bedoeld in de artikelen:
a. 2.4, eerste, tweede en derde lid, 2.7, tweede en derde lid, 2.8, derde, zesde, zevende en negende lid, 2.9, derde lid, en 5.5, eerste lid, van de wet;
b. 3.3, eerste en tweede lid, 3.4, tweede lid, 3.8, eerste en tweede lid, 3.9, tweede lid, 3.10, tweede lid in samenhang met artikel 3.8, eerste of tweede lid, 3.11, eerste en tweede lid, en 3.34, derde lid, van de wet met uitzondering van vrijstellingen en ontheffingen die met toepassing van de artikelen 3.15, vierde lid, of 3.16, vierde lid, onderscheidenlijk artikel 3.17, eerste lid, van de wet, worden verleend;
c. 4.2, eerste, tweede en derde lid, 4.3, derde lid, en 4.5, eerste, derde en vierde lid, van de wet.

Eerste lid

In dit lid worden de categorieën van handelingen en projecten aangewezen ten aanzien waarvan de Minister van Economische Zaken de in het tweede lid genoemde bevoegdheden uitoefent. De omschrijvingen in het eerste lid sluiten, zoals aangegeven in paragraaf 2 van deze nota van toelichting, aan bij de omschrijvingen in artikel 2 van het toenmalige Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998, zoals deze in de uitvoeringspraktijk verder zijn uitgekristalliseerd. Materieel is geen wijziging beoogd. Waar mogelijk zijn de categorieën van activiteiten wel meer geclusterd en zijn formuleringen gelijk getrokken, verduidelijkt en zo nodig geactualiseerd; overlappende categorieën zijn samengevoegd.

Onderdeel a

Onderdeel a heeft betrekking op belangrijke infrastructuur voor vervoer en voor energietransport, op militaire infrastructuur en op waterstaatkundige werken die veelal een landelijke, althans provinciegrensoverschrijdende schaal hebben en wezenlijke basisvoorzieningen betreffen die van nationaal belang zijn.145 De verantwoordelijkheid voor deze infrastructuur en werken en voor de besluitvorming daarover ligt bij het Rijk; in de toepasselijke sectorale wetgeving is over het algemeen ook de bevoegdheid ten aanzien van de toelating van activiteiten met betrekking tot deze infrastructuur en werken bij een bestuursorgaan van het Rijk belegd. Het ligt in de rede deze lijn ook te volgen waar het de bevoegdheden in het kader van de Wet natuurbescherming betreft en de Minister van Economische Zaken de bevoegdheden te laten uitoefenen.

De categorieën van handelingen en projecten die zijn geclusterd in onderdeel a, zijn alle overgenomen uit artikel 2 van het toenmalige Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998, waar zij waren opgenomen in de onderdelen f, i, j, o en p. De activiteiten ten aanzien van de vaargeulen in de Waddenzee, die in onderdeel o werden genoemd, komen als zodanig niet meer terug: die zijn als zodanig begrepen onder de aangewezen activiteiten met betrekking tot de hoofdvaarwegen of hoofdwateren (artikel 1.3, eerste lid, onderdelen a, onder 1°, en c). Verder is in onderdeel a de omschrijving van activiteiten voor de betrokken categorieën gelijk getrokken en verduidelijkt. In het Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998 werd – terwijl de aard van de activiteiten in de praktijk voor de verschillende vormen van infrastructuur en werken heel vergelijkbaar is – in een enkel geval gesproken over «aanleg, inrichting en gebruik», in een ander geval over «aanleg, uitbreiding en wijziging» en in de meeste gevallen, tamelijk onbepaald over «activiteiten ten aanzien van». De nu in de aanhef van onderdeel a opgenomen omschrijving preciseert overeenkomstig de staande uitvoeringspraktijk voor alle categorieën handelingen op gelijke wijze op welke activiteiten ten aanzien van de betrokken infrastructuur en waterstaatkundige werken de aanwijzing betrekking heeft.

Alle in de opsomming in de aanhef van onderdeel a genoemde activiteiten zijn fysiek van aard en houden onmiddellijk verband met de functie die de desbetreffende infrastructuur en werken vervullen. Ook «gebruik» is in de opsomming opgenomen; bij vergunning- en ontheffingverlening wordt voor dit soort infrastructuur immers over het algemeen niet alleen gekeken naar de onmiddellijke gevolgen van de fysieke werkzaamheden in verband met de aanleg, uitbreiding of wijziging van infrastructuur of waterstaatswerken, maar ook naar de gevolgen voor het opvolgende gebruik. «Inrichting» wordt ook bij de activiteiten genoemd; dit begrip is wellicht minder toepasselijk bij een categorie als gastransportnet of hoogspanningsverbinding dan bij terreinen, om welke reden hier is toegevoegd «voor zover van toepassing».

Zoals in paragraaf 2 van de nota van toelichting is aangegeven, zegt de aanwijzing van handelingen en projecten niet dat in alle gevallen ook daadwerkelijk een vergunning, ontheffing of in voorkomend geval een melding vereist is. Dat is afhankelijk van de verwachte effecten van betrokken handeling voor een specifiek Natura 2000-gebied of een in voorkomend geval aanwezige specifieke beschermde soort. Of effecten aan de orde zijn en welke dat zijn, is weer afhankelijk van de specifieke aard van de betrokken werkzaamheden en de wijze waarop en periode waarin zij worden uitgevoerd, van de andere concrete omstandigheden van het geval en van de specifieke kenmerken van het gebied – waaronder de aard en staat van instandhouding van de aanwezige natuurwaarden – waarin de activiteiten plaatsvinden. Dat zal dus van geval tot geval moeten worden beoordeeld, waarbij voor de onderscheiden beschermingsregimes de conclusie ook verschillend kan zijn; een activiteit hoeft bijvoorbeeld geen schadelijk effecten voor enig Natura 2000-gebied te hebben, maar kan wel schade berokkenen voor planten of dieren van een beschermde soort die zich juist op de betrokken locatie waar de activiteit plaatsvindt heeft gevestigd. Met name «onderhoud» en «beheer», bijvoorbeeld gladheidbestrijding en bermbeheer bij wegen, maar ook kleinere «wijzigingen» of beperkte voorzieningen in het kader van «inrichting» zijn vaak minder ingrijpend van karakter. In veel gevallen zal er derhalve sprake zijn van activiteiten waarbij de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van Natura 2000-gebieden, dier- en plantensoorten en houtopstanden niet worden overtreden. Als een dergelijke overtreding niet zonder meer op voorhand is uit te sluiten, kunnen dergelijke activiteiten – in het bijzonder activiteiten die regelmatig voorkomen in het kader van beheer en onderhoud – zijn vrijgesteld van de vergunning-, ontheffing- of meldplicht, als de betrokken activiteiten zijn opgenomen in en worden uitgevoerd overeenkomstig het toepasselijke Natura 2000-beheerplan (artikel 2.9, eerste lid, van de wet), onderscheidenlijk een goedgekeurde gedragscode met betrekking tot dier- en plantensoorten (artikel 3.31 van de wet) of een goedgekeurde gedragscode met betrekking tot houtopstanden (artikel 4.4, tweede lid van de wet).

Voor de in onderdeel a, onder 1°, gebruikte begrippen «hoofdwegen» en «hoofdvaarwegen» (onderdeel 1°) wordt – evenals in artikel 2, onderdeel p, van het toenmalige Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998 – verwezen naar artikel 1 van de Tracéwet. Anders dan in genoemd artikel 2, onderdeel p, wordt thans niet meer verwezen naar «landelijke spoorwegen» als bedoeld in artikel 1 van de Tracéwet, maar naar «hoofdspoorwegen» als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Spoorwegwet. De daar bedoelde spoorwegen zijn in de bijlagen bij het op de Spoorwegwet gebaseerde Besluit aanwijzing hoofdspoorwegen precies benoemd, wat de duidelijkheid ten goede komt.146 Materieel wijzigt er niets: uit de parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van de Tracéwet blijkt dat «landelijke spoorwegen» moeten worden gelijkgesteld met «hoofdspoorwegen» als bedoeld in de Spoorwegwet.147

De bevoegdheid van de Minister van Economische Zaken ten aanzien van de in onderdeel a genoemde activiteiten ten aanzien van hoofdwegen, hoofdspoorwegen en hoofdvaarwegen, hebben uiteraard ook betrekking op delen van die wegen. Onder de «aanleg», «wijziging» en «inrichting» van hoofdwegen wordt mede begrepen het realiseren van een ecoduct. Voorbeelden van «beheer» en «onderhoud» van wegen zijn – buiten de reeds genoemde gladheidbestrijding en het bermbeheer – het opnieuw asfalteren en belijnen van de weg, het renoveren van geluidschermen. Onder «wijziging» of «inrichting» van hoofdwegen valt het aanbrengen van nieuwe matrixborden boven de weg. Voorbeelden van «beheer» en «onderhoud» bij landelijke spoorwegen zijn het repareren van bovenleidingen en renoveren van aan het spoor verbonden elektriciteitsstations. Voorbeelden van «beheer» en «onderhoud» van hoofdvaarwegen zijn het uitdiepen of op diepte houden van een vaargeul of van een onmiddellijk daarmee verbonden, langs de hoofdvaarweg liggende overnachtingshaven; het uitbaggeren van een jachthaven die niet onmiddellijk met de hoofdvaarweg is verbonden valt niet onder de aangewezen categorie activiteiten. Onder «aanleg», «uitbreiding», «inrichting», «wijziging», «beheer» en «onderhoud» van hoofdvaarwegen wordt mede begrepen het storten van de baggerspecie die bij de uitvoering van die activiteiten is verkregen.

Voor de omschrijving van het in onderdeel a, onder 2°, gebruikte begrip «primaire waterkering» wordt – evenals in artikel 2, onderdeel p, van het toenmalige Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998 – aangesloten bij artikel 1.1, eerste lid, van de Waterwet. Het gaat volgens die omschrijving om een waterkering die beveiliging biedt tegen overstroming doordat deze behoort tot een dijkring ofwel vóór een dijkring is gelegen. Ook beweegbare delen zoals sluizen vallen daaronder. De bevoegdheid van de Minister van Economische Zaken betreft de activiteiten ten aanzien van de waterkeringen of delen daarvan die tot de onmiddellijke verantwoordelijkheid van het Rijk behoren, omdat zij ook in beheer bij het Rijk zijn. De waterkeringen in beheer bij het Rijk zijn op grond van artikel 3.1, eerste lid, van de Waterwet aangewezen in artikel 3.2 in samenhang met bijlage III van het Waterbesluit. Een voorbeeld van een activiteit waarvoor de Minister van Economische Zaken bevoegd is bij de in het eerste lid genoemde besluiten is de renovatie van enkele met de Afsluitdijk verbonden sluizen, welke renovatie onder het in de opsomming van de aanhef van onderdeel a genoemde «onderhoud» en in voorkomend geval «wijziging» valt.

De omschrijving in onderdeel a, onder 3°, van de militaire infrastructuur is niet gewijzigd ten opzichte van artikel 2, onderdeel f, van het toenmalige Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998. Het gaat om een groot aantal militaire terreinen, oefengebieden en inrichtingen van uiteenlopende aard, die de Minister van Defensie in Nederland in gebruik heeft. Ten aanzien van de militaire inrichtingen bepaalt artikel 3.3, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht dat de Minister van Infrastructuur en Milieu bevoegd is om te besluiten over de aanvraag van omgevingsvergunningen die betrekking hebben op deze inrichtingen, vanwege hun nationale belang. Voorbeelden van de aldaar genoemde militaire inrichtingen zijn vlootbases, kazernes en verbindings- en commandocentra. Ingeval voor dergelijke inrichtingen behalve een omgevingsvergunning ook een vergunning of ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming aan de orde is, verleent de Minister van Infrastructuur en Milieu één integraal besluit op basis van de door de Minister van Economische Zaken af te geven verklaring van geen bedenkingen ten aanzien van de natuuraspecten. De bevoegdheid van de Minister van Economische Zaken strekt zich uit tot de activiteiten die onmiddellijk verband houden met de uitoefening van de defensietaak; de aanleg van recreatieve voorzieningen, zoals bijvoorbeeld een fietspad binnen een Natura 2000-gebied dat tevens is aangewezen als militair oefenterrein, valt buiten de reikwijdte van de omschrijving in onderdeel a, onder 3°.

In onderdeel a, onder 4°, is ten aanzien van de militaire luchthavens en de burgerluchthavens van nationale betekenis, waaronder Schiphol, die alle worden genoemd of geduid in artikel 8.1 van de Luchtvaartwet, de tekst van artikel 2, onderdeel p, van het toenmalige Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998, gevolgd. Als burgerluchthavens van nationale betekenis gelden – behalve Schiphol – op grond van artikel 8,1, tweede, derde en vierde lid, van de Luchtvaartwet: de luchthaven Lelystad (Lelystad Airport), de luchthaven Eelde (Airport Eelde), de luchthaven Maastricht (Maastricht-Aachen Airport) en de luchthaven Rotterdam (Rotterdam-The Hague Airport).

Onderdeel a, onder 5° en 6°, heeft betrekking op het landelijke transportnet voor gas en hoogspanningsverbindingen voor het transport van elektriciteit. De enige wijziging in de aanduiding van deze infrastructuur in vergelijking met artikel 2, onderdelen i en j, van het toenmalige Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998, is dat bij de hoogspanningsverbindingen overeenkomstig artikel 2.8.1 van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening is verduidelijkt dat onder deze verbindingen ook de daarmee verbonden schakel- en transformatorstations en andere hulpmiddelen worden begrepen. Onder «landelijk gastransportnet» moet ingevolge artikel 1, eerste lid, onderdeel n, van de Gaswet worden begrepen: een gastransportnet dat uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd of wordt gebruikt voor het op landelijk niveau transporteren van gas.

In het voormalige Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998 werden alleen «aanleg, uitbreiding en wijziging» van het landelijk transportnet en de hoogspanningsverbindingen vermeld als activiteiten waarvoor de Minister van Economische Zaken bevoegd gezag is, en niet «gebruik, beheer en onderhoud». Laatstgenoemde activiteiten zijn evenwel onmiddellijk verbonden met de eerstgenoemde activiteiten: de betrokken netten en leidingen moeten ook kunnen worden gebruikt voor gas- en elektriciteitstransport, en beheer en onderhoud zijn essentieel willen de netten en leidingen hun functie kunnen blijven vervullen en dus van nationaal belang. In de praktijk worden het gebruik, beheer en onderhoud meevergund bij de aanleg- of wijzigingsvergunning. Het zou erg ondoelmatig zijn als voor de verschillende activiteiten verschillende bevoegde gezagen vergunning zouden moeten afgeven, te weten voor aanleg, uitbreiding en wijziging de Minister van Economische Zaken en voor gebruik, beheer en onderhoud de provincie.148 Overigens wordt onder «onderhoud» enkel het onderhoud aan de buizen, leidingen en installaties zelf verstaan, niet bijvoorbeeld de kap van bomen die in een hoogspanningsmast groeien; voor meldingen en ontheffingen in het kader van de herbeplantingsplicht is gedeputeerde staten bevoegd gezag. De doelgroep van aanvragers van besluiten ten aanzien van het gasnet en de hoogspanningsleidingen is beperkt: de Gasunie en Tennet.

Onderdeel b

De aanwijzing in onderdeel b, aanhef en onder 1°, van activiteiten ten aanzien van het voorkomen en tegengaan van landwaartse verplaatsing van de kustlijn is overgenomen uit artikel 2, onderdeel p, van het toenmalige Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998. De verantwoordelijkheid voor het tegengaan van afkalving van de kust indien dat uit een oogpunt van veiligheid is aangewezen is in artikel 2.7 van de Waterwet bij het Rijk belegd. De daarmee gepaard gaande activiteiten kunnen van velerlei aard zijn: het plaatsen van strekdammen, het treffen van voorzieningen voor het vasthouden van stuifzand, het opspuiten van zand op of vóór de kust, in voorkomend geval met inbegrip van het voorafgaand opzuigen van zand uit zee et cetera.

In onderdeel b, aanhef en onder 2°, wordt – anders dan in artikel 2, onderdeel d, van het toenmalige Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998 – bij activiteiten niet meer toegevoegd «van nationaal belang», nu deze toevoeging tot onduidelijkheden leidt. Landaanwinning in zee is – mede in het licht van de gevolgen voor de begrenzing van de territoriale zee en de daarmee samenhangende verantwoordelijkheden – per definitie een rijksverantwoordelijkheid. Ook wordt in aansluiting op de Wet territoriale zee, waarnaar het onderdeel verwijst, gesproken over «territoriale zee» in plaats van over «zee». Materieel brengt dit ten opzichte van het Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998 geen wijzigingen met zich. Bij de onderhavige categorie gaat het om projecten zoals de Tweede Maasvlakte, maar ook om de aanleg van een werkeiland, zoals destijds het werkeiland Neeltje Jans als onderdeel van de Oosterscheldekering. Uitsluitend activiteiten ten bate van de landaanwinning zelf vallen onder deze categorie. De vestiging van een bezoekerscentrum bij een landaanwinningsproject valt bijvoorbeeld niet onder de reikwijdte van dit begrip. Het onderhavige onderdeel is uitsluitend relevant voor het deel van de territoriale zee tot 1 kilometer uit de kust; voor het overige deel van de territoriale zee is de Minister van Economische Zaken al bevoegd gezag op grond van artikel 1.3, derde lid, onderdeel c, van dit besluit, omdat de zee vanaf 1 kilometer uit de kust een niet-provinciaal ingedeeld gebied betreft.

Onderdeel b, aanhef en onder 3°, sluit aan bij de tekst van artikel 2, onderdeel k, van het toenmalige Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998, met dien verstande dat is verduidelijkt dat onder de gebruikte begrippen moet worden verstaan wat in de Mijnbouwwet onder deze begrippen wordt verstaan. De in het onderdeel genoemde «delfstoffen» zijn mineralen of substanties van organische oorsprong die zich in de ondergrond bevinden. De Mijnbouwwet is van toepassing op delfstoffen die zich op meer dan 100 meter diepte bevinden. Op grond van die wet is de Staat eigenaar van deze delfstoffen en is een vergunning nodig om deze delfstoffen op te sporen, te winnen of na winning weer in de ondergrond op te slaan. De Minister van Economische Zaken is bevoegd gezag voor het verlenen van deze vergunningen. Met het onderhavige besluit wordt voor de betrokken activiteiten aangesloten bij de bevoegdheden en verantwoordelijkheden op grond van de Mijnbouwwet.

Onderdeel c

De hoofdwateren zijn provinciegrensoverschrijdend en de ontwikkeling, werking en bescherming van deze wateren als wezenlijk onderdeel van het watersysteem in Nederland vertegenwoordigen een nationaal belang. Het beheer van deze wateren berust op grond van artikel 3.1 van het Waterbesluit bij het Rijk. Onderdeel c sluit aan bij de tekst van artikel 2, onderdeel e, van het toenmalige Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998, met dien verstande dat de verwijzing naar het Waterbesluit is gepreciseerd. Het begrip «hoofdwateren» is gedefinieerd in artikel 1.1, eerste lid, van het Waterbesluit en heeft betrekking op de in bijlage II, onderdeel 1, van dat besluit aangewezen wateren die in rijksbeheer zijn. De hoofdwateren bestaan uit de volgende categorieën: de zee, grote estuaria, het IJsselmeer, de Rijn, de IJssel en de Maas en de met deze waterlichamen verbonden wateren.

Voor de omschrijving van de activiteit – te weten «het treffen van maatregelen en voorzieningen die nodig zijn met het oog op de ontwikkeling, werking en bescherming van hoofdwateren» – is aangesloten bij de terminologie van de Waterwet. Daarin is onder meer bepaald dat het nationaal waterplan, de regionale waterplannen en de beheerplannen een beschrijving dienen te bevatten van de maatregelen en voorzieningen met het oog op de ontwikkeling, werking en bescherming van wateren. Leidend voor het antwoord op de vraag of de Minister van Economische Zaken bevoegd is ten aanzien van activiteiten met betrekking tot hoofdwateren is derhalve de benoeming van een dergelijke op hoofdwateren betrekking hebbende maatregel of voorziening in die documenten.

Voorbeelden van maatregelen en voorzieningen die nodig zijn met het oog op de ontwikkeling, werking en bescherming van hoofdwateren zijn de maatregelen die onderdeel zijn van de programma’s Ruimte voor de Rivier149 en Maaswerken150. Ook de rijksmaatregelen ter uitvoering van het Deltaprogramma151 ten behoeve van de waterveiligheid en de zoetwatervoorziening vallen onder deze omschrijving. Bij deze programma’s gaat het om een veelheid aan verschillende maatregelen, zoals bijvoorbeeld kribverlaging, zomerbedverdieping, waterberging, het graven van nevengeulen, onderhoud van de vegetatie in uiterwaarden et cetera; ook onlosmakelijk daarmee verbonden werkzaamheden, zoals het storten van de bij de uitvoering van maatregelen vrijgekomen grond of baggerspecie, vallen onder de omschrijving van onderdeel c.

Onderdeel d

Onderdeel d heeft betrekking op – vaak provinciegrensoverschrijdende – activiteiten die voortvloeien uit de defensietaak. Zo zijn militaire luchtvaartuigen, met inachtneming van de (militaire) luchtverkeerswetgeving, gerechtigd om het gehele Nederlandse luchtruim te gebruiken. De formulering is iets verruimd ten opzichte van artikel 2, onderdeel g, van het toenmalige Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998, omdat deze in de praktijk onduidelijkheid gaf ten aanzien van bijvoorbeeld het ruimen door het Ministerie van Defensie van munitie uit de Tweede Wereldoorlog. Verder is verduidelijkt dat het gaat om activiteiten buiten de militaire oefenterreinen en militaire vliegvelden. Het gebruik van militaire oefenterreinen en vliegvelden valt immers reeds onder de categorie activiteiten, aangewezen in onderdeel a, aanhef en onder 3° en 4°. Aan militaire oefeningen in de lucht, te water en op het land – bijvoorbeeld in NAVO-verband – nemen vaak militairen uit verschillende landen deel en wordt ook gebruik gemaakt van materieel uit verschillende landen. De te verlenen vergunning of ontheffing ziet integraal op alle effecten, ook de effecten van de inzet van buitenlands personeel of materieel. Onderdeel d beperkt zich dan ook niet tot oefeningen van uitsluitend Nederlandse militairen met uitsluitend Nederlands materieel.

Deelneming aan evenementen als lucht- of vliegshows, waarbij Defensie met andere publieke en private actoren demonstraties voor het publiek geeft, valt buiten de reikwijdte van onderdeel d. De deelneming van Defensie aan dergelijke evenementen vloeit niet voort uit de defensietaak van bescherming van de nationale veiligheid en bevordering van de internationale rechtsorde.

Onderdeel e

Vluchten met opsporings- en reddingshelikopters buiten reguliere routes moeten kunnen plaatsvinden boven heel Nederland, zowel in provinciaal ingedeelde gebieden als daarbuiten. Daarom is de Minister van Economische Zaken bevoegd om de op grond van de Wet natuurbescherming vergunning of ontheffing te verlenen. In onderdeel is e is de formulering van artikel 2, onderdeel h, van het toenmalige Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998 overgenomen.

Onderdeel f

De in onderdeel f aangewezen visserijactiviteiten komen overeen met de visserijactiviteiten die waren aangewezen in artikel 2, onderdelen l en m, van het toenmalige Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998.

De Visserijwet 1963 maakt onderscheid tussen zeevisserij, kustvisserij en binnenvisserij. Voor de zeevisserij heeft het onderhavige onderdeel slechts een beperkte betekenis, nu uit artikel 1.3, derde lid, onderdelen b en c, van dit besluit al voortvloeit dat de Minister van Economische Zaken bevoegd gezag is voor besluiten ten aanzien van alle activiteiten in de exclusieve economische zone en andere niet-provinciaal ingedeelde gebieden, waaronder de territoriale wateren vanaf 1 kilometer uit de kust. De zeevisserij wordt bovendien in overwegende mate beheerst door het gemeenschappelijke visserijbeleid van de Europese Unie. Voor zover handelingen onderwerp zijn van het gemeenschappelijke visserijbeleid en plaatsvinden in de exclusieve economische zone is de Wet natuurbescherming niet van toepassing (artikel 1.2, tweede lid, van de wet); de uitvoering van dat beleid geschiedt overeenkomstig de bij en krachtens de Visserijwet 1963 gestelde regels.

Schaal- en schelpdiervisserij (onderdeel f, onder 1°) vindt in hoofdzaak plaats in de Noordzee en de kustwateren. Het is ongewenst dat er een onderscheid ontstaat al naar gelang de betrokken visserij plaatsvindt in niet-provinciaal ingedeelde gebieden of wel provinciaal ingedeelde gebieden. De visserij wordt vaak door dezelfde personen en bedrijven uitgeoefend en overschrijdt veelal de grenzen van de provinciale indeling, zowel de grenzen tussen provincies onderling als de grens tussen wel en niet provinciaal ingedeeld gebied. Tegen die achtergrond is de betrokken vorm van visserij aangewezen als een handeling ten aanzien waarvan de Minister van Economische Zaken bevoegd is voor de besluiten op grond van de natuurwetgeving, ook in provinciaal ingedeelde gebieden. De aanwijzing in onderdeel f, onder 1°, is beperkt tot niet-handmatige schaal- en schelpdiervisserij. Van «niet-handmatige schaal- en schelpdiervisserij» is sprake wanneer een mechanisch vistuig wordt gebruikt. Bij handmatige schaal- schelpdiervisserij worden met handkracht schaal- en schelpdieren verzameld. Weliswaar kan hierbij een vistuig worden gebruikt, maar dan gaat het om een vistuig dat met de hand wordt bediend, bijvoorbeeld een kokkelbeugel of wonderklauw bij kokkelvisserij. Deze handmatige vorm van visserij vindt direct bij de kust, binnen het provinciaal ingedeelde gebied plaats. Bij het invangen van schelpdierenzaad en van schelpdiercultures en bij het uitzetten van schelpdieren gaat het per definitie om activiteiten die plaatsvinden in het kader van het kweken van deze dieren in natuurlijke wateren of in bassins. Aangezien er bij opslag of verwateren van schelpdieren geen sprake is van kweek, vallen opslag en verwateren niet onder de aanwijzing.

De sleepnetvisserij in de zoute wateren (onderdeel f, onder 2°) is een vorm van kustvisserij: de visserij op de Waddenzee en in de zoute deltawateren in Zeeland. Daarnaast vindt visserij met een sleepnet plaats in de kustzone tot één kilometer uit de kust. Op de sleepnetvisserij is de Visserijwet 1963 van toepassing, waarin de Minister van Economische Zaken is aangewezen als bevoegd gezag. De eurokotters die de sleepnetvisserij in deze gebieden uitoefenen, zijn vaak ook gerechtigd om te vissen in de rest van de visserijzone (tot 12 mijlen uit de kust), waar de Minister van Economische zaken in alle gevallen bevoegd gezag is op grond van dit besluit. Om dezelfde redenen als mechanische schaal- en schelpdiervisserij, is sleepnetvisserij in zoute wateren in het onderhavige besluit derhalve aangewezen als activiteit ten aanzien waarvan de Minister van Economische Zaken bevoegd is om vergunningen en ontheffingen op grond van de Wet natuurbescherming te verlenen.

Onderdeel g

Het gaat in dit onderdeel om lozingen als bedoeld in artikel 6.1 van de Waterwet. In artikel 1, onderdeel n, van het toenmalige Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998 waren lozingen van afvalstoffen op de Waddenzee aangewezen als activiteit ten aanzien waarvan de Minister van Economische Zaken bevoegd was om de Natura 2000-vergunning op grond van artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 te verlenen. In het onderhavige besluit wordt ten aanzien van deze activiteit de rijksbevoegdheid voor besluiten op grond van de Wet natuurbescherming gecontinueerd.

Onderdelen h, i en j

In deze onderdelen worden categorieën van activiteiten aangewezen die van nationaal belang zijn vanwege de internationale betrekkingen en de ministeriële verantwoordelijkheid voor de gedragingen van leden van het Koninklijk Huis. Deze categorieën waren ook aangewezen in artikel 2, onderdelen a tot en met c, van het toenmalige Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998.

Bij activiteiten die direct raken aan het te Londen gesloten Tractaat met België van 19 april 1839 (artikel 1.3, eerste lid, onderdeel g) valt te denken aan onder meer activiteiten die de toegankelijkheid van de Antwerpse haven voor scheepvaart moeten verzekeren en die potentieel nadelige gevolgen voor op grond van de wet beschermde natuurwaarden hebben, waarvoor op grond van de Wet natuurbescherming een vergunning of ontheffing noodzakelijk is.

Onderdeel k

Het gebied waarop het Eems-Dollardverdrag van toepassing is, is tussen Nederland en Duitsland betwist gebied ten aanzien waarvan Nederland, vanwege het ontbreken van een eenduidige landsgrens, met Duitsland eenduidige afspraken moet maken over het beheer en het gebruik van dit gebied. Met het oog daarop zijn handelingen en projecten die geheel of grotendeels in dat gebied plaatsvinden als categorie aangewezen, net als in artikel 3, onderdeel a, van het toenmalige Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998. De Minister van Economische Zaken is daarmee bevoegd ten aanzien van de op grond van de Wet natuurbescherming vereiste vergunningen, ontheffingen en meldingen met betrekking tot die activiteiten. Voor het begrip «grensgebied» wordt in de bepaling verwezen naar artikel 1 van de op 14 mei 1962 te Bennekom tot stand gekomen aanvullende Overeenkomst bij het Eems-Dollardverdrag. Het betrokken gebied is nauwkeurig aangegeven op de bij dat artikel behorende kaart.

In artikel 1.2, eerste lid, van de wet is geregeld dat de bepalingen ter bescherming van Natura 2000-gebieden en ter bescherming van dieren en planten van beschermde soorten ook van toepassing zijn in de exclusieve economische zone (hierna: EEZ). De Nederlandse EEZ is het gebied, gelegen in de Noordzee, dat grenst aan de territoriale zee – het gedeelte van de zee tot 12 mijl vanaf de kustlijn – en samenvalt met het Nederlandse gedeelte van het continentaal plat. In de EEZ geldt geen provinciaal gezag. Daarom worden de handelingen en projecten die geheel of grotendeels in dit gebied plaatsvinden, aangewezen als categorie van activiteiten ten aanzien waarvan bevoegdheden zijn neergelegd bij de Minister van Economische Zaken in plaats van bij de provincies.

Hetzelfde geldt voor handelingen en projecten die geheel of grotendeels plaatsvinden in de Nederlandse territoriale zee buiten de zogeheten 1 kilometerzone, dat eveneens niet-provinciaal ingedeeld gebied is.

Er is van afgezien om de drie in het voorgaande genoemde categorieën van gebieden aan te wijzen op grond van artikel 1.3, vijfde lid, onderdeel b, van de wet. Een dergelijke aanwijzing zou namelijk ingevolge dat artikelonderdeel tot gevolg hebben dat de Minister van Economische Zaken ook bevoegd zou worden voor activiteiten die geheel of grotendeels buiten de gebieden plaatsvinden, maar wel gevolgen voor die gebieden hebben. Dat zou een uitbreiding van de rijksbevoegdheid in vergelijking met de regeling in het voormalige Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998 betekenen, wat niet gewenst is.152

Lid 2

Ten aanzien van de in het eerste lid van dit artikel aangewezen handelingen en projecten, zijn de bevoegdheden bij de Minister van Economische Zaken neergelegd voor zover die samenhangen met de verboden in de wet die strekken tot bescherming van Natura 2000-gebieden (hoofdstuk 2 van de wet), tot bescherming van individuele exemplaren van beschermde dier- of plantensoorten (hoofdstuk 3 van de wet) en tot behoud van houtopstanden, al dan niet in samenhang met de verplichting tot herbeplanting (hoofdstuk 4 van de wet).

Bij de gebiedsbescherming gaat het om: het verlenen van Natura 2000-vergunningen (artikelen 2.7, tweede en derde lid, en 2.8, derde lid, van de wet), het opleggen van verplichtingen ten aanzien van handelingen ter bescherming van Natura 2000-gebieden (artikel 2.4, eerste, tweede en derde lid, van de wet), het bij vergunningverlening buiten beschouwing laten van de belasting van een Natura 2000-gebied door een factor waarvoor een programmatische aanpak is vastgesteld, als voldaan is aan bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde grenswaarden (artikel 5.5, eerste lid, van de wet) en het vaststellen van generieke voorschriften ter vervanging van de vergunningplicht voor projecten (artikel 2.9, derde lid, van de wet).

Bij de bescherming van dier- en plantensoorten gaat het om: het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen van verboden ter bescherming van vogels (artikel 3.3, eerste en tweede lid, van de wet) en van dieren en planten, genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn (artikel 3.8, eerste en tweede lid, van de wet), het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen van het verbod op het gebruik van niet-selectieve vangmiddelen (artikel 3.4, tweede lid, en 3.9, tweede lid, van de wet), het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen van de verboden ter bescherming van dieren en planten van soorten, genoemd in de bijlage bij de wet (artikel 3.10, tweede lid, in samenhang met artikel 3.8, eerste of tweede lid, van de wet), de behandeling van meldingen van bepaalde handelingen die schadelijk zijn voor dieren en planten van soorten, genoemd in de bijlage bij de wet en het stellen van regels ten aanzien van die melding (artikel 3.11, eerste en tweede lid, van de wet), wanneer bij ministeriële regeling een meldingsplicht is ingevoerd ter vervanging van de verboden en de daaraan gekoppelde ontheffingen of vrijstellingen. De aanwijzing in het tweede lid is niet relevant voor de verlening van ontheffingen en vrijstellingen voor handel en bezit (artikelen 3.3, derde lid, en 3.8. derde lid, van de wet), waarvoor de Minister van Economische Zaken op grond van de wet de bevoegdheid heeft, die niet is beperkt tot bepaalde aangewezen handelingen en projecten. Van de aanwijzing zijn tevens uitgezonderd ontheffingen, vrijstellingen en afwijkingen ten behoeve van schadebestrijding en overlastbestrijding bij niet op de landelijke lijst aangewezen soorten, en ten behoeve van populatiebeheer (artikelen 3.15, derde lid, 3.16, derde lid, en 3.17, eerste lid); deze bevoegdheden liggen – evenals thans op grond van de Flora- en faunawet het geval is – te allen tijde bij de provincie.

De bevoegdheden ten aanzien van houtopstanden betreffen: het ontvangen van de kapmelding, het verlenen van een vrijstelling of ontheffing van de herbeplantingsplicht en het opleggen van een kapverbod (artikelen 4.2, eerste tot en met derde lid, 4.3, derde lid, en 4.5, eerste, derde en vierde lid). De provincies adviseerden onder de Boswet de Minister van Economische Zaken over de uitoefening van de bevoegdheden op grond van die wet, zoals over de instelling van een kapverbod, en feitelijke werkzaamheden verrichtten, zoals de vaststelling of op adequate wijze invulling is gegeven aan de herbeplantingsplicht. Dat is echter geen aanleiding om voor de aangewezen handelingen en projecten de betrokken bevoegdheden geheel door de provincies uit te laten oefenen, ook als sprake is van provincie-overstijgende belangen of projecten. Een andere benadering zou er immers toe leiden dat voor één-en-hetzelfde project dat gevolgen heeft voor èn een Natura 2000-gebied, èn beschermde soorten èn houtopstanden verschillende bevoegde gezagen bestaan. Dat is ongewenst. De bestaande praktijk van advisering en verrichting van feitelijke werkzaamheden door de provincie ten aanzien van de houtopstanden in de gevallen waarin de minister bevoegd is zal worden gecontinueerd.

