Platformarbeid - Informatie over werkplatforms


Laatst bijgewerkt op 19 oktober 2018

Inleiding

Op deze pagina brengt het Stibbe team platformarbeid informatie en documenten bijeen over het onderwerp platformarbeid in ruime zin. Dit betreft onder meer nieuws- en blogberichten, rechtspraak, literatuur, publicaties van de overheid, rapporten, onderzoeken en studies, presentaties en links naar relevante websites.

Indien u beschikt over informatie en / of documenten over dit onderwerp die (nog) niet op deze pagina staan, ontvangen wij deze zeer graag per e-mail via: platformarbeid@stibbe.com.

Nieuws- en blogberichten

Nederland

  • 18.10.2018 Uber ontwikkelt dienst voor tijdelijk werk (bron: FD) [zichtbaar na inlog / registratie]
    De taxidienst Uber werkt aan een dienst die weinig tot niets te maken heeft met vervoer. Het ontwikkelt een tak die tijdelijke arbeidskrachten levert onder de naam Uber Works. Uber Works is een soort interne start-up, net als de al succesvolle maaltijdbezorgdienst Uber Eats.
  • 18.10.2018 Kabinet moet bodem leggen onder arbeidsmarkt (commentaar, bron: FD) [zichtbaar na inlog / registratie]
    Uitzendbedrijf Randstad nam deze week woorden in de mond die je van een vakbond zou verwachten: 'De arbeidsmarkt polariseert keihard', en 'zzp-constructies halen de sociale zekerheid van de uitzendmarkt onderuit', waarschuwde directeur Marjolein ten Hoonte in het FD. Zij roept minister Wouter Koolmees op om snel een sociale bodem onder de arbeidsmarkt te leggen, via een minimumtarief voor zzp'ers. In de jaren zeventig waren de koppelbazen de schrik van de gevestigde orde, de grote 'ondermijners' van het sociale stelsel. De uitzendbaan is sindsdien geïnstitutionaliseerd, verheven tot 'nette, verantwoorde flex' met een keurige cao, doorbetaalde vakantie, een bescheiden pensioen en ontslagbescherming. Anno 2018 is de moderne uitzendorganisatie zelf een bedreigd bolwerk, zo lijkt het. De nieuwe uitdagers op de arbeidsmarkt heten Uber (taxi's) Deliveroo (maaltijdbezorging), Temper (horeca) en Helpling (schoonmaak).
  • 17.10.2018 FNV begint rechtszaak tegen schoonmaakplatform Helpling (S. Pilger, bron: FNV)
    Het van oorsprong Duitse bedrijf Helpling zegt een prikbord te zijn voor zelfstandige schoonmakers, maar haar werkwijze verschilt niet van andere bedrijven die schoonmaakdiensten aanbieden. Volgens FNV is er sprake van een gezagsverhouding tussen Helpling en de schoonmakers, waardoor dit bedrijf zich aan het arbeidsrecht moet houden en aan de schoonmaakcao.
  • 18.10.2018 Uitzendbranche: zzp-economie ondermijnt sociale zekerheden (J. Leupen, bron: FD) [zichtbaar na inlog / registratie]
    De sociale zekerheid van honderdduizenden uitzendkrachten en andere flexwerkers loopt gevaar door de opkomst van zzp-platforms zoals Deliveroo, Uber en Temper. Die dragen geen sociale premies af en kunnen zo lage uurtarieven betalen. Uitzendbedrijven en arbeidsmarktexperts vrezen dat de druk toeneemt op collectieve regelingen zoals doorbetaling bij ziekte, pensioenopbouw en vakantiedagen. De zorgen van uitzenders over uitholling van sociale zekerheden zijn legitiem, vindt Johan Zwemmer, universitair hoofddocent arbeidsrecht aan de Universiteit van Amsterdam. ‘Platforms zijn nu nog relatief klein, maar het gaat hard. In wezen vallen alle banen aan de onderkant relatief gemakkelijk te platformiseren: tuinbouw, vervoer, horeca, detailhandel. Daar kan het goedkopere bulksegment voor uitzenders helemaal wegvallen.’
  • 17.10.2018 FNV klaagt zzp-platform Helpling aan wegens schijnconstructies (J. Leupen, bron: FD) [zichtbaar na inlog / registratie]
    De vakbond FNV daagt zzp-platform Helpling voor de rechter en beticht het van oorsprong Duitse bedrijf van het gebruik van schijnconstructies. Helpling zou pensioenpremies en andere sociale lasten ontduiken door schoonmakers als zelfstandige in Nederland aan de slag te houden, terwijl zij in werkelijkheid recht zouden hebben op een vaste baan onder de schoonmaak-cao. Dat maakte FNV woensdag bekend.
  • 17.10.2018 FNV spant zaak aan tegen schoonmaakapp Helpling (bron: Het Parool)
    Vakbond FNV spant mede namens een van zijn leden een rechtszaak aan tegen schoonmaakapp Helpling. Via die app kunnen mensen een schoonmaker inhuren. Helpling beweert alleen een tussenpersoon te zijn die bemiddelt tussen consumenten en zelfstandige schoonmakers. Volgens FNV is het bedrijf echter een werkgever die zijn schoonmakers in loondienst moet nemen. FNV loopt al langer te hoop tegen de zogenoemde platformeconomie.
  • 17.10.2018 FNV klaagt schoonmaakapp Helpling aan om schijnzelfstandigheid (bron: NU.nl)
    Vakbond FNV spant een rechtszaak aan tegen schoonmaakapp Helpling. Volgens de vakbond is Helpling een verkapte werkgever en moet het bedrijf de schoonmakers in loondienst nemen.

→ Klik hier voor alle nieuws- en blogberichten.