Artikel 1.4

1. Als categorieën van handelingen als bedoeld in artikel 1.3, vijfde lid, onderdeel a, van de wet worden aangewezen:
a. het vervoeren van zieke of gewonde dieren in een dierenambulance;
b. het zich toe-eigenen en onder zich hebben van een dood uit het wild afkomstig dier, dat buiten schuld of medeweten is gestorven van degene die zich het dier toe-eigent, met het oog op het prepareren ervan.
2. Het eerste lid is uitsluitend van toepassing ten aanzien van de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 3.3, eerste en tweede lid, en 3.8, eerste en tweede lid, van de wet.
3. Onder «dierenambulance» wordt in het eerste lid, onderdeel a, verstaan: motorvoertuig, ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor het vervoer van zieke of gewonde dieren.

Gelet op het provinciegrensoverschrijdende karakter is – conform de in hoofdstuk 2 van deze nota van toelichting aangehaalde passage van de memorie van toelichting bij het voorstel voor de Wet natuurbescherming – het vervoer van zieke of gewonden dieren in een dierenambulance aangewezen als handeling waarvoor de Minister van Economische Zaken bevoegd gezag is voor de ontheffingverlening van de wettelijke verboden met betrekking tot bezit en handel van dieren van beschermde soorten (eerste lid, aanhef en onderdeel a, en tweede lid). Dat geldt ook voor het onder zich hebben van dode dieren ten behoeve van het prepareren daarvan (eerste lid, aanhef en onderdeel b, en tweede lid). Zoals in de memorie van toelichting bij het voorstel van de Wet natuurbescherming is aangegeven153 zal bij ministeriële regeling voor de gehele doelgroep van preparateurs in een vrijstelling van het verbod op het bezit van dode beschermde dieren worden voorzien, zodat voor deze doelgroep in dat verband landelijk gelijkluidende voorwaarden en beperkingen zullen gelden. Om de Minister van Economische Zaken deze bevoegdheid te verschaffen, is de betrokken handeling in artikel 1.4 aangewezen. Deze aanwijzing heeft overigens niet tot gevolg dat de in artikel 1.4 genoemde handelingen zijn toegestaan, enkel dat de bevoegdheden ten aanzien van die handelingen bij de Minister van Economische Zaken berusten. Over het al dan niet toestaan van deze handelingen zij verwezen naar de Regeling natuurbescherming voor het vervoer van zieke of gewonde dieren en naar paragraaf 4.4.2.2 van deze nota van toelichting voor het prepareren van dieren.

Artikel 1.5

1. Als categorie van handelingen als bedoeld in artikel 1.3, vijfde lid, onderdeel a, van de wet wordt aangewezen het vangen en onder zich hebben van dieren van de soorten, aangewezen in het derde lid, ten behoeve van:
a. het opvangen en verzorgen van zieke of gewonde dieren van deze soorten in een opvangcentrum;
b. het doen van wetenschappelijk onderzoek.
2. Het eerste lid is uitsluitend van toepassing ten aanzien van de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 3.8, eerste en tweede lid, en 3.10, tweede lid, in samenhang met artikel 3.8, eerste en tweede lid, van de wet.
3. Als soorten als bedoeld in het eerste lid worden aangewezen:
a. bruinvis;
b. gewone dolfijn;
c. gewone zeehond;
d. grijze zeehond;
e. tuimelaar;
f. witflankdolfijn;
g. witsnuitdolfijn.

Op grond van de artikelen 3.3, 3.8 en 3.10 van de wet zijn gedeputeerde staten en provinciale staten bevoegd gezag voor het verlenen van ontheffing, onderscheidenlijk vrijstelling voor het vangen en onder zich hebben van gewonde of zieke vogels en dieren van beschermde soorten, evenals voor het vangen en onder zich hebben van vogels en dieren voor wetenschappelijk onderzoek. Artikel 1.5 van het onderhavige besluit voorziet in een uitzondering op die bevoegdheid van provincies, waardoor – in samenhang met artikel 1.2 van dit besluit – de Minister van Economische Zaken bevoegd is voor het verlenen van ontheffingen of vrijstellingen voor het opvangen van zieke of gewonde dieren van beschermde mariene soorten en voor wetenschappelijk onderzoek naar deze soorten.

Deze uitzondering is opgenomen vanwege de Overeenkomst inzake de bescherming van zeehonden in de Waddenzee154, gesloten op 16 oktober 1990 door Nederland, Duitsland en Denemarken in het kader van het eerder aangehaalde verdrag van Bonn. Artikel VI, eerste lid, van de overeenkomst bepaalt dat de partijen het onttrekken van zeehonden aan het Waddenzeegebied verbieden. Uitzonderingen mogen enkel worden toegestaan aan personen om zeehonden te onttrekken ten behoeve van nog aan te wijzen instellingen die ofwel wetenschappelijk onderzoek verrichten naar het behoud van zeehondenpopulaties, ofwel die zeehonden verzorgen teneinde ze na herstel weer vrij te laten, voor zover het zieke of verzwakte zeehonden betreft of huilers die aantoonbaar door hun moeder verlaten zijn. Op grond van artikel IV van de overeenkomst ontwikkelen de partijen een plan voor het behoud en beheer van de zeehondenpopulatie; het huidige beheerplan heeft een looptijd voor de periode van 2012 tot 2016.155 Het beheerplan bevat ook de acties die de partijen nemen ten aanzien van de opvang van zeehonden. Uitgangspunt daarbij is de ministeriële verklaring in het kader van deze overeenkomst uit 1994, inzake de richtlijnen voor het onttrekken en weer uitzetten van zeehonden. Één van die richtlijnen is dat het aantal personen dat bevoegd is om zeehonden te onttrekken strikt wordt beperkt per deelnemend land aan de overeenkomst. In Nederland is het beleid ten aanzien van de opvang van zeehonden uitgewerkt in de Leidraad opvang gewone en grijze zeehonden.156

Om recht te doen aan dat uitgangspunt, ligt het in de rede dat de bevoegdheid om ontheffingen te verlenen voor het vangen van zeehonden bij de Minister van Economische Zaken wordt belegd. Aangezien de betreffende opvangcentra en onderzoeksinstellingen ook andere mariene soorten opvangen, onderscheidenlijk onderzoeken, is bepaald dat de Minister van Economische Zaken ook bevoegd is ten aanzien van die andere soorten. Dit maakt bovendien een internationaal gecoördineerde aanpak van ziekten onder deze soorten mogelijk157 en sluit aan bij de verantwoordelijkheid van het Rijk voor het beheer van mariene wateren en de rol van het Rijk in het beheer van de Waddenzee.

Artikel 1.6

1. Als categorie van handelingen als bedoeld in artikel 1.3, vijfde lid, onderdeel a, van de wet wordt aangewezen het onder zich hebben van uit het wild afkomstige vogels, andere dieren of planten van de soorten, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, en 3.5, eerste en vijfde lid, van de wet, die vanuit een ander land binnen het grondgebied van Nederland zijn gebracht.
2. Het eerste lid is uitsluitend van toepassing ten aanzien van de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 3.3, eerste en tweede lid, en 3.8, eerste en tweede lid, van de wet.

Op grond van de artikelen 3.3 en 3.8 van de wet zijn gedeputeerde staten en provinciale staten bevoegd gezag voor het verlenen van ontheffing, onderscheidenlijk vrijstelling voor onder zich hebben van uit het wild afkomstige vogels in de zin van de Vogelrichtlijn en planten en dieren van soorten, genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage I of II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn. Onderhavig artikel van dit besluit voorziet in een uitzondering op die bevoegdheid van provincies, namelijk dat de Minister van Economische Zaken bevoegd is voor het verlenen van ontheffing of vrijstelling voor het onder zich hebben van deze soorten, indien zij vanuit een ander land Nederland worden of zijn binnengebracht. Deze uitzondering is opgenomen vanwege het feit dat het Rijk, in het bijzonder de douane, verantwoordelijk is voor de controle aan de buitengrenzen en op bijvoorbeeld Schiphol en in de haven van Rotterdam. Het komt de effectiviteit van deze controles ten goede als de Minister van Economische Zaken bevoegd is voor het verlenen van ontheffing of vrijstelling van het verbod op het onder zich hebben van deze vogels, dieren en planten. Voorts is een deel van de betrokken soorten ook beschermd onder de CITES-verordening158, die het binnenbrengen binnen de Europese Unie van en de interne handel in deze soorten reguleert. Ook vanwege deze samenloop is het gewenst dat de Minister van Economische Zaken bevoegd is in onderhavig geval.

Artikel 1.7

1. Als categorie van handelingen als bedoeld in artikel 1.3, vijfde lid, onderdeel a, van de wet worden aangewezen handelingen ter uitvoering van de Verordening invasieve uitheemse soorten, met uitzondering van de uitvoering van maatregelen als bedoeld in artikel 3.32, eerste lid.
2. Het eerste lid is uitsluitend van toepassing ten aanzien van de bevoegdheden, bedoeld in artikel 3.18, eerste, tweede en derde lid in samenhang met het vierde lid, van de wet.

De Minister van Economische Zaken is krachtens artikel 3.37, derde lid, van de wet belast met de uitvoering van de eerder aangehaalde verordening nr. 1143/2014 inzake de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten. De verordening heeft mede betrekking op het bestrijden van invasieve exoten en uit dien hoofde ligt het in de rede dat de Minister van Economische Zaken ter uitvoering van de verordening kan beschikken over de bevoegdheden die de gedeputeerde staten van de provincies hebben op grond van artikel 3.18, eerste, tweede en derde lid, in samenhang met het vierde lid van de wet ten aanzien van het terugbrengen van de stand van exoten. Deze bevoegdheden zien op het verlenen van de opdracht aan personen om de stand van dieren van invasieve soorten terug te brengen, het bepalen dat zij toegang hebben tot terreinen en het bepalen wat er met de bemachtigde dieren geschiedt. Artikel 1.7 van onderhavig besluit voorziet hierin, met dien verstande dat provincies bevoegd blijven in het geval gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid om op grond van artikel 3.32 bij ministeriële regeling invasieve uitheemse soorten aan te wijzen ten aanzien waarvan gedeputeerde staten verantwoordelijk zijn voor het nemen van uitroeiingsmaatregelen, beheersmaatregelen en herstelmaatregelen in de zin van de EU-verordening inzake invasieve uitheemse soorten.

Voor planten van invasieve soorten die op de Unielijst zijn geplaatst is geen aparte voorziening vereist. Op grond van de verordening is het, behoudens overgangsrecht, verboden om dergelijke planten te houden. Wie desondanks deze planten op zijn grond heeft, overtreedt in beginsel dit verbod en deze overtreding kan vervolgens bestuursrechtelijk worden gehandhaafd, door middel van toepassing van bestuursdwang (artikel 7.2, tweede lid, onderdeel b, van de wet). De toepassing van bestuursdwang kan met zich brengen dat het overheidsorgaan terreinen betreedt om zelf over te gaan tot verwijdering van de desbetreffende planten.

Artikel 1.8

1. Als categorie van handelingen als bedoeld in artikel 1.3, vijfde lid, onderdeel a, van de wet worden aangewezen:
a. het uitzetten van dieren voor de bestrijding van ziekten, plagen of onkruiden;
b. het uitzetten van dieren tezamen met de in onderdeel a bedoelde dieren, als prooidieren voor die dieren.
2. Het eerste lid is uitsluitend van toepassing ten aanzien van de bevoegdheden, bedoeld in artikel 3.34, derde lid, van de wet.

Artikel 3.34, eerste lid, van de wet verbiedt, net als voorheen onder de Flora- en faunawet, het uitzetten van dieren. Hieronder valt ook het uitzetten van zogenoemde biologische bestrijders, die als natuurlijke vijanden kunnen worden gebruikt voor de bestrijding van ziekten, plagen en onkruiden in de land- en tuinbouw. Ze voorkomen de inzet van gifstoffen en dragen bij aan een duurzame en veilige voedselteelt. Om het gebruik en de ontwikkeling van biologische bestrijding niet onnodig te beperken, is het van belang dat soorten waarvan is vastgesteld dat zij niet schadelijk zijn voor natuurwaarden ingezet kunnen worden in het kader van biologische bestrijding, door middel van een vrijstelling of ontheffing van het verbod op het uitzetten van dieren in de natuur.

Op grond van artikel 3.34, derde lid, van de wet zijn provincies bevoegd voor het verlenen van vrijstellingen en ontheffingen van het verbod op het uitzetten van van nature in Nederland voorkomende dieren. De Minister van Economische Zaken is ter zake bevoegd ten aanzien van exoten. Voor biologische bestrijders is dit onderscheid echter niet werkbaar, omdat producenten en gebruikers van biologische bestrijders provinciegrensoverschrijdend actief zijn met zowel van nature voorkomende als exoten. Bovendien dient op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Wet dieren het produceren van prooidieren van de biologische bestrijders bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te worden toegestaan. In dit licht is in artikel 1.8 dan ook bepaald dat de Minister van Economische Zaken bevoegd is om vrijstelling of ontheffing te verlenen van het verbod op het uitzetten van van nature in Nederland voorkomende biologische bestrijders.

Artikel 1.9

1. Als categorie van gebieden als bedoeld in artikel 1.3, vijfde lid, onderdeel b, van de wet worden aangewezen terreinen waar de Kroondrager gerechtigd is tot het uitoefenen van de jacht.
2. Het eerste lid is uitsluitend van toepassing ten aanzien van de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen:
a. 3.3, eerste en tweede lid, 3.4, tweede lid, 3.8, eerste en tweede lid, 3.9, tweede lid, 3.10, tweede lid in samenhang met artikel 3.8, eerste of tweede lid, van de wet, ingeval deze bevoegdheden worden uitgeoefend met toepassing van artikel 3.15, vierde lid, artikel 3.16, vierde lid, of artikel 3.17, eerste lid, van de wet;
b. 3.12, zevende, achtste en negende lid, 3.14, tweede lid, 3.18, eerste, tweede en derde lid, al dan niet in samenhang met het vierde lid, 3.22, vierde lid, 3.25, tweede lid, 3.26, derde lid, 3.32, tweede lid, en 3.33, tweede lid, van de wet.

Dit artikel continueert artikel 70 van de toenmalige Flora- en faunawet. Het regelt dat voor de uitoefening van de in de wet bij provincies neergelegde bevoegdheden inzake schadebestrijding, populatiebeheer en jacht (tweede lid) bij de Minister van Economische Zaken berusten als deze activiteiten plaatsvinden in de Kroondomeinen (eerste lid).

HOOFDSTUK 2. NATURA 2000-GEBIEDEN

TITEL 2.1. PROGRAMMATISCHE AANPAK STIKSTOF

§ 2.1.1. Doelstelling, tijdvak en betrokken bestuursorganen

Artikel 2.1

1. Er wordt een programma aanpak stikstof vastgesteld dat tot doel heeft, mede met het oog op een evenwichtige, duurzame economische ontwikkeling, de belasting door stikstofdepositie van de voor stikstof gevoelige habitats in de Natura 2000-gebieden die in het programma zijn opgenomen te verminderen en de instandhoudingsdoelstellingen voor deze habitats binnen afzienbare termijn te realiseren.
2. Het programma beoogt een ambitieuze en realistische vermindering van de stikstofdepositie, afkomstig van in Nederland aanwezige bronnen.
3. Het programma wordt vastgesteld door Onze Minister en Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.
4. De vaststelling van het programma geschiedt in overeenstemming met de bestuursorganen die voor de daarin opgenomen Natura 2000-gebieden het beheerplan, bedoeld in artikel 2.3 van de wet, vaststellen en de ingevolge artikel 2.10, eerste en vierde lid, van de wet mede betrokken bestuursorganen.
5. Na de vaststelling van het programma kunnen Onze Minister en Onze Minister van Infrastructuur en Milieu daarin een Natura 2000-gebied opnemen in overeenstemming met de bestuursorganen die voor dat gebied het beheerplan, bedoeld in artikel 2.3 van de wet, vaststellen en de ingevolge artikel 2.10, eerste en vierde lid, van de wet mede betrokken bestuursorganen. Op andere wijzigingen zijn het derde en vierde lid van overeenkomstige toepassing.
6. Het programma wordt ten minste eenmaal in de zes jaar vastgesteld en geldt voor een tijdvak van zes jaar.
7. Een wijziging van het programma doet geen afbreuk aan de doelstellingen, genoemd in het eerste en tweede lid.
8. Onverminderd artikel 3:42, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, maakt Onze Minister de tekst van het programma of van een wijziging van het programma op elektronische wijze toegankelijk.

Dit artikel is toegelicht in paragraaf 3.1.3.2 van deze nota van toelichting, waarnaar zij verwezen. In aanvulling op die toelichting zij het volgende opgemerkt.

Voor de eventuele latere toevoeging aan het programma van een Natura 2000-gebied geldt op grond van het vijfde lid van artikel 2.1 een vereenvoudigde procedure, waarbij behalve de Ministers van Economische Zaken en van Infrastructuur en Milieu uitsluitend de bevoegde gezagen voor de vaststelling van de beheerplannen van de desbetreffende gebieden zijn betrokken en dus niet àlle bevoegde gezagen die eerder hebben ingestemd met het programma. Uiteraard is toevoeging van een gebied aan het programma pas aan de orde als ook het bijbehorende gebiedsgerichte maatregelenpakket, gericht op realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen voor de voor stikstofgevoelige habitats in het gebied, gereed is. Overeenkomstig artikel 2.9, eerste lid, kunnen ook de desbetreffende maatregelen door middel van een vereenvoudigde procedure worden toegevoegd. De betrokken wijziging van het programma staat, ingevolge artikel 1.13, vierde lid, van de wet, wel open voor inspraak overeenkomstig afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, waarbij zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht door eenieder.

Het programma wordt vastgesteld met inbegrip van de gebieden waarop het programma betrekking heeft. Daarom vangt de periode van zes jaar, waarvoor het programma ingevolge het zesde lid van artikel 2.1 geldt, aan op het moment van vaststelling van het programma. Als een gebied nog niet is opgenomen maar later aan het programma wordt toegevoegd, geldt dat pas vanaf de toevoeging aan het programma ontwikkelingsruimte kan worden toegedeeld in besluiten als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, die betrekking hebben op dat gebied. Dit betekent dat de periode waarop met toepassing van het programma voor dat gebied van ontwikkelingsruimte gebruik kan worden gemaakt, aanvangt op het tijdstip waarop het gebied in het programma is opgenomen en doorloopt tot het eind van de periode waarvoor het programma is vastgesteld. Deze periode is dan dus korter dan de programma-periode van zes jaar.

§ 2.1.2. Inhoud programma

Artikel 2.2

1. In het programma, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, worden ten aanzien van de in het programma opgenomen Natura 2000-gebieden in elk geval beschreven of genoemd:
a. de omvang van de stikstofdepositie aan het begin van het tijdvak van het programma, onderscheiden naar:
1°. depositie, veroorzaakt door factoren in de gebieden, en
2°. depositie, veroorzaakt door factoren buiten de gebieden;
b. de staat van instandhouding van de voor stikstof gevoelige habitats in de gebieden;
c. de doelstellingen ten aanzien van de omvang van de stikstofdepositie, al dan niet met tussendoelstellingen, en de indicatoren waaruit kan worden afgeleid of een doelstelling al dan niet is behaald welke noodzakelijk zijn met het oog op het verwezenlijken van de instandhoudingsdoelstellingen voor de voor stikstof gevoelige typen natuurlijke habitats en habitats van soorten in de gebieden;
d. de verwachte autonome ontwikkelingen ten aanzien van de stikstofemissie door de factoren, bedoeld in onderdeel a, en de effecten daarvan op de omvang van stikstofdepositie in de gebieden;
e. de getroffen of te treffen maatregelen:
1°. die bijdragen aan een vermindering van de stikstofdepositie in de gebieden, veroorzaakt door de factoren, bedoeld in onderdeel a, en
2°. ter verwezenlijking van de instandhoudingsdoelstellingen voor de voor stikstof gevoelige habitats in de gebieden;
f. de sociaal-economische evaluatie en weging van haalbaarheid en betaalbaarheid van de maatregelen, bedoeld in onderdeel e;
g. de verwachte effecten van de maatregelen, bedoeld in onderdeel e, op de omvang van de stikstofdepositie, onderscheidenlijk het verwezenlijken van de instandhoudingsdoelstellingen in de gebieden;
h. de uitgangspunten voor de bepaling van de ontwikkelingsruimte, voor de toedeling aan projecten en andere handelingen en voor de reservering daarvoor, en de ontwikkelingsruimte die beschikbaar is op het moment van vaststellen van het programma;
i. de resultaten van de ecologische beoordeling van het programma, en
j. de wijze en de momenten waarop de werking van het programma tussentijds wordt beoordeeld.
2. In het programma kan onderscheid worden gemaakt tussen de depositie van ammoniak en de depositie van andere stikstofverbindingen.
3. Bij een wijziging van het programma worden het eerste en tweede lid in acht genomen.

Deze artikelen [de artikelen 2.2. tot en met 2.6] zijn toegelicht in paragraaf 3.1.3.3 van deze nota van toelichting, waarnaar zij verwezen. In aanvulling op die toelichting zij het volgende opgemerkt.

In artikel 2.2, eerste lid, onderdeel b, is in het besluit overeenkomstig artikel 1.13, tweede lid, onder 1°, van de wet in vergelijking met artikel 19kh van de toenmalige Natuurbeschermingswet 1998 geëxpliciteerd dat in het programma ook de staat van instandhouding van de voor stikstof gevoelige habitats wordt beschreven. Dat gebeurt in de analyses die als onderdeel van het programma voor elk afzonderlijk in het programma opgenomen Natura 2000-gebied worden opgesteld. Ook in de gebiedsanalyses van het geldende programma aanpak stikstof voor het tijdvak 1 juli 2015 – 1 juli 2021 is dat gedaan. Deze informatie is essentieel voor het kunnen bepalen van de noodzakelijke maatregelen voor het betrokken gebied en de te stellen doelstellingen, waarop wordt gemonitord (artikel 2.2, eerste lid, onderdelen c, e en j).

In de artikelen 19kh en 19kg, eerste lid, van de toenmalige Natuurbeschermingswet 1998 was het taalgebruik ten aanzien van de natuurdoelstellingen niet geheel eenduidig; over het algemeen wordt – terecht – gesproken over het verwezenlijken van de voor de betrokken Natura 2000-gebieden vastgestelde instandhoudingsdoelstellingen, maar een enkele keer ook over «het bereiken van een goede staat van instandhouding in de gebieden» (artikel 19kg, eerste lid, onderdeel c) en over «het bereiken van een gunstige staat van instandhouding» (artikel 19kg, eerste lid, onderdeel d). In artikel 2.2, eerste lid, is, ter voorkoming van onduidelijkheden, deze terminologie gelijk getrokken en wordt – evenals overigens in artikel 2.1, eerste lid – steeds gesproken over de verwezenlijking van de instandhoudingsdoelstellingen in het gebied. Deze instandhoudingsdoelstellingen zijn afgeleid van de op landelijk niveau te realiseren gunstige staat van instandhouding voor de betrokken habitats. Op individueel gebiedsniveau behoeft geen gunstige staat van instandhouding te worden gerealiseerd.159

In artikel 2.2, eerste lid, onderdeel i, wordt gesproken over de «resultaten van de ecologische beoordeling van het programma», waar voorheen in artikel 19kh, onderdeel h, van de Natuurbeschermingswet 1998 werd gesproken over «de resultaten van een beoordeling». Met deze kleine wijziging van terminologie is geen inhoudelijke wijziging beoogd, zoals moge blijken uit de uitwerking van deze beoordeling in respectievelijk artikel 2.5 van het onderhavige besluit en artikel 19kh, onderdeel h, van de toenmalige Natuurbeschermingswet 1998. De terminologie sluit aan bij de terminologie in het tweede lid, onderdeel f, onder 7°, van artikel 1.13 van de Wet natuurbescherming, welk artikel de grondslag voor de regeling in dit besluit van de programmatische aanpak stikstof biedt.

In artikel 2.5, onder 4°, is in vergelijking met artikel 19kh, onderdeel h, onder 4°, van de toenmalige Natuurbeschermingswet 1998 iets nauwkeuriger aangesloten bij de tekst van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn en de omzetting daarvan in artikel 2.8 van de wet. Materieel gaat het om dezelfde toets. Voor de beoordeling of de natuurlijke kenmerken van een gebied worden aangetast moet volgens de leidraad van de Europese Commissie worden gekeken naar de ecologische functies van het gebied, waarbij de beoordeling moet worden toegespitst op en beperkt tot de instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied.160 Van aantasting van natuurwaarden is sprake als het ecosysteem zich na verstoring niet kan herstellen noch het vermogen bezit zich te ontwikkelen in een voor de instandhouding gunstige zin. Dat sluit aan bij «het in gevaar brengen van de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied» zoals dat in artikel 19kh, onderdeel h, onder 4°, van de toenmalige Natuurbeschermingswet 1998 was geformuleerd. Volgens het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) in de zaak Sweetman161 is geen sprake van een aantasting van de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied in de zin van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn, indien het gebied wordt behouden in een gunstige staat van instandhouding, hetgeen volgens het Hof neerkomt op het duurzame behoud van de in deze richtlijn bedoelde bepalende kenmerken van het betrokken gebied die verband houden met de aanwezigheid van een type natuurlijke habitat waarvan het doel van instandhouding ervan ertoe heeft geleid dat dit gebied in de lijst van gebieden van communautair belang is opgenomen. In de zaak Sweetman162 spreekt het Hof – in het licht van de voorliggende vragen en specifieke omstandigheden van het geval – over de typen natuurlijke habitats die aanleiding gaven tot plaatsing van het Natura 2000-gebied op de lijst van gebieden van communautair belang. Gezien de algemene jurisprudentielijn en de andere zaken waarnaar het Hof verwijst en ook de systematiek en doelstellingen van de Habitatrichtlijn, moet ervan worden uitgegaan dat het door het Hof overwogene geldt voor alle leefgebieden van vogels, alle typen natuurlijke habitats en alle habitats van soorten waarvoor in het aanwijzingsbesluit instandhoudingsdoelstellingen zijn geformuleerd.

Artikel 2.6, vierde lid, van het onderhavige besluit heeft eenzelfde strekking als artikel 19kha van de toenmalige Natuurbeschermingswet 1998, dat via amendering in de wet was opgenomen.163 Gedurende de programmaperiode wordt steeds nauwkeurig bijgehouden welke ontwikkelingsruimte is gebruikt en welke dus nog beschikbaar is (zie artikel 2.9 van het besluit). In het licht van de in artikel 2.4, eerste lid, van het besluit opgenomen eis van een evenwichtige verdeling van de ontwikkelingsruimte over het tijdvak, ligt het in de rede om halverwege het tijdvak de balans op te maken en te bezien hoeveel ontwikkelingsruimte in de tweede helft van het tijdvak nog beschikbaar zal zijn en op dat punt ook een doorkijk naar de volgende programmaperiode te bieden. Op basis van de verwachte behoefte aan ontwikkelingsruimte zou dat ook aanleiding kunnen geven voor aanvulling van het programma met extra maatregelen om meer ontwikkelingsruimte te creëren of tot een andere verdeling tussen sectoren, respectievelijk om met het oog op de volgende programmaperiode vast nieuwe maatregelen te ontwikkelen. Bij de betrokken tussenevaluatie moet overeenkomstig artikel 2.8, vierde lid, tweede volzin, van het besluit ook worden getoetst of er onnodig beslag op ontwikkelruimte wordt gelegd door reserveringen voor projecten en andere handelingen waarvan niet aannemelijk is dat daarvoor nog gedurende het lopende tijdvak van het programma toestemming zal worden verleend.

Artikel 2.3

Tot de maatregelen, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onderdeel e, behoren in elk geval:
a. maatregelen voorzien in bindende besluiten van de Raad van de Europese Unie, van het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of van de Commissie van de Europese Gemeenschappen;
b. maatregelen van bestuursorganen van het Rijk ter vermindering van de stikstofdepositie, en
c. gebiedsgerichte of effectgerichte maatregelen van bestuursorganen van het Rijk, provincies, gemeenten, of waterschappen.

Zie voor de toelichting onder artikel 2.2.

Artikel 2.4

1. Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onderdeel h, wordt in het programma mede aangegeven welk deel van de ontwikkelingsruimte in de eerste helft en welk deel in de tweede helft van het tijdvak van het programma wordt toegedeeld en gereserveerd. Deze verdeling is zodanig dat een evenwichtige toedeling en reservering van de ontwikkelingsruimte gedurende het tijdvak van het programma is verzekerd.
2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden vastgesteld over de toepassing van het eerste lid.

Zie voor de toelichting onder artikel 2.2.

Artikel 2.5

De resultaten van de ecologische beoordeling van het programma, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onderdeel i, omvatten in elk geval de resultaten van een beoordeling voor elk Natura 2000-gebied dat in het programma is opgenomen in hoeverre de maatregelen, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onderdeel e, rekening houdend met de verwachte algemene ontwikkeling van de stikstofdepositie, met de toedeling overeenkomstig het programma van ontwikkelingsruimte aan projecten en andere handelingen en met de stikstofdepositie ten aanzien waarvan artikel 2.12, eerste lid, of artikel 2.13 van toepassing is:
a. bijdragen aan de verwezenlijking van de instandhoudingsdoelstellingen voor de voor stikstof gevoelige habitats in het gebied;
b. voorkomen dat verslechtering optreedt van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in het gebied;
c. voorkomen dat storende factoren optreden voor de soorten waarvoor het gebied is aangewezen voor zover die factoren, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied, een significant effect kunnen hebben, en
d. zekerheid bieden dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast.

Zie voor de toelichting onder artikel 2.2.

Artikel 2.6

1. De beoordeling, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onderdeel j, geschiedt in elk geval in het derde en het zesde jaar van het tijdvak van het programma.
2. De beoordeling betreft in elk geval:
a. de voortgang en uitvoering van de getroffen of te treffen, in het programma beschreven of genoemde maatregelen en de effecten daarvan op de stikstofdepositie;
b. de mate waarin gebruik is gemaakt van de depositieruimte, en,
c. in het zesde jaar van het tijdvak, de omvang en kwaliteit van de voor stikstof gevoelige habitats in de Natura 2000-gebieden die in het programma zijn opgenomen in relatie tot de daarvoor vastgestelde instandhoudingsdoelstellingen.
3. Voor de beoordeling van de effecten op de stikstofdepositie wordt gebruik gemaakt van de beste beschikbare gegevens over de ontwikkeling van de stikstofemissies en stikstofdepositie en de factoren die aan deze ontwikkeling hebben bijgedragen.
4. In vervolg op de beoordeling in het derde jaar van het tijdvak van het programma maken Onze Minister en Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, na overleg met de bestuursorganen, bedoeld in artikel 2.1, vierde lid, de ontwikkelingsruimte inzichtelijk die:
a. de tweede helft van het tijdvak van het programma beschikbaar zal zijn;
b. naar verwachting in het daarop volgende programma beschikbaar zal zijn, in het bijzonder in de eerste helft van het tijdvak van dat programma.

Zie voor de toelichting onder artikel 2.2.

§ 2.1.3. Toedeling en reservering ontwikkelingsruimte

Artikel 2.7

1. De ontwikkelingsruimte voor een in het programma opgenomen Natura 2000-gebied, kan, met uitzondering van de ruimte die in het programma is toegedeeld aan in het programma beschreven projecten en andere handelingen als bedoeld in artikel 2.9, eerste lid, van de wet, overeenkomstig de uitgangspunten, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onderdeel h, door het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van het desbetreffende besluit, worden toegedeeld in:
a. een beheerplan als bedoeld in artikel 2.3 van de wet voor zover in dat beheerplan een project of andere handeling als bedoeld in artikel 2.9, eerste lid, van de wet is beschreven;
b. een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de wet;
c. een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een ontwikkelingsgebied als bedoeld in artikel 2.3 van de Crisis- en herstelwet en dat voldoet aan artikel 5.6 van de wet;
d. een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in samenhang met artikel 2.2aa, onderdeel a, van het Besluit omgevingsrecht;
e. een tracébesluit waarop artikel 13, zevende lid, van de Tracéwet van toepassing is;
f. een wegaanpassingsbesluit waarop artikel 9, vierde lid, van de Spoedwet wegverbreding van toepassing is, of
g. een ander besluit dat bij ministeriële regeling is aangewezen.
2. Bij het nemen van een besluit als bedoeld in het eerste lid neemt het bevoegd gezag de reserveringen in acht, die krachtens artikel 2.8, eerste lid, zijn gedaan. Daarbij draagt het bevoegd gezag er zorg voor dat in de eerste helft van het tijdvak van het programma voldoende ontwikkelingsruimte beschikbaar blijft om, met inachtneming van de verdeling, bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, en met inachtneming van artikel 2.8, derde lid, te worden toegedeeld in besluiten waarvoor krachtens artikel 2.8, eerste lid, ontwikkelingsruimte is gereserveerd.
3. Bij ministeriële regeling worden, met inachtneming van de uitgangspunten, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onderdeel h, nadere regels gesteld over de wijze van bepaling van de omvang van de op enig moment voor toedeling beschikbare ontwikkelingsruimte en de omvang van de bij een besluit als bedoeld in het eerste lid toe te delen ontwikkelingsruimte.
4. Het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit als bedoeld in het eerste lid waarin ontwikkelingsruime is toegedeeld kan dit besluit intrekken of wijzigen, indien het project of de andere handeling waarop dit besluit betrekking heeft, nadat het besluit onherroepelijk is geworden, niet is gerealiseerd, onderscheidenlijk is verricht.

Deze artikelen [de artikelen 2.7, 2.8 en 2.9] zijn toegelicht in paragraaf 3.1.3.4 van deze nota van toelichting, waarnaar zij verwezen. In aanvulling op die toelichting zij het volgende opgemerkt.

In artikel 2.7, derde lid, van dit besluit is, anders dan in artikel 19kh, vijfde lid, van de Natuurbeschermingswet 1998, geen basis opgenomen om bij ministeriële regeling nadere regels te stellen over de wijze van reservering van ontwikkelingsruimte, nu op grond van artikel 2.8 van dit besluit – overeenkomstig artikel 19kn, eerste lid, van de toenmalige Natuurbeschermingswet 1998 – die reservering zèlf al in de ministeriële regeling wordt geregeld. Het eerst daarover bij dezelfde regeling stellen van regels komt geen betekenis toe.

Artikel 1.13, derde lid, van de wet biedt een grondslag om bij algemene maatregel van bestuur regels te stellen over de bevoegdheid van bestuursorganen om een onherroepelijk besluit waarin ontwikkelingsruimte is toegedeeld, in te trekken of te wijzigen, indien het project of de andere handeling waarop het besluit betrekking heeft, niet is gerealiseerd. Met artikel 2.7, vierde lid, van het onderhavige besluit wordt daaraan invulling gegeven, op overeenkomstige wijze als de regeling die voorheen artikel 19km, vijfde lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 bevatte. Door een niet-gebruikt toestemmingsbesluit in te trekken, wordt voorkomen dat onnodig beslag wordt gelegd op de ontwikkelingsruimte; na intrekking van het toestemmingsbesluit wordt de desbetreffende ontwikkelingsruimte overeenkomstig artikel 2.9, derde lid, van het onderhavige besluit door het betrokken bevoegde gezag weer bijgeschreven en komt daarmee beschikbaar voor andere projecten en handelingen. De betrokken bijzondere grondslag ziet op alle toestemmingsbesluiten, genoemd in het eerste lid van artikel 2.7 van het onderhavige besluit. Wat betreft de vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de wet, komt de voorziening naast de algemene voorziening van artikel 5.4 van de wet. Dat laatste artikel biedt een algemene basis om vergunningen in te trekken of te wijzigen als voldaan is aan de in dat artikel limitatief opgesomde gronden, kort gezegd: er is sprake van handelen in strijd met aan de vergunning of de daaraan verbonden voorschriften of beperkingen, de vergunning is gebaseerd op onjuiste gegevens, de vergunning is in strijd met wettelijke voorschriften of de omstandigheden zijn wezenlijk gewijzigd ten opzichte de situatie ten tijde van de vergunningverlening. Een beroep op artikel 5.4 van de wet vereist dat onderbouwd kan worden dat één van de daar genoemde gronden intrekking of wijziging van de vergunning rechtvaardigt; intrekking van een vergunning wegens het niet-realiseren van de vergunde activiteit zou dan bijvoorbeeld kunnen als expliciet in de vergunning ter zake van de termijn voor die realisatie een voorschrift zou zijn opgenomen dat niet is nageleefd. Een beroep op artikel 2.7, vierde lid, van het onderhavige besluit kan ongeacht of in het toestemmingsbesluit een termijn voor realisatie van de activiteit is opgenomen; de enkele constatering dat geen realisatie heeft plaatsgevonden volstaat.

Ten aanzien van de op grond van artikel 2.8, eerste lid, van het besluit aan te wijzen prioritaire projecten en andere handelingen, waarvoor ontwikkelingsruimte wordt gereserveerd, zij opgemerkt dat het niet nodig is deze projecten en handelingen in alle gevallen individueel te duiden. De regeling kan immers ook betrekking hebben op een categorie van projecten of handelingen. De beschrijving van projecten, andere handelingen of categorieën van projecten of andere handelingen moet uiteraard wel zodanig zijn dat er geen misverstand over kan bestaan of in een concreet geval wel of geen reservering geldt.

Belangrijk is dat op het moment waarop een toestemmingsbesluit over het project moet worden genomen, in de registratie nog steeds voldoende ontwikkelingsruimte voor deze categorie is gereserveerd. Om dat te verzekeren is het van belang om ten behoeve van het programma zo nauwkeurig mogelijk te berekenen, zodat in het reken- en registratie-instrument AERIUS voor alle beoordelingseenheden van de onderscheiden habitats in de onderscheiden gebieden voldoende ontwikkelingsruimte voor prioritaire projecten apart is gezet. Indien het voorgenomen prioritaire project gedurende de programmaperiode verandert, heeft dit geen gevolgen zolang in alle beoordelingseenheden in het Natura 2000-gebied nog steeds voldoende ontwikkelingsruimte is gereserveerd. In de op grond van artikel 2.8, eerste lid, vastgestelde ministeriële regeling, hoeft de bij de reservering benodigde ontwikkelingsruimte niet te worden genoemd. Desgewenst kan dat echter wel, bijvoorbeeld als het wenselijk is een beperking op te nemen voor de hoeveelheid ruimte die ten behoeve van een prioritair project ten hoogste mag worden aangesproken door het bevoegd gezag.

Artikel 2.8, tweede en derde lid, verbindt voorwaarden aan prioritaire projecten waarvoor ontwikkelingsruimte wordt gereserveerd en aan de omvang van de gereserveerde ontwikkelingsruimte. De bepaling beoogt een onnodig beslag op de schaarse ontwikkelingsruimte ten behoeve van op voorhand als prioritair aangemerkte projecten te voorkomen. Zij is een omzetting van artikel 19kn, vijfde en zesde lid, van de toenmalige Natuurbeschermingswet 1998, dat via een amendement in die wet was opgenomen.164  Bij onnodig beslag gaat het in ieder geval om een beslag op de ontwikkelingsruimte voor een grotere stikstofdepositie dan de hoeveelheid waarvan aannemelijk is dat het project of andere handeling die zal veroorzaken. Gelet op de parlementaire discussie wordt onder «onnodig» echter ook verstaan een onevenwichtige verdeling tussen de ontwikkelingsruimte die beschikbaar is voor prioritaire projecten en andere handelingen (segment 1) en voor overige projecten en andere handelingen (segment 2), wat betekent dat de bevoegd gezagen zeer scherp moeten zijn bij hun keuze van projecten en andere handelingen die naar hun oordeel als prioritair moeten worden aangemerkt.

Duidelijk is dat op dit laatste punt sprake is van een ruime beoordelingsmarge van de bevoegde gezagen die het programma aanpak stikstof vaststellen of daarmee instemmen. Ook het vierde lid van artikel 2.8 heeft als oogmerk het voorkomen van een onnodig beslag van reserveringen op de schaarse ontwikkelingsruimte, in dit geval door projecten of andere handelingen waarvan onaannemelijk is dat daarvoor nog in het lopende tijdvak een beroep op de gereserveerde ontwikkelingsruimte zal worden gedaan. Het artikellid komt overeen met artikel 19kn, tweede lid, van de toenmalige Natuurbeschermingswet 1998, zoals dat als gevolg van amendering was komen te luiden.165

In artikel 2.9, tweede lid, is ten opzichte van artikel 19ko, eerste lid, van de toenmalige Natuurbeschermingswet 1998 verduidelijkt dat ingeval sprake is van toedeling van ontwikkelingsruimte bij een omgevingsvergunning, het bevoegd gezag voor de verklaring van geen bedenkingen – meestal gedeputeerde staten, soms de Minister van Economische Zaken – verantwoordelijk is voor de registratie van de afschrijving van de toegedeelde ontwikkelingsruimte. Tevens is in het vijfde lid een tweede volzin opgenomen, die verduidelijkt dat ingeval toepassing wordt gegeven aan artikel 2.8, vierde lid, van het besluit, het geheel of gedeeltelijk vervallen van de reservering wordt geregistreerd; in dat geval door de Minister van Economische Zaken.

Artikel 2.8

1. Bij ministeriële regeling kunnen projecten en andere handelingen, of categorieën van projecten of andere handelingen worden aangewezen waarvoor gedurende het tijdvak van het programma ontwikkelingsruimte wordt gereserveerd voor de toedeling daarvan in besluiten als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, waarbij een voorkeursvolgorde voor de toedeling kan worden aangegeven.
2. Als projecten of andere handelingen als bedoeld in het eerste lid kunnen worden genoemd of beschreven projecten of andere handelingen die voldoen aan elk van de volgende voorwaarden:
a. het project of de andere handeling is aantoonbaar van nationaal of provinciaal maatschappelijk belang;
b. het is aannemelijk dat voor het project of de andere handeling in het tijdvak, bedoeld in artikel 2.1, zesde lid, ontwikkelingsruimte wordt toegedeeld in een besluit als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid.
3. De omvang van de ontwikkelingsruimte die voor projecten en andere handelingen als bedoeld in het eerste lid wordt gereserveerd, is zodanig dat er niet onnodig inbreuk wordt gemaakt op de omvang van de ontwikkelingsruimte die resteert voor toedeling aan andere projecten of handelingen dan die bedoeld in het eerste lid.
4. Een reservering vervalt geheel of voor een bepaald gedeelte, nadat het bevoegd gezag voor een besluit als bedoeld in het eerste lid aan Onze Minister heeft verklaard dat het de gereserveerde ontwikkelingsruimte, onderscheidenlijk dat gedeelte van de ontwikkelingsruimte gedurende het tijdvak van het programma niet zal toedelen. Nadat de eerste helft van het tijdvak van het programma is verstreken, gaan de bevoegde gezagen na of er reserveringen zijn ten aanzien waarvan de eerste volzin wordt toegepast.

Zie voor de toelichting onder artikel 2.7.

Artikel 2.9

1. Een bestuursorgaan dat ontwikkelingsruimte toedeelt in een besluit als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, onderdeel a, b, c, d, e, f of g, draagt tijdig zorg voor een nauwkeurige en volledige registratie van de afschrijving van de toegedeelde ontwikkelingsruimte van de totale ontwikkelingsruimte.
2. In zoverre in afwijking van het eerste lid, draagt, ingeval ontwikkelingsruimte wordt toegedeeld in een besluit als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, onderdeel d, en dit besluit wordt genomen door burgemeester en wethouders, het bestuursorgaan dat op grond van artikel 6.10a, eerste en tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht bevoegd is te verklaren geen bedenkingen tegen de verlening van dat besluit te hebben zorg voor de in het eerste lid bedoelde registratie.
3. Het bestuursorgaan, bedoeld in het eerste of tweede lid, draagt tevens tijdig zorg voor een nauwkeurige en volledige registratie van de bijschrijving van ontwikkelingsruimte die na het wijzigen of intrekken van een besluit als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, beschikbaar komt voor projecten en andere handelingen die stikstofdepositie veroorzaken in de Natura 2000-gebieden waarop het besluit betrekking had.
4. Het eerste en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op een reservering van ontwikkelingsruimte op grond van artikel 2.8, eerste lid, met dien verstande dat Onze Minister zorg draagt voor de registratie van een reservering.
5. Indien in een besluit als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, ontwikkelingsruimte wordt toegedeeld die is gereserveerd krachtens artikel 2.8, eerste lid, vervalt de reservering en draagt het met de registratie van afschrijvingen belaste bestuursorgaan, bedoeld in het eerste of tweede lid, tevens zorg voor de registratie van het vervallen van de reservering. Indien een reservering geheel of gedeeltelijk vervalt op grond van een verklaring als bedoeld in artikel 2.8, vierde lid, draagt Onze Minister zorg voor registratie van het vervallen van de reservering of van het desbetreffende gedeelte daarvan.
6. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld ten aanzien van de registratie van afschrijvingen, bijschrijvingen of reserveringen van ontwikkelingsruimte en ten aanzien van het vervallen van reserveringen van ontwikkelingsruimte.

Zie voor de toelichting onder artikel 2.7.

§ 2.1.4. Vereenvoudigde procedure wijziging maatregelen; betrokkenheid andere bestuursorganen bij ministeriële regeling

Artikel 2.10

1. Onze Minister en Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kunnen in het programma maatregelen als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onderdeel e, wijzigen of door andere maatregelen vervangen, dan wel maatregelen toevoegen. Zij stellen voor de Natura 2000-gebieden waarop de maatregelen betrekking hebben in het programma vast wat daarvan de gevolgen zijn voor de ontwikkelingsruimte en voor de beoordeling, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onderdeel i, in samenhang met artikel 2.5. Ingeval het wijzigen, vervangen of toevoegen van maatregelen leidt tot minder ontwikkelingsruimte met betrekking tot een Natura 2000-gebied, geschiedt dit in overeenstemming met de bestuursorganen die het beheerplan, bedoeld in artikel 2.3 van de wet, voor dat gebied vaststellen.
2. Het programma biedt Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, Onze Minister van Defensie of bestuursorganen van provincies, gemeenten of waterschappen de mogelijkheid om in het programma opgenomen maatregelen als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, voor de uitvoering waarvan zij zorg dragen, gewijzigd uit te voeren of te vervangen door andere maatregelen, indien:
a. de bestuursorganen die voor het desbetreffende gebied het beheerplan, bedoeld in artikel 2.3 van de wet, vaststellen, daarmee instemmen, en
b. de gewijzigde uitvoering of vervangende maatregelen in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden ten minste even doeltreffend zijn als de oorspronkelijk voorziene wijze van uitvoering of de oorspronkelijk voorziene maatregelen en niet leiden tot minder ontwikkelingsruimte met betrekking tot enig Natura 2000-gebied.

Dit artikel bevat – overeenkomstig artikel 19ki van de toenmalige Natuurbeschermingswet 1998 – mogelijkheden voor een vereenvoudigde procedure ingeval van bepaalde wijzigingen of afwijkingen van het programma, waardoor niet àlle partijen die vanwege het vereiste van overeenstemming als bedoeld in artikel 2.1, vierde lid, van het onderhavige besluit formeel betrokken waren bij het oorspronkelijke programma, opnieuw behoeven in te stemmen.

Het eerste lid bevat een algemene bevoegdheid voor de Ministers van Economische Zaken en van Infrastructuur en Milieu tot wijziging, vervanging en toevoeging van maatregelen aan het programma. Uiteraard mag die wijziging geen afbreuk doen aan de algemene eisen die in artikel 2.1, eerste en tweede lid, van het onderhavige besluit aan het programma worden gesteld, namelijk dat het programma gericht moet zijn op een ambitieuze maar realistische vermindering van de stikstofdepositie uit in Nederland aanwezige bronnen en op het realiseren binnen afzienbare termijn van de instandhoudingsdoelstellingen voor de voor stikstof gevoelige habitats. In het verlengde hiervan eist artikel 2.10, eerste lid, dan ook dat de ministers vaststellen wat de gevolgen van de wijziging zijn voor het eerder – overeenkomstig artikel 2.5 van het besluit – gevelde ecologische oordeel over het programma.166 Van belang is voorts dat ingeval een wijziging ten aanzien van de opgenomen maatregelen negatieve gevolgen heeft voor de ontwikkelingsruimte in een Natura 2000-gebied, ook de bevoegde gezagen voor het vaststellen van het beheerplan voor de desbetreffende gebieden ook bij de wijziging worden betrokken. Veelal zijn dat gedeputeerde staten van de betrokken provincie, die ook bevoegd zijn voor vergunningverlening en in dat kader geconfronteerd kunnen worden met belemmeringen voor het toestaan van nieuwe ontwikkelingen in en rond het gebied in verband met de verminderde ontwikkelingsruimte. Bovendien is het aangewezen om met het bevoegde gezag te bezien of de wijziging die leidt tot een verminderde ontwikkelingsruimte ook aanleiding geeft tot andere wijzigingen in het maatregelenpakket, in het bijzonder aanscherping van de gebiedsgerichte maatregelen. Tegen die achtergrond schrijft het eerste lid, tweede volzin voor dat de wijziging plaatsvindt in overeenstemming met dit bevoegde gezag. Op de betrokken wijziging is ingevolge artikel 1.13, vierde lid van de wet, wel de voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat eenieder een zienswijze naar voren kan brengen.

Andere overheden kunnen ingevolge het tweede lid van artikel 2.10 maatregelen gewijzigd uitvoeren of vervangen, wanneer de bestuursorganen die bevoegd zijn tot het vaststellen van het beheerplan voor het desbetreffende gebied daarmee instemmen. Dit leidt niet tot een wijziging van het programma. Deze voorgestelde voorziening geldt alleen wanneer de wijziging van maatregelen geen negatieve gevolgen heeft voor de ontwikkelingsruimte. Zijn die negatieve gevolgen er wel, dan is een wijziging van het programma nodig door de Minister van Economische Zaken en de Minister van Infrastructuur en Milieu overeenkomstig het eerste lid van het artikel. Ten opzichte van artikel 19ki, tweede lid, van de toenmalige Natuurbeschermingswet 1998 is – overeenkomstig de huidige praktijk op grond van het geldende programma aanpak stikstof 1 juli 2015 – 1 juli 2021 – verduidelijkt dat de vervangende maatregelen ten minste even doeltreffend zijn als de oorspronkelijk voorziene maatregelen.

Artikel 2.11

1. Een ministeriële regeling als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, 2.7, derde lid, 2.8, eerste lid, en 2.9, zesde lid, wordt vastgesteld door Onze Minister van Economische Zaken en Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.
2. Een ministeriële regeling als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, 2.7, derde lid, en 2.9, zesde lid, wordt vastgesteld na overleg met de bestuursorganen, bedoeld in artikel 2.1, vierde lid.
3. Een ministeriële regeling als bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, wordt vastgesteld in overeenstemming met de bestuursorganen, bedoeld in artikel 2.1, vierde lid.

Artikel 2.11 bevat evenals voorheen artikel 19kq van de Natuurbeschermingswet 1998 een regeling over de betrokken bestuursorganen bij de ministeriële regeling ten aanzien van het bepaalde, in het eerste lid, genoemde aspecten die specifiek het programma betreffen. Gelet op de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de Minister van Economische Zaken en de Minister van Infrastructuur en Milieu voor het programma aanpak stikstof, wordt ten aanzien van deze aspecten ook de regeling door hen gezamenlijk vastgesteld (eerste lid). Vanwege de medeverantwoordelijkheid van de bevoegde gezagen voor de vaststelling van beheerplannen voor de in het programma opgenomen Natura 2000-gebieden, wordt de regeling pas vastgesteld na overleg met deze bevoegde gezagen; in de praktijk gaat het dan om gedeputeerde staten van de provincies en de minister van Defensie (tweede lid). Voor zover de ministeriële regeling betrekking heeft op het reserveren van ontwikkelingsruimte voor prioritaire projecten en andere handelingen is – gezien het belang daarvan voor de werking van het totale programma, in het bijzonder de gevolgen voor de beschikbaarheid van ontwikkelingsruimte voor andere ontwikkelingen – met deze bevoegde gezagen overeenstemming vereist (derde lid). In artikel 19ki, derde lid, van de toenmalige Natuurbeschermingswet 1998 werd dit vereiste tot overeenstemming beperkt tot de bevoegde gezagen voor vaststelling van het beheerplan, waarin de stikstofdepositie van de betrokken projecten en andere handelingen hoofdzakelijk plaatsvindt. Maar in de praktijk komt deze laatste precisering geen betekenis toe en zijn ook bij toepassing van dit aanvullende criterium alle provincies betrokken. Gezien het belang van het verdelingsvraagstuk is ook niet goed te motiveren dat niet alle bevoegde gezagen die moeten instemmen met de vaststelling van het programma, ook met dit aspect van de regeling zouden moeten instemmen.

TITEL 2.2. GRENSWAARDEN STIKSTOF EN EXTERNE SALDERING

Artikel 2.12

1. Het verbod, bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de wet, is niet van toepassing op projecten en andere handelingen ten aanzien waarvan is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:
a. het project of de andere handeling:
1°. veroorzaakt in geen enkel Natura 2000-gebied een stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige habitats die afzonderlijk en, ingeval het project of de handeling betrekking heeft op een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer, in cumulatie met andere projecten of andere handelingen met betrekking tot dezelfde inrichting die feitelijk worden gerealiseerd, onderscheidenlijk plaatsvinden in de periode waarvoor het programma geldt dan wel waarvoor eerder gedurende die periode een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de wet of een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, onderdeel d, is verleend, de waarde van 1 mol per hectare per jaar overschrijdt, of
2°. betreft een project of andere handeling als bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, dat betrekking heeft op een hoofdweg als bedoeld in artikel 1 van de Tracéwet of dat betrekking heeft op een hoofdvaarweg als bedoeld in artikel 1 van de Tracéwet en geheel of gedeeltelijk de scheepvaartfunctie betreft, en dat wordt gerealiseerd, onderscheidenlijk die wordt verricht op een grotere afstand gerekend tot het desbetreffende Natura 2000-gebied dan, ingeval van een hoofdweg, 3 kilometer, gemeten vanaf het midden van de rijbaan, of, ingeval van een hoofdvaarweg, 5 kilometer, gemeten vanaf het midden van de vaarweg, en
b. het project of de andere handeling heeft voor het desbetreffende Natura 2000-gebied geen andere mogelijke gevolgen dan stikstofdepositie, die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in het desbetreffende Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen.
2. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, onder 1°, geldt, in plaats van de in dat onderdeel genoemde waarde van 1 mol per hectare per jaar, voor het desbetreffende Natura 2000-gebied als waarde 0,05 mol per hectare per jaar, als uit het krachtens artikel 2.9, zevende lid, van de wet voorgeschreven rekenmodel op enig moment is gebleken dat ten aanzien van een hectare van een voor stikstof gevoelige habitat in dat gebied 5% of minder beschikbaar is van het deel van de depositieruimte dat in het kader van het programma op voorhand beschikbaar was gesteld ten behoeve van projecten of andere handelingen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.
3. Ingeval het tweede lid van toepassing is, doet Onze Minister hiervan elektronisch mededeling op een bij ministeriële regeling aangewezen internetadres.
4. Onze Minister en Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kunnen, nadat het tweede lid van toepassing is geworden, besluiten dat met ingang van een door hen vastgesteld tijdstip voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, onder 1°, weer een waarde van 1 mol per hectare per jaar geldt, als naar hun oordeel voldoende depositieruimte in het kader van het programma op voorhand beschikbaar is gesteld ten behoeve van projecten of andere handelingen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a. Dit besluit wordt genomen in overeenstemming met de bevoegde gezagen, bedoeld in artikel 2.1, vierde lid.
5. Het besluit, bedoeld in het vierde lid, wordt bekend gemaakt door plaatsing in de Staatscourant.
6. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de op grond van het vierde lid geldende waarde van 1 mol per hectare per jaar.
7. Het tweede lid is niet van toepassing ten aanzien van:
a. projecten en andere handelingen als bedoeld in artikel 2.8, eerste lid;
b. projecten en andere handelingen die op het moment waarop zij overeenkomstig krachtens artikel 2.9, achtste lid, van de wet gestelde regels zijn gemeld, dan wel, als geen melding is voorgeschreven, op het moment dat de realisatie aanving, onderscheidenlijk op het moment dat zij voor het eerst werden verricht een stikstofdepositie veroorzaakten die, rekening houdend met de in het eerste lid, onderdeel a, onder 1°, bedoelde cumulatie, de in dat onderdeel genoemde waarde van 1 mol per hectare per jaar niet overschreed, en die sindsdien niet significant zijn gewijzigd;
c. projecten en andere handelingen voor zover deze stikstofdepositie veroorzaken op Natura 2000-gebieden die niet in het programma zijn opgenomen.

De vrijstelling van de vergunningplicht, bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de wet en de natuurtoets, voor bepaalde projecten en andere handelingen die een stikstofdepositie van ten hoogste een bepaalde grenswaarde veroorzaken, of plaatsvinden op tenminste een bepaalde afstand van Natura 2000-gebieden, is toegelicht in paragraaf 3.2.1 van deze nota van toelichting, waarnaar zij verwezen. Artikel 2.12 regelt de volledige vrijstelling, ingeval buiten stikstofdepositie geen andere factoren aan de orde zijn die schadelijke effecten kunnen hebben op Natura 2000-gebieden; artikel 2.13 regelt het buiten beschouwing laten van de stikstofdepositie, ingeval vanwege andere schadelijke effecten wèl een vergunningprocedure moet worden doorlopen.

Ten aanzien van de in artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, opgenomen grenswaarde van 1 mol per hectare per jaar, zij in aanvulling op de toelichting in paragraaf 3.2.1 van de nota van toelichting nog opgemerkt dat dit een exacte bovengrens is. Ingeval een project of andere handeling stikstofdepositie veroorzaakt die – blijkens berekening met de bij regeling voorgeschreven rekenmodule van het reken- en registratie-instrument AERIUS – hoger is dan 1 mol, kan deze niet door afronding onder de grenswaarde worden gebracht. Wanneer een project of andere handeling een – met de bij regeling voorgeschreven rekenmodule van het reken- en registratie-instrument AERIUS berekende – stikstofdepositie van bijvoorbeeld 1,1 mol of 1,02 mol per hectare per jaar veroorzaakt op een Natura 2000-gebied, gelden de vrijstellingen van de artikelen 2.12 en 2.13 niet.

De grenswaarde wordt overschreden als op een of meer locaties op een voor stikstofgevoelige habitat in een Natura 2000-gebied de stikstofdepositie hoger is dan 1 mol per hectare per jaar. In dat geval is niet relevant of het project op de totale oppervlakte van het voor stikstof gevoelige habitattype of op de verschillende voor stikstof gevoelige habitattypen een gemiddelde stikstofdepositie veroorzaakt die lager is dan 1 mol per hectare per jaar.

De voorzieningen in de artikelen 2.12 en 2.13 verbonden aan het afstandscriterium zijn relevant voor hoofdwegen en hoofdvaarwegen waarvoor ontwikkelingsruimte is gereserveerd. Zij werken ingevolge artikel 13, negende lid, van de Tracéwet en artikel 9, zesde lid, van de Spoedwet wegverbreding door bij de betreffende tracé- en wegaanpassingsbesluiten. In aanvulling op de toelichting ter zake in paragraaf 3.2.1.2 van deze nota van toelichting, zij opgemerkt dat de grenswaarde van 3 kilometer ook van toepassing is op andere – vaak op de hoofdweg aansluitende – wegen waarop ten gevolge van het project of de andere handeling sprake is van een relevante toename aan verkeer. Deze zogenaamde verkeersaantrekkende werking kan zowel betrekking hebben op andere hoofdwegen als op regionale en lokale wegen. Hetzelfde geldt voor de grenswaarde van 5 kilometer voor de hoofdvaarwegen. Deze is van toepassing op alle vaarwegen waar een relevante toename van het scheepvaartverkeer plaatsvindt als gevolg van een project of een handeling met betrekking tot een hoofdvaarweg.

Projecten of andere handelingen ten aanzien van hoofdvaarwegen die geen betrekking hebben op de scheepvaartfunctie, maar enkel op de waterhuishoudkundige functie van een vaarweg, of die een natuurdoel hebben, vallen onder het toepassingsbereik van de algemene grenswaarde van 1 mol per hectare per jaar, en niet onder het toepassingsbereik van de grenswaarde voor infrastructurele projecten en handelingen.

Artikel 2.13

Gedurende het tijdvak waarvoor een op grond van artikel 2.1 vastgesteld programma geldt, betrekt het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit over verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de wet, of op grond van artikel 6.10a, eerste en tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht bevoegd is te verklaren geen bedenkingen tegen de verlening van een omgevingsvergunning te hebben, bij het nemen van dat besluit, onderscheidenlijk het geven van de verklaring van geen bedenkingen niet de stikstofdepositie die het project of de andere handeling veroorzaakt op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied, indien:
a. de stikstofdepositie de in artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, onderscheidenlijk tweede of vierde lid, genoemde waarde niet overschrijdt, of,
b. ingeval het project of de andere handeling betrekking heeft op een hoofdweg of hoofdvaarweg als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, dat project of die handeling wordt gerealiseerd, onderscheidenlijk wordt verricht op een grotere afstand dan de in dat onderdeel genoemde, op de hoofdweg of hoofdvaarweg betrekking hebbende afstand.

Zie voor de toelichting onder artikel 2.7.

Artikel 2.14

1. Het bestuursorgaan dat bevoegd is tot verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de wet, of op grond van artikel 6.10a, eerste en tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht bevoegd is te verklaren geen bedenkingen tegen de verlening van een omgevingsvergunning te hebben, kan in uitzonderlijke gevallen en uitsluitend ingeval verzekerd is dat een goede werking van het programma, bedoeld in artikel 2.1, niet in gevaar komt, besluiten dat artikel 5.5, derde lid, van de wet met betrekking tot een project dat of andere handeling die stikstofdepositie veroorzaakt op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied buiten toepassing blijft. Het bestuursorgaan neemt dit besluit in overeenstemming met de bestuursorganen die het beheerplan, bedoeld in artikel 2.3 van de wet, vaststellen voor de in het programma, bedoeld in artikel 2.1, opgenomen Natura 2000-gebieden waarin de stikstofdepositie die het project of de andere handeling veroorzaakt hoofdzakelijk plaatsvindt.
2. Het derde tot en met zesde lid is van toepassing op projecten en andere handelingen als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de wet:
a. die stikstofdepositie veroorzaken op een gebied dat niet in het programma, bedoeld in artikel 2.1 is opgenomen, of
b. ten aanzien waarvan een besluit als bedoeld in het eerste lid is genomen.
3. Voor de toepassing van artikel 2.7, derde lid, aanhef en onderdeel a, in samenhang met artikel 2.8, derde lid, van de wet wordt ervan uitgegaan dat de door een project veroorzaakte stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied met zekerheid de natuurlijke kenmerken van dat gebied niet aantast, indien:
a. blijkens de passende beoordeling is verzekerd dat, in samenhang met voor dat project getroffen maatregelen, per saldo nergens in het Natura 2000-gebied de stikstofdepositie op de voor stikstof gevoelige habitats als gevolg van dat project toeneemt, en,
b. ingeval het Natura 2000-gebied is opgenomen in het programma, bedoeld in artikel 2.1, de gevolgen van de in onderdeel a bedoelde maatregelen niet al zijn betrokken bij de ecologische beoordeling, bedoeld in artikel 2.5.
4. Het bestuursorgaan kan ter vermindering van de belasting door stikstofdepositie van het desbetreffende Natura 2000-gebied aan het verlenen van de vergunning voor een project of andere handeling als voorwaarde verbinden dat de stikstofdepositie op de voor stikstof gevoelige habitats in het Natura 2000-gebied die wordt veroorzaakt door het project of de andere handeling, niet groter is dan de door het bestuursorgaan geregistreerde en voor dat project of die andere handeling beschikbaar gestelde afname van stikstofdepositie op deze habitats als gevolg van de beëindiging van een of meer bepaalde andere projecten of andere handelingen.
5. Gedeputeerde staten, onderscheidenlijk provinciale staten, kunnen bij het toepassen van artikel 2.4 van de wet, in elk geval de verplichting opleggen dat de stikstofdepositie op de voor stikstof gevoelige habitats in het Natura 2000-gebied geheel dan wel voor een bepaald deel, niet groter is dan de door gedeputeerde staten geregistreerde en voor het project of de andere handeling beschikbaar gestelde afname van stikstofdepositie op deze habitats als gevolg van de beëindiging van een of meer bepaalde andere projecten of andere handelingen.
6. De bestuursorganen, bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, dragen zorg voor een actueel overzicht van de gevolgen van de projecten en andere handelingen ten aanzien waarvan een besluit als bedoeld in het eerste lid is genomen voor de stikstofdepositie. Deze gegevens worden betrokken bij de toepassing van artikel 2.2, eerste lid, onderdeel j.

Artikel 2.14 bevat een soortgelijke regeling, als voorheen was opgenomen in artikel 19kr van de Natuurbeschermingswet 1998; op onderdelen is zij verduidelijkt en is de tekst met betrekking tot de toepasselijke kaders iets aangepast. Het artikel is toegelicht in paragraaf 3.2.2 van deze nota van toelichting, waarnaar zij verwezen. In aanvulling op die toelichting zij het volgende opgemerkt.

Uitgangspunt is dat ingeval een programma voor bepaalde Natura 2000-gebieden is vastgesteld, de vergunningverlening en verlening van andere toestemmingsbesluiten als genoemd in artikel 2.7, eerste lid, van dit besluit geschiedt overeenkomstig de kaders en uitgangspunten als vastgelegd in dat programma. Dat betekent bij het programma aanpak stikstof bijvoorbeeld dat ingeval een project of andere handeling leidt tot toename van de stikstofdepositie op daarvoor gevoelige habitats, toestemmingverlening alleen kan plaatsvinden als er op grond van het programma voor dat project of die andere handeling voldoende ontwikkelingsruimte beschikbaar is die bij die toestemmingverlening kan worden toegedeeld. Toestemmingverlening buiten het programma om, onder verwijzing naar specifieke maatregelen elders die voorkomen dat per saldo sprake is van een toename van de stikstofdepositie (externe saldering) en dus van een significant effect, zou de werking of onderbouwing van het programma kunnen ondergraven. Tegen die achtergrond is op grond van artikel 5.5, derde lid, van de wet toestemmingverlening externe saldering niet toegestaan.

Artikel 8.6, eerste lid, onderdeel b, van de wet biedt evenwel – overeenkomstig artikel 19kr van de toenmalige Natuurbeschermingswet 1998 – ruimte om bij algemene maatregel van bestuur in concrete situaties op dit punt een afwijking toe te staan. In het eerste lid en derde lid van artikel 2.14 wordt deze afwijkingsmogelijkheid toegestaan, in uitzonderlijke gevallen en uitsluitend ingeval verzekerd is dat een goede werking van het programma aanpak stikstof voor andere gevallen niet in gevaar komt. Deze beperking en voorwaarde, die tot uitdrukking kwamen in de toelichting bij het amendement dat ten grondslag lag aan artikel 19kr van de natuurbeschermingswet 1998, zijn – gegeven hun belang – in het eerste lid van artikel 2.14 zèlf opgenomen. Het bevoegde gezag voor de verlening van de vergunning, bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de wet, moet op grond van het eerste lid van artikel 2.14 een afzonderlijk besluit tot afwijking van het «verbod» van externe saldering nemen. De algemene motiveringsplicht van besluiten op grond van de Algemene wet bestuursrecht brengt – in het licht van de beperking en voorwaarde gesteld in het eerste lid – met zich dat wordt onderbouwd welke omstandigheden nopen tot een afwijking en hoe de te maken uitzondering zich verhoudt tot het programma aanpak stikstof, in het bijzonder op welke wijze is verzekerd dat de werking en onderbouwing van het programma niet worden ondergraven. Een extra waarborg dat dit besluit weloverwogen wordt genomen gaat uit van het vereiste dat het afwijkingsbesluit wordt genomen in overeenstemming met de bevoegde gezagen voor de vaststelling van de beheerplannen voor de Natura 2000-gebieden waarop het betrokken project of de betrokken andere handeling stikstofdepositie veroorzaakt.167

De tekst van het tweede lid, onderdeel a, en van het derde lid, aanhef en onderdeel a, van artikel 2.14 behelst is verbeterd ten opzichte van de tekst die voorheen in artikel 19kr van de Natuurbeschermingswet 1998 was opgenomen. Zoals de Afdeling advisering van de Raad van State in haar advies over het ontwerp van het onderhavige besluit terecht opmerkte168 , kunnen bij de projecten waarop artikel 2.14, derde lid, betrekking heeft op voorhand significante effecten niet worden uitgesloten. Het gaat immers om projecten die in zichzelf, los van de externe saldering, tot een toename van de stikstofbelasting op reeds overbelaste gebieden kunnen leiden. Daarom moeten zij overeenkomstig artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn passend worden beoordeeld. Tegen deze achtergrond is in artikel 2.14, derde lid, van het besluit verduidelijkt dat de externe saldering plaatsvindt binnen de context van artikel 2.7, derde lid, onderdeel a, in samenhang met artikel 2.8, derde lid, van de wet. Het gaat dus om een context waarbij vergunningverlening aan de orde is en waarbij op basis van een passende beoordeling zal moeten worden vastgesteld dat het project als gevolg van de genomen maatregelen nergens in het desbetreffende Natura 2000-gebied een toename van de stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige habitats veroorzaakt. Is aan die voorwaarde voldaan, dan staat de stikstofdepositie niet in de weg aan vergunningverlening; uiteraard zal te allen tijde ook moeten worden bezien of er eventueel andere factoren dan stikstofdepositie zijn die aan vergunningverlening in de weg zouden kunnen staan. Gegeven de situatie die hier aan de orde is, is overeenkomstig de systematiek en terminologie van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn niet zozeer de vraag of significante gevolgen kunnen worden uitgesloten, maar of met zekerheid kan worden uitgesloten dat de natuurlijke kenmerken van de betreffende natura 2000-gebieden worden aangetast. De terminologie in artikel 2.14, derde lid, is hierop aangepast, zonder dat daarmee overigens de inhoudelijke strekking van de bepaling wijzigt ten opzichte van hetgeen werd beoogd met artikel 19kr, derde lid, van de Natuurbeschermingswet 1998.