Buitenland

  • 19.10.2018 Uber faces class action in Victoria (A. McLean, source: ZDNet)
    Controversial ride-hailing service Uber is facing a class action in Victoria, with around 1,000 taxi drivers backing the move from Maurice Blackburn. The law firm will lodge a class action in the Victorian Supreme Court in the coming weeks into specifically Uber's "conspiracy to act unlawfully", senior associate Elizabeth O'Shea told AAP.
  • 19.10.2018 Vic cabbies to sue Uber for lost earnings (C. McGinn, source: The West Australian)
    Taxi and hire car drivers are gearing up for a courtroom battle against ride-share giant Uber over lost earnings. Lawyers acting for the Commercial Passenger Vehicles Association of Australia will lodge a class action in the Victorian Supreme Court over the coming weeks on behalf of drivers who lost business when Uber operated without legal approval in the state.
  • 18.10.2018 Uber pilots short-term staffing business to provide gig workers on tap (O. Rudgard, source: The Telegraph)
    Uber is reportedly working on a short-term staffing business in the US. The company, which mainly known for providing taxi services, is diversifying away from its original model ahead of plans for an initial public offering next year. It plans to provide temporary contractors for events and functions, including service and security staff, the Financial Times reported.
  • 17.10.2018 ‘Age of Uber’ Wrestles With Problems of Fair Pay (E. Williams, source: Courthouse News)
    The shift to a gig economy makes wage regulation a “damn difficult task,” says a Chicago law lecturer ahead of the Tullock lecture series at Clemson University. Legal scholar Richard Epstein is the inaugural Laurence A. Tisch Professor of Law at the NYU Law School and senior lecturer at the University of Chicago School of Law. He will discuss the clash between labor regulations and the rapidly developing gig economy Wednesday, in “Regulating Hours and Wages in the Age of Uber,” at Clemson University.
  • 17.10.2018 In Europe, food delivery coops are fighting back against the gig economy (T. Cassauwers, source: Equal Times)
    On 25 and 26 October 2018, digital platform food delivery workers from all over Europe will come together for the first time in Brussels, Belgium. Unlike the usual luxury conferences held in the European capital, attendees will have to crowdfund their own tickets. But that won’t stop the 100 or so couriers from meeting up to share their “methods of struggle and define a common strategy for better working conditions” in a bid to combat the “unacceptable” labour practices of online food delivery platforms such as Deliveroo, Uber Eats and Foodora.
  • 16.10.2018 Gig Economy Prime Target for Labor Department Opinions (source: Bloomberg Law)
    How to correctly classify workers as employees or independent contractors is a murky subject that continues to confound businesses and lawyers alike. That’s one reason why worker classification will likely be the subject of a Labor Department opinion letter soon, attorneys and former DOL staff from prior administrations say. Employer representatives sent at least three requests to the department in recent months for it to weigh in on their clients’ questions on independent contractors, documents obtained by Bloomberg Law through a Freedom of Information Act request show.
  • 13.10.2018 How much Uber, Lyft drivers really make (R. Wilson, source: Fox Business)
    With the rise of the gig economy, many people are turning to ridesharing platforms such as Uber and Lyft to find work. Admists recent reports of declining earnings, how much do drivers really make?

→ Klik hier voor alle nieuws- en blogberichten.

Rechtspraak

Nederlandse rechtspraak

  • 23.07.2018 Rb. Amsterdam 23 juli 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:5183, JAR 2018/189, m.nt. J.P. Wiewel & J.M. van Slooten (Deliveroo)
    De kantonrechter oordeelt, gezien hetgeen Deliveroo en de maaltijdbezorger zijn overeengekomen en hoe zij vervolgens feitelijk aan die overeenkomst uitvoering en invulling hebben gegeven, dat de rechtsverhouding tussen partijen niet als een arbeidsovereenkomst gekwalificeerd kan worden. Volgens de kantonrechter moge het zo zijn dat in het huidige arbeidsrecht geen rekening is gehouden met de uit de (relatief) nieuwe platformeconomie voorkomende arbeidsverhoudingen maar dat maakt echter nog niet dat de onderhavige beslissing tot dusdanig onaanvaardbare resultaten leidt, dat de redelijkheid en billijkheid tot rechterlijk ingrijpen noopt. Wanneer het ongewenst wordt geacht dat werkplatforms als Deliveroo dergelijke overeenkomsten aanbieden, zal de wetgever daartegen maatregelen moeten treffen. De vorderingen van de maaltijdbezorger worden afgewezen.
  • 09.05.2018 Rb. Midden-Nederland 9 mei 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:2044, JAR 2018/134 (Booker B.V.)
    De verklaring voor recht dat Hotel Booker B.V. en Bungalow Booker B.V. niet vallen onder de werkingssfeer van het Verplichtstellingsbesluit en niet onder de CAO Sociaal Fonds, en daarmee niet verplicht zijn om deel te nemen in het bedrijfstakpensioenfonds voor de Reisbranche, wordt niet gegeven. Uitgangspunt bij de beoordeling is dat een uitleg van het Verplichtstellingsbesluit en de CAO moet worden gegeven waarbij in beginsel de bewoordingen van die bepaling, gelezen in de licht van de gehele tekst van doorslaggevende betekenis zijn. Deze tekst hanteert een zeer breed begrip van reizen. De kantonrechter is van oordeel dat de door Hotel Booker en Bungalow Booker aan accomodatieaanbieders te stellen voorwaarden en de vergoeding die zij ontvangen van de accomodatieaanbieders samen een zodanige actieve rol impliceren, dat is voldaan aan het begrip bemiddelen en daarmee sprake is van een reisagent zoals bedoeld in het Verplichtstellingsbesluit.
  • 21.09.2017 College van Beroep voor het bedrijfsleven 21 september 2017, ECLI:NL:CBB:2017:312
    “In deze uitspraak oordeelt het Cbb dat het verbod van UberPOP standhoudt. UberX voldoet daarentegen wel aan de Nederlandse taxiwetgeving. “De Wet personenvervoer 2000 verbiedt taxivervoer zonder vergunning. UberPOP is gericht op vervoer door particuliere chauffeurs zonder taxivergunning. Dat is taxivervoer (en geen carpoolen), omdat het gebeurt als economische activiteit. UberX is gericht op taxivervoer door chauffeurs die beschikken over een taxivergunning. Dat is een andere dienst dan UberPOP, omdat geen samenwerking met particuliere chauffeurs zonder taxivergunning wordt gezocht.”
  • 30.12.2016 Rb. Amsterdam 30 December 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:9040 (Booking.com)
    Booking.com fungeert als digitaal prikbord en bemiddelt niet bij totstandkoming van een individuele reisovereenkomst. Booking.com valt niet onder het verplichtstellingsbesluit van het Bedrijfstakpensioenfonds voor de Reisbranche.

Europese rechtspraak

  • 10.04.2018 Hof van Justitie EU 10 april 2018, ECLI:EU:C:2018:221 (C-320/16) (Uber France SAS)
    In dit arrest oordeelt het Hof van Justitie EU dat de lidstaten de illegale uitoefening van een vervoersactiviteit zoals UberPop kunnen verbieden en bestraffen zonder voorafgaande kennisgeving aan de Commissie van het wetsontwerp tot strafbaarstelling van een dergelijke uitoefening. Aangezien de UberPop-dienst aldus niet onder Richtlijn 98/34/EG valt, concludeert het Hof dat de in die richtlijn neergelegde verplichting van voorafgaande kennisgeving aan de Commissie niet van toepassing is. Hieruit volgt dat de Franse autoriteiten niet verplicht waren het betrokken wetsontwerp van tevoren bij de Commissie aan te melden. Klik hier voor het persbericht over dit arrest en klik hier voor de conclusie van de AG.
  • 20.12.2017 Hof van Justitie EU 20 december 2017, ECLI:EU:C:2017:981 (C-434/15) (Asociación Profesional Elite Taxi / Uber Systems Spain SL)
    Uber levert als elektronisch platform, via een smartphoneapp, een dienst waarmee particuliere bestuurders die hun eigen voertuig gebruiken, tegen betaling in contact worden gebracht met personen die een stadstraject willen afleggen. Een beroepsvereniging van taxibestuurders in Barcelona verzocht de Spaanse rechter vast te stellen dat de activiteiten van Uber Systems Spain (een vennootschap verbonden met Uber Technologies Inc.) misleidend zijn en oneerlijke mededinging vormen. Volgens de rechter moet worden bepaald of de door Uber geleverde diensten beschouwd moeten worden als vervoerdiensten, als diensten van de informatiemaatschappij of als een combinatie van deze twee soorten diensten. De Spaanse rechter heeft daartoe het Hof van Justitie EU prejudiciële vragen gesteld. Het Hof van Justitie EU oordeelt dat de door Uber geleverde dienst onder “diensten op het gebied van het vervoer” valt waarmee lidstaten voorwaarden kunnen vaststellen waaronder deze bemiddelingsdienst geleverd kan worden. Dit houdt in dat taxivergunningen voor chauffeurs verplicht gesteld mogen worden. Klik hier voor het persbericht over dit arrest en klik hier voor de conclusie van de AG.

Buitenlandse rechtspraak

Australië

  • 11.05.2018 Fair Work Commission (Pallage v Rasier Pacific Pty Ltd)
    Former Uber driver, Janaka Pallage, applied for an unfair dismissal remedy following deactivation of his capacity to work as an Uber driver in Melbourne, which had taken place on 4 December 2017. Mr Pallage's relationship with Uber started on 25 July 2016 and the relationship was a partnership registered in the Netherlands by the name of Rasier Pacific V.O.F. On 1 December 2017, that relationship changed to being one between Mr Pallage and Rasier Pacific Pty Ltd (an Australian company) and Uber B.V. (a Dutch company). Uber argued that the Australian entity had no employees and that the driver was an independent contractor party to a succession of services agreements. Uber also submitted that the nature of the services agreement between Uber and Mr Pallage was such that he was not an employee and that his circumstances are indistinguishable from those of in the matter determined in Kaseris v Rasier Pacific. The Fair Work Commission (FWC) found that there was still a need to test Mr Pallage’s case and concluded that ‘while elements of the contract itself appear more consistent with an employment relationship (for example, those dealing with termination), most do not’. The FWC noted that ‘the nature of the work and its environment, in which unskilled work is performed, albeit alone, repetitively and over many engagements for the one principal also has some consistency, possibly greater consistency, with a finding of employment. The FWC determined that Mr Pallage was not at the relevant time a person protected from unfair dismissal and that his application for unfair dismissal remedy must be dismissed.
  • 01.12.2017 Fair Work Commission [2017] FWC 6610 (Kaseris / Rasier Pacific V.O.F.)
    Former Uber driver, Michail Kaseris, has applied (under s.394 of the Fair Work Act 2009) for an unfair dismissal remedy. On 29 August 2016, he entered into a services agreement with Rasier Pacific V.O.F (known as Uber). Mr. Kaseris alleges that he was dismissed by Uber on 11 August 2017. Uber had terminated the driver’s service agreement and removed his access to the Uber app as a result of poor passenger ratings. Uber argues that Mr. Kaseris was not protected from unfair dismissal because he was an independent contractor and not an employee within the meaning of the Fair Work Act 2009. The Fair Work Commission concluded that Uber did not owe any legal obligation to its drivers except to provide access to the partner app and remittance of the fares and cancellation fees and, as a consequence, the wages-work bargain that is essential to employment relationship was therefore missing. Kaseris purported to rely upon the UK decision in Aslam and others v Uber B.V. and others in which the Employment Tribunal of London concluded Uber drivers were “workers”. The Commission refused to take into account this decision because the Australian law does not contain any equivalent to the UK’s expanded definition of “worker”, but continues to distinguish between employees and contractors only. The Commission determined that Mr. Kaseris was not an employee but an independent contractor.

België

  • 09.03.2018 Commission administrative de règlement de la relation de travail (Deliveroo)
    De Administratieve Commissie ter regeling van de Arbeidsrelatie heeft op 9 maart 2018 vastgesteld dat de medewerkers een heel beperkte vrijheid hebben inzake de organisatie van hun werktijd: medewerkers moeten immers aangeven wanneer zij beschikbaar zijn op basis van een voorstel van agenda, dat afhankelijk van vroegere prestaties (aanwezigheidsrate; annulatierate en deelneming in piekperiodes). Volgens de Commissie dienen de medewerkers veel voorwaarden aanvaarden om een goede rating te hebben, en dergelijke voorwaarden zijn onverenigbaar met een zelfstandig statuut.
  • 23.02.2018 Commission administrative de règlement de la relation de travail (Deliveroo)
    De Administratieve Commissie ter regeling van de Arbeidsrelatie heeft zich op 23 februari 2018 uitgesproken over het statuut van Deliveroo medewerkers en beslist dat een Deliveroo medewerker loontrekkende werknemer is en niet zelfstandig is omwille van de volgende redenen:
    • ontstentenis van enig financieel of economisch risico in hoofde van de medewerker;
    • ontstentenis van verantwoordelijkheid en beslissingsmacht aangaande de financiële middelen van de onderneming;
    • ontstentenis van beslissingsmacht over het aankoopbeleid van de onderneming;
    • ontstentenis van beslissingsmacht over de prestaties die in aanmerking komen voor de prijsafrekening van de werkzaamheden;
    • ontstentenis van resultaatsverbintenis betreffende het overeengekomen werk;
    • mogelijkheid om zich voor de uitvoering van het overeengekomen werk te laten vervangen of personeel aan te werven, is voor discussie vatbaar. Dit is niet duidelijk en irrelevant volgens de Commissie;
    • in ruimte werken waarvan men niet de eigenaar is, is eveneens een criterium dat volgens de Commissie niet duidelijk is. 