Een andere verbetering is dat in het derde lid, onderdeel b, nadrukkelijk is gestipuleerd – in aanvulling op de condities die voorheen in artikel 19kr van de Natuurbeschermingswet 1998 waren opgenomen – dat geen beroep kan worden gedaan op maatregelen waarvan de effecten zijn meegenomen in de ecologische beoordeling van het programma; het kan immers niet zo zijn dat dezelfde ruimte voor depositie die ontstaan is door dergelijke maatregelen twee keer wordt gebruikt, één keer voor toedeling in het kader van ontwikkelingsruimte en één keer voor toedeling in het kader van de afwijking van het programma. Het zesde lid van artikel 2.14 verplicht tot een adequate vastlegging van de effecten van toepassing van de afwijkingsmogelijkheid en het betrekken van deze effecten bij de monitoring en – op basis daarvan zo nodig bijsturing – van het programma voor de aanpak van de stikstofbelasting.

Externe saldering kan ook worden toegepast ingeval op voorhand helemaal geen significante effecten voor een Natura 2000-gebied in de zin van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn behoeven te worden verwacht, maar enkel een kleine, tijdelijke verslechtering waardoor de verwezenlijking van de instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar komt. Bovendien kan externe saldering een rol spelen bij significante effecten door andere handelingen, dan projecten in de zin van artikel 6, derde lid. Daarbij is sprake van een veel grotere afwegingsruimte, dan ingeval sprake is van een project met mogelijk significante gevolgen in de zin van artikel 6, derde lid, Habitatrichtlijn, in welk geval alleen toestemming voor het project kan worden gegeven als op basis van een passende beoordeling zekerheid is verkregen dat de natuurlijke kenmerken worden aangetast.169  Zoals blijkt uit de tekst van artikel 2.14, derde lid, aanhef en onderdeel a, van het besluit geldt de daarin opgenomen specifieke regeling niet voor die situaties en gaat het daar alleen om projecten als bedoeld in artikel 2.7, derde lid, onderdeel a, van de wet, dus projecten waarbij significante effecten op voorhand niet op basis van objectieve gegevens kunnen worden uitgesloten.

In het derde lid wordt – anders dan in artikel 19kr, derde lid, van de toenmalige Natuurbeschermingswet 1998 – niet gerefereerd aan de omzettingsdatum van de Vogel- en Habitatrichtlijn in relatie tot de aangewezen Natura 2000-gebieden. Gezien de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie en in navolging daarvan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, kan er geen enkele twijfel zijn dat het artikel uitsluitend betrekking kan hebben op projecten die dateren van na die omzettingsdatum, en niet op projecten die als zodanig een voortzetting zijn van op die datum bestaande activiteiten die waren toegestaan op grond van de Wet milieubeheer of de Hinderwet.170  Eerst voor wijzigingen of nieuwe activiteiten na de omzettingsdatum geldt de specifieke toets van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn, als omgezet in artikel 2.7, derde lid, aanhef en onderdeel a, in samenhang met artikel 2.8, derde lid, van de wet. De toevoeging van de omzettingsdatum kwam in artikel 19kr, derde lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 in dat licht geen onderscheidende betekenis toe en is dus geschrapt.

Het vierde en het vijfde lid van artikel 2.14 bieden de mogelijkheid om te sturen op de mate waarin een voor een nieuwe ontwikkeling gebruik kan worden gemaakt van milieugebruiksruimte, in casu in termen van ruimte voor depositie op daarvoor gevoelige natuurwaarden. Zo kan bijvoorbeeld worden voorzien in een door het bestuursorgaan beheerde stikstofdepositiebank, waarin depositieruimte wordt opgenomen van activiteiten die stikstofdepositie veroorzaakten maar zijn beëindigd of beperkt, en een deel van die ruimte weer ter beschikking wordt gesteld voor nieuwe activiteiten. Deze mogelijkheid geldt voor projecten en andere handelingen die enkel effecten hebben voor niet in het programma opgenomen Natura 2000-gebieden èn voor projecten ten aanzien waarvan een afwijkingsbesluit als bedoeld in het eerste lid is genomen. Aangezien alle Natura 2000-gebieden met een te grote stikstofbelasting in het programma aanpak stikstof voor het tijdvak 1 juli 2015 – 1 juli 2021 zijn opgenomen, en gebruik van de afwijkingsmogelijkheid een uitzondering zal zijn, lijken dergelijke zwaardere sturingsmechanismen als een stikstofdepositiebank tamelijk theoretisch. Ook lichtere vormen van overheidsinterventie zijn evenwel denkbaar, bijvoorbeeld ten aanzien van stikstofdepositie op niet in het programma opgenomen Natura 2000-gebieden waar, bij het uitblijven van sturing, het risico bestaat die in de toekomst overbelast raken.

 

HOOFDSTUK 3. SOORTEN

TITEL 3.1. SOORTEN DIE IN HET GEHELE LAND SCHADE VEROORZAKEN

Artikel 3.1

Als vogels en dieren van soorten als bedoeld in artikel 3.15, eerste lid, van de wet worden aangewezen:
a. Canadese gans (Branta Canadensis en Branta hutchinsii hutchinsii);
b. houtduif (Columba palumbus);
c. kauw (Corvus monedula);
d. konijn (Oryctolagus cuniculus);
e. vos (Vulpes vulpes), en
f. zwarte kraai (Corvus corone corone).

Dit artikel, gebaseerd op artikel 3.15, eerste lid, van de wet, behelst de aanwijzing van soorten die in het gehele land schade veroorzaken en die niet in hun voortbestaan worden bedreigd, of dat gevaar lopen. Voor de bestrijding van deze dieren kan de Minister van Economische Zaken op grond van het tweede lid van artikel 3.15 van de wet vrijstelling verlenen van de verschillende in de wet opgenomen verboden ter bescherming van diersoorten. In paragraaf 4.1 van deze nota toelichting is nader ingegaan op de voor de aanwijzing relevante criteria en de afweging die dienaangaande heeft plaatsgevonden.

TITEL 3.2. JACHT

§ 3.2.1. Uitoefening van de jacht buiten gezelschap jachthouder

Artikel 3.2

1. De jachthouder verleent aan derden, anders dan de jachtopzichter, uitsluitend de toestemming, bedoeld in artikel 3.20, vierde lid, van de wet, indien:
a. hij een natuurlijke persoon is en aan hem een jachtakte of valkeniersakte is verleend die op het tijdstip van ondertekening van de toestemming geldig is;
b. hij een rechtspersoonlijkheid bezittende organisatie van samenwerkende jachthouders is, of
c. hij een bij ministeriële regeling aangewezen rechtspersoonlijkheid bezittende organisatie is.
2. Aanwijzing van een organisatie als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, geschiedt uitsluitend, indien naar het oordeel van Onze Minister een duurzaam beheer van populaties in het wild levende dieren door deze organisatie, gelet op haar doelstelling en gelet op de kennis en kunde waarover de organisatie beschikt, in voldoende mate is verzekerd. Indien een aangewezen organisatie naar het oordeel van Onze Minister niet langer aan de in de eerste volzin bedoelde voorwaarde voor aanwijzing voldoet, kan hij de aanwijzing van de organisatie intrekken.

In deze artikelen zijn op grond van artikel 3.20, vierde lid, van de wet regels gesteld waaraan moet zijn voldaan, wil buiten aanwezigheid van de jachthouder – met diens toestemming – op diens jachtveld kunnen worden gejaagd. De regels zijn toegelicht in paragraaf 4.2.2 van deze nota van toelichting. In aanvulling daarop zij nog het volgende opgemerkt.

Het samenstel van de wettelijke regels en de regels in het besluit sluit aan bij artikel 4 van het toenmalige Jachtbesluit. Alleen de mogelijkheid dat de minister ontheffing verleent van de verplichting voor de jachthouder om te beschikken over een jachtakte – buiten de in artikel 3.2, eerste lid, van het besluit geregelde bijzondere situaties voor rechtspersonen – is niet meer opgenomen. In het verleden is daaraan vrijwel nooit invulling gegeven en de wet biedt ook geen basis voor een dergelijke ontheffing, in het Jachtbesluit nog «schriftelijk verlof» genoemd. Voor rechtspersoonlijkheid bezittende organisaties is bovendien door delegatie van de aanwijzing van die organisaties naar het niveau van een ministeriële regeling de nodige flexibiliteit ingebouwd. Daardoor is het bijvoorbeeld niet nodig om in voorkomend geval een ontheffing te verlenen vooruitlopend op de aanwijzing van een nieuwe organisatie, die in het verleden de met een zwaardere procedure gepaard gaande wijziging van een algemene maatregel van bestuur vergde, maar thans bij ministeriële regeling kan geschieden.

In artikel 3.3, eerste lid, onderdeel c, wordt de geldingsduur van de toestemming beperkt tot 31 maart volgend op de datum van ondertekening van de toestemming. Deze beperkte geldingsduur gold voorheen ook op grond van het Jachtbesluit. Zij sluit aan bij de duur van de jachtakte, die ingevolge artikel 3.21, eerste lid, van dit besluit een periode beslaat van 1 april tot 1 april van het daarop volgende kalenderjaar. De beperkte periode biedt de jachthouder de mogelijkheid om de toestemming te herijken op basis van de ervaringen in de praktijk. Zij voorkomt ook dat de toestemming blijft gelden, terwijl de toestemmingverlener zelf niet meer over een jachtakte beschikt.

Artikel 3.3, derde lid, ziet op de situatie dat de jachthouder aan een persoon toestemming geeft om buiten zijn gezelschap te jagen en daarbij derden uit te nodigen. Op grond van dit lid hoeven de namen van die derden niet in de schriftelijke toestemming te zijn opgenomen, mits de schriftelijke toestemming wel de ruimte biedt om derden uit te nodigen. Uit een oogpunt van natuurbescherming en openbare veiligheid bestaat hiertegen geen bezwaar.

Artikel 3.3

1. De toestemming, bedoeld in artikel 3.20, vierde lid, van de wet:
a. is voorzien van een aantekening van de korpschef, waaruit blijkt dat het jachtveld waarop de jacht wordt uitgeoefend, voldoet aan artikel 3.12, voor zover bij de uitoefening van de jacht gebruik wordt gemaakt van een geweer;
b. is voorzien van de namen van degenen aan wie de toestemming wordt verleend, en ingeval de toestemming wordt gegeven aan natuurlijke personen, hun voornamen en geboortedata, en
c. heeft een geldigheidsduur die uiterlijk verstrijkt op 31 maart volgende op de datum van ondertekening van de toestemming.
2. Het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is niet van toepassing indien de toestemming wordt verleend aan de jachtopzichter.
3. Het eerste lid, aanhef en onderdeel b, is niet van toepassing ten aanzien van derden, indien:
a. deze derde de jacht uitoefent in het gezelschap van degene aan wie de jachthouder toestemming heeft verleend;
b. de jachthouder de uitoefening van de jacht door derden in de desbetreffende toestemming uitdrukkelijk heeft toegestaan, en
c. aan degene aan wie de jachthouder de toestemming heeft verleend, een jachtakte of valkeniersakte is verleend die op het tijdstip van uitoefening van de jacht geldig is.

Zie voor de toelichting onder artikel 3.2.

§ 3.2.2. Jachtvogels en eendenkooien

Artikel 3.4

Als soorten van jachtvogels als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onderdeel c, van de wet worden aangewezen:
a. haviken (Accipiter gentilis);
b. slechtvalken (Falco peregrinus).

De regels over jachtvogels en eendenkooien zijn toegelicht in paragraaf 4.2.3 van deze nota van toelichting.

Artikel 3.5

Een eendenkooi als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onderdeel d, van de wet, voldoet aan de volgende regels:
a. er is een open wateroppervlakte aanwezig van ten minste 200 vierkante meter, waarin een cirkel met een straal van ten minste 7,50 meter beschreven kan worden;
b. het water is ten minste 50 centimeter diep;
c. rondom het water ligt een rand van bos of struweel, en
d. in open verbinding met het water is ten minste één vangpijp aanwezig die onmiddellijk als vangmiddel kan worden gebruikt.

De regels over jachtvogels en eendenkooien zijn toegelicht in paragraaf 4.2.3 van deze nota van toelichting.

§ 3.2.3. Overige regels over de uitoefening van de jacht

Artikel 3.6

1. Het is verboden om de jacht uit te oefenen voor zonsopgang en na zonsondergang.
2. Het is verboden om de jacht uit te oefenen op zondagen, de nieuwjaarsdag, de tweede paas- en pinksterdag, de beide kerstdagen en de Hemelvaartsdag.
3. Het is verboden om de jacht uit te oefenen op begraafplaatsen.
4. Het is verboden om de jacht uit te oefenen vanaf of vanuit een motorrijtuig dan wel een ander voertuig.
5. Het is verboden om de jacht uit te oefenen vanaf of vanuit een vaartuig.
6. Het is verboden om de jacht uit te oefenen vanuit een luchtvaartuig.
7. Het is verboden om de jacht uit te oefenen indien de grond met sneeuw is bedekt.
8. Het is verboden om de jacht uit te oefenen op wild als bedoeld in artikel 3.20, tweede lid, van de wet dat zich ten gevolge van hoge waterstand ophoudt op hoog gelegen gedeelten van het terrein.
9. Het is verboden om de jacht uit te oefenen op wild als bedoeld in artikel 3.20, tweede lid, van de wet voor zover dat zich bevindt in of in de nabijheid van wakken of bijten in het ijs.
10. Het is verboden om de jacht uit te oefenen op wild als bedoeld in artikel 3.20, tweede lid, van de wet voor zover dat als gevolg van onvoldoende bevedering niet in staat is te vliegen.
11. Het is verboden om de jacht uit te oefenen op wild als bedoeld in artikel 3.20, tweede lid, van de wet dat als gevolg van weersomstandigheden in uitgeputte toestand verkeert.
12. Het is verboden om de jacht uit te oefenen binnen een straal van 200 meter rond plaatsen waar voer of aas is of wordt verstrekt met als oogmerk wild als bedoeld in artikel 3.20, tweede lid, van de wet te lokken.

In paragraaf 4.2.4 van de nota van toelichting is een meer algemene toelichting op de artikelen 3.6 en 3.7 gegeven. Onderstaand wordt nader ingegaan op de verschillende verboden.

Het eerste lid van artikel 3.6 – houdende het verbod om te jagen vóór zonsopgang en na zonsondergang – strekt ter uitvoering van de Benelux-overeenkomst inzake jacht en vogelbescherming. Blijkens de toelichting bij de Beneluxovereenkomst is het voor de bescherming van wild nodig dat de jacht enkel geschiedt als er voldoende daglicht is. Op de lijst van de toegestane jachtmiddelen (Beneluxbeschikking M(96)8) zijn ook geen middelen opgenomen die ’s nachts jagen mogelijk maken; het gebruik van geweren voorzien van een instrument om ’s nachts te kunnen schieten is verboden (Beneluxbeschikking M(83)17). De Beneluxovereenkomst geeft de lidstaten de ruimte om de jacht toe te staan vanaf maximaal één uur voor zonsopgang en tot maximaal één uur na zonsondergang; een kortere periode is ook toegestaan. In Nederland is in de wetgeving van meet af aan van deze mogelijkheid gebruik gemaakt voor het toestaan van de jacht op de wilde eend vanaf een half uur voor zonsopgang tot een half uur na zonsondergang. In artikel 3.7, eerste lid, wordt deze bestaande uitzondering voor de jacht op de wilde eend gecontinueerd. De wilde eend is, anders dan de andere wildsoorten, extra actief bij zonsopgang en zonsondergang. Om dan te kunnen jagen, moet een jager kort voor zonsopgang en kort na zonsondergang in zijn jachtveld kunnen zijn. Een half uur vóór en na zonsondergang is er nog voldoende licht om op verantwoorde wijze de jacht uit te kunnen oefenen; wordt deze mogelijkheid verder verruimd tot een uur vóór zonsondergang of een uur na zonsondergang, dan wordt het risico te groot dat door onvoldoende licht dieren van verkeerde soorten worden gevangen of gedood, of dat dieren – bij het gebruik van het geweer – niet goed worden geraakt en onnodig lijden. Ook de bescherming van de nachtrust is niet gebaat bij het verruimen van de uitzondering van artikel 3.7, eerste lid.

Het tweede lid van artikel 3.6 bevat een verbod op jagen op zon- en feestdagen. Tijdens de parlementaire behandeling heeft over dit verbod een nadere gedachtewisseling plaatsgevonden. Van de zijde van het kabinet is daarbij naar voren gebracht dat – hoewel er over zondagsrust tegenwoordig in de samenleving verschillende opvattingen bestaan – het van belang is dat in ten minste op één dag in het weekeinde, van oudsher de zondag, niet gejaagd wordt, zodat anderen dan jagers op die dag ongestoord in de natuur kunnen recreëren. Hetzelfde gaat op voor feestdagen.

Het derde lid van artikel 3.6 bevat een verbod om te jagen op begraafplaatsen. Een dergelijk verbod is destijds voor het eerst opgenomen in de Jachtwet 1952. Het specifieke karakter van begraafplaatsen als rustplaats en plaats van bezinning en gedenken verhoudt zich niet met de uitoefening van de jacht. Voor zover dieren schade veroorzaken op een begraafplaats, hetgeen vooral bij konijnen het geval kan zijn, kan de beheerder van de begraafplaats of de faunabeheereenheid in wier werkgebied de begraafplaats is gelegen op grond van artikel 3.17, van de wet, een ontheffing aan gedeputeerde staten van de betrokken provincie vragen om handelingen te kunnen verrichten in afwijking van de in de wet opgenomen soortenbeschermingsbepalingen. Onder «begraafplaats» wordt in ieder geval begrepen een begraafplaats in de zin van de Wet op de lijkbezorging; begraafplaatsen kunnen ingevolge die wet worden onderscheiden in gemeentelijke begraafplaatsen of bijzondere begraafplaatsen die met toestemming van de gemeente zijn aangelegd.

De verboden van het vierde tot en met negende lid zijn sinds jaar en dag onderdeel van de jachtwetgeving – in sommige gevallen al sinds de Wet op het stuk van de jagt en de visscherij van 1814 – en er zijn geen signalen uit de praktijk die tot aanpassing van deze bepalingen nopen. Bij de verboden om de jacht uit te oefenen vanuit of vanaf een voertuig of vliegtuig geldt dat deze vorm van jacht onnodig verstorend is en dat de kans te groot is dat dieren worden verwond in plaats van gedood en daardoor onnodig lijden. Uit een oogpunt van handhaving is het aangewezen in de verbodsbepaling geen onderscheid te maken al naar gelang een voertuig – anders dan een vaartuig (zie hierna) – al dan niet in beweging is. Bij de overige verboden gaat het om specifieke omstandigheden waaronder het wild extra kwetsbaar is en een te gemakkelijke prooi voor de jager vormt.

Het tweede lid van artikel 3.7 beperkt het verbod op de uitoefening van de jacht tot vaartuigen die harder varen dan 5 kilometer per uur. Bij hogere snelheden is ingeval van het gebruik van het geweer onvoldoende verzekerd dat het schot op gerichte wijze en uitsluitend ten aanzien van soorten op de wildlijst plaatsvindt. Het verbod sluit aan bij het ingevolge artikel 3.4, eerste lid, onderdeel b, van de wet geldende verbod, dat – in samenhang met bijlage IV, onderdeel b, van de Vogelrichtlijn – het achtervolgen van vogels met vaartuigen verbiedt, als deze vaartuigen harder gaan dan 5 kilometer per uur. Het verbod van artikel 3.6, vijfde lid, in samenhang met artikel 3.7, tweede lid, van het besluit biedt echter meer duidelijkheid, omdat nu zonder meer de uitoefening van de jacht vanuit vaartuigen die harder varen dan 5 kilometer per uur is verboden en er dus geen discussie mogelijk is over de vraag of in concreet geval sprake is van achtervolgen of niet.

Ingevolge artikel 3.7, derde lid, geldt het verbod om te jagen indien de grond met sneeuw is bedekt niet voor zover op vogels wordt gejaagd die zich normaliter door de lucht verplaatsen; deze vogels kunnen niet via sporen in de sneeuw – te gemakkelijk – worden opgespoord en gedood. Voor de jacht op konijnen, hazen of fazanten geldt eveneens een uitzondering, indien deze dieren anders worden bejaagd dan voor de voet. Jacht voor de voet is een kleinschalige vorm van jacht waarbij één jager of enkele jagers al dan niet met een hond door het veld lopen om daar het wild te bejagen. Bij deze vorm van jacht zou – ingeval de grond met sneeuw is bedekt – voor het opsporen en doden van wild het volgen van een spoor in de sneeuw volstaan; bij andere vormen van jacht speelt dit niet.

Het vierde lid van artikel 3.7 verduidelijkt dat het verbod van artikel 3.6, twaalfde lid, om binnen een straal van 200 meter rond plaatsen waar voer of aas is of wordt verstrekt met als oogmerk wild te lokken, niet geldt ingeval een eendenkooi wordt gebruikt. Bij de eendenkooi is het kunnen gebruiken van voer voor het lokken van eenden belangrijk voor de werking van de eendenkooi als jachtmiddel.

Er zij ten aanzien van artikel 3.6, twaalfde lid, overigens op gewezen dat ingevolge artikel 3.32 van de wet het bijvoeren van in het wilde levende dieren van bejaagbare soorten is verboden. Het gaat daar om het toedienen van voer om de stand van de populatie in gunstige zin te beïnvloeden. Bij artikel 3.6, twaalfde lid, van het besluit gaat het niet om voer dat met het oog op bijvoeren wordt verstrekt, maar om voer dat wordt gebruikt om wild te lokken, zodat het wild bijvoorbeeld voor het publiek zichtbaar wordt. Het gaat dan om hoeveelheden die onvoldoende zijn om daadwerkelijk als bijvoer voor de dieren te kunnen dienen.

Artikel 3.7

1. Het verbod, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, geldt niet voor de jacht op de wilde eend gedurende een half uur voor zonsopkomst en een half uur na zonsondergang.
2. Het verbod, bedoeld in artikel 3.6, vijfde lid, geldt niet voor de jacht vanuit vaartuigen die varen met een snelheid van ten hoogste 5 kilometer per uur.
3. Het verbod, bedoeld in artikel 3.6, zevende lid, geldt niet voor de jacht op:
a. wilde eenden of houtduiven, of
b. konijnen, hazen of fazanten, indien deze dieren anders worden bejaagd dan voor de voet.
4. Het verbod, bedoeld in artikel 3.6, twaalfde lid, geldt niet voor de uitoefening van de jacht met gebruikmaking van een eendenkooi als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onderdeel d, van de wet.

Zie voor de toelichting onder artikel 3.2.

§ 3.2.4. Regels over de overeenkomst tot huur van het jachtrecht

Artikel 3.8

Bij het aangaan van een huurovereenkomst als bedoeld in artikel 3.23, eerste lid, onderdeel d, van de wet mag worden bedongen dat, indien enige onroerende zaak waarop de overeenkomst betrekking heeft, wordt opgenomen in een ruilakte als bedoeld in artikel 81, eerste lid, van de Wet inrichting landelijk gebied, en deze akte voor het einde van de duur van de overeenkomst in de openbare registers is ingeschreven, de huurovereenkomst, voor zover het die zaak betreft, eindigt met ingang van de datum waarop deze akte is ingeschreven.

Op grond van artikel 3.23, eerste lid, onderdeel d, van de wet wordt een jachthuurovereenkomst aangegaan voor een periode van ten minste zes jaar en ten hoogste twaalf jaar. Op grond van artikel 3.23, derde lid, van de wet kan bij algemene maatregel van bestuur worden geregeld in welke gevallen de periode korter kan zijn dan zes jaar.

Als geval waarin de periode korter kan zijn is in onderhavig artikel van het besluit aangewezen het geval dat de grond waarop de huurovereenkomst betrekking heeft betrokken is in een herverkaveling. In de huurovereenkomst kan dan worden bepaald dat de huurovereenkomst eindigt als de ruilakte voor de herverkaveling is ingeschreven in de openbare registers, ook als nog geen zes jaar verstreken is na het aangaan van de huurovereenkomst. Voor de doeltreffendheid van de herverkavelingsprocedure – die is gericht op verbetering van de inrichting van het landelijke gebied overeenkomstig de functies van dat gebied – is het noodzakelijk dat de mogelijkheid bestaat dat de betreffende grond in eigendom overgedragen wordt, zonder dat op de grond een jachthuurovereenkomst rust. Deze voorziening is een voortzetting van artikel 3 van het oude Jachtbesluit.

TITEL 3.3. MIDDELEN VOOR HET VANGEN EN DODEN VAN DIEREN

§ 3.3.1. Middelen, methoden en installaties voor het vangen en doden van vogels

Artikel 3.9

1. Als middelen als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, onderdeel a, van de wet worden aangewezen:
a. geweren;
b. honden, niet zijnde lange honden;
c. haviken, slechtvalken en woestijnbuizerds;
d. kastvallen;
e. vangkooien;
f. vangnetten;
g. eendenkooien;
h. bal-chatri, en
i. slag-, snij- of steekwapens.
2. Als methoden als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, onderdeel a, van de wet worden aangewezen:
a. het doden met gebruikmaking van middelen die krachtens de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden zijn toegelaten of vrijgesteld, met inbegrip van de gebruikmaking van alle middelen of installaties die noodzakelijk zijn om die middelen toe te passen;
b. het vangen door middel van bijeendrijven, waaronder in elk geval wordt begrepen het gebruik van de vangkraal in combinatie met een middel als bedoeld in onderdeel a;
c. het vangen met gebruikmaking van lokvogels;
d. het vangen met gebruikmaking van een middel waarmee lokgeluiden kunnen worden gemaakt;
e. het vangen of doden met gebruikmaking van een geweer, waarbij wordt gehandeld in afwijking van de regels, gesteld in de artikelen 3.12, 3.13, 3.14, 3.15 of 3.16, inzake:
1°. de omvang van het jachtveld,
2°. het gebruik van middelen op, aan of bij het geweer, zoals een geluiddemper, een kunstmatige lichtbron, een voorziening om de prooi te verlichten, een vizier met beeldomzetter, een elektronische beeldversterker of enig ander instrument om in de nacht te schieten,
3°. de munitie, of
4°. het gebruik van het geweer:
– voor zonsopgang of na zonsondergang,
– binnen de bebouwde kom of op terreinen als bedoeld in artikel 3.21, derde lid, van de wet,
– binnen de afpalingskring van een eendenkooi als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onderdeel d, van de wet,
– vanaf of vanuit een rijdend motorrijtuig dan wel een ander voertuig, of
– vanuit een luchtvaartuig;
f. het doden door middel van cervicale dislocatie, en
g. het vangen met gebruikmaking van lokvoer.
3. Als middelen, onderscheidenlijk methoden als bedoeld in artikel 3.4, vierde lid, van de wet worden aangewezen:
a. eendenkooien die worden gebruikt anders dan ten behoeve van de uitoefening van de jacht;
b. bal-chatri;
c. doden met gebruikmaking van middelen die krachtens de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden zijn toegelaten of vrijgesteld;
d. het vangen of doden met gebruikmaking van een middel waarmee lokgeluiden kunnen worden gemaakt, en
e. het vangen of doden met gebruikmaking van een geweer, voorzien van een geluiddemper.
4. De aanwijzing van geweren, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en de methode, bedoeld in het tweede lid, onderdeel e, geldt uitsluitend voor zover:
a. wordt gehandeld overeenkomstig de artikelen 3.12, 3.13, 3.14, 3.15 en 3.16 inzake de regels waaraan het jachtveld voldoet, inzake de regels over de munitie, het gebruik van middelen op, aan of bij het geweer of de diersoorten waarop het gebruik van het geweer betrekking heeft en inzake de gevallen waarin het gebruik van het geweer is uitgesloten of beperkt, dan wel,
b. voor zover het betreft de methode, bedoeld in het tweede lid, onderdeel e, op grond van artikel 3.26, derde lid, van de wet ontheffing of vrijstelling is verleend van de artikelen 3.12, 3.13, 3.14, 3.15 of 3.16.
5. De aanwijzing van woestijnbuizerds, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel c, geldt uitsluitend voor het gebruik van deze roofvogels door degene die beschikt over een valkeniersakte als bedoeld in artikel 3.30, eerste lid, onderdeel a, van de wet.
6. De aanwijzing van bal-chatri, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel h, en geldt uitsluitend onder de voorwaarde dat hierbij geen gebruik wordt gemaakt van levende lokdieren, dat op voorhand is gewaarborgd dat de bal-chatri onder permanent direct toezicht staat van een deskundige en dat gevangen dieren niet onnodig lang vastzitten en niet onnodig worden verwond.
7. De aanwijzing van slag-, snij- of steekwapens, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel i, geldt alleen voor het doden van in nood verkerende, gewonde vogels, door personen die aantoonbaar de nodige kennis en vaardigheden bezitten om deze taak humaan en doeltreffend uit te voeren, en ingeval er redelijkerwijs geen alternatief middel voorhanden is met minder mogelijke nadelige gevolgen voor het welzijn van het desbetreffende dier.
8. De aanwijzing van lokvogels, bedoeld in het tweede lid, aanhef en onderdeel c, geldt, indien het levende lokvogels betreft, uitsluitend indien:
a. het eksters, kauwen, zwarte kraaien, ganzen, eenden of spreeuwen betreft, die worden gebruikt voor het vangen van eksters, kauwen, zwarte kraaien, ganzen, eenden, onderscheidenlijk spreeuwen met vangkooien, kastvallen of vangnetten;
b. de vogels zijn gefokt;
c. de vangkooien en kastvallen zodanig zijn vervaardigd dat in de kooi of val geen lichamelijk contact mogelijk is tussen de lokvogel en het te vangen dier;
d. de vogels niet verminkt of blind zijn, en
e. de vogels beschikken over voldoende voedsel, water, lucht, beschutting en bewegingsruimte en worden ook overigens gehouden overeenkomstig de eisen gesteld bij of krachtens de Wet dieren.
9. De aanwijzing van cervicale dislocatie, bedoeld in het tweede lid, aanhef en onderdeel f, geldt alleen voor het doden van in nood verkerende, gewonde vogels van een omvang kleiner dan of gelijk aan eenden, door personen die aantoonbaar de nodige kennis en vaardigheden bezitten om deze taak humaan en doeltreffend uit te voeren, en ingeval er redelijkerwijs geen alternatief middel voorhanden is met minder mogelijke nadelige gevolgen voor het welzijn van het desbetreffende dier.

Artikel 3.9 wijst ter uitvoering van artikel 3.3, vijfde lid, onderdeel a, van de wet de middelen en methoden voor het vangen of doden van vogels, die kunnen worden toegestaan in vrijstellingen of ontheffingen van de in artikel 3.1 en 3.2 van de wet opgenomen verboden. In paragraaf 4.3.2 van deze nota van toelichting is hierop ingegaan.

Voor «geweren»171  (eerste lid, onderdeel a) gelden specifieke eisen ingeval deze worden gebruikt ter uitoefening van het bepaalde bij of krachtens de Wet natuurbescherming. Deze zijn gesteld in de artikelen 3.26 e.v. van de wet en de artikelen 3.12 e.v. van het besluit. Zo kan het geweer alleen worden gebruikt door degene die beschikt over een jachtakte, zijn regels gesteld over de aard van het geweer, de munitie en de omvang van het veld waarin het geweer mag worden gebruikt, en is het verboden – behoudens ontheffing – om ’s nachts het geweer te gebruiken et cetera. Verwezen zij naar paragraaf 4.3.4 en 4.3.5 van deze nota van toelichting en de hierna opgenomen toelichting op de artikelen 3.12 e.v.172

«Honden» (eerste lid, onderdeel b) worden primair gebruikt voor het naspeuren en apporteren van (geschoten) dieren, waaronder vogels. Daarmee zijn honden vooral een ondersteunend middel bij het vangen en doden van dieren.173  Tegelijk kan niet worden uitgesloten dat het naspeuren en apporteren onder omstandigheden ook als zodanig moet worden aangemerkt als «vangen» van vogels en de inzet van honden kan bovendien leiden tot het doden van vogels. Tegen die achtergrond worden honden als vang- en dodingsmiddel voor vogels aangewezen. Lange honden worden in Nederland niet gebruikt bij de jacht en worden ingevolge het eerste lid, onderdeel b, ook niet toegestaan als middel voor het vangen of doden van vogels. Bij lange honden gaat het over het algemeen over windhonden zoals Greyhound, Whippet, Italiaanse windhond, of Afghaanse windhond. Ze zijn door de hoge snelheid in staat om dieren te achtervolgen en deze te vangen en doden, maar zij zijn in de praktijk door hun bouw niet geschikt voor gebruik in velden met prikkeldraad en dekking. Inzet van deze honden zou bovendien kunnen leiden tot het vangen en doden van dieren van soorten waarop de ontheffing of vrijstelling geen betrekking heeft.

Op de aanwijzing van «haviken, slechtvalken en woestijnbuizerds» (eerste lid, onderdeel c) is uitvoerig ingegaan in paragraaf 4.3.2. Voor het gebruik van de havik en de slechtvalk, die – anders dan de woestijnbuizerd – ook kunnen worden ingezet voor de jacht en daarom worden aangemerkt als jachtvogels, geldt dat deze ingevolge artikel 3.30, eerste lid, van de wet uitsluitend kunnen worden gebruikt door een valkenier die beschikt over een valkeniersakte. Dat is ook het geval als de havik en de slechtvalk buiten de uitoefening van de jacht voor het vangen en doden van dieren worden ingezet. Om ook een kundig gebruik van de woestijnbuizerd te verzekeren, is in het vijfde lid van artikel 3.9 de aanwijzing beperkt tot gebruik door degene die beschikt over een valkeniersakte. Verwezen zij verder naar de paragrafen 4.2.3 en 4.3.5 van deze nota van toelichting.

«Kastvallen», «vangkooien» en «vangnetten»174  (eerste lid, onderdelen d, e en f) zijn niet-selectieve vangmiddelen. Daarvoor geldt dat deze uitsluitend kunnen worden gebruikt als daarvoor op grond van artikel 3.4, tweede of derde lid, van de wet vrijstelling of ontheffing is verleend van het verbod op het gebruik van niet-selectieve vangmiddelen, gesteld in het eerste lid van dat artikel. Het gebruik van deze middelen kan – zoals aangegeven in het algemene deel van de toelichting – alleen onder strikte condities plaatsvinden die verzekeren dat geen andere dieren worden gevangen dan vogels van de soort voor het vangen of doden waarvan ontheffing of vrijstelling is verleend. De ontheffing of vrijstelling moet daartoe de geëigende voorwaarden en beperkingen stellen. Bij kastvallen en vangkooien gaat het om vallen en kooien bestemd voor het vangen van dieren, in welke uitvoering dan ook, die kunnen worden afgesloten als het dier zich daarbinnen bevindt. Kastvallen worden onder andere gebruikt voor het vangen van kraaien en kauwen. Vangkooien worden voor meer vogelsoorten gebruikt. Aan de omvang van de kooi zijn geen beperkingen gesteld, maar wel geldt als algemene eis op grond van artikel 3.24, eerste lid, van de wet dat onnodig lijden van de dieren moet worden voorkomen. Op specifiek het gebruik van «mistnetten» wordt hierna in de toelichting op artikel 3.10 nog ingegaan.