Canada

  • 22.01.2018 Ontario Superior Court of Justice (Heller / Uber Technologies Inc.)
    Former Uber driver, David Heller, sued Uber under a class action on behalf of all Uber drivers of Ontario, alleging that they should be classified as Uber employees instead of independent contractors in order to be entitled to the benefits under Ontario’s Employment Standards Act. In order to use Uber, any prospective driver must agree to the company’s Service Agreement. Uber’s Service Agreement contained two important provisions: 1. A Driver Acknowledgment that the two parties are not in an employment relationship; and 2. An Arbitration Clause that stipulates that disputes, conflicts, or controversies arising out of or broadly in connection with the agreements shall be resolved by arbitration in Amsterdam under the Rules of Arbitration of the International Chamber of Commerce. The court said this case “is not about a discretionary court jurisdiction where there is a forum selection clause to refuse to stay proceedings where a strong cause might justify refusing a stay; rather, it is about a very strong legislative direction under the Arbitration Act, 1991 or the International Commercial Arbitration Act, 2017 and numerous cases that hold that courts should only refuse a reference to arbitration if it is clear that the dispute falls outside the arbitration agreement.” The Court rejected the plaintiff’s argument that since the proposed class action is about an alleged employment relationship it falls outside an arbitrator’s jurisdiction. Rather, the Court held that it is left to an arbitrator in The Netherlands to decide whether it has jurisdiction over this matter.

Frankrijk

  • 04.07.2018 Paris Commercial Court (Petrovic / Uber B.V. and others)
    The Paris Commercial Court has ruled that Petrovic, a former Uber driver, was not an employee and the relationship between Uber and the driver is a commercial nature. The driver claimed that he had a framework agreement with Uber and that each trip for Uber was a transport service contract, which in terms of employment law, should be seen as a short term contract.
  • 20.04.2017 Paris Commercial Court (Dubost / Take Eat Easy)
    The Paris Commercial Court admitted that the couriers who are using the application Take Eat Easy, are not employees but self-employed drivers.
  • 30.01.2017 Paris Commercial Court (Viabac and others / Uber B.V. and others)
    The Paris Commercial Court found that drivers who are using the Uber app are not employees but self-employed drivers. The court rejected Viacab’s claims.
  • 07.01.2016 Paris Court of Appeal (Driver / LeCab)
    The Paris Court of Appeal found that a driver using the application of LeCab was not an employee of this platform because the driver was free to organise his working time, he had no obligation to use the app, he was free to use other apps and warnings were sent to him by the platform as a reminder of his contractual commitments.

Spanje

  • 01.06.2018 Juzgado de lo social numero seis Valencia, sentencia Nr. 244/2018 (García / Roofoods Spain S.L. (Deliveroo))
    The court said Sanchez was used by Deliveroo as a “fake self-employed worker” when he should have been a permanent employee. This decision is based on the level of control exerted in fact by Deliveroo on the couriers, notably the shifts (time and area) system and the number (and the nature) of instructions received by the couriers. The right of substitution proved not to be a safe defence line because the court found that courier two had to be approved.

Verenigde Staten

  • 25.09.2018 United States Court of Appeals for the Ninth Circuit, Case no. 15-17420 (O’Connor v. Uber Technologies Inc)
    This federal appeals court said drivers seeking to be classified as employees rather than independent contractors must arbitrate their claims individually, and not pursue class-action lawsuits.
  • 12.07.2018 The New York State Unemployment Insurance Appeal Board, Case No. 596722 (Uber Technologies Inc. / NY Taxi Workers Alliance and others)
    In 2016 the NYS Department of Labor found three of NYTWA's Uber driver members, Levon Aleksanian, Jakir Hossain and Jeffrey Shepherd, and any other individuals similarly situated to be employees for the purposes of unemployment benefits. Uber appealed and an Administrative Law Judge held combined hearings for the three drivers. On June 9, 2017, the Administrative Law Judge overruled Uber's appeal. On June 29, 2017, Uber appealed the decision to the Unemployment Insurance Appeal Board. The New York State Unemployment Insurance Appeal Board found that Uber exerted control over drivers and acted as an employer based on criteria including: (i) Uber assigns work by dispatching drivers through the app, (ii) Uber sets the fare rates and collects the fares from passengers and sets the pay rates for drivers and pays drivers, (iii) Uber uses a 5-star rating system and deactivates drivers with less than 4.5 stars and (iv) Uber monitors drivers while they are using the app. The New York State Unemployment Insurance Appeal Board ruled that "The credible evidence establishes that Uber exercises sufficient supervision, direction or control over the three claimants and other similarly situated Drivers... Uber also exercises control through its Driver App. Uber provides the Driver App and sets up the information that appears on the Driver App; sets the fares charged to Riders; sets the rate of pay to Drivers and the occasional income guarantee; sets the various incentives and promotions; and sets the music, tipping and deactivation policies. Uber assigns the work by dispatching trip requests to the closest individual Driver who must accept the dispatch within Uber's 15-second mandate...". The Appeal Board rejected Uber’s application to withdraw its appeal and issued a decision finding that the three former Uber drivers situated to be employees of Uber.
  • 21.06.2018 New York Supreme Court, Appellate Division, Third Department (Postmates Inc. / Commissioner of Labor)
    Postmates Inc. couriers aren’t employees, New York state appeals court ruled. The appeals court said a courier fired by Postmates isn’t entitled to unemployment insurance benefits. The order reverses a state Unemployment Insurance Appeal Board finding that the San Francisco food-delivery start up is an employer liable for unemployment insurance contributions on money paid to its couriers.
  • 11.05.2018 United States Court of Appeals for the Ninth Circuit, Case No. 17-35640 (Chamber of Commerce of the United States of America and Rasier LLC / City of Seattle)
    Seattle was the first US city to pass a law allowing Uber and Lyft drivers to unionize but since that law passed in 2015, the business community has continually challenged it. In December 2015, the Seattle City Council enacted into law relating to Taxicab, Transportation Network Company, and For-Hire Vehicle Drivers (Ordinance). The Ordinance was the first municipal ordinance of its kind in the United States, and authorizes a collective-bargaining process between “driver coordinators” - like Uber, Lyft and other independent contractors who work as for-hire drivers. The Ordinance permits independent-contractor drivers, represented by an entity denominated an “exclusive driver representative” and driver coordinators to agree on the “nature and amount of payments to be made by, or withheld from, the driver coordinator to or by the drivers.” Acting on behalf of its members which lists Uber and Lyft, the Chamber of Commerce of the United States of America and Rasier, LLC (a subsidiary of Uber), sued the City of Seattle, challenging the Ordinance on federal antitrust and labor law grounds. The district court dismissed the case, holding that the state-action immunity doctrine exempts the Ordinance from preemption by the Sherman Act, and that the NLRA does not preempt the Ordinance. The Chamber appealed both holdings. The United States Court of Appeals for the Ninth Circuit affirmed in part and reversed in part the district court’s dismissal. The Court of Appeals reversed the district court’s dismissal of claims that the ordinance violates, and is preempted by, § 1 of the Sherman Antitrust Act because the ordinance sanctions price-fixing of ride-referral service fees by private cartels of independent-contractor drivers and held that the state-action immunity doctrine did not exempt the ordinance from preemption by the Sherman Act because the State of Washington had not clearly articulated and affirmatively expressed a state policy authorizing private parties to price-fix the fees that for-hire drivers pay to companies like Uber or Lyft in exchange for ride-referral services. In addition, the active-supervision requirement for state-action immunity applied, and was not met. The Court of Appeals affirmed the district court’s dismissal of claims that the ordinance was preempted by the National Labor Relations Act under either Machinists or Garmon preemption. The Court of Appeals remanded the case for further proceedings.
  • 30.04.2018 Supreme Court of California (Dynamex Operations West Inc. / Superior Court)
    In the underlying lawsuit in this matter, two individual delivery drivers suing, on their own behalf and on behalf of a class of allegedly similarly situated drivers, filed a complaint against Dynamex Operations West, Inc. (Dynamex), a nationwide package and document delivery company, alleging that Dynamex had misclassified its delivery drivers as independent contractors rather than employees. Under the ABC test, a worker will be deemed to have been “suffered or permitted to work,” and an employee for wage order purposes, unless the putative employer proves: (A) that the worker is free from the control and direction of the hirer in connection with the performance of the work, both under the contract for the performance of such work and in fact; (B) that the worker performs work that is outside the usual course of the hiring entity’s business; and (C) that the worker is customarily engaged in an independently established trade, occupation, or business of the same nature as the work performed for the hiring entity. The Supreme Court evaluated three questions based on the ABC test. The Supreme Court conceded that the “suffer or permit to work” standard is a “term of art” that cannot be interpreted literally because it would obviously encompass workers who are traditional independent contractors (e.g. plumbers) and would more or less eviscerate the commonly understood distinction between employees and independent contractors. The Supreme Court limited the scope of “suffer or permit to work” by adopting the “ABC test.”
  • 11.04.2018 United States District Court for the Eastern District of Pennsylvania, Case No. 2:16-cv-00573 (Razak / Uber Technologies Inc.)