Het middel van de «eendenkooi» (eerste lid, onderdeel g) mag uitsluitend worden gebruikt voor het vangen van eenden. De eendenkooi moet daarbij voldoen aan de eisen die zijn gesteld in de artikelen 3.5 en 3.23 van dit besluit. Hij mag ingevolge artikel 3.30, derde lid, van de wet alleen worden gebruikt door de degene die een examen heeft behaald. Aangezien het hier gaat om een niet-selectief vangmiddel, zal voor het gebruik daarvan op grond van artikel 3.4, tweede of derde lid, van de wet ook vrijstelling of ontheffing moeten worden verleend van het verbod op het gebruik van niet-selectieve vangmiddelen, gesteld in het eerste lid van dat artikel.

De «bal chatri» (eerste lid, onderdeel h) is een val bestaande uit een gesloten kooiconstructie met daarin een prooidier en aan de kooiconstructie bevestigde lussen van touw of nylon waarin de poten van vogels verstrikt kunnen raken. Het middel is primair bestemd voor het vangen van roofvogels. Het betreft een niet selectief vangmiddel, voor het gebruik waarvan door de provincie vrijstelling of ontheffing zal moeten zijn verleend op grond van artikel 3.4, tweede of derde lid, van de wet. Het middel kan uitsluitend worden ingezet ingeval degene die het middel gebruikt in de directe nabijheid blijft en voorkomt dat dieren worden gevangen waarvoor de val niet is bestemd. Ook moet zijn verzekerd dat degene die het middel gebruikt op dat vlak ervaring heeft en kundig is. De Raad voor Dierenaangelegenheden benadrukt dit in zijn zienswijze over vang- of dodingsmiddelen voor vogels. Met het oog daar op zijn in het zesde lid nadere voorwaarden aan de aanwijzing gesteld. Het is van belang dat de vrijstelling of ontheffing door het stellen van voorwaarden en beperkingen een verantwoord gebruik van de «bal chatri» verzekert.175

Het gebruik van «slag-, snij- of steekwapens» (eerste lid, onderdeel i) kan, aldus de Raad voor Dierenaangelegenheden in zijn advies, in noodsituaties nodig zijn om gewonde vogels snel uit hun lijden te verlossen, als er geen andere uit het oogpunt van dierenwelzijn meer bevredigend middel voorhanden is, bijvoorbeeld een door een dierenarts toe te dienen lethale injectie of verdoving. Een belangrijke voorwaarde met het oog op de bescherming van het dierenwelzijn is daarbij dat de gebruiker van een slag-, snij- of steekwapen beschikt over de benodigde vaardigheden om het middel toe te passen. Onder deze voorwaarden (zevende lid) is het gebruik van deze middelen aangewezen.

Bij het «doden met gebruikmaking van middelen die krachtens de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden zijn toegelaten», aangewezen als methode in het tweede lid, onderdeel a, van artikel 3.9, gaat het om middelen voor het massaal doden van vogels, voor het gebruik waarvan op grond van artikel 3.4, tweede of derde lid, van de wet ook vrijstelling of ontheffing moeten worden verleend van het verbod op het gebruik van methoden voor het massaal doden, gesteld in het eerste lid van dat artikel. Het kan hierbij onder meer gaan om het gebruik van CO2-gas voor het doden van ganzen. In de moties Van Veldhoven176  werd de regering verzocht een richtsnoer op te stellen voor het doden van ganzen uit oogpunt van dierenwelzijn. Met het oog op de uitvoering van deze moties heeft de toenmalige Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie aan de Raad voor Dierenaangelegenheden een zienswijze gevraagd. In deze zienswijze – die de voormalige Staatssecretaris van Economische Zaken naar de Tweede Kamer heeft gezonden177  – is een aantal dodingsmethoden nader gewogen. Een van de conclusies uit de zienswijze is dat het gebruik van CO2-gas vanuit oogpunt van dierenwelzijn de meest geschikte methode is om grote aantallen ganzen te doden. Omdat het gebruik van CO2-gas niet toegestaan was op grond van de Biociderichtlijn (thans Biocideverordening), heeft Nederland in 2012 bij de Europese Commissie een dossier ingediend om de stof CO2 toe te laten als dodingsmiddel voor vogels. Op 14 november 2014 heeft het Standing Committee on Biological Products goedkeuring gegeven voor het gebruik van CO2 in Europa. Deze goedkeuring is bekendgemaakt in het EU Publicatieblad van februari 2015. De feitelijke ingangsdatum is 1 juni 2015. Begin 2015 is bij het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) een nationale toelating aangevraagd, om het middel in Nederland te mogen toepassen. Deze toelating is verleend en is met ingang van 1 juni 2015 van kracht.178  Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en biociden is als «methode» aangewezen en niet als «middel», omdat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en biociden in veel gevallen nadere voorzieningen vergt, bij de bestrijding van ganzen door inzet van CO2-gas bijvoorbeeld een gesloten container waarin het gas wordt. Dit soort hulpmiddelen zijn onderdeel van de methode; het zijn geen zelfstandige vang- of dodingsmiddelen. Omwille van de duidelijkheid is het bijeendrijven van vogels wel opgenomen (artikel 3.9, tweede lid, onderdeel c). Bijvoorbeeld vangkralen worden gebruikt om ganzen in de rui bijeen te drijven, alvorens CO2 wordt toegepast.

Het Interprovinciaal Overleg heeft namens de provincies voorgesteld om gassen toe te staan die zijn genoemd in verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden (PbEU L 303).179  De Raad voor de Dierenaangelegenheden heeft in zijn zienswijze opgemerkt dat voor het gebruik van de in die verordening genoemde koolzuurgassen (CO2 in hoge concentratie, CO2 in twee fasen, CO2 vermengd met inerte gassen en inerte gassen, zoals argon of stikstof) kunnen worden gebruikt voor het doden van groepen ruiende ganzen, met inachtneming van zijn Richtsnoer Ganzendoden. Het gebruik van de andere in de verordening genoemde gassen (koolstofmonoxide, al dan niet vermengd met andere gassen), wordt met het oog op de veiligheid door de Raad ontraden. Aangezien de aangehaalde verordening alleen van toepassing is op het doden van dieren die gefokt of gehouden worden voor de productie van levensmiddelen, wol, huiden, pelzen of andere producten (artikel 1, eerste lid, van de verordening), en dus niet op het doden van in het wild levende dieren, moet het gebruik van deze in de verordening genoemde gassen voor het doden van in het wild levende ganzen zijn toegestaan krachtens de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Op dit moment is alleen het gebruik van CO2 toegestaan. Wanneer er daadwerkelijk behoefte aan is om de andere in de verordening genoemde gassen (inerte gassen en mengsels van CO2 en inerte gassen) te gebruiken, is daarvoor een toelatingsprocedure nodig op grond van de verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (PB L 167).

Als methode is in artikel 3.9, tweede lid, onderdeel c, ook aangewezen «het vangen of doden van vogels met behulp van lokvogels». In het achtste lid van artikel 3.9 is de aanwijzing van dit middel beperkt indien het levende lokvogels betreft. Dit met het oog op de bescherming van het welzijn van het lokdier.18​0  De Raad voor Dierenaangelegenheden wijst hierop in zijn aangehaalde zienswijze. Deze beperkingen zijn gelijk aan de beperkingen die ter zaken golden op grond van het toenmalige Besluit beheer en schadebestrijding dieren. Naar aanleiding van het advies van de Raad voor Dierenaangelegenheden is in het belang van dierenwelzijn alleen het gebruik van levende gefokte dieren aangewezen als methode, niet het gebruik van aan de natuur onttrokken dieren.181

Artikel 3.9, tweede lid, onderdeel d, voorziet in de aanwijzing van «het vangen of doden met gebruikmaking van een lokfluit of een ander middel waarmee lokgeluiden kunnen worden gemaakt» als methode.182  Het gebruik van deze methode gebeurt bijvoorbeeld voor het vangen van zwarte kraaien, eksters, grauwe ganzen, wilde eenden en smienten.

In artikel 3.9, tweede lid, onderdeel e, is onder meer het «vangen of doden met gebruikmaking van een geweer, voorzien van een geluiddemper183  of van nachtzichtapparatuur na zonsondergang of voor zonsopgang»184  als methode aangewezen. Uit de zienswijze van de Raad voor Dierenaangelegenheden blijkt dat uit dierenwelzijnsoogpunt er geen bezwaren zijn tegen het toepassen van deze methode ten aanzien van vogels. Aangezien het gebruik van geluiddempers en nachtzichtapparatuur op een geweer ten algemene niet is toegestaan in dit besluit (artikel 3.13, vierde lid), zullen gedeputeerde staten en provinciale staten voor het gebruik ervan apart ontheffing, onderscheidenlijk vrijstelling moeten verlenen voor het gebruik ervan. Voor het gebruik van nachtzichtapparatuur is bovendien ontheffing of vrijstelling vereist van het verbod om het geweer voor zonsopgang of na zonsondergang te gebruiken. Voor het gebruik van een geluiddemper is overigens ook toestemming op grond van de Wet wapens en munitie vereist.

De toepassing van «cervicale dislocatie» om vogels te doden is als methode aangewezen in artikel 3.9, tweede lid, onderdeel f. Het breken van de nek van een vogel is, aldus de zienswijze van de Raad voor Dierenaangelegenheden, net als ten aanzien van het gebruik van slag-, snij- of steekwapens slechts in een beperkt aantal gevallen uit het oogpunt van dierenwelzijn acceptabel. Ook voor deze aanwijzing geldt daarom de beperking dat het moet gaan om noodsituaties waarin een gewonde vogel uit zijn lijden moet worden verlost, er redelijkerwijs geen geschikt alternatief voorhanden is, en degene die de methode toepast aantoonbaar beschikt over de benodigde vaardigheden (negende lid). Naar aanleiding van de zienswijze van de Raad is de aanwijzing van deze methode bovendien beperkt tot toepassing ervan bij kleine vogels, in omvang kleiner dan of gelijk aan eenden.

Het «vangen of doden met gebruikmaking van lokvoer» in artikel 3.9, tweede lid, onderdeel g, betreft in beginsel lokvoer dat niet giftig of verdovend is. Het gebruik van giftig of verdovend lokvoer is in het derde lid, onderdeel f, aangewezen als methode voor het massaal of niet-selectief doden of vangen van vogels en vergt een afzonderlijke ontheffing of vrijstelling van het provinciebestuur.

Bij nadere overweging is het niet nodig gebleken om expliciet te regelen dat provincies een vrijstelling of ontheffing kunnen verlenen om het gebruik van het geweer op zondag te gebruiken, zoals is aangegeven in het schriftelijk overleg over de voorhang ontwerp uitvoeringsregelgeving Wet natuurbescherming.185  Dit besluit verbiedt de uitoefening van de jacht op zondagen en nationale feestdagen (artikel 3.6, tweede lid, van de wet). Uit artikel 3.16, eerste lid, volgt dat dit verbod niet geldt voor het gebruik van het geweer voor populatiebeheer en schadebestrijding.

De aanduiding van middelen en methoden in het derde lid strekt ertoe – overeenkomstig artikel 3.4, vierde lid, van de wet – buiten twijfel te stellen die middelen en methoden, die als zodanig niet zijn genoemd in de Vogelrichtlijn, vallen onder de categorie van middelen voor het massaal of niet-selectief doden of vangen van vogels, waarvoor op grond van artikel 3.4, eerste en tweede lid, van de wet een specifiek en strikt kader geldt.

§ 3.3.2 Verboden middelen buiten gebouwen, behoudens ontheffing, vrijstelling of opdracht

Artikel 3.10

Als middelen als bedoeld in artikel 3.24, tweede lid, van de wet worden aangewezen:
a. hagelpatronen die metallisch lood bevatten;
b. klemmen, met uitzondering van klemmen:
1°. uitsluitend geschikt en bestemd voor het vangen en doden van mollen, zwarte ratten, bruine ratten, huismuizen, en
2°. die gebruikt worden bij het voorkomen van schade aan waterstaatswerken, veroorzaakt door muskus- en beverratten, ter uitvoering van artikel 3.2a van de Waterwet, door personen die in dienst zijn of handelen in opdracht van een waterschap en die aantoonbaar de nodige kennis en vaardigheden bezitten om deze taak doeltreffend uit te voeren;
c. vallen, met uitzondering van kastvallen;
d. strikken;
e. vangkooien, met uitzondering van vangkooien geschikt en bestemd voor het vangen van verwilderde katten en verwilderde duiven binnen de bebouwde kom;
f. lijm;
g. netten, geschikt en bestemd om te worden gebruikt voor het vangen van vogels, en
h. rodenators.

Artikel 3.10 strekt ter uitvoering van artikel 3.24, tweede lid, van de wet. Degene die zich met de in artikel 3.10 genoemde middelen buiten een gebouw bevindt, zonder te beschikken over een vrijstelling of ontheffing om met die middelen dieren te vangen of te doden, overtreedt het verbod van artikel 3.24, tweede lid, van de wet, indien redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de middelen zullen worden gebruikt voor het doden of vangen van dieren. In paragraaf 4.3.3 van de nota van toelichting is nader op dit artikel ingegaan.

Artikel 11, tweede lid, van het voormalige Besluit beheer en schadebestrijding bevatte voorheen de aanwijzing van deze middelen. In vergelijking daarmee is de aanwijzing van klemmen voor het vangen en doden van beverratten en muskusratten ingeperkt. De klemmen kunnen wel worden gebruikt ten behoeve van het vangen en doden van deze ratten in het kader van de uitvoering van de wettelijke taak van waterschappen om door deze ratten veroorzaakte schade aan waterstaatswerken te voorkomen. Daarbij geldt als eis dat de klemmen worden gebruikt door personen die daarvoor de nodige kennis en vaardigheden beschikken, zodat schade aan andere natuurwaarden wordt voorkomen.186  Voorheen hadden waterschappen voor het gebruik van klemmen toestemming van provincies nodig, maar in het licht van de wettelijke taken en de professionaliteit van de waterschappen wordt dat niet meer nodig geacht. Voor andere gebruikers van klemmen blijft wel gelden dat zij over een vrijstelling, ontheffing of opdracht moeten beschikken.

Tevens is de aanwijzing van vangkooien, anders dan in het voormalige Besluit beheer en schadebestrijding was geregeld, niet van toepassing op het gebruik van vangkooien voor het vangen van verwilderde katten en verwilderde duiven binnen de bebouwde kom. Ten aanzien van deze handelingen was in artikel 16f van het voormalige Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten een vrijstelling opgenomen van het verbod op het zich buiten gebouwen bevinden met vangkooien.187

Tot slot zijn ook rodenators aangewezen (onderdeel h) als middelen waarmee men zich niet buiten gebouwen mag bevinden zonder ontheffing. De rodenator is een middel voor het doden van in de bodem wroetende dieren, zoals woelratten. De aanwijzing van rodenators als toegestaan middel onder de Flora- en faunawet was beperkt tot het gebruik voor het doden van woelratten. Door de aanwijzing van rodenators op grond van artikel 3.24, tweede lid, van de wet, is verzekerd dat het gebruik ervan afhankelijk is van een toets vooraf door het bevoegde gezag, die voorwaarden kan stellen voor een veilig en effectief gebruik.

Artikel 3.11

1. Het is verboden mistnetten te vervoeren, te verkopen, te koop aan te bieden, te kopen of onder zich te hebben.
2. Onder «mistnetten» wordt in het eerste lid verstaan: netten, in banen, aan het stuk of in bepaalde vorm, vervaardigd van garens van synthetische of van kunstmatige vezels met een totale dikte van minder van 150 deniers (16,2 mg per meter) en waarvan de maaswijdte, gemeten over het garen, van knoop tot knoop, kleiner is dan 35 millimeter.

Artikel 3.11 geeft – op basis van artikel 3.24, vierde lid, van de wet – uitvoering aan de Tweede Beschikking van het Comité van Ministers van de Benelux Economische Unie met betrekking tot de bescherming van de vogelstand (M(76)15). Het vervoeren, verkopen, te koop aanbieden, kopen en onder zich hebben van mistnetten is op grond van artikel 2, onderdeel a, van die beschikking verboden. Onder mistnet wordt ingevolge artikel 1 van de beschikking verstaan: netten, in banen, aan het stuk of in bepaalde vorm, vervaardigd van garens van synthetische of van kunstmatige vezels met een totale dikte van minder van 150 deniers (16,2 mg per meter) en waarvan de maaswijdte, gemeten over het garen, van knoop tot knoop, kleiner is dan 35 mm. De beschikking is gebaseerd op artikel 7 van de eerder aangehaalde Benelux-overeenkomst inzake jacht en vogelbescherming, dat betrekking heeft op de bescherming van in het wild levende vogels. Krachtens artikel 2, onderdeel b, van de beschikking kan enkel ontheffing worden verleend van het in onderdeel a van dat artikel gestelde verbod aan het Vogeltrekstation te Arnhem voor het wetenschappelijk onderzoek, dat door het station of onder toezicht van het station wordt verricht. Het Vogeltrekstation Arnhem is in het bezit van een dergelijke ontheffing, die krachtens het overgangsrecht in artikel 9.6, eerste lid, van de wet haar geldigheid behoudt. Het Vogeltrekstation kan op grond van die ontheffing medewerkers, die een opleiding hebben gevolgd, machtigen om van mistnetten gebruik te maken voor wetenschappelijk onderzoek. De opleiding borgt dat de mistnetten op een kundige wijze worden gebruikt.

Waar het verbod van artikel 2 van de beschikking wordt gesteld met het oog op vogelbescherming, is er ruimte, om – op grond van artikel 3.25, vierde lid, van de wet – ontheffing of vrijstelling van artikel 3.11 te verlenen met het oog op het vangen van andere dieren dan vogels, als onderdeel van de ontheffing of vrijstelling die op grond van de in artikel 3.25, eerste lid, van de wet genoemde wettelijke grondslagen wordt verleend door het vangen van beschermde dieren. Die mogelijkheid is onder meer van belang voor het gebruik van mistnetten als middel voor het vangen van vleermuizen ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek. Het is bij een dergelijke ontheffing of vrijstelling uiteraard essentieel dat verzekerd wordt dat het gebruik van misnetten onder zodanige condities plaatsvindt, dat het vangen van vogels of andere beschermde diersoorten wordt voorkomen. Ook laat het verbod ruimte voor het gebruik van andere netten, met een grotere maaswijdte en gemaakt van dikkere garens ten behoeve van het vangen van dieren.

Aangezien bij netten – en dus ook mistnetten – sprake is van een niet-selectief vangmiddel, gelden op grond van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn strikte kaders voor het gebruik daarvan, welke zijn omgezet in de artikelen 3.4 en 3.9 van de wet. In beginsel is het gebruik van die middelen verboden. Afwijkingen kunnen evenwel bij ontheffing of vrijstelling worden toegestaan, met overeenkomstige toepassing van de voorwaarden en beperking van artikel 3.3, vierde lid, onderscheidenlijk 3.8, vijfde lid van de wet (zie artikelen 3.5, tweede lid, en 3.9, tweede lid, van de wet): er mag geen andere bevredigende oplossing voor het gebruik van dit middel bestaan, er mag geen afbreuk worden gedaan aan het streven de populatie van de betrokken soort in haar natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan, èn er moet sprake zijn van één van de in artikel 3.3, vierde lid, onderscheidenlijk 3.8, vijfde lid, van de wet genoemde belangen.

§ 3.3.3. Regels inzake het gebruik van het geweer

Artikel 3.12

1. Een jachtveld als bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, onderdeel b, van de wet, heeft:
a. een aaneengesloten oppervlakte van ten minste 40 hectare, per jachthouder die in zijn hoedanigheid als jachthouder gerechtigd is tot het uitoefenen van de jacht in dat jachtveld, en
b. zodanige afmetingen dat in het jachtveld een cirkel met een straal van ten minste 150 meter kan worden beschreven.
2. Ingeval het op grond van de bij en krachtens artikel 3.20, vierde lid, van de wet gestelde regels ook aan anderen dan de jachthouder, niet zijnde jachtopzichters, is toegestaan om in het desbetreffende jachtveld de jacht uit te oefenen, bedraagt de aaneengesloten oppervlakte van dat jachtveld de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde oppervlakte vermeerderd met 40 hectare per persoon, niet zijnde jachtopzichter, aan wie het is toegestaan in dat jachtveld de jacht uit te oefenen.
3. Bij de berekening van de oppervlakte, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, worden niet meegerekend:
a. gronden die zijn gelegen op een afstand van meer dan 350 meter van het middelpunt van een cirkel met een straal van 150 meter die het dichtst bij die gronden in het jachtveld kan worden beschreven;
b. andere gronden dan die, bedoeld in onderdeel a, die van het middelpunt, bedoeld in onderdeel a, uit in rechte lijn slechts bereikbaar zijn over grond die tot een ander jachtveld behoort;
c. openbare, verharde verkeerswegen, niet zijnde grindwegen;
d. begraafplaatsen, en
e. bebouwde kommen van de gemeenten als bedoeld in artikel 3.21, derde lid, van de wet en onmiddellijk aan die kommen grenzende terreinen.
4. Als afzonderlijke jachtvelden worden beschouwd, ook ingeval zij grenzen aan gronden waarop het aan dezelfde persoon of personen is toegestaan om de jacht uit te oefenen:
a. gronden als bedoeld in het derde lid, onderdelen a of b;
b. delen van gronden waarbij de verbinding tussen deze delen op enig punt smaller is dan 50 meter, en
c. delen van gronden die van elkaar worden gescheiden door een autosnelweg als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of door een water, breder dan 10 meter, indien de jachthouder niet gerechtigd is om daarop de jacht uit te oefenen.

Eerste lid

In paragraaf 4.3.4 van de nota van toelichting is ingegaan op de vereiste minimumomvang van het jachtveld. Zoals daar is aangegeven, is een minimale oppervlakte van 40 hectare per jachthouder voor de uitoefening van de jacht uit een oogpunt van de opbouw van een redelijke wildstand aangewezen en laat de Beneluxovereenkomst inzake jacht en vogelbescherming geen ruimte voor een kleinere omvang. Artikel 3 van die overeenkomst bepaalt dat de minimumoppervlakte van een jachtveld 25 hectare bedraagt, met dien verstande dat geen van de partijen die de overeenkomst hebben gesloten de in zijn land op het moment van vaststelling van de overeenkomst geldende eisten aan de minimumoppervlakte van jachtvelden mag verlagen. Ten tijde van het van kracht worden van de Beneluxovereenkomst was de vereiste minimale omvang van het jachtveld in Nederland 40 hectare per jachthouder.188  Gezien het bepaalde in artikel 3 van die overeenkomst mag deze omvang niet worden verlaagd. In artikel 3.12, eerste lid, onderdeel a, van het besluit is deze minimumoppervlakte dan ook overgenomen. Ingeval het geweer wordt gebruikt in andere situaties dan de uitoefening van de jacht, op basis van een ontheffing of vrijstelling van de wettelijke verboden inzake het doden van dieren, kan op grond van artikel 3.26, derde lid, van de wet in die ontheffing of vrijstelling een afwijking op de vereiste minimumomvang van het jachtveld worden toegelaten.

De minimumoppervlakte van 40 hectare geldt per jachthouder die gerechtigd is tot het uitoefenen van de jacht in dat jachtveld. Dat betekent dat wanneer er twee of meer personen in een jachtveld gerechtigd zijn tot het uitoefenen van de jacht, bijvoorbeeld ingeval een of meer delen ervan zijn verhuurd, de aaneengesloten oppervlakte van het jachtveld minstens zo groot dient te zijn dat voor elke jachthouder 40 hectare beschikbaar is; bij verhuur aan bijvoorbeeld vier personen dus ten minste 160 hectare.

De zinsnede «in zijn hoedanigheid van jachthouder» in onderdeel a heeft tot doel te voorkomen dat de toestemming van een jachthouder om buiten zijn aanwezigheid in een jachtveld te jagen, wordt gebruikt om de oppervlakte van gronden van minder dan 40 hectare zodanig te vergroten dat zij alsnog in aanmerking komen als jachtveld. Een jachthouder die een grond met een oppervlakte van 38 hectare heeft, en daarop dus niet met het geweer mag jagen, mag een toestemming om buiten aanwezigheid van de jachthouder van een aangrenzend jachtveld te jagen dus niet gebruiken om zodoende een aaneengesloten jachtveld van ten minste 40 hectare te verkrijgen.

Onderdeel b van het eerste lid van artikel 3.12 bepaalt dat in het veld een cirkel met een straal van minimaal 150 meter moet kunnen worden beschreven. Zo wordt het zogenoemde «kantjesjagen» voorkomen, het bejagen van een lang en smal stuk grond. Jagen op een dergelijk jachtveld is onwenselijk, in het licht van de opbouw en instandhouding van een behoorlijke wildstand.

Tweede lid

Ook ingeval de jachthouder aan anderen toestemming heeft gegeven om buiten zijn gezelschap de jacht uit te oefenen (artikel 3.20, vierde lid, van de wet), dient voor elk van hen, met uitzondering van de jachtopzichter, minstens 40 hectare aanwezig te zijn, bovenop de 40 hectare per jachthouder die gerechtigd is tot de jacht in dat veld. Ingeval sprake is van een jachtveld van 280 hectare waar drie jachthouders zijn gerechtigd om de jacht uit te oefenen, kan derhalve nog aan vier personen toestemming worden verleend om buiten gezelschap van de jachthouder de jacht uit te oefenen. Voor deze zeven personen tezamen moet de oppervlakte van het jachtveld immers per persoon 40 hectare zijn. Voor de jachtopzichter geldt deze eis, gegeven de bijzondere relatie tussen hem en de jachthouder, niet (zie ook paragraaf 4.2.2 van deze nota van toelichting).

Voor de goede orde wordt opgemerkt dat deze bepaling er niet aan in de weg staat dat bijvoorbeeld een grondgebruiker aan anderen dan de huurder van het jachtrecht voor dezelfde grond toestemming verleent om de in het kader van artikel 3.15 van de wet toegestane handelingen uit te oefenen ten behoeve van het beheer van en de bestrijding van schade veroorzaakt door daartoe aangewezen wild. Ingevolge artikel 3.12, eerste lid, onderdeel a, geldt de eis van 40 hectare immers slechts per jachthouder en per persoon – niet zijnde een jachtopzichter – die uit hoofde van een toestemming als bedoeld in artikel 3.20, vierde lid, van de wet bevoegd is om op het desbetreffende jachtveld te jagen.

Derde lid

Het derde lid regelt welke gronden bij de berekening van de oppervlakte van het jachtveld niet worden meegerekend. Deze bepaling heeft tot doel kantjesjagerij te voorkomen (onderdelen a en b) en te verzekeren dat verkeersgebieden (onderdeel c) en gronden waarop niet mag worden gejaagd buiten beschouwing worden gelaten (onderdelen d en e).

Het begrip «terreinen» in het derde lid, onderdeel e, omvat niet alleen tuinen maar ook parken die zijn gelegen op de grens van stad en land. Uit jurisprudentie ten aanzien van het begrip «tuinen» dat hiervoor ten minste enige afscheiding moet bestaan (HR 3 januari 1927, NJ 1927, blz. 105). Hoewel dit besluit uitgaat van een andere terminologie, is het de bedoeling dat deze jurisprudentie over het begrip «tuinen» ook op het begrip «terreinen» onverkort van toepassing blijft.

Er zij op gewezen dat de oppervlakte van water wel wordt meegerekend bij de berekening van de oppervlakte van het jachtveld.

Vierde lid

Het vierde lid is relevant voor de beantwoording van de vraag wat als één samenhangend jachtveld kan worden gezien. Dat is in het bijzonder relevant ingeval sprake is van aan elkaar grenzende of enkel door wegen of water gescheiden terreinen tot het bejagen waarvan dezelfde persoon of personen gerechtigd zijn, hetzij als jachthouder hetzij op basis van een toestemming als bedoeld in artikel 3.20, vierde lid, van de wet.

De gronden die ingevolge artikel 3.12, derde lid, onderdelen a en b, niet meegeteld mogen worden bij de bepaling van de oppervlakte van een ander jachtveld vormen op zichzelf een jachtveld (onderdeel a).

Delen van een jachtveld waarbij de verbinding tussen deze delen op enig punt smaller zijn dan 50 meter worden eveneens als afzonderlijke jachtvelden beschouwd, omdat deze gronden door deze versmalling feitelijk niet goed in samenhang bejaagbaar zijn (onderdeel b).

Autosnelwegen vormen een scheiding tussen twee jachtvelden, omdat deze in de praktijk veelal fungeren als een begrenzing van het leefgebied van dieren. Ook een water dat breder is dan 10 meter, vormt een scheiding tussen twee jachtvelden voor zover het genot van de jacht van de betrokken jachthouder zich niet over dit water uitstrekt. Als het genot van de jacht van de betrokken jachthouder zich wel tot het water uitstrekt, vormt dit uiteraard geen scheiding maar kan het water deel uitmaken van de oppervlakte van het jachtveld (onderdeel c).

Artikel 3.13

1. Een geweer als bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, van de wet heeft een gladde loop met een kaliber van ten minste 24 en ten hoogste 12 of een getrokken loop met een nominaal kaliber van ten minste .22 inch of 5,58 millimeter.
2. Een enkelloops hagelgeweer als bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, van de wet heeft een magazijn dat ten hoogste twee patronen kan bevatten.
3. Een kogelgeweer als bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, van de wet heeft een magazijn dat ten hoogste twee patronen kan bevatten, tenzij het is voorzien van een grendelinrichting waarmee het wapen handmatig schot voor schot wordt geladen.
4. Een geweer als bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, van de wet is niet voorzien van een geluiddemper, een kunstmatige lichtbron, een voorziening om de prooi te verlichten, een vizier met beeldomzetter, een elektronische beeldversterker of enig ander instrument om in de nacht te schieten.

Zoals in paragraaf 4.3.4 is aangegeven, zijn de artikelen 3.13 tot en met 3.16 over het gebruik van het geweer een voortzetting van bepalingen die voorheen golden op grond van artikel 12 en 13 van het Jachtbesluit en artikel 7 van het Besluit beheer en schadebestrijding dieren, op grond van de toenmalige Flora- en faunawet.

Artikel 3.13 staat het gebruik toe van geweren met gladde lopen, geschikt voor hagelpatronen, en geweren met getrokken lopen, geschikt voor kogelpatronen. Ook een geweer waarop beide soorten lopen toepasbaar zijn, is toegestaan. Afhankelijk van de toegepaste loop wordt het geweer aangemerkt als hagelgeweer of kogelgeweer. Hagelgeweren worden gebruikt bij het doden van kleinere diersoorten en kogelgeweren bij grotere diersoorten. Bij de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer is gepleit voor afschaffen van het hagelgeweer, uit dierenwelzijnsoverwegingen.189  Hagelgeweren zijn voor het doden van kleinere dieren een effectief middel en het gebruik daarvan leidt niet tot onnodig lijden. Om die reden wordt in de artikelen 3.13 tot en met 3.15 het gebruik van het hagelgeweer toegestaan.

Bij de bejaagbare soorten gaat het om kleinere diersoorten, waarvoor het hagelgeweer kàn worden ingezet, ingeval van konijnen en houtduiven, en moèt worden ingezet, ingeval van hazen, fazanten en wilde eenden (artikel 3.15, tweede en derde lid). Bij de inzet van het geweer voor het doden van dieren op grond van een ontheffing of vrijstelling van de wettelijke verboden kunnen ook grotere dieren, namelijk reeën, edelherten, damherten of zwijnen, aan de orde zijn. Daarvoor mogen ingevolge artikel 3.15, eerste lid, uitsluitend kogelgeweren worden gebruikt met kogelpatronen die voldoende trefenergie hebben om de betrokken dieren in één keer te doden. Voor de overige diersoorten geldt dat in de desbetreffende ontheffing of vrijstelling ter zake van de aard van het te gebruiken geweer nadere voorschriften worden opgenomen of regels worden gesteld. Ten aanzien van de munitie gelden evenwel te allen tijde in ieder geval de in artikel 3.14, tweede en derde lid, gestelde regels; deze dienen het dierenwelzijn (maximum doorsnede hagel), de openbare veiligheid (geen militaire munitie, geen munitie die niet vervormt en dus eventueel het lichaam van het dier ook weer zou kunnen verlaten) en het milieu (geen metallisch lood).

Met het oog op de belangen van natuurbescherming, dierenwelzijn en openbare veiligheid bevat artikel 3.16, eerste lid, een aantal beperkingen ten aanzien van het gebruik van het geweer. Deze beperkingen vormen een voortzetting van de beperkingen (artikel 7, negende lid, van het oude Besluit beheer en schadebestrijding dieren). Het verbod om het geweer te gebruiken tegen vogels vanuit een varend vaartuig is niet in het besluit opgenomen; artikel 3.4 van de wet voorziet al in dat verbod.

Onder het begrip «geweer», zoals gebruikt in de wet en in de onderhavige artikelen, moeten ook luchtdrukgeweren worden begrepen.190  In bepaalde gevallen, zoals het doden van vogels binnen gebouwen, is het luchtdrukgeweer een geschikt middel. In die gevallen is – naast ontheffing van het verbod op het doden van vogels – ook ontheffing van het verbod op het gebruik van andere geweren dan hagel- en kogelgeweren en in voorkomend geval het verbod op het gebruik van het geweer binnen de bebouwde kom benodigd. Artikel 3.26, derde lid, van de wet biedt daarvoor een basis. Hetzelfde geldt voor verdovingsgeweren en gas- en verdrukgeweren.

Het gebruik van het geweer is ook gebonden aan de bepalingen van de Wet wapens en munitie. Uit dien hoofde gelden er bijvoorbeeld ook regels over het dragen, vervoeren en opbergen van het wapen. De regels van de Wet wapens en munitie kunnen verschillen al naar gelang de categorie wapens waartoe het geweer behoort. Het hagelgeweer en het kogelgeweer zijn in de Wet wapens en munitie wapens van categorie III, het luchtdrukgeweer is een wapen van categorie IV.

Artikel 3.14

1. De munitie die wordt gebruikt in een geweer als bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, van de wet voldoet aan het tweede of het derde lid.
2. Hagelpatronen bestaan uit hagelkorrels met een doorsnede van 3,5 millimeter of minder en bevatten geen metallisch lood.
3. Kogelpatronen zijn geen militaire kogelpatronen, met inbegrip van fosfor- of lichtspoorpatronen, kogelpatronen met volmantel of kogels die niet vervormen bij het treffen.

Zie voor de toelichting onder artikel 3.13.

Artikel 3.15

1. Met betrekking tot dieren van de hierna genoemde soorten worden, onverminderd de artikelen 3.13, tweede, derde en vierde lid, en 3.14, derde lid, uitsluitend de volgende geweren en munitie gebruikt:
a. reeën: geweren met ten minste één getrokken loop en kogelpatronen voor getrokken loop waarvan de trefenergie ten minste 980 Joule op 100 meter afstand van de loopmond bedraagt;
b. edelherten, damherten en wilde zwijnen: geweren met ten minste één getrokken loop en kogelpatronen voor getrokken loop waarvan de trefenergie ten minste 2.200 Joule op 100 meter afstand van de loopmond bedraagt.
2. Onverminderd artikel 3.14, tweede en derde lid, worden met betrekking tot konijnen en houtduiven uitsluitend gebruikt:
a. hagelpatronen waarvan de korrelgrootte van de hagel een doorsnede van 3,5 millimeter niet overschrijdt, of
b. kogelpatronen van een kaliber van .22 inch of 5,58 millimeter.
3. Met betrekking tot hazen, fazanten en wilde eenden worden, onverminderd artikel 3.14, tweede lid, uitsluitend hagelpatronen gebruikt.