    Plaintiff Ali Razak and two others plaintiffs have brought individual and representative claims against Uber. The plaintiffs, Uber drivers for Uber’s limousine service UberBLACK, argued that they are employees and that Uber failed to pay them overtime and minimum wage in violation of the Fair Labor Standards Act (FLSA). The Court evaluated six factors come from a 1985 decision Donovan v. DialAmerica Marketing: (1) The degree of the alleged employer’s right to control the manner in which the work is to be performed, (2) The alleged employee’s opportunity for profit or loss depending upon his managerial skill, (3) The alleged employee’s investment in equipment or materials required for his task, or his employment of helpers, (4) Whether the service rendered requires a special skill, (5) The degree of permanence of the working relationship and (6) Whether the service rendered is an integral part of the alleged employer’s business. The Court found that four of the six factors weighed in favour of the “independent contractor” status. Given the totality of the circumstances and the fact “that no single factor in the economic reality test is dispositive”, plaintiffs have not brought proof of showing that they are employees. Uber’s motion will be granted: UberBLACK drivers are independent contractors.
  • 08.02.2018 United States District Court for the District of California, Case No. 3:15-cv-05128-JSC (Lawson / Grubhub)
    Former Delivery driver, Raef Lawson, worked for Grubhub for four months. He complains that Grubhub improperly classified him as an independent contractor rather than an employee under California law and in doing so violated California’s minimum wage, overtime and employee expense reimbursement laws. Based on what the Court observed at trail and the facts, the Court finds that during the four months Mr. Lawson performed delivery services for Grubhub he was an independent contractor. Since he was not an employee, he cannot prevail on this individual Labor Code of PAGA claims. See also: Grubhub’s opposition to plaintiff-appellant’s motion to remand.
  • 01.02.2017 Florida District Court of Appeal, Case No. 3D15-2758 (McGillis / Department of Economic Opportunity and Uber Technologies Inc.)
    McGillis was an Uber driver until Uber revoked his access to the technology based on alleged violations of Uber’s user privacy. McGillis filed a claim for reemployment assistance against Uber. The threshold issue raised by his claim was whether he provided service to Uber as an employee entitled to reemployment assistance under sector 433.1216, Florida Statutes (2015), or whether he served Uber as an independent contractor. The court agrees with the Department’s conclusion that Uber drivers like McGillis are not employees for the purpose of reemployment assistance. In this case, the parties’ agreement unequivocally disclaims an employer-employee relationship and the parties’ actual practice reflects the written contract. Due in large part to the transformative nature of the internet and smartphones, Uber drivers like McGillis decide whether, when, where, with whom, and how to provide rides using Uber’s computer programs. This level of free agency is incompatible with the control to which a traditional employee is subject. The Court affirms the final order of the Department of Economic Opportunity concluding that Uber drivers are not entitled to reemployment assistance under section 443.1216 and denies McGillis’ claim for reemployment assistance.
  • 30.01.2017 United States District Court for the District of New Jersey, Civ. Action No. 16–3044 (Singh / Uber Technologies Inc.)
    Former Uber driver, Jaswinder Singh, brought an action in District Court against Uber, alleging Uber misclassified him as an independent contractor, did not pay him overtime compensation, and required him to pay for business expenses incurred on behalf of service. Uber asked the District Court to dismiss the action and compel arbitration. The District Court found that the parties have agreed to permit the arbitrator to decide issues of arbitrability under the Agreement's delegation clause and concluded that the parties entered into a valid and enforceable arbitration agreement and Singh must arbitrate his claims.
  • 07.09.2016 United States Court of Appeals for the Ninth Circuit, No.15-16178, No.15-16181, No.15-16250 (Mohamed / Uber Technologies Inc.)
    Former Uber drivers, Abdul Mohamed and Ronald Gillette, filed an action in District Court alleging on behalf of themselves and a proposed class of other drivers that defendant, Uber Technologies, violated the Fair Credit Reporting Act (FCRA) and various state statutes. Gillette has also brought a representative claim against Uber under California's Private Attorneys General Act of 2004 (PAGA) alleging that he was misclassified as an independent contractor rather than an employee. The District Court concluded that the delegation clauses in both of the 2013 and the 2014 agreements were ineffective because they were not clear and unmistakable. The District Court denied Uber's motion to compel arbitration of the claims. Uber argues on appeal (1) that the district court erroneously considered whether the arbitration provisions were enforceable when that question was clearly delegated to an arbitrator, and (2) that even if the district court properly considered arbitrability, it erred in concluding that the arbitration provisions were invalid and in declining to compel arbitration. The Court of Appeals concluded that the District Court erred at first step and improperly assumed the authority to decide whether the arbitration agreements were enforceable. The question of arbitrability as to all but Gillette’s PAGA claims was delegated to the arbitrator. Under the terms of the agreement Gillette signed, the PAGA waiver should be severed from the arbitration agreement and Gillette’s PAGA claims may proceed in court on a representative basis. All of Plaintiffs’ remaining arguments, including both Mohamed’s challenge to the PAGA waiver in the agreement he signed and the challenge by both Plaintiffs to the validity of the arbitration agreement itself, are subject to resolution via arbitration. The Court of Appeals affirmed in part and reverse the District Court’s order denying Uber’s motions to compel arbitration and remand for proceedings consistent with this opinion.
  • 12.05.2016 Wisconsin Department of Workforce Development: Equal Rights Division (Taveree Y. Sly-Lundasi / Uber Technologies Inc.)
    Taveree Y. Sly-Lundasi filed a complaint alleging that Uber violated the Wisconsin Fair Employment Act, section 111.31-111.395, by discriminating against her because of her arrest record. Uber argued that the complaint should be dismissed because Taveree Y. Sly-Lundasi was an independent contractor and Uber was not an employer or “other person” under the Wisconsin Fair Employment Act. Uber also argued that the she was attempting to enter into a relationship with Uber as an independent contractor and that such action was not actionable under the Wisconsin Fair Employment Act. Because Uber did not exercise the required control of individual drivers like Sly-Lundasi, there was no employer-employee relationship between her and Uber. She was an independent contractor, and was not afforded the protection of the Wisconsin Fair Employment Act. Therefore the judge dismisses the complaint in this matter.  
  • 23.06.2016 United States District Court for the Northern District of California (Cotter / Lyft)
    The drivers in this lawsuit sued Lyft alleging that Lyft improperly classified drivers who gave rides in California as independent contractors rather than employees and that as a result of this classification, Lyft violated various laws and regulations. The Court did not decide in favor of the drivers or Lyft. Instead, both sides agreed to a settlement.
  • 04.05.2016 United States District Court for the Middle District of Florida, Case No. 8:16 CV-166-T-30MAP (Suarez / Uber Technologies Inc.)
    The drivers in this lawsuit sued Uber alleging that Uber misclassified drivers as independent contractors, rather than as employees and also claimed that Uber violated the Fair Labor Standards Act by failing to pay them minimum and overtime wages. The U.S. District Judge found that the user agreements signed by the drivers contained valid arbitration and opt-out clauses that allowed Uber to arbitrate the disputes individually. The drivers appealed this case.
  • 03.05.2016 United States District Court for the District of Maryland, Civil Action No. MJG-15-3650 (Varon / Uber Technologies Inc.)
    Former Uber driver, Elizabeth Varon, filed an action on behalf of herself and a proposed class of other drivers in District Court against Uber, alleging among other things that Uber’s treating drivers as employees but not paying them as employees. Uber moved to compel arbitration and dismiss the case. The District Court granted Uber’s motion to compel arbitration. Varon has filed a motion for reconsideration of the Court’s May 3, 2016 Order granting Uber’s motion to compel arbitration. The motion is denied on July 20, 2016.
  • 07.04.2016 United States District Court for the District of Arizona, CV-15-02418-PHX-DLR (Sena / Uber Technologies Inc.) (OnLabor)
    Former Uber driver, David Sena, filed an action in District Court against Uber, alleging Uber misclassified him as an independent contractor. Uber moved to compel arbitration and dismiss the case. Sena stated that the Court should follow the Northern District of California's decision in Mohamed v. Uber Technologies (N.D. Cal. 2015), which found Uber's arbitration provision unconscionable, and therefore unenforceable. On April 7, 2016, the Court granted Uber's motion to compel arbitration. In declining to follow Mohamed's reasoning, the Court concluded that the arbitration provision clearly and unmistakably delegates questions of arbitrability to the arbitrator because similar language had been found clear and unmistakable by the Supreme Court and the Ninth Circuit. Sena has filed a motion for reconsideration of the Court's April 7, 2016 Order granting Uber's motion to compel arbitration. The motion is denied on May 3, 2016.
  • 2013-2016 United States District Court for the Northern District of California, C13-3826 EMC (O’Connor / Uber Technologies, Inc. et al.)
    “This case will boil down to whether Uber can successfully convince a jury that its classification of drivers as independent contractors, rather than employees of Uber, is appropriate”.
  • 06.11.2015 United States District Court for the District of California, No. 15-cv-01285-EDL (Levin / Caviar Inc.)
    Plaintiff, Levin, was a courier for food delivery service Caviar, which does business as Try Caviar. Levin filed a suit against Try Caviar alleging it had misclassified him as an independent contractor, rather than employee, in violation of California Labor Code governing wages and expenses, and asserted a representative action, under the California Private Attorneys General Act (PAGA), on behalf of other drivers. Try Caviar moved to compel arbitration. The court grants the motion to compel arbitration of plaintiff’s individual claims and finds the PAGA waiver unenforceable. Within 14 days the parties shall each submit letter briefs on the issue of whether the arbitrability of plaintiff’s claim should be decided by the AAA arbitrator.
  • 03.11.2015 United States District Court for the District of California, No. 15-cv-00697-EMC (Cobarruviaz et al / Maplebear Inc.
    Personal shoppers and drivers who worked for food delivery service Maplebear, which does business as Instacart, filed a multi-state putative class action against the service alleging they had been classified as independent contractors, rather than employees, in violation of Fair Labor Standards Act (FLSA) and state law. California bases plaintiff’s also sought civil penalties under the California Private Attorneys General Act (PAGA). The food delivery service moved to compel arbitration. The court concludes that the agreement to arbitrate is enforceable, subject to severance of the fee-splitting and fee-shifting provision. The court concludes that the agreement to arbitrate is enforceable. The court grants the motion to compel arbitration on an individual basis, except for the PAGA representative claim. However the court will grant Maplebear’s request to stay this litigation including the PAGA representatives claim, pending the outcome of the arbitration.
  • 01.08.2012 California Labor Commission (Alatraqchi / Uber Technologies Inc.)
    Uber contends Alatraqchi is an independent contractor. “In determining whether an individual providing service to another is an employee of an independent contractor, there is no single determinative factor. Prior to 1970, the principle test was whether the person to whom service was rendered had the right to control the manner and means of the accomplishing the result desired. S.G. Borello & Sons, Inc. v. Dept. of Industrial Relations (1989) brought a departure from the focus on control over the work details. The court identified the following additional factors that must be considered: whether the person performing services is engaged in an occupation or business district from that of the principal, whether the work is a part of the regular business of the principal, whether the principal or the worker supplies the instrumentalities, tools, and the place for the person doing the work, the alleged employee’s investment in the equipment or materials required by the task, the skill required in the particular occupation, the kind of occupation, with reference to whether, in the locality, the work usually is done under the direction of the principal of by a specialist without supervision, the alleged employee’s opportunity for profit or loss depending on his managerial skill, the length of time for which the services are to be performed, the degree of performance of the working relationship, the method of payment, whether by time of by the job, and whether the parties believe they are creating an employer-employee relationship. California courts have established a series of definitive tests for determining whether one is an employee or an independent contractor. Even if the parties expressly agree in writing that an independent contractor relationship exists, under the tests, the one performing services may still be considered an employee. In this matter, Uber’s business was engaged in technology and not the transportation industry, The services Alatraqchi provided were not part of the business operated by Uber, and the evidence did indicate that Alatraqchi provided similar services for others during the time of his employment with Uber. The work arrangement was paid at per-job rate. Alatraqchi provided the means to complete the job. Uber did not supervise or direct his work and only paid him when  Alatraqchi invoices Uber. Based on testimonies and evidence presented, Alatraqchi performed services as an independent contractor of Uber and not as a bona fide employee. The Labor Commission lacks jurisdiction over disputes arising from bona fide independent contractor, rather than employment, relationships. Alatraqchi’s claim, therefor, is dismissed for lack of jurisdiction.”