Zie voor de toelichting onder artikel 3.13.

Artikel 3.16

1. Het is verboden een geweer ter uitoefening van het bepaalde bij of krachtens de wet te gebruiken:
a. voor zonsopgang en na zonsondergang;
b. binnen de bebouwde kom of op terreinen als bedoeld in artikel 3.21, derde lid, van de wet;
c. binnen de afpalingskring van een eendenkooi als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onderdeel d, van de wet;
d. vanaf of vanuit een rijdend motorrijtuig dan wel een ander voertuig, of
e. vanuit een luchtvaartuig.
2. Artikel 3.7, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing op het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, ingeval het geweer wordt gebruikt bij de uitoefening van de jacht op wilde eenden.

Zie voor de toelichting onder artikel 3.13.

Artikel 3.17

1. De verzekering, bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, onderdeel c, van de wet, is gesloten met een financiële onderneming die ingevolge artikel 2.48 van de Wet op het financieel toezicht in Nederland het bedrijf van schadeverzekeraar met beperkte risico-omvang mag uitoefenen.
2. De verzekering geeft dekking van 1 april tot 1 april van het jaar daaropvolgend en is van kracht voor geheel Nederland.
3. De verzekering dekt de aansprakelijkheid voor een bedrag van ten minste € 1.000.000,– per gebeurtenis.
4. De polis, bedoeld in artikel 932 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek van de verzekering, bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, onderdeel c, van de wet bevat in elk geval de volgende gegevens:
a. naam en adres van de verzekeraar;
b. naam en adres van de verzekeringnemer;
c. het polisnummer;
d. dagtekening en jaar van de ingang en van het einde van de dekking;
e. de aanduiding van de personen die als verzekerden worden aangemerkt;
f. het gebied waarin de verzekering van kracht is, en
g. het verzekerde bedrag.
5. De korpschef maakt aantekening van de gegevens, bedoeld in het vierde lid.
6. De houder van de jachtakte meldt elke wijziging van één van de gegevens, bedoeld in het vierde lid, onmiddellijk aan de korpschef.
7. De korpschef verstrekt op verzoek schriftelijke inlichtingen over de nakoming van artikel 3.26, eerste lid, aanhef in samenhang met onderdeel c, van de wet voor zover deze blijken uit de bijgehouden aantekeningen, bedoeld in het vijfde lid, aan:
a. Onze Minister en Onze Minister van Veiligheid en Justitie;
b. de personen belast met de opsporing van de bij of krachtens de wet strafbaar gestelde feiten, en
c. hen die aannemelijk maken dat zij betrokken zijn bij schade die grond kan opleveren voor toepassing van artikel 3.29 van de wet.

Voor de toelichting op dit artikel – dat de regels stelt over de verplichte verzekering voor degenen die voor het doden van dieren gebruik maken van het geweer – zij verwezen naar paragraaf 4.3.4 van deze nota van toelichting. Daarin is ook ingegaan op het ingevolge het derde lid minimaal te verzekeren bedrag. In aanvulling daarop kan nog het volgende worden opgemerkt.

Eerste lid

De Wet op het financieel toezicht in Nederland stelt eisen aan financiële dienstverleners zoals verzekeraars op het gebied van integriteit, deskundigheid, integere bedrijfsvoering, financiële zekerheid, transparantie en zorgplicht.

Tweede lid

In verband met een doelmatige controle van de verzekeringsplicht valt de periode waarvoor de dekking van de verzekering geldt samen met de periode die geldt met betrekking tot de jachtakte. Deze bepaling sluit niet uit dat de verzekering over een langere periode dan van 1 april tot 1 april van het jaar daaropvolgend dekking geeft; vereist is slechts dat de verzekering in elk geval voor de genoemde periode dekking geeft.

Voorts bepaalt het tweede lid dat de verzekering van kracht is voor geheel Nederland. Hier is voor gekozen omdat bij een beperkte territoriale dekking moeilijk kan worden gecontroleerd of de verzekerde zich aan de gestelde voorwaarde houdt.

Vierde lid

Deze gegevens zijn niet alleen nodig voor een doelmatige controle op de naleving van de verzekeringsplicht maar zij zijn tevens van belang voor de benadeelde die een vordering tegen de verzekeraar wil instellen. Daarom moet de korpschef op grond van het vijfde lid bij de verlening van de jachtakte aantekening bijhouden van deze gegevens en moet de houder van de jachtakte wijzigingen in deze gegevens onmiddellijk melden aan de korpschef.

§ 3.3.4. Jachtexamens, examens voor het gebruik van jachtvogels, de jachtakte en de valkeniersakte

Artikel 3.18

1. Om door Onze Minister te worden erkend, bevat het jachtexamen:
a. een theoretisch gedeelte, waarin wordt getoetst op kennis van:
1°. het wild, bedoeld in artikel 3.20, tweede lid, van de wet, en dieren van andere soorten die schade kunnen veroorzaken aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren en van hierop gelijkende diersoorten;
2°. de leefomgeving van de in onderdeel a bedoelde diersoorten;
3°. het beheer van het wild als bedoeld in artikel 3.20, tweede lid, van de wet;
4°. het beheer van het edelhert, de ree, het damhert en het wilde zwijn;
5°. de belangrijkste wettelijke voorschriften op het terrein van de jacht en de natuurbescherming;
6°. de belangrijkste wettelijke voorschriften over het voorhanden hebben van geweren en munitie;
7°. landbouw-, tuinbouw- en bosbouwgewassen die gevoelig zijn voor schade aangericht door dieren van de in onderdeel a bedoelde soorten, en de perioden gedurende het jaar waarin zich deze schade kan voordoen;
8°. de maatregelen die genomen kunnen worden om schade aan landbouw-, tuinbouw- en bosbouwgewassen aangericht door dieren van de in onderdeel a bedoelde soorten te voorkomen;
9°. het geweer, de daarbij gebruikte munitie en het gebruik van het geweer;
10°. de middelen, genoemd in de artikelen 3.21, eerste lid, onderdelen b, c, d, e, f, g en h, van de wet, de krachtens artikel 3.25, eerste en tweede lid, van de wet aangewezen middelen en de middelen, genoemd in artikel 3.9, en het gebruik van deze middelen;
11°. kennis van de jachtmethoden en van de verzorging van voor consumptie bestemde dieren, en
12°. kennis van hetgeen een goed jager betaamt.
b. een praktisch gedeelte, waarin wordt getoetst op schietvaardigheid en bekwaamheid in de omgang met vuurwapens, waarbij onderscheid kan worden gemaakt al naar gelang de aard van het gebruik van de munitie.
2. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld aan een jachtexamen om te worden erkend. Deze regels hebben in elk geval betrekking op:
a. de wijze van toetsing van kennis, vaardigheid en bekwaamheid, en
b. de wijze van beoordeling van examenresultaten.

Deze artikelen zijn toegelicht in paragraaf 4.3.5 van de nota van toelichting.

In aanvulling daarop zij ten aanzien van artikel 3.20, eerste lid, onderdeel b, opgemerkt, dat de eis ten aanzien van de samenstelling van het bestuur van een organisatie die het jachtexamen of het examen voor het gebruik van jachtvogels afneemt moet borgen dat de voor het gebruik van het jachtgeweer of jachtvogels relevante kennis en deskundigheid genoegzaam in het bestuur vertegenwoordigd zijn. Het gaat dan zowel om kennis en deskundigheid ten aanzien van de uitoefening van de jacht en het gebruik van middelen voor het vangen of doden van dieren, als om kennis en deskundigheid ten aanzien van de eisen die een duurzaam beheer van de natuur in het algemeen en van populaties dieren in het bijzonder aan het gebruik van deze middelen stellen.

Zoals uit artikel 3.21 blijkt, kan de geldigheidsduur van een jachtakte of valkeniersakte om drie redenen eindigen. Ten eerste eindigt de geldigheidsduur door het enkele verloop van de wettelijke geldigheidsduur van één, respectievelijk vijf jaar (eerste en tweede lid). Ten tweede kan aan een aktehouder bij een rechterlijke uitspraak – kort gezegd – de bevoegdheid om een jachtgeweer of jachtvogels voor het doden van dieren te gebruiken zijn ontzegd; meer omvattend kan zelfs de bevoegdheid om met welk middel dan ook dieren te (vangen of te) doden zijn ontzegd. Daarmee komt uiteraard tevens de grondslag aan de jachtakte of valkeniersakte te ontvallen, zonder dat ter zake nog een afzonderlijke afweging bij het bevoegd gezag voor de verlening en intrekking van de aktes aan de orde is. In dat geval vervalt de akte van rechtswege, zodra de rechterlijke uitspraak voor tenuitvoerlegging vatbaar wordt (derde lid). Overigens is de formulering in het derde lid verruimd ten opzichte van de formulering in artikel 8, tweede lid, van het toenmalige Jachtbesluit, die op het punt van de ontzegging van de bevoegdheid door de rechter aansloot bij «de bevoegdheid om te jagen»; het jachtgeweer en jachtvogels worden immers evenzeer gebruikt voor het doden van dieren buiten de jacht om, onder meer in het kader van populatiebeheer en schadebestrijding, en ook daarvoor is een jachtakte, onderscheidenlijk valkeniersakte vereist. Ten derde kan de jachtakte of valkeniersakte tussentijds worden ingetrokken op grond van artikel 5.4, zesde lid, van de wet, als er grond is om aan te nemen dat de houder van zijn bevoegdheden om de jacht uit te oefenen misbruik maakt, de houder nalatig is te doen wat een goed jager betaamt bij de uitoefening van de jacht, of als er grond is om aan te nemen dat de houder van zijn bevoegdheden in het kader van beheer en schadebestrijding misbruik maakt. Artikel 5.4, vijfde lid, van de wet noemt voorts enkele gronden die te allen tijde tot intrekking van de jachtakte leiden, zoals misbruik van wapens en munitie of het onvoldoende verzekerd zijn voor aansprakelijkheid wegens gebruik van het geweer.

Dat de geldigheidsduur van de jachtakte en de valkeniersakte een periode van 1 april tot 1 april van het daaropvolgende of vijfde daaropvolgende jaar is, hangt samen met het feit dat het jachtseizoen op 31 januari eindigt en dat er enige ruimte moet zijn voor de indiening en beoordeling van aanvragen voor een nieuwe akte dan wel verlenging van de geldende akte. Ook de voorheen in artikel 8 van het Jachtbesluit en daarvoor artikel 16, eerste lid, van de Jachtwet bepaalde geldigheidsduur van akten liep van 1 april tot 1 april.

Met het oog op de handhaving is in artikel 3.21, vijfde en zesde lid, bepaald dat degene wiens akte is ingetrokken of aan wie de bevoegdheid tot het gebruik van een jachtgeweer of jachtvogels voor het doden van dieren is ontzegd, verplicht is de akte binnen vijf dagen na toezending of uitreiking van de intrekking in te leveren bij degene die de akte heeft verleend. Deze bepaling is inhoudelijk niet gewijzigd ten opzichte van artikel 9 van het toenmalige Jachtbesluit, en daaraan voorafgaand, artikel 6 van het besluit van 3 juni 1955 over de jachtakten.

Artikel 3.19

1. Om door Onze Minister te worden erkend, bevat het examen voor het gebruik van jachtvogels als bedoeld in artikel 3.30, tweede lid, tweede volzin, van de wet:
a. een theoretisch gedeelte, waarin wordt getoetst op kennis als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, 2°, 3°, 5°, 7°, 8°, 10°, 11° en 12°;
b. een praktisch gedeelte, waarin wordt getoetst op bekwaamheid in de omgang met jachtvogels.
2. Artikel 3.18, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Zie voor de toelichting onder artikel 3.18.

Artikel 3.20

1. Om door Onze Minister te worden erkend, worden het jachtexamen en het examen voor het gebruik van jachtvogels afgenomen door een organisatie die voldoet aan de volgende eisen:
a. zij bezit rechtspersoonlijkheid;
b. de bestuursleden zijn naar evenredigheid afkomstig uit de kringen van jagers en natuurbescherming-landbouw;
c. zij beschikt over een itembank met ten minste vijfhonderd meerkeuzevragen die betrekking hebben op de examens, waarvan de relatieve samenstelling overeenkomt met de eisen die ten aanzien van het examen worden gesteld;
d. zij beschikt over een beeldbank met ten minste twee afbeeldingen van elk dier van de soorten, bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, en ten minste één afbeelding van de dieren van andere beschermde soorten, en
e. zij beschikt over:
1°. een kwaliteitszorgsysteem;
2°. een reglement waarin is vastgelegd aan welke eisen dient te worden voldaan om een examen te mogen afleggen, wanneer examens worden afgenomen, de wijze waarop het resultaat van het examen wordt beoordeeld, wie gerechtigd is de examens bij te wonen, en
3°. een geschillenregeling.
2. Onze Minister wijst personen aan die belast zijn met het toezicht op de kwaliteit van jachtexamens en examens voor het gebruik van jachtvogels. Deze personen worden gekozen uit de kring van Commissarissen van de Koning en burgemeesters.
3. Een persoon als bedoeld in het tweede lid ziet erop toe dat de organisatie die examens afneemt voldoet aan de eisen, genoemd in het eerste lid, en dat de examens worden afgenomen in overeenstemming met de bij en krachtens de artikelen 3.18 en 3.19 gestelde regels.
4. Het bestuur van een organisatie die examens afneemt, verstrekt aan personen als bedoeld in het tweede lid desgevraagd inlichtingen over de inhoud van en de wijze van afnemen van examens en laat desgevraagd deze personen het afleggen van examens bijwonen.
5. Een persoon als bedoeld in het tweede lid informeert Onze Minister over zijn bevindingen ten aanzien van de organisatie die van belang zijn voor de erkenning van examens die zijn afgenomen door die organisatie.

Zie voor de toelichting onder artikel 3.18.

Artikel 3.21

1. De jachtakte geldt van 1 april tot 1 april van het daaropvolgende kalenderjaar en is van kracht voor heel Nederland.
2. De valkeniersakte geldt van 1 april tot 1 april van het vijfde daaropvolgende kalenderjaar en is van kracht voor heel Nederland.
3. De jachtakte en de valkeniersakte verliezen hun geldigheid van rechtswege op het tijdstip waarop een rechterlijke uitspraak waarbij aan de houder de bevoegdheid tot het gebruik van een geweer, onderscheidenlijk van jachtvogels ter uitoefening van het bepaalde bij of krachtens de wet is ontzegd, voor tenuitvoerlegging vatbaar wordt.
4. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld ten aanzien van:
a. de aanvraag van jachtakten en valkeniersakten;
b. het besluit op aanvragen van jachtakten en valkeniersakten.
5. Degene wiens jachtakte of valkeniersakte is ingetrokken, levert deze binnen vijf dagen nadat het besluit tot intrekking hem bekend is gemaakt, in bij degene die haar heeft verleend.
6. Degene aan wie de bevoegdheid tot jagen bij een rechterlijke uitspraak is ontzegd, levert binnen vijf dagen nadat die uitspraak voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, diens jachtakte of valkeniersakte in bij degene die haar heeft verleend.

Zie voor de toelichting onder artikel 3.18.

§ 3.3.5. Examens voor het gebruik van eendenkooien en opschrift afpaling eendenkooien

Artikel 3.22

1. Om door Onze Minister te worden erkend wordt in het examen voor het gebruik van eendenkooien als bedoeld in artikel 3.30, derde lid, van de wet getoetst op kennis als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, 2°, 3°, 5°, 10°, 11° en 12°.
3. De artikelen 3.18, tweede lid, en 3.20 zijn van overeenkomstige toepassing.

Op deze artikelen is ingegaan in paragraaf 4.3.6 van deze nota van toelichting. De Regeling natuurbescherming voorziet in de op grond van artikel 3.22, derde lid, in samenhang met artikel 3.18, derde lid, van dit besluit te stellen nadere regels voor de kooikersexamens; het gaat dan om de regels over de wijze van toetsing van kennis, vaardigheid en bekwaamheid en over de wijze van beoordeling van examenresultaten. Op grond van artikel 3.22, derde lid, zijn de regels over de organisaties waarvan de jachtexamens en het examen voor het gebruik van jachtvogels worden erkend van overeenkomstige toepassing op de kooikerexamens.

Artikel 3.23

De eigenaar van een eendenkooi gebruikt voor de afpaling van de eendenkooi, bedoeld in artikel 3.30, negende lid, van de wet palen die zijn voorzien van het opschrift «Eendenkooi van x, met recht van afpaling op y meter, gerekend uit het midden der kooi», waarbij wordt ingevuld voor:
– x: de naam van de eigenaar van de desbetreffende eendenkooi;
– y: het aantal meters waarop het afpalingsrecht betrekking heeft.

Zie voor de toelichting onder artikel 3.23.

TITEL 3.4. ONDER ZICH HEBBEN OF VERHANDELEN VAN DIEREN OF PLANTEN

§ 3.4.1. Beperkingen onder zich hebben, verhandelen of vervoeren van dieren of planten

Artikel 3.24

1. Het is verboden gefokte vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, die niet zijn genoemd in bijlage A, B, C of D bij de CITES-basisverordening, of producten of eieren daarvan onder zich te hebben of te verhandelen.
2. Het is verboden dieren of planten van de soorten, genoemd in bijlage A, B, C of D bij de CITES-basisverordening, producten of eieren van deze dieren, of producten van deze planten onder zich te hebben.
3. Het is verboden dieren of planten van de soorten, genoemd in bijlage C of D bij de CITES-basisverordening, producten of eieren van deze dieren, of producten van deze planten te verhandelen.
4. Het tweede lid en derde lid zijn niet van toepassing op dieren en planten van soorten, genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage I of II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, niet zijnde soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.

Dit artikel is toegelicht in paragrafen 4.4.2.1 en 4.4.5 van deze nota van toelichting. In aanvulling daarop wordt opgemerkt dat het gebruik van de term «onder zich hebben» in artikel 3.24, eerste lid, van het besluit afwijkt van artikel 3.38, eerste lid, onderdeel a, van de wet, dat spreekt over «in bezit hebben». Inhoudelijk is er geen verschil tussen deze begrippen. Voor «onder zich hebben» is gekozen omdat in de artikelen 3.2, zesde lid, en 3.6, tweede lid, van de wet ook dit begrip is gebruikt. Op deze wijze wordt de eenheid in het gebruikte begrippenkader geborgd.

De artikelen 3.2, zesde lid, en 3.6, tweede lid, van de wet hebben ook betrekking op het vervoeren. Deze handeling wordt in artikel 3.24, eerste lid, van het besluit niet genoemd. Voor het vervoer is echter het onder zich hebben noodzakelijk, zodat vervoeren materieel onder deze bepaling valt. Onder het begrip «verhandelen» – gebruikt in artikel 3.24, tweede lid, van het besluit – wordt hetzelfde verstaan als waar de artikelen 3.2, eerste lid, en 3.6, eerste lid, van de wet betrekking op hebben: verkopen, vervoeren voor verkoop, onder zich hebben voor verkoop of ten verkoop aanbieden.

Artikel 3.6, eerste en tweede lid, van de wet ziet op dieren en planten van de soorten, genoemd op bijlage IV van de Habitatrichtlijn en bijlage I of II bij het Verdrag van Bern en bijlage I bij het Verdrag van Bonn. Voor deze soorten zijn geen aanvullende verbodsbepalingen in onderhavig besluit opgenomen. Omdat een aantal van deze soorten ook zijn opgenomen in de bijlagen bij de CITES-basisverordening, is in artikel 3.24, derde lid, onderdeel b, expliciet bepaald dat het eerste en tweede lid van dat artikel niet van toepassing zijn op deze soorten.

Artikel 3.24, eerste en tweede lid, geeft mede uitvoering aan artikel 2, onderdeel c, van beschikking M (99) 9 van het Comité van Ministers van de Benelux Economische Unie van 25 oktober 1999 tot afschaffing en vervanging van de beschikking M (72) 18 van 30 augustus 1972 met betrekking tot de bescherming van de vogelstand.

Artikel 3.25

Het is verboden uit het wild afkomstige dieren van de soorten, genoemd in bijlage 1 bij dit besluit, onder zich te hebben of te verhandelen.

Dit artikel is toegelicht in paragraaf 4.4.3 van deze nota van toelichting. Het begrip «in de handel brengen» in de zin van deze bepaling omvat blijkens de toelichting bij de Benelux-overeenkomst onder andere het voorhanden hebben of bewaren, het bereiden, bewerken of anderszins behandelen, het uitstallen, verpakken, invoeren, het te koop aanbieden, verkopen, al dan niet kosteloos overdragen, verspreiden en ruilen.

In de bijlage bij het besluit zijn geen vogelsoorten opgenomen, hoewel er wel vogels voorkomen in de opsomming van wild in artikel 1 van de Benelux-overeenkomst. De reden is dat het vervoeren en in de handel brengen van vogels van Vogelrichtlijnsoorten wordt gedekt door de Vogelrichtlijn zelf, zoals geïmplementeerd in artikel 3.2 van de wet.

§ 3.4.2. Prepareren van vogels

Artikel 3.26

1. Het is verboden een uit het wild afkomstige vogel als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te prepareren.
2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op degene die:
a. aan Onze Minister binnen drie dagen na ontvangst gegevens verstrekt over een vogel als bedoeld in het eerste lid, die hem ter preparatie wordt aangeboden, op een bij ministeriële regeling te bepalen wijze, en
b. een door Onze Minister verstrekt merkteken aanbrengt op geprepareerde vogels als bedoeld in het eerste lid.
3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het verstrekken van gegevens en het merken van geprepareerde vogels, bedoeld in het tweede lid. Deze regels kunnen onder meer betrekking hebben op:
a. welke gegevens aan Onze Minister worden verstrekt;
b. de kenmerken van de merktekens, en
c. de wijze waarop een merkteken wordt aangevraagd.

Dit artikel is toegelicht in paragraaf 4.4.2.2 van deze nota van toelichting.

§ 3.4.3. Administratie, merktekens en plaatsen van in- en uitvoer

Artikel 3.27

1. Degene die een levend gefokt dier of een levende gekweekte plant onder zich heeft, houdt een administratie bij met betrekking tot dat dier of die plant, indien het dier of de plant behoort tot:
a. de soorten genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn;
b. de soorten, genoemd in bijlage A bij de CITES-basisverordening, met uitzondering van de in bijlage VIII bij de CITES-uitvoeringsverordening genoemde diersoorten en de hybriden daarvan;
c. de diersoorten, genoemd in bijlage B bij de CITES-basisverordening, met uitzondering van:
1°. gefokte vogels, die van een gesloten pootring zijn voorzien, en
2°. de soorten, genoemd in bijlage 2 bij dit besluit, of
d. de kunstmatig gekweekte hybriden van niet van een annotatie voorziene soorten genoemd in bijlage A bij de CITES-basisverordening, voor zover voor die soorten een fytosanitair certificaat als bedoeld in artikel 17 van de CITES-uitvoeringsverordening is afgegeven.
2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de administratie, bedoeld in het eerste lid. Deze regels kunnen onder meer betrekking hebben op:
a. de gegevens die worden geadministreerd;
b. de wijze waarop de administratie wordt bijgehouden, en
c. de bewaartermijn van de administratie.
3. Degene die een administratie als bedoeld in het eerste lid bijhoudt, verschaft desgevraagd inzage in die administratie aan in en op grond van artikel 7.1 van de wet aangewezen ambtenaren.

Deze artikelen zijn toegelicht in paragraaf 4.4.2 van deze nota van toelichting. Artikel 3.27 van het besluit bevat een regeling inzake het ringen van gefokte vogels. Hiervan dient onderscheiden te worden het ringen van in het wild gevangen vogels ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek. Het NIOO Vogeltrekstation doet dit soort wetenschappelijke werkzaamheden, op grond van een ontheffing verleend door de Minister van Economische Zaken, die krachtens het overgangsrecht van artikel 9.6 van de wet geldt als een ontheffing verleend op grond van de Wet natuurbescherming.

Het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten voorzag in een ontheffingsmogelijkheid van de verplichting tot het aanbrengen van pootringen voor het bedrijfsmatig houden van vogels, met het oog op productie. Onderhavig besluit bevat niet een dergelijke grondslag, maar artikel 3.40 van de wet voorziet in een algemene ontheffingsgrondslag voor de regels die krachtens artikel 3.38 van de wet zijn gesteld, waaronder de regels inzake pootringen voor gefokte vogels.

Artikel 3.28

1. Een ieder die een vogel van een soort als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn of genoemd in bijlage A bij de CITES-basisverordening fokt, voorziet de vogel van een gesloten pootring.
2. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van vogels van de soorten, genoemd in bijlage X bij de CITES-uitvoeringsverordening.
3. De gesloten pootringen, bedoeld in het eerste lid, worden uitgereikt door Onze Minister.
4. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de pootringen. Deze regels kunnen onder meer betrekking hebben op:
a. de kenmerken van de pootringen, waarbij onderscheid gemaakt kan worden naar vogelsoort, en
b. de wijze waarop de gesloten pootringen dienen te worden aangevraagd.
5. In afwijking van het derde lid, kunnen bij ministeriële regeling rechtspersoonlijkheid bezittende organisaties worden aangewezen die belast zijn met de taak om pootringen uit te geven.
6. Bij de ministeriële regeling, bedoeld in het vijfde lid, kan worden bepaald dat:
a. de aangewezen organisaties een administratie bijhouden op een bij de ministeriële regeling te bepalen wijze, en
b. de aangewezen organisaties informatie verstrekken aan Onze Minister op een bij de ministeriële regeling te bepalen wijze.

Zie voor de toelichting onder artikel 3.27.

Artikel 3.29

Het is verboden dieren, planten, producten, nesten of eieren van dieren of producten van planten van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, of genoemd in bijlage A, B, C, of D van de CITES-basisverordening op andere plaatsen dan bij ministeriële regeling aangewezen douanekantoren Nederland binnen of buiten te brengen.

Onderhavig artikel besluit bevat een verbod op het binnenbrengen en uitvoeren van levende dieren en planten op andere dan aangewezen plaatsen. Artikel 3.38, eerste lid, onderdeel e, van de wet biedt hiervoor de grondslag. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan artikel 12 van de CITES-basisverordening, dat lidstaten opdraagt om plaatsen aan te wijzen waar levende dieren en planten ingevoerd worden. Het verbod geldt, omwille van een doelmatige controle, ook voor levende vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn en levende dieren en planten van de soorten opgenomen op bijlage IV bij de Habitatrichtlijn. Deze voorziening is een continuering van een gelijkluidende bepaling onder de Flora- en faunawet. Net als onder de Flora- en faunawet zullen bij ministeriële regeling de betreffende plaatsen worden aangewezen, allen douanekantoren. Daarbij zijn geen wijzigingen voorzien in vergelijking met de aanwijzing van deze plaatsen op grond van de Flora- en faunawet.

§ 3.4.4. Aanwijzing EU-wetgeving

Artikel 3.30

1. Als verordening als bedoeld in artikel 3.36, onderdeel e, van de wet wordt aangewezen verordening (EEG) nr. 3254/91 van de Raad van 4 november 1991 houdende een verbod op het gebruik van de wildklem in de Gemeenschap en op het binnenbrengen in de Gemeenschap van pelzen en produkten die vervaardigd zijn van bepaalde in het wild levende diersoorten uit landen waar gebruik wordt gemaakt van de wildklem of andere vangmethoden die niet stroken met de internationale normen voor humane vangst met behulp van vallen (PbEG 1991, L 308).
2. Als richtlijn als bedoeld in artikel 3.36, onderdeel e, van de wet wordt aangewezen richtlijn 83/129/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de invoer in de Lid-Staten van huiden van bepaalde zeehondenjongen en daarvan vervaardigde produkten (PbEG 1983, L 91).

Artikel 3.36 van de wet bepaalt aan welke EU-wetgeving de in paragraaf 3.8 van de wet neergelegde regels inzake handel in en bezit van dieren en planten uitvoering wordt gegeven. In de onderdelen a tot en met d van artikel 3.36 zijn de volgende verordeningen aangewezen: de CITES-basisverordening, de verordening inzake zeehondenproducten, de exotenverordening en de op deze verordening gebaseerde uitvoeringsverordeningen. Artikel 3.36, onderdeel e, onder 1°, van de wet geeft een grondslag om bij algemene maatregel van bestuur ook andere EU-wetgeving aan te wijzen. Het moet daarbij gaan om EU-wetgeving die betrekking heeft op het verhandelen, bezit of verwerken van aan de natuur onttrokken dieren, planten, of eieren van dieren. In het onderhavige artikel zijn op grond daarvan aangewezen een verordening inzake een verbod op de handel in dieren gevangen met een wildklem191  en een richtlijn inzake een verbod op de handel in huiden van zeehondenjongen.192  Aan beide werd ook uitvoering gegeven onder de Flora- en faunawet.

TITEL 3.5 REGELS TER UITVOERING VAN EU-VERORDENINGEN INZAKE INVASIEVE UITHEEMSE SOORTEN

Artikel 3.31

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ter uitvoering van artikel 10, eerste lid, van de Verordening invasieve uitheemse soorten.

Artikel 3.31 biedt een grondslag om ter uitvoering van de Europese verordening inzake invasieve exoten over enkele onderwerpen regels te stellen bij ministeriële regeling. In paragraaf 4.5 van deze nota van toelichting is daarop nader ingegaan.

Artikel 3.32

1. Gedeputeerde staten zijn belast met het uitvoeren in hun provincie van uitroeiingsmaatregelen als bedoeld in artikel 17 van de Verordening invasieve uitheemse soorten, beheersmaatregelen als bedoeld in artikel 19 van de Verordening invasieve uitheemse soorten en herstelmaatregelen als bedoeld in artikel 20 van de Verordening invasieve uitheemse soorten, ten aanzien van bij ministeriële regeling aangewezen uitheemse invasieve soorten die worden genoemd op de Unielijst, bedoeld in artikel 4 van de Verordening invasieve uitheemse soorten.
2. De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats in overeenstemming met gedeputeerde staten, bedoeld in het eerste lid.
3. Bij de ministeriële regeling, bedoeld in het eerste lid, kunnen nadere regels worden gesteld over de maatregelen, bedoeld in het eerste lid. Deze regels kunnen in elk geval betrekking hebben op:
a. de door gedeputeerde staten te gebruiken methoden, bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Verordening invasieve uitheemse soorten;
b. de rangschikking naar prioriteit van beheersmaatregelen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Verordening invasieve uitheemse soorten;
c. de aard van de door gedeputeerde staten te nemen beheersmaatregelen, overeenkomstig artikel 19, tweede en derde lid, van de Verordening invasieve uitheemse soorten;
d. de aard van de door gedeputeerde staten te nemen herstelmaatregelen, overeenkomstig artikel 20, eerste en tweede lid, van de Verordening invasieve uitheemse soorten, en
e. de gegevens die gedeputeerden aan Onze Minister verstrekken over de uitvoering van de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, en over de aanwezigheid van dieren van invasieve uitheemse soorten in hun provincie.

HOOFDSTUK 4. BESTUURLIJKE BOETEN

Artikel 4.1

1. Als gedragingen als bedoeld in artikel 7.6, eerste lid, van de wet worden aangewezen:
a. het binnenbrengen in de Gemeenschap van een specimen in strijd met het bepaalde in artikel 4, derde en vierde lid, van de CITES-basisverordening;
b. handelen in strijd met een voorwaarde of vereiste, verbonden aan een vergunning of certificaat op grond van artikel 11, derde lid, van de CITES-basisverordening, voor zover de voorwaarde of het vereiste ziet op de administratie, de verstrekking van gegevens of het merken van dieren, planten of eieren;
c. handelen in strijd met de artikelen 33, eerste lid, onderdeel c, en 40, eerste lid, onderdeel d, van de CITES-uitvoeringsverordening van de Commissie van 4 mei 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PB L 166), en
d. handelen in strijd met het bepaalde bij of krachtens de artikelen 3.27 en 3.28 van dit besluit.
2. De op grond van 7.6, tweede lid, vast te stellen bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste 50% van het bedrag dat is vastgesteld voor de eerste categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
3. In afwijking van het tweede lid bedraagt de op grond van 7.6, tweede lid, vast te stellen bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de eerste categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, indien ten tijde van het begaan van een overtreding nog geen vijf jaren zijn verstreken sinds een eerder aan de overtreder opgelegde bestuurlijke boete voor een overtreding, behorende tot eenzelfde categorie van gedragingen als bedoeld in het eerste lid, onherroepelijk is geworden.

Dit artikel, waarin de gedragingen zijn aangewezen ten aanzien waarvan een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, is toegelicht in hoofdstuk 5 van deze nota van toelichting. Er zijn geen gedragingen aangewezen met betrekking tot hout of houtproducten. De eerder aangehaalde Europese houtverordening en FLEGT-verordening bevatten geen bepalingen inzake administratie, verstrekken van gegevens of het merken van hout en houtproducten. Dergelijke regels zijn ook niet gesteld in dit besluit op grond van artikel 4.6, vierde lid, van de wet.

HOOFDSTUK 5. SLOTBEPALINGEN

TITEL 5.1. WIJZIGING ANDERE REGELGEVING

Artikel 5.1

In hoofdstuk III van de bijlage bij het Aanwijzingsbesluit Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken worden de beschrijvingen van categorieën van beperkingenbesluiten op grond van de Boswet, de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998 vervangen door de volgende beschrijving:

Wet natuurbescherming
– (artikel 2.1, eerste lid) aanwijzing door de Minister van Economische Zaken van een gebied als Natura 2000-gebied;
– (artikel 2.11, eerste lid) aanwijzing door de Minister van Economische Zaken van een gebied als bijzonder nationaal natuurgebied;
– (artikel 4.2, derde lid) bij besluit van gedeputeerde staten of de Minister van Economische Zaken (krachtens artikel 1.3, vijfde lid) opgelegd verbod op het vellen van houtopstanden.

De Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken voorziet in een betere kenbaarheid voor burgers en bedrijven van publiekrechtelijke beperkingen ten aanzien van onroerende zaken, in het belang van de rechtszekerheid in het vastgoedverkeer, de toegankelijkheid van overheidsinformatie en een goede vervulling van publiekrechtelijke taken. De beperkingenbesluiten van andere overheden dan gemeenten, zoals hier aan de orde, dienen te worden ingeschreven in de openbare registers. De gegevens van die beperkingenbesluiten worden opgenomen in de kadastrale registratie (artikel 15 van die wet).

In het Aanwijzingsbesluit Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken waren op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken publiekrechtelijke beperkingsbesluiten aangewezen die waren opgenomen in de toenmalige natuurwetgeving, te weten het besluit tot het opleggen van een kapverbod op grond van de Boswet, de al dan niet voorlopige aanwijzing van gebieden als beschermde leefomgeving op grond van de Flora- en faunawet, de al dan niet voorlopige aanwijzing van gebieden als beschermd natuurmonument of Natura 2000-gebied, en de aanwijzing van gebieden ter uitvoering van een internationale verplichting, op grond van de Natuurbeschermingswet 1998.

Met de invoering van de Wet natuurbescherming zijn van deze opgesomde categorieën van beperkingsbesluiten alleen de Natura 2000-gebieden en het besluit tot het opleggen van een kapverbod blijven bestaan; de overige besluiten zijn vervallen. Nieuw is de mogelijkheid tot aanwijzing van een gebied als bijzonder nationaal natuurgebied als bedoeld in artikel 2.11 van de Wet natuurbescherming.

Het Aanwijzingsbesluit Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken wordt dienovereenkomstig aangepast.

Artikel 5.2

In de definitie van «gebied van bijzondere landschappelijke waarde» van artikel 1 van het Besluit bestrijding bacterievuur 1983 wordt «een gebied dat als beschermd natuurmonument is aangewezen in het kader van de Natuurbeschermingswet (1967, Stb. 572)» vervangen door: een gebied dat is aangewezen als Natura 2000-gebied, bijzonder nationaal natuurgebied, bijzonder provinciaal landschap of als gebied behorende tot het natuurnetwerk Nederland als bedoeld in de Wet natuurbescherming.

Op grond van artikel 3, eerste en tweede lid, van het Besluit bestrijding bacterievuur kan de Minister van Economische Zaken ter voorkoming van de verspreiding van bacterievuur, bij regeling het opplanten, bewaren en vervoeren van planten, behorende tot door hem aangewezen geslachten en soorten verbieden. Hierbij kan onder voorwaarden een uitzondering op die verboden worden getroffen voor de teelt in een gebied van bijzondere landschappelijke waarde (artikel 3, derde lid, van dat besluit). In de definitie van «gebied van bijzondere landschappelijke waarde» in artikel 1 van het besluit werd verwezen naar beschermde natuurmonumenten als bedoeld in de vroegere Natuurbeschermingswet uit 1967. Artikel 5.2 van het onderhavige besluit voorziet in de actualisering van deze verwijzing en zorgt ervoor dat alle in de Wet natuurbescherming opgenomen gebiedscategorieën worden genoemd.

Artikel 5.3

De bijlage bij het Besluit Bibob wordt als volgt gewijzigd:

A

Het onderdeel «Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I)» komt te luiden: Ministerie van Economische Zaken (EZ).

B

In het onderdeel «Ministerie van Economische Zaken (EZ)» (nieuw) vervalt het onderdeel Faunafonds.

De Wet bevordering integriteitsbeoordelingen openbaar bestuur voorziet onder meer in de mogelijkheid dat rechtspersonen met een wettelijke taak advies vragen aan het Bureau integriteitsbeoordelingen openbaar bestuur met betrekking tot bepaalde overheidsopdrachten of vastgoedtransacties. Artikel 1, tweede lid, van die wet voorziet in de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur zelfstandige bestuursorganen aan te wijzen als een zodanige rechtspersoon met een wettelijke taak. Artikel 2 van het Besluit Bibob geeft daar invulling aan. In de bij dat artikel behorende bijlage wordt ook het bij de toenmalige Flora- en faunawet ingestelde Faunafonds genoemd. Het Faunafonds komt evenwel in de Wet natuurbescherming niet meer terug; de taken van het Faunafonds zijn in het kader van de decentralisatie-afspraken tussen Rijk en provincies belegd bij de provincies. Artikel 5.3 van het onderhavige besluit voorziet derhalve in het schappen van de verwijzing naar het Faunafonds in de bijlage. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt in het opschrift van het desbetreffende onderdeel de aanduiding van het verantwoordelijke ministerie – het Ministerie van Economische Zaken – te actualiseren.

Artikel 5.4

Het Besluit houders van dieren wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1.4, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, komt te luiden:

2°. is niet verboden bij artikel 3.2, eerste lid, of 3.6, eerste lid, van de Wet natuurbescherming, in samenhang met artikel 3.2, tweede en derde lid, onderscheidenlijk artikel 3.6, derde lid, van die wet en krachtens artikel 3.3, derde lid, onderscheidenlijk 3.8, derde lid, van die wet verleende ontheffingen of vrijstellingen, en is niet verboden op grond van bij of krachtens artikel 3.37, 3.38 of 3.39 van de Wet natuurbescherming, gestelde regels, in samenhang met krachtens artikel 3.40 van die wet verleende ontheffingen of vrijstellingen, of.

B

In artikel 4.2, tweede lid, onderdeel a, wordt «die op grond van de artikelen 4 en 5 van de Flora- en faunawet zijn aangewezen» vervangen door: genoemd in bijlage IIa.

C

Na bijlage II wordt een bijlage ingevoegd, luidende:

Bijlage IIa. Diersoorten als bedoeld in artikel 4.2, tweede lid, onderdeel a.

a. vogelsoorten als bedoeld in artikel 1 van de richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PbEU 2010, L 20);
b. diersoorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG 1992 L 206);
c. diersoorten, genoemd in bijlage A, B, C of D bij verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van de Europese Unie van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEG L 61);
d. diersoorten als bedoeld in verordening (EG) nr. 1007/2009 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 september 2009 betreffende de handel in zeehondenproducten (PbEU L 286);
e. diersoorten, genoemd in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 3254/91 van de Raad van 4 november 1991 houdende een verbod op het gebruik van de wildklem in de Gemeenschap en op het binnenbrengen in de Gemeenschap van pelzen en produkten die vervaardigd zijn van bepaalde in het wild levende diersoorten uit landen waar gebruik wordt gemaakt van de wildklem of andere vangmethoden die niet stroken met de internationale normen voor humane vangst met behulp van vallen (PbEG L 308);
f. diersoorten, genoemd in bijlage II bij het op 19 september 1979 te Bern tot stand gekomen Verdrag inzake het behoud van wilde dieren en planten en hun natuurlijke leefmilieus (Trb. 1980, 60), naar de tekst zoals deze bij dat verdrag is vastgesteld;
g. diersoorten, genoemd in bijlage I bij het op 23 juni 1979 te Bonn tot stand gekomen Verdrag inzake de bescherming van trekkende wilde diersoorten (Trb. 1980, 145) naar de tekst zoals deze bij dat verdrag is vastgesteld;
h. diersoorten, genoemd in onderdeel A van de bijlage bij de Wet natuurbescherming.

Op grond van artikel 2.2, eerste lid, van de Wet dieren is het verboden dieren te houden van soorten of categorieën die door de Minister van Economische Zaken zijn aangewezen (de zogenoemde positieflijst van de Regeling houders van dieren). In artikel 1.4, eerste lid, van het Besluit houders van dieren zijn krachtens die wet criteria vastgesteld voor deze aanwijzing.

Eén van deze criteria was dat het houden van dieren van de betreffende soorten of categorieën niet is verboden op grond van de Flora- en faunawet (artikel 1.4, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, van dat besluit). Het gaat hier om alle inheemse en uitheemse diersoorten en invasieve exoten die bij of krachtens de Flora- en faunawet waren aangewezen en daarmee onder de verboden van die wet te brengen. Die verboden strekken zich ook uit tot het houden van dieren van de betrokken soorten, ook gefokte exemplaren, tenzij er krachtens artikel 75 van die wet ten aanzien van een diersoort ontheffing of vrijstelling van het verbod op het houden was verleend. Daarin voorzag het toenmalige Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten.

In de Wet natuurbescherming zijn de verboden ten aanzien van het onder zich hebben van nature in Nederland in het wild levende vogels en dieren van soorten, genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage I bij het Verdrag van Bonn of bijlage II bij het Verdrag van Bern, gesteld in de artikelen 3.2, eerste lid, en 3.6, eerste lid. Daarbij voorzien de betrokken wetsartikelen zelf in enkele uitzonderingen. Daarnaast bieden de artikelen de artikelen 3.3, derde lid, en 3.8, derde lid, van die wet in de mogelijkheid om ontheffing of vrijstelling te verlenen. Voorts kan het onder zich houden van dieren verboden zijn op grond van regels die op grond van de artikelen 3.37 en 3.38 van de wet zijn gesteld ter uitvoering van EU-verordeningen en EU-richtlijnen, of verboden zijn op grond van artikel 3.39 van de wet voor zover het betreft bij algemene maatregel van bestuur aangewezen invasieve exoten. Een uitzondering geldt indien van die verboden ontheffing of vrijstelling is verleend op grond van artikel 3.40 van die wet. De verwijzingen in artikel 1.4, onderdeel b, onder 2°, van het Besluit houders van dieren worden met artikel 5.4, onderdeel A, in overeenstemming gebracht met de regels die op grond van de Wet natuurbescherming bepalen of een dier al dan niet mag worden gehouden.

Ingevolge artikel 4.2, eerste lid, van het Besluit houders van dieren is het verboden een dierentuin te exploiteren zonder een daartoe door de Minister van Economische Zaken verstrekte vergunning. Ingevolge het tweede lid van dat artikellid geldt deze vergunningplicht niet ingeval aan een aantal cumulatieve voorwaarden is voldaan, waaronder de in onderdeel a van dat artikellid genoemde voorwaarde dat het niet gaat om dieren van krachtens de Flora- en faunawet aangewezen beschermde inheemse of uitheemse diersoorten. In de Wet natuurbescherming is niet langer voorzien in de aanwijzing van beschermde inheemse of uitheemse diersoorten. De wet zelf bevat ter bescherming van dieren verschillende verboden, waaronder de verboden om dieren te vangen of onder zich te houden, en regelt ten aanzien van welke soorten deze verboden gelden. En voor zover krachtens de wet regels worden gesteld die dienen ter uitvoering van EU-verordeningen en EU-richtlijnen die voorzien in een vang-verbod of houderverbod, wordt aangesloten bij de soorten genoemd in de desbetreffende verordeningen en richtlijnen. Gegeven deze gewijzigde wetssystematiek is ervoor gekozen de diersoorten die op grond van de Wet natuurbescherming niet mogen worden gevangen of gehouden op te sommen in een nieuwe bijlage IIa (artikel 5.4, onderdelen B en C).

Artikel 5.5

In artikel 14, onderdeel g, van het Besluit inrichting landelijk gebied wordt «een herbeplantingsplicht als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Boswet geldt» vervangen door: een herbeplantingsplicht als bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, van de Wet natuurbescherming geldt.

Ingevolge artikel 14, aanhef en onderdeel g, van het Besluit inrichting landelijk gebied kunnen in een ruilplan dat wordt opgesteld in het kader van een inrichtingsproject dat voorziet in herverkaveling, geen gronden worden opgenomen waarop een houtopstand die groter is dan 10 are heeft gestaan en waarvoor een herbeplantingsplicht als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Boswet geldt. De verwijzing naar de betrokken bepaling van de Boswet wordt met artikel 5.5 van het onderhavige besluit vervangen door de verwijzing naar de bepaling die in de Wet natuurbescherming de herbeplantingsplicht regelt.

Artikel 5.6

Het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 4, tweede lid, onderdeel r, wordt «Flora- en faunawet» vervangen door: hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming.

B

In artikel 13, derde lid, onderdeel b, komt te luiden:

b. hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming;.

C

In artikel 16, onderdeel d, wordt «van de Flora- en faunawet» vervangen door: van hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming.

Het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens strekt ter uitvoering van enkele bepalingen van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, die regels stelt over de verwerking van justitiële en strafvorderlijke gegevens. In artikel 4 van het genoemde besluit wordt geregeld welke gegevens als zodanig hebben te gelden. In de artikelen 13 en 16 worden regels gesteld over de verstrekking van dergelijke gegevens ten behoeve van het nemen van bestuursbesluiten of de uitoefening van een wettelijke taak. Dat speelt – waar het de natuurwetgeving betreft – in het bijzonder waar het gaat om informatie die van belang is voor de uitoefening van bevoegdheden en taken in het kader van de soortenbeschermingsbepalingen. Te denken valt bijvoorbeeld aan de ontheffingverlening of vrijstelling voor het doden van dieren in het kader van beheer en schadebestrijding en de aanwijzing daarbij van middelen die soms ook vallen onder de Wet wapens en munitie. Te denken valt bijvoorbeeld ook aan de taak van de korpschef, die is belast met de verlening van de jachtakte en die de akte onder meer moet weigeren ingeval er grond is om aan te nemen dat de aanvrager van de bevoegdheid een geweer en munitie voorhanden te hebben, van de bevoegdheid om de jacht uit te oefenen, of van de hem toekomende bevoegdheden in het kader van beheer en schadebestrijding misbruik zal maken, of een zodanig gebruik zal maken dat hij een gevaar voor zichzelf, de openbare orde of de veiligheid kan gaan vormen. De akte wordt ook geweigerd als er grond is om aan te nemen dat de aanvrager nalatig zal zijn te doen wat een goed jager betaamt bij de uitoefening van de jacht of wanneer de aanvrager in de voorgaande 2 jaren wegens handelen in strijd met de Wet natuurbescherming is veroordeeld of jegens hem een strafbeschikking is uitgevaardigd. Tegen die achtergrond wordt in verschillende bepalingen van het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens verwezen naar de Flora- en faunawet. Met artikel 5.6 worden deze verwijzingen vervangen door verwijzingen naar hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming, welk hoofdstuk thans de regels in het kader van de soortenbescherming bevat.

Artikel 5.7

In artikel 2, tweede lid, van het Besluit ontgrondingen in rijkswateren wordt «krachtens artikel 10, eerste lid, of 10a, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998» wordt vervangen door: krachtens artikel 2.1, eerste lid, van de Wet natuurbescherming.

Artikel 3, eerste lid, van de Ontgrondingenwet voorziet in een vergunningplicht voor ontgrondingen die plaatsvinden in rijkswateren. Artikel 2, eerste lid, van het Besluit ontgrondingen voorziet in de uitzondering op de vergunningplicht voor bepaalde activiteiten in de Noordzee. Deze uitzondering geldt ingevolge het tweede lid van dat artikel niet voor de uitoefening van die activiteiten in gebieden die nog als beschermd natuurmonument of als Natura 2000-gebied moeten worden aangewezen, maar waarvoor daarop vooruitlopend in een bijzondere bescherming is voorzien overeenkomstig het Integraal Beheerplan Noordzee 2015. Gegeven het vervallen van de bijzondere bescherming in de Wet natuurbescherming voor beschermde natuurmonumenten, kan de betrokken uitzondering beperkt worden tot gebieden waarvoor het voornemen bestaat deze als Natura 2000-gebied aan te wijzen. Met artikel 5.7 van het onderhavige besluit wordt deze wijziging doorgevoerd, waarbij de verwijzing ten aanzien van Natura 2000-gebieden naar de toenmalige Natuurbeschermingswet 1998 wordt vervangen door een verwijzing naar artikel 2.1, eerste lid, van de Wet natuurbescherming, dat de aanwijzing van Natura 2000-gebieden regelt.

Artikel 5.8

In artikel 4:3, vijfde lid, vierde gedachtestreep, van het Besluit politiegegevens wordt «Flora- en faunawet» vervangen door: Wet natuurbescherming.

Het Besluit politiegegevens voorziet onder meer – in artikel 4:3, vijfde lid – in de verstrekking van politiegegevens aan de korpschef, ten behoeve van het nemen van beschikkingen omtrent het verlenen of intrekken van jachtakten op grond van de Flora- en faunawet. Deze bevoegdheid van de korpschef is thans geregeld in de Wet natuurbescherming, in artikel 3.28. Artikel 5.9 brengt het Besluit politiegegevens daarmee in overeenstemming. Wat betreft de relevantie van de betrokken gegevens zij ook verwezen naar de toelichting bij artikel 5.6.

Artikel 5.9

Het Besluit omgevingsrecht wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan het slot van het opschrift van artikel 2.2a wordt toegevoegd: (milieu).

B

Na artikel 2.2a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2.2aa. Activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving (Natura 2000-activiteiten en flora- en fauna-activiteiten)

Als categorie activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de wet, worden tevens aangewezen:
a. het realiseren van een project of het verrichten van een andere handeling als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming, behoudens de gevallen, bedoeld in de artikelen 2.9, eerste, tweede, derde of vijfde lid, of 9.4, eerste, achtste of negende lid, van die wet, artikel 9, vijfde lid, van de Spoedwet wegverbreding of artikel 13, achtste lid, van de Tracéwet, voor zover dat project, onderscheidenlijk die handeling bestaat uit een activiteit waarop het verbod, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdelen a tot en met h of in artikel 2.2 van de wet, of bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel i, van de wet in samenhang met artikel 2.2a van toepassing is en voor zover voor dat project, onderscheidenlijk voor die andere handeling geen vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming is aangevraagd of verleend;
b. het verrichten van een handeling als bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 of 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming, behoudens de gevallen, bedoeld in de artikelen 3.3, tweede of zevende lid, 3.8, tweede of zevende lid, 3.10, tweede of derde lid, of 3.31, eerste lid, voor zover die handeling bestaat uit een activiteit waarop het verbod, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdelen a tot en met h of in artikel 2.2 van de wet, of bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel i, van de wet in samenhang met artikel 2.2a van toepassing is en voor zover voor die handeling geen ontheffing als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, 3.8, eerste lid of 3.10, tweede lid in samenhang met 3.8, eerste lid, is aangevraagd of verleend.

C

Aan hoofdstuk 5 wordt een paragraaf toegevoegd, luidende:

§ 5.6. Regels met betrekking tot Natura 2000-activiteiten en flora- en fauna-activiteiten

Artikel 5.21. Regels voor de beoordeling van een aanvraag
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel a, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend op de gronden die zijn aangegeven in de artikelen 2.8 en 5.5, derde lid, van de Wet natuurbescherming, het bepaalde krachtens artikel 2.9, zevende lid, van die wet en de artikelen 2.13 en 2.14 van het Besluit natuurbescherming.
2. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel b, en het betreft een handeling als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend op de gronden die zijn aangegeven in artikel 3.3, vierde lid, van de Wet natuurbescherming.
3. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel b, en het betreft een handeling als bedoeld in artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend op de gronden die zijn aangegeven in artikel 3.8, vijfde lid, van de Wet natuurbescherming.
4. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel b, en het betreft een handeling als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend op de gronden die zijn aangegeven in artikel 3.8, vijfde lid, of 3.10, tweede lid, van de Wet natuurbescherming.

Artikel 5.22. Regels met betrekking tot aan een vergunning te verbinden voorschriften
1. Aan een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel a, wordt, ingeval toepassing wordt gegeven aan artikel 5.21, eerste lid in samenhang met artikel 2.8, vierde lid, van de Wet natuurbescherming, het voorschrift verbonden dat compenserende maatregelen als bedoeld in artikel 2.8, vierde lid, onder c, van die wet worden getroffen. Behoudens gevallen waarin artikel 6.10a, tweede lid, van toepassing is, melden gedeputeerde staten de compenserende maatregelen aan Onze Minister van Economische Zaken, die de Europese Commissie van de maatregelen op de hoogte stelt.
2. Aan een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel b, voor zover het betreft een handeling als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming, worden voorschriften verbonden als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, van de Wet natuurbescherming.
Artikel 5.23. Regels over de wijziging van de voorschriften van een vergunning, bedoeld in artikel 2.31 van de wet
1. Het bevoegd gezag wijzigt voorschriften van de omgevingsvergunning die betrekking hebben op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel a, op de grond die is aangegeven in artikel 5.4, tweede lid, van de Wet natuurbescherming.
2. Het bevoegd gezag kan voorschriften van de omgevingsvergunning die betrekking hebben op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel a, wijzigen op de gronden die zijn aangegeven in artikel 5.4, eerste lid, onderdelen c en d, van de Wet natuurbescherming.
3. Het bevoegd gezag kan voorschriften van de omgevingsvergunning die betrekking hebben op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel b, wijzigen op de gronden die zijn aangegeven in artikel 5.4, eerste, onderdelen c en d, van de Wet natuurbescherming.

Artikel 5.24. Regels over de intrekking van een vergunning, bedoeld in artikel 2.33 van de wet
1. Het bevoegd gezag trekt een omgevingsvergunning voor zover die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel a, geheel of gedeeltelijk in op de grond die is aangegeven in artikel 5.4, tweede lid, van de Wet natuurbescherming.
2. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning voor zover die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel a, geheel of gedeeltelijk intrekken op de gronden die zijn aangegeven in artikel 5.4, eerste lid, onderdelen c en d, van de Wet natuurbescherming.
3. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning voor zover die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel b, geheel of gedeeltelijk intrekken op de gronden die zijn aangegeven in artikel 5.4, eerste lid, onderdelen c en d, van de Wet natuurbescherming.

D

Na hoofdstuk 5 wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:
Hoofdstuk 5a. Uitgebreide voorbereidingsprocedure
Artikel 5a.1. Aanvullende aanwijzing van categorieën gevallen waarin afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is
Als categorie als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel f, van de wet worden aangewezen gevallen als bedoeld in artikel 6.10a, derde lid.

E

Aan paragraaf 6.2 worden twee artikelen toegevoegd, luidende:

Artikel 6.10a. Natura 2000- en flora- en fauna-activiteiten
1. Voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel a of b, wordt de omgevingsvergunning niet verleend dan nadat gedeputeerde staten als bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, van de Wet natuurbescherming hebben verklaard dat zij daartegen geen bedenkingen hebben.
2. Indien de activiteit betrekking heeft op een project of handeling behorend tot een in artikel 1.3, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming aangewezen categorie van projecten en handelingen, wordt in het eerste lid in plaats van «gedeputeerde staten als bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, van de Wet natuurbescherming hebben verklaard dat zij daartegen geen bedenkingen hebben» gelezen «Onze Minister van Economische Zaken heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft».
3. Het eerste lid, al dan niet in samenhang met het tweede lid, is niet van toepassing indien gedeputeerde staten als bedoeld in het eerste lid tevens het bevoegd gezag zijn, onderscheidenlijk indien Onze Minister van Economische Zaken tevens het bevoegd gezag is, om te beslissen op de desbetreffende aanvraag om een omgevingsvergunning.
4. Een verklaring kan slechts worden gegeven:
a. voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.aa, onderdeel a: op de gronden, die zijn aangegeven in artikel 2.8 en artikel 5.5, derde lid, van de Wet natuurbescherming, het bepaalde krachtens artikel 2.9, zevende lid, van die wet en de artikelen 2.13 en 2.14 van het Besluit natuurbescherming.
b. voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel b:
1°. voor zover het betreft een handeling als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming: op de gronden, aangegeven in artikel 3.3, vierde lid, van de Wet natuurbescherming;
2°. voor zover het betreft een handeling als bedoeld in artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming: op de gronden, aangegeven in artikel 3.8, vijfde lid, van de Wet natuurbescherming;
3°. voor zover het betreft een handeling als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming: op de gronden, aangegeven in artikel 3.8, vijfde lid, of 3.10, tweede lid, van de Wet natuurbescherming.
5. Ingeval de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel a, wordt in voorkomend geval in de verklaring opgenomen hoeveel ontwikkelingsruimte overeenkomstig artikel 2.7, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van het Besluit natuurbescherming wordt toegedeeld aan het project, onderscheidenlijk de andere handeling.

Artikel 6.10b. Verplicht verzoek vvgb-orgaan tot intrekking of wijziging omgevingsvergunningen voor Natura 2000-activiteiten
Voor zover een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel a, geeft een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 6.10a, eerste of tweede lid, toepassing aan artikel 2.29, eerste lid, van de wet in het geval, bedoeld in artikel 5.4, tweede lid, van de Wet natuurbescherming.

In paragraaf 6.3.3 is gemeld dat het kabinet heeft besloten om in plaats van de invoering van de verplichte aanhaking van de natuurtoetsen in de omgevingsvergunning te kiezen voor de continuering van de zogenoemde vrijwillige aanhaking. Net als voorheen op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (artikel 47 tot en met 47d) en de Flora- en faunawet (artikel 75b tot en met 75e) kan een burger of bedrijf ervoor kiezen om de Natura 2000- en de flora- en faunatoetsen onderdeel te laten zijn van de omgevingsvergunning. In dat geval is de gemeente het bevoegd gezag voor de verlening en de bestuurlijke handhaving van de vergunning, inclusief de onderdelen ervan die betrekking hebben op deze natuuraspecten (artikel 2.1, eerste lid, en artikel 5.2, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht). Gedeputeerde staten, en in uitzonderingsgevallen de Staatssecretaris van Economische Zaken, verrichten bij de behandeling van de aanvraag van de omgevingsvergunning de inhoudelijke beoordeling van de natuuraspecten (artikel 6.10a, eerste en tweede lid, nieuw van het Besluit omgevingsrecht) en geven bij een positief oordeel een verklaring van geen bedenkingen af. Zonder deze verklaring wordt de aangevraagde omgevingsvergunning niet verleend (artikel 2.27, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht).

Onderdeel A

Dit onderdeel bevat een tekstuele aanpassing van het opschrift van artikel 2.2a. Deze toevoeging houdt verband met het nieuwe artikel 2.2aa (zie hierna onderdeel B) en strekt ertoe de onderlinge verhouding tussen beide artikelen te verduidelijken.

Onderdeel B

Op grond van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is in artikel 2.2aa (nieuw) van het Besluit omgevingsrecht (artikel 5.9, onderdeel B) geregeld dat de Natura 2000-toets en de flora- en faunatoets onderdeel zijn van de omgevingsvergunning ingeval degene die de desbetreffende activiteit verricht daarvoor kiest.

In dat geval wordt bij de beoordeling van de aanvraag van de omgevingsvergunning getoetst aan de inhoudelijke eisen van de Wet natuurbescherming ter bescherming van Natura 2000-gebieden (artikel 2.8 van de wet) en ter bescherming van dieren of planten (artikelen 3.3, 3.8 en 3.10, tweede lid). Dientengevolge geldt op grond van artikel 2.7, vierde lid, 3.3, zesde lid, 3.8, zesde lid en 3.10, tweede lid in samenhang met artikel 3.8, zesde lid, van de wet geen verplichting van respectievelijk een separate Natura 2000-vergunning of een separate flora- en fauna-ontheffing.

De vrijwillige aanhaking van de natuurtoets in de omgevingsvergunning is mogelijk als aan een aantal voorwaarden is voldaan, die in het eerste lid tot uitdrukking komen:

– voor de activiteit zou anders een Natura 2000-vergunning of een flora- en fauna-ontheffing vereist zijn.

Een Natura 2000-vergunning is vereist als de activiteit is aan te merken als een project of een andere handeling die verslechteringen of significant verstorende effecten tot gevolg kan hebben voor de natuurwaarden van een Natura 2000-gebied (artikel 2.7, tweede lid, van de wet). In een aantal gevallen geldt een uitzondering op deze vergunningplicht. Deze uitzonderingen zijn geregeld in de artikelen 2.9, eerste, tweede, derde en vijfde lid, in 9.4, eerste, achtste of negende lid. Hieronder valt bijvoorbeeld de situatie dat een project of handeling plaatsvindt overeenkomstig een beheerplan voor een Natura 2000-gebied. Hetzelfde geldt voor een handeling waarop een tracébesluit of een wegaanpassingsbesluit betrekking heeft (artikel 13, achtste lid, van de Tracéwet en artikel 9, vijfde lid, van de Spoedwet wegverbreding). In de situatie dat een uitzondering op de vergunningplicht geldt, is er geen aparte Natura 2000-toets meer nodig, wat met zich brengt dat het dan ook niet nodig is om de gevolgen voor een Natura 2000-gebied te beoordelen bij de behandeling van een aanvraag van een omgevingsvergunning.

Een flora- en fauna-ontheffing is vereist als een handeling zou leiden tot een inbreuk op een verbod ter bescherming van dieren of planten, zoals het doden of vangen van vogels of dieren van een beschermde soort (artikelen 3.1, 3.5, 3.6 of 3.10, eerste lid, van de wet). De wet voorziet in een aantal uitzonderingen op deze verboden, bijvoorbeeld als er een vrijstelling geldt of als overeenkomstig een goedgekeurde gedragscode wordt gehandeld. Deze uitzonderingen zijn geregeld in de artikelen 3.3, tweede en zevende lid, 3.8, tweede of zevende lid, 3.10, tweede lid in samenhang met artikel 3.8, tweede of zevende lid, 3.10, derde lid, en 3.31, van de wet. In die gevallen is geen ontheffing vereist en hoeven de gevolgen van de handeling voor dieren of planten van beschermde soorten te beoordelen bij de behandeling van een aanvraag van een omgevingsvergunning.

– voor de activiteit is een omgevingsvergunning vereist. In artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zijn de locatiegeboden activiteiten aangewezen waarvoor een verbod geldt om deze zonder omgevingsvergunning uit te voeren; ook in artikel 2.2a van het Besluit omgevingsrecht zijn krachtens artikel 2.1, eerste lid, onderdeel i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht categorieën van activiteiten aangewezen waarvoor een omgevingsvergunning is vereist. Verder kan een omgevingsvergunning vereist zijn voor bepaalde, in artikel 2.2, eerste lid, van de Wet algemene maatregelen van bestuur genoemde categorieën van activiteiten, als gevolg van regelgeving van provincies of gemeenten.

Wanneer voor een activiteit geen omgevingsvergunning is vereist, kunnen de natuurtoetsen vanzelfsprekend geen onderdeel zijn van de omgevingsvergunning en is een separate vergunning of ontheffing vereist. Dit is bijvoorbeeld het geval bij bepaalde sloopwerkzaamheden (artikel 2.6 van het Besluit omgevingsrecht).

– degene die de activiteit uitvoert moet er voor kiezen om de natuurtoets onderdeel te laten zijn van de omgevingsvergunning. Wie aan aanvraag doet voor een separate Natura 2000-vergunning of flora- en fauna-ontheffing, wordt geacht niet te hebben gekozen voor de mogelijkheid van vrijwillige aanhaking. Datzelfde geldt uiteraard voor de gevallen waarin de vergunning of ontheffing is verleend.

Onderdeel C

In het Besluit omgevingsrecht wordt een nieuwe paragraaf 5.6 opgenomen (artikel 5.9, onderdeel C).

Het nieuwe artikel 5.21, eerste lid, regelt aan welk kader de gevolgen van een activiteit voor Natura 2000 moeten worden getoetst. Dat zijn de regels, gesteld in artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming en in aanvulling daarop de meetmethoden (artikel 2.9, zevende lid, van de Wet natuurbescherming), het verbod op externe saldering bij stikstof (artikel 5.5, derde lid, van de Wet natuurbescherming) en de grenswaarde voor stikstof in het kader van de programmatische aanpak stikstof (artikel 5.5, tweede lid, van de Wet natuurbescherming in samenhang met artikel 2.13 van het onderhavige besluit).

Het tweede, derde en vierde lid regelen de kaders voor toetsing van omgevingsvergunningen voor handelingen met gevolgen voor respectievelijk vogels, dieren en planten van beschermde soorten van Europees belang en dieren en planten van soorten van overige beschermde soorten.

Het nieuwe artikel 5.22 voorziet in regels over de aan de omgevingsvergunning te verbinden voorschriften.

Het eerste lid heeft betrekking op omgevingsvergunningen voor projecten ten aanzien waarvan op basis van de uitgevoerde passende beoordeling niet kan worden uitgesloten dat zij de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied kunnen aantasten, maar het bevoegd gezag wegens dwingende redenen van groot openbaar belang en bij gebreke van reële alternatieven toch vergunning wil verlenen. Dat kan alleen als adequate compensatie plaatsvindt voor de aantasting van de natuurwaarden, zodanig dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. De compenserende maatregelen moeten zijn geborgd en daartoe zijn vastgelegd in de vergunning. Deze eisen – die voortvloeien uit artikel 6, vierde lid, van de Habitatrichtlijn – zijn ten aanzien van de Natura 2000-vergunning gesteld in artikel 2.8, vierde en zevende lid, van de Wet natuurbescherming. Op basis hiervan geven gedeputeerde staten of in voorkomend geval de Minister van Economische Zaken ingevolge artikel 2.22, tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in de verklaring van geen bedenkingen (zie het nieuwe artikel 6.10a van het Besluit omgevingsrecht) aan dat aan de omgevingsvergunning het voorschrift moet worden verbonden om de desbetreffende compenserende maatregelen te treffen.

Verduidelijkt wordt dat gedeputeerde staten in hun rol als bestuursorgaan dat de verklaring van geen bedenkingen verleent, van deze compenserende maatregelen melding doen aan de Minister van Economische Zaken, zodat hij de Europese Commissie overeenkomstig artikel 6, vierde lid, van de Habitatrichtlijn hiervan op de hoogte kan brengen. Voor separate Natura 2000-vergunningen geldt een zelfde regeling (artikel 2.8, zevende lid, tweede volzin, van de Wet natuurbescherming).

Het tweede lid heeft betrekking op vergunningen waarin het wordt toegestaan om vogels te vangen en doden. Voor de reguliere ontheffing van het verbod op het vangen of doden van vogels op grond van de Wet natuurbescherming vereist artikel 3.3, vijfde lid, van die wet dat in de ontheffing voorschriften worden opgenomen over de te gebruiken middelen, installaties of methoden, de tijd en plaats waarvoor de omgevingsvergunning geldt en de wijze waarop het risico voor het behoud van de vogelstand wordt beperkt. Dit ter uitvoering van artikel 9 van de Vogelrichtlijn. Het tweede lid waarborgt dat deze voorschriften ook worden verbonden aan de omgevingsvergunning. Ook hiervoor geldt dat ingevolge artikel 2.22, tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht gedeputeerde staten of in voorkomend geval de Minister van Economische Zaken in de verklaring van geen bedenkingen (zie het nieuwe artikel 6.10a van het Besluit omgevingsrecht) aangeeft welke voorschriften terzake aan de omgevingsvergunning moet worden verbonden.

Het nieuwe artikel 5.23 regelt ter uitvoering van artikel 2.31, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, onderdeel c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht op welke gronden de voorschriften van de omgevingsvergunningen die betrekking hebben op een Natura 2000-activiteit of een flora- en fauna-activiteit, moeten of kunnen worden gewijzigd. Dit zijn dezelfde gronden waaronder de voorschriften van een separate Natura 2000-vergunning of een flora- en fauna-ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming moeten of kunnen worden gewijzigd (artikel 5.4, eerste en tweede lid, van die wet). Daarbij wordt in artikel 5.23 alleen verwezen naar artikel 5.4, eerste lid, onderdelen c en d, omdat de onderdelen a en b al worden bestreken door artikel 5.19 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Dat artikel bevat gronden voor de intrekking van de omgevingsvergunning als sanctie.

In het nieuwe artikel 5.24 zijn ter uitvoering van artikel 2.33, tweede lid, onderdeel f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht de gronden opgenomen waarop het bevoegd gezag de omgevingsvergunning, voor zover die betrekking heeft op een Natura 2000-activiteit of een flora- en fauna-activiteit, geheel of gedeeltelijk moet of kan intrekken. Verwezen wordt naar de bepalingen terzake in de Wet natuurbescherming (artikel 5.4, eerste, tweede en derde lid). Net als bij artikel 5.23 geldt ook bij artikel 5.24 dat alleen wordt verwezen naar artikel 5.4, eerste lid, onderdelen c en d, omdat de onderdelen a en b al worden bestreken door artikel 5.19 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Onderdeel D

Het nieuwe artikel 5a.1 (artikel 5.9, onderdeel D, van dit besluit) voorziet in een regeling over de categorieën van gevallen waarin de uitgebreide voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is op de voorbereiding van de besluiten over de verlening van de omgevingsvergunning.

In de meeste gevallen zal op grond van artikel 3.10, eerste lid, onderdeel e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht deze procedure van toepassing zijn op aanvragen van omgevingsvergunningen voor activiteiten met gevolgen voor een Natura 2000-gebied of voor beschermde flora of fauna, omdat een verklaring van geen bedenkingen van gedeputeerde staten of de Minister van Economische Zaken is vereist (zie het nieuwe artikel 6.10a, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht).

De situatie kan zich evenwel voordoen dat in plaats van de gemeente gedeputeerde staten bevoegd zijn of de Minister van Economische Zaken bevoegd is tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor een activiteit die tevens gevolgen heeft voor de natuur. In dat geval kan het zo zijn dat het bevoegd gezag voor de vergunningverlening en voor het geven van de verklaring van geen bedenkingen hetzelfde bestuursorgaan is. Het nieuwe artikel 6.10a, derde lid, van het Besluit omgevingsrecht regelt dat in die situatie geen verklaring van geen bedenkingen is vereist.

Ook in die situatie is het evenwel nodig dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure wordt toegepast, vanwege de belangrijke gevolgen voor de natuur en de belangen van derden. Het nieuwe artikel 5a.1 regelt dit en continueert daarmee artikel 47b, tweede lid, van de toenmalige Natuurbeschermingswet 1998.

Onderdeel E

Aan paragraaf 6.2 van het Besluit omgevingsrecht wordt een nieuw artikel 6.10a toegevoegd (artikel 5.99, onderdeel E, van het onderhavige besluit). Dat regelt dat de omgevingsvergunning slechts wordt verleend ingeval het bevoegd gezag dat normaliter bevoegd is voor de verlening van de vergunning of ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming, een verklaring van geen bedenkingen heeft gegeven (eerste lid). Er zij in dit verband op gewezen dat uit het systeem van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en het Besluit omgevingsrecht volgt dat een verklaring van geen bedenkingen ook is vereist bij het actualiseren, wijzigen of intrekken van de omgevingsvergunningen,193  ongeacht of dit ambtshalve gebeurt of op verzoek van de vergunninghouder of van een derde.194

Over het algemeen zijn dat gedeputeerde staten van de provincie waarin de activiteit plaatsvindt, soms – in de gevallen geregeld in artikel 1.3, tweede en derde lid, van het onderhavige besluit – is dat de Minister van Economische Zaken (tweede lid).

De verklaring van geen bedenkingen kan voorzien in aan de vergunning te verbinden voorschriften of beperkingen. Voorheen gold het vereiste van een verklaring van geen bedenkingen op grond van artikel 47b, eerste lid, van de toenmalige Natuurbeschermingswet 1998 en artikel 75d, eerste lid, van de toenmalige Flora- en faunawet. In de memorie van toelichting bij het voorstel voor de Wet natuurbescherming is destijds aangegeven dat dit vereiste zal worden gehandhaafd.195  Zo wordt zeker gesteld dat ingeval gemeenten de omgevingsvergunning verlenen door hen kan worden teruggevallen op de expertise op dit punt bij provincies en Rijk.196  In de gevallen dat het bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning hetzelfde is als het bestuursorgaan dat de verklaring van geen bedenkingen zou geven, dan valt een en ander samen en is er uiteraard geen verklaring van geen bedenkingen nodig is.

Een verklaring van geen bedenkingen mag uiteraard slechts worden verleend als is voldaan aan de kaders die normaliter gelden voor het verlenen van een zelfstandige Natura 2000-vergunning of ontheffing van de soortenbeschermingsbepalingen op grond van de Wet natuurbescherming. Deze kaders vloeien – behalve voor de soorten waarop artikel 3.10 van die wet betrekking heeft – onmiddellijk voort uit de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn (vierde lid).

Het vijfde lid heeft betrekking op omgevingsvergunningen voor projecten of andere handelingen die stikstofdepositie veroorzaken op een Natura 2000-gebied. De omgevingsvergunning is ingevolge artikel 2.7, eerste lid, van het onderhavige besluit één van de toestemmingsbesluiten waarbij met een beroep op het programma aanpak stikstof ontwikkelingsruimte kan worden toegedeeld aan een project dat stikstofdepositie veroorzaakt op een in dat programma opgenomen Natura 2000-gebied. De vaststelling dat er ontwikkelingsruimte is op grond van het programma voor de betrokken activiteit, maakt dat in de passende beoordeling bij de vergunningaanvraag voor de stikstofeffecten kan worden verwezen naar de aan het programma ten grondslag liggende, gebiedsspecifieke ecologische onderbouwing. De bij de omgevingsvergunning toe te delen ontwikkelingsruimte is onderdeel van de natuurtoets en wordt dus ook vastgesteld in de verklaring van geen bedenkingen; het vijfde lid van het nieuwe artikel 6.10a van het Besluit omgevingsrecht regelt dit. Het voor die verklaring bevoegde gezag – over het algemeen gedeputeerde staten van de betrokken provincie – draagt ook zorg voor de afschrijving van de ontwikkelingsruimte overeenkomstig de ter zake gestelde regels, zodat die ruimte niet meer voor andere activiteiten beschikbaar is (zie artikel 2.9, tweede lid, van het onderhavige besluit). De omvang van de benodigde ontwikkelingsruimte wordt berekend overeenkomstig de krachtens artikel 2.7, derde lid, van het onderhavige besluit in de Regeling natuurbescherming gestelde regels, en zal in de aanvraag om de omgevingsvergunning moeten worden aangegeven.

In het nieuwe artikel 6.10b wordt, op basis van artikel 7.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, geregeld dat het bestuursorgaan dat de verklaring van geen bedenkingen verleent, verplicht is het bevoegd gezag een verzoek tot wijziging of intrekking van de vergunning te doen als bedoeld in artikel 2.29 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, in een geval als bedoeld in artikel 5.4, tweede lid, van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om een geval waarin de noodzaak tot wijziging of intrekking voortvloeit uit artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. Op grond van de artikelen 2.31, eerste lid, onder a, en 2.33, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is het bevoegd gezag verplicht te voldoen aan een verzoek tot wijziging of intrekking van de vergunning van het tot de verlening van de verklaring van geen bedenkingen bevoegde bestuursorgaan.

Artikel 5.10

Het Bouwbesluit 2012 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 3.69, tweede lid, wordt «de Flora- en faunawet» vervangen door: hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming.

B

In artikel 3.73, tweede lid, wordt «de Flora- en faunawet» vervangen door: hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming.

De artikelen 3.69, tweede lid, en 3.73, tweede lid, van het Bouwbesluit laten in de daar bedoelde bouwconstructies grotere openingen toe dan bepaald in het eerste lid van die artikelen voor een nest of een vaste rust- of verblijfplaats voor bij of krachtens de Flora- en faunawet beschermde diersoorten. De verwijzing naar de toenmalige Flora- en faunawet wordt met artikel 5.10 van het onderhavige besluit vervangen door een verwijzing naar hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming, dat thans voorziet in de bescherming van diersoorten.

Artikel 5.11

In artikel 2, vierde lid, van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928 wordt «Boswet» vervangen door: Wet natuurbescherming.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Natuurschoonwet 1928 moet een landgoed, wil dat in aanmerking komen voor de fiscale faciliteiten van die wet, voldoen aan onder meer de eis dat de oppervlakte van de onroerende zaak is voor ten minste 30 percent bezet met houtopstanden of natuurterreinen. Het vierde lid van dat artikel laat toe dat een beperkt deel van die oppervlakte niet daadwerkelijk met houtopstanden is bezet, mits voor dat deel een herbeplantingsplicht geldt op grond van de Boswet. Met artikel 5.11 van het onderhavige besluit wordt de verwijzing naar de bepaling van de toenmalige Boswet vervangen door een verwijzing naar de inmiddels toepasselijke bepaling van de Wet natuurbescherming.

Artikel 5.12

Het Uitvoeringsbesluit rijkscoördinatieregeling energie-infrastructuurprojecten wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. In onderdeel a wordt «of op handelingen als bedoeld in artikel 46 of 47 van de Natuurbeschermingswet 1998 of artikel 75b van de Flora- en faunawet» vervangen door: of op projecten of handelingen als bedoeld in artikel 2.2aa van het Besluit omgevingsrecht.
2. Onderdeel b komt te luiden:
b. de artikelen 2.7, tweede lid, 3.3, eerste en derde lid, 3.8, eerste en derde lid, en 3.10, tweede lid in samenhang met 3.8, eerste of derde lid, van de Wet natuurbescherming;.
3. Onderdeel e vervalt.

B

Artikel 2, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. Onderdeel a komt te luiden:
a. In onderdeel a wordt «of op handelingen als bedoeld in artikel 46 of 47 van de Natuurbeschermingswet 1998 of artikel 75b van de Flora- en faunawet» vervangen door: of op projecten of handelingen als bedoeld in artikel 2.2aa van het Besluit omgevingsrecht.
2. Onderdeel b komt te luiden:
b. de artikelen 2.7, tweede lid, 3.3, eerste en derde lid, 3.8, eerste en derde lid, en 3.10, tweede lid in samenhang met 3.8, eerste of derde lid, van de Wet natuurbescherming;.
3. Onderdeel d vervalt.

C

Artikel 3, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. Onderdeel a komt te luiden:
a. In onderdeel a wordt «of op handelingen als bedoeld in artikel 46 of 47 van de Natuurbeschermingswet 1998 of artikel 75b van de Flora- en faunawet» vervangen door: of op projecten of handelingen als bedoeld in artikel 2.2aa van het Besluit omgevingsrecht.
2. Onderdeel b komt te luiden:
b. de artikelen 2.7, tweede lid, 3.3, eerste en derde lid, 3.8, eerste en derde lid, en 3.10, tweede lid in samenhang met 3.8, eerste of derde lid, van de Wet natuurbescherming;.
3. Onderdeel e vervalt.

D

Artikel 4, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. Onderdeel a komt te luiden:
a. In onderdeel a wordt «of op handelingen als bedoeld in artikel 46 of 47 van de Natuurbeschermingswet 1998 of artikel 75b van de Flora- en faunawet» vervangen door: of op projecten of handelingen als bedoeld in artikel 2.2aa van het Besluit omgevingsrecht.
2. Onderdeel b komt te luiden:
b. de artikelen 2.7, tweede lid, 3.3, eerste en derde lid, 3.8, eerste en derde lid, en 3.10, tweede lid in samenhang met 3.8, eerste of derde lid, van de Wet natuurbescherming;.
3. Onderdeel d vervalt.

De wet van 25 september 2008 tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998, de Mijnbouwwet en de Gaswet in verband met toepassing van de rijkscoördinatieregeling op energie-infrastructuurprojecten (Stb. 2008, 416) beoogt de procedures rond de totstandkoming van energie-infrastructuurprojecten te verkorten en te stroomlijnen. De rijkscoördinatieregeling is opgedeeld in twee zogeheten «modules»: een planologische module (artikel 3.28 of 3.29 van de Wet ruimtelijke ordening (verder: Wro)) en een uitvoeringsmodule (artikel 3.35, eerste lid, onder a, van de Wro). In de Elektriciteitswet 1998, de Mijnbouwwet en de Gaswet zijn de energie-infrastructuurprojecten aangewezen waarop de genoemde modules uit de Wro van toepassing zullen zijn. In die wetten is voorts bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur de besluiten worden aangewezen die in ieder geval onder de uitvoeringsmodule van de rijkscoördinatieregeling zullen vallen. Het Uitvoeringsbesluit rijkscoördinatieregeling energie-infrastructuurprojecten voorziet daarin. In het besluit worden ook vergunningen op grond van de toenmalige Natuurbeschermingswet 1998 en ontheffingen op grond van de toenmalige Flora- en faunawet aangewezen. Met artikel 5.12 worden deze verwijzingen vervangen door verwijzingen naar de voor de natuuraspecten inmiddels toepasselijke besluiten ingevolge de Wet natuurbescherming en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

TITEL 5.2. OVERGANGSRECHT

Artikel 5.13

1. Artikel 5.5, derde lid, van de wet is niet van toepassing op een besluit op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, of 47a, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998, die is ingediend vóór 1 juli 2015.
2. De artikelen 2.7, 2.8 en 2.9 zijn niet van toepassing op projecten, plannen en andere handelingen die stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied veroorzaken indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:
a. voor het project, het plan of de andere handeling was vóór 1 juli 2015 een besluit als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, in voorbereiding bij het desbetreffende bestuursorgaan;
b. de voor het nemen van het desbetreffende besluit beschikbare gegevens en bescheiden zijn naar het oordeel van het desbetreffende bestuursorgaan voldoende voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van het desbetreffende besluit en bovendien, ingeval het besluit betrekking heeft op een project als bedoeld in artikel 2.7, derde lid, onderdeel a, van de wet, is een volledige passende beoordeling als bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, van de wet gemaakt, en
c. degene die het desbetreffende project zal realiseren, onderscheidenlijk de andere handeling zal verrichten, heeft een tijdige uitvoering verzekerd van de maatregelen die in het kader van de realisering van het project, onderscheidenlijk het verrichten van de andere handeling worden getroffen om te verzekeren dat de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebied niet zullen worden aangetast als gevolg van het project, onderscheidenlijk om verslechteringen of significant verstorende effecten als gevolg van de andere handeling te voorkomen.

In dit artikel wordt het voorheen in de Natuurbeschermingswet 1998 neergelegde overgangsrecht in relatie tot het stelsel van de programmatische aanpak stikstof gecontinueerd.

Het eerste lid bevat een overgangsvoorziening overeenkomstig artikel 19km, derde lid, van de toenmalige Natuurbeschermingswet 1998. De uitsluiting van de mogelijkheid van extern salderen – als besproken in paragraaf 3.2.2 van deze nota van toelichting – geldt daardoor niet voor aanvragen voor een Natura 2000-vergunning die al waren ingediend vóór 1 juli 2015, de datum van ingang van het eerste programma aanpak stikstof. Op die wijze wordt recht gedaan aan eventuele investeringen die de aanvrager van de Natura 2000-vergunning heeft gedaan ten behoeve van de externe saldering, zoals een vergoeding voor intrekking van de omgevingsvergunning van een nabij gelegen bedrijf dat daarmee de stikstofemissie beëindigd. Ingeval voor de natuurtoets werd aangehaakt bij de omgevingsvergunning, geldt de overgangsvoorziening eveneens voor vóór 1 juli 2015 ingediende aanvragen om een omgevingsvergunning en dus ook voor de daarop betrekking hebbende verklaring van geen bedenkingen.

Het tweede lid bevat een overgangsvoorziening overeenkomstig artikel 67a van de toenmalige Natuurbeschermingswet 1998. Deze voorziening voorkomt dat, ingeval vóór 1 juli 2015 toestemmingsbesluiten als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van dit besluit reeds in een vergaand stadium van voorbereiding waren, de aanvraag- en besluitvormingsprocedure als gevolg van de introductie van het programma aanpak stikstof weer van voren af aan zouden moeten beginnen.

Artikel 5.14

1. In dit artikel wordt onder «beperkingenbesluit» verstaan een aanwijzing als bedoeld in artikel 10, eerste lid, 12, eerste lid of 27 van de Natuurbeschermingswet 1998 of een aanwijzing als bedoeld in artikel 19 of 24 van de Flora- en faunawet, zoals deze wetten golden onmiddellijk voor de inwerkingtreding van artikel 12.1, onderdeel b, onderscheidenlijk c, van de wet.
2. Indien een bestuursorgaan met betrekking tot een beperkingenbesluit toepassing heeft gegeven aan de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken, draagt dat bestuursorgaan ervoor zorg dat binnen vier dagen na het tijdstip waarop het beperkingenbesluit van rechtswege is vervallen een verklaring met betrekking tot het vervallen van de uit dat beperkingenbesluit voortvloeiende publiekrechtelijke beperking met overeenkomstige toepassing van artikel 15, eerste lid, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken ter inschrijving wordt aangeboden aan de Dienst voor het kadaster en de openbare registers, bedoeld in artikel 2 van de Organisatiewet Kadaster.
3. De rechtspersoon waartoe het bestuursorgaan, bedoeld in het tweede lid, behoort, is aansprakelijk voor schade die is veroorzaakt door vergissingen, verzuimen, vertragingen of andere onregelmatigheden, door hem of door personen voor wier gedragingen hij aansprakelijk is begaan bij de nakoming van de in het tweede lid voorgeschreven verplichting.

Dit artikel voorziet in overgangsrecht met betrekking tot de beperkingsbesluiten in de zin van het Aanwijzingsbesluit Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken die op grond van de wet zijn vervallen. Het gaat hier om de aanwijzing van gebieden tot beschermde leefomgeving op grond van de toenmalige Flora- en faunawet en de aanwijzing van beschermde natuurmonumenten of andere gebieden ter uitvoering van internationale verplichtingen op grond van de toenmalige Natuurbeschermingswet 1998, met inbegrip van de voorlopige aanwijzingen van dergelijke gebieden. In de praktijk zijn alleen beschermde natuurmonumenten aangewezen.

In de registraties waartoe de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken verplicht – bij het Kadaster, aangezien het uitsluitend gaat om beperkingenbesluiten van andere bestuursorganen dan burgemeester en wethouders – dient tot uitdrukking te worden gebracht dat deze aanwijzingen van rechtswege zijn vervallen, omdat anders de raadpleger van die registraties ten onrechte zou denken dat hij nog te maken heeft met een van kracht zijnde publiekrechtelijke beperking. De Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken voorziet zelf niet in een voorziening voor deze situatie.

De vervallenverklaring van de aanwijzingsbesluiten van beschermde natuurmonumenten moet door de Minister van Economische Zaken worden ingeschreven binnen vier dagen na het tijdstip waarop het betreffende beperkingenbesluit van rechtswege vervalt. Gegeven de hiervoor aanwezige voorbereidingstijd en de noodzaak om de beperkingenregistratie actueel te houden, is een termijn van vier dagen, die aansluit bij de op grond van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken geldende inschrijftermijn, redelijk.

Artikel 5.15

Ontheffingen als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten gelden als ontheffingen als bedoeld in artikel 3.40 van de wet, onder dezelfde voorschriften, beperkingen en voorwaarden.

In artikel 5.16 is voorzien in overgangsrechtelijke bepalingen voor omgevingsvergunningen waarin op vrijwillige basis ook de gevolgen voor Natura 2000-gebieden en dieren en planten van beschermde soorten worden getoetst. Geregeld wordt dat omgevingsvergunningen die op grond van de toenmalige natuurwetgeving zijn verleend met gebruikmaking van de zogenoemde vrijwillige aanhaking (eerste en tweede lid) ook na inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming blijven gelden ten aanzien van de natuuraspecten.

Het derde lid waarborgt dat lopende procedures tot het nemen van een besluit over de verlening van een omgevingsvergunning waarvan de natuurtoets deel uitmaakt, worden behandeld overeenkomstig de nieuwe regels van de Wet natuurbescherming en het Besluit omgevingsrecht zodra de Wet natuurbescherming in werking is getreden.

Volledigheidshalve wordt erop gewezen dat aanvragen van separate Natura 2000-vergunningen of separate flora- en fauna-ontheffingen op grond van de voormalige natuurwetgeving gelden als keuze voor een separate Natura 2000-vergunning of flora- en fauna-ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming. Op grond van het derde lid wordt op oude aanvragen immers het nieuwe recht toegepast en in artikel 9.4, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 9.6, eerste lid, van de Wet natuurbescherming oude vergunningen en ontheffingen gelijk worden gesteld met de nieuwe vergunningen en ontheffingen.

Op grond van de voormalige Flora- en faunawet was de Minister van Economische Zaken bevoegd tot het afgeven van een verklaring van geen bedenkingen. Op grond van artikel 6.10a, eerste lid, (nieuw) van het Besluit omgevingsrecht zijn dit gedeputeerde staten. Dit vanwege de afspraken van het Rijk en provincies in het Bestuursakkoord natuur en het Natuurpact over de decentralisatie van bevoegdheden van de natuurwetgeving. Het vierde lid waarborgt dat voor lopende zaken de verklaring zal worden afgegeven door de Minister van Economische Zaken in plaats van door gedeputeerde staten. Een tussentijdse overdracht zou een risico kunnen opleveren van vertraging in de besluitvorming.197

Artikel 5.16

1. Onderdelen van een omgevingsvergunning die met toepassing van hoofdstuk IX, titel 2, van de Natuurbeschermingswet 1998 is verleend, gelden als onderdelen van een omgevingsvergunning, verleend voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel a, van het Besluit omgevingsrecht.
2. Onderdelen van een omgevingsvergunning die met toepassing van titel III, afdeling 2a, van de Flora- en faunawet is verleend, gelden als onderdelen van een omgevingsvergunning, verleend voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel b, van het Besluit omgevingsrecht.
3. De op het tijdstip van inwerkingtreding van de wet aanhangige procedures over de verlening van een omgevingsvergunning met toepassing van hoofdstuk IX, titel 2, van de Natuurbeschermingswet 1998 of van titel III, afdeling 2a, van de Flora- en faunawet, zijn aanhangig in de staat waarin zij zich op dat moment bevinden en worden vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de wet en het Besluit omgevingsrecht behandeld.
4. In zoverre in afwijking van het derde lid is Onze Minister bevoegd tot het geven van een verklaring van geen bedenkingen over aanvragen van omgevingsvergunning met toepassing van titel III, afdeling 2a, van de Flora- en faunawet, die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.

TITEL 5.3. INWERKINGTREDING EN CITEERTITEL

Artikel 5.17

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 5.18

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit natuurbescherming.

Bijlage 1, behorende bij artikel 3.25 van het Besluit natuurbescherming

boommarter (Martes martes)
bunzing (Mustela putorius)
damhert (Dama dama)
edelhert (Cervus elaphus)
haas (Lepus europaeus)
hermelijn (Mustela erminea)
konijn (Oryctolagus cuniculus)
ree (Capreolus capreolus)
steenmarter (Martes foina)
vos (Vulpes vulpes)
wezel (Mustela nivalis)
wild zwijn (Sus scrofa)

Bijlage 2, behorende bij 3.27, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, van het Besluit natuurbescherming

– Lama guanicoe (Goeanaco)
– Rhea americana (Nandoe)
– Anas formosa (Baikaltaling)
– Coscoroba coscoroba (Coscoroba)
– Dendrocygna arborea (Westindische fluiteend)
– Sarkidiornis melanotos (Knobbeleend)
– Argusianus argus (Argusfazant)
– Gallus sonneratii (Sonnerats hoen)
– Lophura erythrophthalma (Kuifloze vuurrugfazant)
– Lophura ignita (Gekuifde vuurrugfazant)
– Pavo muticus (Groene pauw)
– Polyplectron bicalcaratum (Spiegelpauw)
– Polyplectron germaini (Germains spiegelpauw)
– Polyplectron malacense (Maleise spiegelpauw)
– Gallicolumba luzonica (Luzondolksteekduif)
– Agapornis canus (Grijskopagapornis)
– Agapornis fischeri (Fischers agapornis)
– Agapornis lilianae (Nyasa-agapornis)
– Agapornis nigrigenis (Zwartwangagapornis)
– Agapornis personatus (Zwartmaskeragapornis)
– Agapornis roseicollis (Perzikkopagapornis)
– Agapornis taranta (Zwartvleugelagapornis)
– Alisterus scapularis (Australische koningsparkiet)
– Amazona amazonica (Oranjevleugelamazone)
– Amazona farinosa (Gepoederde amazone)
– Aprosmictus erythropterus (Roodvleugelparkiet)
– Ara ararauna (Blauwgele ara)
– Aratinga acuticaudata (Blauwkopparkiet)
– Aratinga leucophthalmus (Witoogparkiet)
– Aratinga pertinax (Maisparkiet)
– Bolborhynchus lineola (Catharinaparkiet)
– Brotogeris chrysopterus (Oranjevleugelparkiet)
– Cyanoramphus auriceps (Geelvoorhoofdkakariki)
– Forpus coelestis (Blauwe muspapegaai)
– Forpus conspicillatus (Gebrilde muspapegaai)
– Forpus cyanopygius (Mexicaanse muspapegaai)
– Forpus passerinus (Groene muspapegaai)
– Forpus xanthops (Geelwangmuspapegaai)
– Forpus xanthopterygius (Spix’ muspapegaai)
– Lathamus discolor (Zwaluwparkiet)
– Loriculus vernalis (Indische hangparkiet)
– Myiopsitta monachus (Monniksparkiet)
– Nandayus nenday (Nandayparkiet)
– Neophema chrysostoma (Blauwvleugelparkiet)
– Neophema elegans (Prachtparkiet)
– Neophema pulchella (Turkooisparkiet)
– Neophema splendida (Splendidparkiet)
– Neopsephotus bourkii (Bourke’s parkiet)
– Northiella haematogaster (Roodbuikparkiet)
– Pionites melanocephala (Zwartkopcaique)
– Pionus maximiliani (Maximiliaans papegaai)
– Pionus menstruus (Zwartoorpapegaai)
– Platycercus adelaidae (Adelaiderosella), P. elegans x P. flaveoleus
– Platycercus adscitus (Bleekkoprosella)
– Platycercus barnardi (Barnards rosella)
– Platycercus caledonicus (Geelbuikrosella)
– Platycercus elegans (Pennantrosella)
– Platycercus eximius (Prachtrosella)
– Platycercus flaveolus (Strogele rosella)
– Platycercus icterotis (Stanleyrosella)
– Platycercus venustus (Zwartkoprosella)
– Platycercus zonarius (Port Lincolnrosella)
– Polytelis alexandrae (Prinses van Walesparkiet)
– Polytelis anthopeplus (Regentparkiet)
– Polytelis swainsonii (Barrabandparkiet)
– Psephotus haematonotus (Roodrugparkiet)
– Psephotus varius (Regenboogparkiet)
– Psittacula alexandri (Roseborstparkiet)
– Psittacula cyanocephala (Pruimenkopparkiet)
– Psittacula derbiana (Lord Derby’s parkiet)
– Psittacula eupatria (Grote Alexanderparkiet)
– Psittacula roseata (Bloesemkopparkiet)
– Psittacus erithacus erithacus (Grijze roodstaartpapegaai)
– Purpureicephalus spurius (Roodkapparkiet)
– Pyrrhura picta (Bonte parkiet)
– Poephila cincta cincta (Gordelamadine)
– Iguana iguana (Groene leguaan)
– Boa constrictor (met uitzondering van de Boa constrictor occidentalis)
– Corallus hortulanus (Tuinboa)
– Python molurus bivittatus
– Python regius (Koningspython)
– Python reticulatus (Netpython)
– Python sebae (Rotspython)
– Ambystoma mexicanum (Axolotl)
– Tridacna crocea
– Tridacna maxima
– ordo Antipatharia
– ordo Coenothecalia
– ordo Scleractinia
– familia Tubiporidae
– familia Milleporidae
– familia Stylasteridae

Voetnoten:

145 Niet gevolgd is het commentaar van het Interprovinciaal Overleg om de infrastructuur op kaarten in de bijlage aan te geven. Daarmee wordt geen recht gedaan aan het dynamische karakter van de ten aanzien van de infrastructuur gebruikte begrippen en kunnen afwijkingen ontstaan ten opzichte van de sectorale wetgeving die bepalend is voor de uitleg van de desbetreffende begrippen.

146 Overeenkomstig de suggestie in het commentaar van ProRail BV.

147 Zie de toelichting bij de tweede nota van wijziging van het voorstel voor de Tracéwet (Kamerstukken II 2010/11, 32 377 nr. 17).

148 Het commentaar van het Interprovinciaal Overleg dat daartoe leek te strekken is dan ook niet gevolgd.

149 Kamerstukken II 2004/05, 30 080, nr. 1.

150 http://www.rijkswaterstaat.nl/water/waterbeheer/bescherming-tegen-het-water/maatregelen-om-overstromingen-te-voorkomen/maaswerken.

151 Kamerstukken II 2007/08, 31 179, nr. 1.

152 Het commentaar van het Interprovinciaal Overleg op dit punt is gevolgd.

153 Kamerstukken II 2011/12, 33 348, nr. 3, blz. 148.

154 Trb. 1990, 174.

155 Te raadplegen op: http://www.waddensea-secretariat.org/sites/default/files/downloads/smp_2012-2016_final.pdf.

156 Te raadplegen op: www.hetlnvloket.nl/txmpub/files/?p_file_id=13514. Over dit beleid wordt op dit moment een wetenschappelijk advies voorbereid, zoals is aangekondigd door de Minister van Economische Zaken bij brief aan de Tweede Kamer van 8 maart 2016 (Kamerstukken II, 2015/16, 28 286, nr. 856).

157 Zie onder meer de brief van de Minister van Economische Zaken van 12 mei 2015 over het einde van de zeehondensterfte door een griepvirus in de Waddenzee (Kamerstukken II, 2014/15, 29 683, nr. 199).

158 EU Regulation on Wildlife Trade nr. 338/97.

159 Zie kamerstukken II 2011/12, 33 348, nr. 3, blz. 76, 79 e.v.

160 Leidraad van de Europese Commissie «Beheer van «Natura 2000»-gebieden; De bepalingen van artikel 6 van de habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG).

161 HvJ EG, 11-04-2013, zaak C-258/11, r.o. 39 en 40.

162 Vgl. zaken C-308/08 (Commissie/Spanje), r.o. 21, en C-404/09 (Commissie/Spanje), r.o. 163.

163 Amendement van het lid Van Veldhoven; Kamerstukken II 2013/14, 33 669, nr. 48.

164 Amendement van de leden Dik-Faber en Van Veldhoven; Kamerstukken II 2013/14, 33 669, nr. 85.

165 Amendement van het lid Dik-Faber; Kamerstukken II 2013/14, 33 669, nr. 28.

166 De Omgevingsdienst IJmond wees in haar commentaar terecht op het belang hiervan.

167 Dit bevordert tezamen met de andere vereisten een eenduidige toepassing van de mogelijkheid van externe saldering, in de uitzonderlijke gevallen waarin dit aan de orde is. De Federatie van Oppervlaktedelfstoffenwinnende Industrieën (FODI) wees in haar commentaar op het belang hiervan. Een verdere inhoudelijke inkadering is niet goed mogelijk, juist gegeven het uitzonderlijke en daarmee casuïstische karakter van de eventuele toepassing van externe saldering.

168 Advies nr. W15.16.0161/IV d.d. 30-9-2016, te vinden op www.raadvanstate.nl.

169 Zie Kamerstukken II 2011/12, 33 348, nr.3 blz. 108 e.v..

170 ABRvS 31 maart 2010, zaaknr. 200903784/1.

171 Dit met inbegrip van luchtdrukgeweren of /wapens, voor zover deze aan de bij dit besluit gestelde eisen voldoen, als reactie op het commentaar van de Nederlandse Organisatie voor Jacht en Grondbeheer.

172 De Faunabescherming meldde in haar commentaar dat het geweer in veel gevallen naar haar oordeel niet effectief is.

173 De Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging en de Nederlandse Organisatie voor Jacht en Grondbeheer verzochten in hun commentaren om de vrijstelling voor de training van jachthonden buiten het jachtseizoen, zoals opgenomen in artikel 21 van het voormalige Jachtbesluit, te continueren. De betreffende vrijstelling ziet op het verbod op het verstoren van fazanten en patrijzen. Het verstoren van vogels is in de wet in minder gevallen verboden dan onder de voormalige Flora- en faunawet. In gevallen waarin desondanks een overtreding van het verbod aan de orde is, kunnen provinciale staten van de provincies deze vrijstelling verlenen (artikel 3.3, tweede lid, van de wet).

174 Het begrip «vangnet» omvat ook mistnetten, slagnetten, kanonnetten. Dit in reactie op de commentaren van het Interprovinciaal Overleg en de Nederlandse Organisatie voor Jacht en Grondbeheer.

175 Ook de Vogelbescherming en de Faunabescherming verzochten in hun commentaren om voorwaarden op te nemen om kundig gebruik van bal-chatri te verzekeren.

176 Kamerstukken II 2011/12, 32 372, nrs. 80 en 86.

177 Kamerstukken II 2012/13, 28 286, nr. 627.

178 Zie ook Kamerstukken II 2014.15, 33 348, nr. 21.

179 Genoemd in tabel 3 van hoofdstuk I van bijlage I bij deze verordening.

180 De Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging wees in haar commentaar erop dat deze eisen met het oog op het belang van dierenwelzijn worden gesteld,

181 Het Interprovinciaal Overleg, de Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging, de Nederlandse Organisatie voor Jacht en Grondbeheer en de Federatie Particulier Grondbezit verzochten in hun commentaar om het gebruik van uit de natuur onttrokken dieren toe te staan. De Faunabescherming merkt in haar commentaar op dat het vangen van in het wild levende dieren om deze te gebruiken als lokdier onacceptabel is omdat dit leidt tot veel leed en stress bij de gevangen vogels.

182 Derhalve ook middelen waarmee elektronische lokgeluiden worden gemaakt. Dit in reactie op het commentaar van de Nederlandse Organisatie voor Jacht en Grondbeheer.

183 De Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging, Stichting Het Nationale Park De Hoge Veluwe en Staatsbosbeheer verzochten in hun commentaar om het gebruik van geluiddempers toe te staan.

184 Waaronder ook een helderheidsversterker, zoals opgemerkt door de Nederlandse Organisatie voor Jacht en Grondbeheer in haar commentaar.

185 Kamerstukken II 2015/16, 33 348, nr. 190.

186 De Unie van Waterschappen pleitte hiervoor in haar commentaar.

187 Het Interprovinciaal Overleg en de Dierenbescherming hebben in hun commentaren gepleit voor het continueren van deze vrijstelling.

188 Kamerstukken II 1971/72, 11 758, nr. 5, blz.1.

189 Kamerstukken II 2014/15, 33 348, nrs. 96 en 157.

190 Het Interprovinciaal Overleg verzocht in zijn commentaar om in onderhavig besluit regels op te nemen over luchtdrukgeweren en de daarbij gebruikte munitie. Provincies kunnen evenwel bij het verlenen van ontheffingen beperkingen of voorwaarden opnemen ten aanzien van luchtdrukgeweren en munitie, waarbij zij rekening dienen te houden met de belangen van veiligheid, volksgezondheid, welzijn en milieu.

191 Richtlijn 83/129/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de invoer in de Lid-Staten van huiden van bepaalde zeehondenjongen en daarvan vervaardigde produkten (PbEG 1983, L 91).

192 Verordening (EEG) nr. 3254/91 van de Raad van 4 november 1991 houdende een verbod op het gebruik van de wildklem in de Gemeenschap en op het binnenbrengen in de Gemeenschap van pelzen en produkten die vervaardigd zijn van bepaalde in het wild levende diersoorten uit landen waar gebruik wordt gemaakt van de wildklem of andere vangmethoden die niet stroken met de internationale normen voor humane vangst met behulp van vallen (PbEG 1991, L 308). De Engelse versie van de verordening spreekt overigens over «leghold traps», dat ook vertaald zou kunnen worden door pootklemmen.

193 Kamerstukken II 2006/07, 30 844, nr. 3, blz. 27–28.

194 Het Interprovinciaal Overleg wees in zijn commentaar op het belang hiervan zodat de eventueel vrijkomende ontwikkelingsruimte weer aan andere projecten of handelingen kan worden toegedeeld.

195 Kamerstukken II 2011/12, 33 345, nr. 3, blz. 59.

196 Zie ook de nota naar aanleiding van het nadere verslag aan de Tweede Kamer inzake het voorstel voor de Wet natuurbescherming, Kamerstukken II 2014/15, 33 348, nr. 18, blz 32 e.v.

197 Zie ook artikel 9.10, vierde lid, van de Wet natuurbescherming en de toelichting bij dat lid in de tweede nota van wijziging van het wetsvoorstel natuurbescherming, Kamerstukken II 2014/15, 33 348, nr. 19, blz. 10.