Verenigd Koninkrijk

  • 22.06.2018 Leeds Employment Tribunal (Leyland and others v Hermes Parcelnet Ltd)
    A number of Hermes Parcelnet couriers brought claims against Hermes Parcelnet (a parcel delivery business) for the National Minimum Wage, paid annual leave and unauthorised deduction from wages. The Employment Tribunal must determine whether an individual is a limb (b) worker as so defined is to identify the terms of the contract and what they mean. A worker is defined as an individual who has entered into or works under (a) a contract of employment; or (b) any other contract, whether express or implied and (if it is express) whether oral or in writing, whereby the individual undertakes to do or perform personally any work or services for another party to the contract whose status is not by virtue of the contract that of a client or customer of any profession or business undertaking carried on by the individual. The key question was whether there was an obligation on the couriers to “personally” perform work. The written contract says that couriers are not obliged to provide the service personally and have the “unconditional” right to nominate a substitute to provide the service on their behalf, at any time and for any reason. There are two ways in which couriers may arrange for their deliveries to be undertaken if they are unable or unwilling to do so themselves: (1) to provide a cover (a person who is already a Hermes courier) or (2) to provide a substitute (a person who is not already a Hermes courier). Hermes argued that the couriers had an unfettered right to use a substitute or cover. The Employment Tribunal considered that there was an obligation on Hermes to provide work and an obligation on the couriers to deliver services personally and found that the written contract was not a true or full reflection of the contractual agreement between Hermes and the couriers. The written terms does not reflect the actual legal obligations of the parties. The Employment Tribunal concluded that the terms of the contract and the way in which the parties operate in practice point overwhelmingly to the fact that these are contracts that fall within the field of dependent work relationships. The Hermes couriers undertake personally to perform work and Hermes is not a client of a business undertaking of theirs. The Employment Tribunal concluded that the couriers are properly regarded as limb (b) workers.
  • 13.06.2018 United Kingdom Supreme Court, [2018] UKSC 29 (Pimlico Plumbers Ltd / Smith)
    Gary Smith, worked for Pimlico Plumbers as a plumbing and heating engineer. In August 2011 Mr Smith issued proceedings against Pimlico Plumbers before the employment tribunal alleging that he had been unfairly dismissed, that an unlawful deduction had been made from his wages, that he had not been paid for a period of statutory annual leave and that he had been discriminated against by virtue of his disability. The employment tribunal decided that Mr Smith had not been an employee under a contract of employment, and therefore that he was not entitled to complain of unfair dismissal (a finding that Mr Smith does not now challenge), but that Mr Smith (i) was a ‘worker’ within the meaning of s.230(3) of the Employment Rights Act 1996, (ii) was a ‘worker’ within the meaning of regulation 2(1) of the Working Time Regulations 1998, and (iii) had been in ‘employment’ for the purposes of s.83(2) of the Equality Act 2010. These findings meant that Mr Smith could legitimately proceed with his latter three complaints and directions were made for their substantive consideration at a later date. Pimlico Plumbers appealed this decision to an appeal tribunal and then to the Court of Appeal, but were unsuccessful. They consequently appealed to the Supreme Court. The Supreme Court unanimously dismisses the appeal. The tribunal was entitled to conclude that Mr Smith qualified as a ‘worker’ under s.230(3)(b) of the Employment Rights Act 1996 (and by analogy the relevant provisions of the Working Time Regulations 1998 and the Equality Act 2010), and his substantive claims can proceed to be heard. See also: the case details.  
  • 11.05.2018 Employment Appeal Tribunal, Appeal No. UKEAT/0289/17/LA (Addison Lee Ltd / Gascoigne)
    In August 2017 the Employment Tribunal (ET) held that a former courier, Chris Gascoigne, was a worker for Addison Lee and not a self-employed independent contractor. As a result of the decision of the ET, he was entitled to claim employment right such as holiday pay. Addison Lee appealed this decision. Addison Lee’s main point on appeal was the argument that its couriers were under no legal obligation to work. They could log on or off at will, and decide whether or not to accept jobs when logged on. At most there was “gentle pressure” from a controller to accept jobs, but no adverse consequences if they did not. The Employment Appeal Tribunal (EAT) concluded that when an individual was logged on there was “mutuality of obligation” – meaning a contractual obligation for Addison Lee to offer work and for the individual to accept it, subject to the individual’s occasional entitlement to decline if a parcel was too heavy. The EAT said: “…we do not accept that [the claimant’s] entitlement to log off at any time is at odds with the obligation to accept work offered when he was logged on”. The Employment Appeal Tribunal rejected the appeal, upholding the decision of the Employment Tribunal.
  • 14.11.2017 Central Arbitration Committee Trade Union and Labour Relations (Independent Workers’ Union of Great Britain (IWGB) / Deliveroo)
    The IWGW (the Union) submitted an application to the CAC (a body that resolves worker disputes) that it should be recognised for collective bargaining by Deliveroo. The CAC ruled that the food delivery firm’s riders were self-employed contractors as they had the right to allocate a substitute to do the work for them. The CAC ruling said: “The central and insuperable difficulty for the union is that we find that the substitution right to be genuine, in the sense that Deliveroo have decided in the new contract that riders have a right to substitute themselves both before and after they have accepted a particular job; and we have also heard evidence, that we accepted, of it being operated in practice.” It said that its finding on this particular aspect of the relationship between Deliveroo and its riders was “fatal to the union’s claim.” Accordingly, the decision is that the Union’s application is not accepted since the riders are not workers within the meaning of s.296 TULR(C)A, but in all other respects the acceptance tests have been met by the Union.
  • 10.11.2017 Employment Appeal Tribunal (Uber B.V. and others / Aslam and others)
    The Employment Appeal Tribunal (EAT) has upheld the ruling against taxi organisation Uber, stating that its drivers are employed as workers and are entitled to employment rights such as the national minimum wage and holiday pay. As part of the ruling, the EAT also confirmed that the period from when drivers are logged on and are ready and willing to accept rides counts as working time, meaning that drivers should be paid at least the minimum wage for that whole period.
  • 23.03.2017 Central London Employment Tribunal (Boxer / Excel Group Services Ltd.)
    The claimant (Mr Boxer) was a bicycle courier and argued that when he worked for Excel Group Services, he was a worker within the meaning of the Employments Rights Acts. The Employment Tribunal of London has ruled that he was a worker for the purposes of the Working Time Regulations, entitling him to holiday pay. In finding that Mr Boxer was a worker entitled to holiday pay, the tribunal was influenced by: the inequality of bargaining power when he signed the contract, his five-day working week under the supervision of a controller; the notice he had to give if he was not working; the fact that he did not pay insurance; the absence of negotiating room in what he was paid; and the expectation that he wait between jobs in a particular location. The tribunal also made clear that a theoretical right to send a suitably qualified substitute did not defeat Mr Boxer’s claim. The reality of the arrangement was that sending a substitute was not a practical option.
  • 05.01.2017 Central London Employment Tribunal (Dewhurst / Citysprint UK Ltd.)
    The claimant (Ms Dewhurst) works as a cycle courier for City Sprint and typically works four days a week form 9.30 am to 6.30 pm. She argues she is a worker within the meaning of section 230(3)(b) of the Employment Rights Act (“the limb (b) worker”). Her claim is for two days’ holiday pay in respect of holiday which she took but has not been paid for. The Employment Tribunal of Londen looked at the contractual documentation but also examined the reality of the situation in detail. The reality of Ms Dewhursts working conditions made it clear she was integrated into CitySprint's business. In particular it noted as significant: the couriers do not have discretion to determine the manner in which the services are performed, the substitution clause was so prescriptive that in effect it allowed no more than that the couriers could swap jobs with a colleague, although the document referred to couriers self-billing and using invoices, in practice couriers do not submit invoices for individual jobs, instead the company automatically calculates payments due and pays them weekly in arrears, and the tick box exercise on recruitment illustrated the clear inequality of bargaining power. The tribunal concludes that the claimant was a worker during the time she was on circuit. City Sprint unlawfully failed to pay her for two days’ of holiday.
  • 28.10.2016 Employment Tribunals (Aslam and others / Uber B.V. and others)
    In deze uitspraak oordeelt het Employment Tribunal dat twee chauffeurs die voor Uber rijden, niet 'self-employed' zijn, maar kwalificeren als 'worker'. Dit heeft tot gevolg dat deze chauffeurs aanspraak kunnen maken op bijvoorbeeld het wettelijk minimumloon en doorbetaalde vakantie.

Literatuur

Nederland

Boeken

Tijdschriften

  • D. van Kesteren, SEO-directeur Bas ter Weel over de platformeconomie, SERmagazine nr. 10 - oktober 2018
    De kluseconomie, met platformen als Uber, Helpling en Deliveroo, groeit. Dat biedt kansen, maar leidt ook tot arbeidsvraagstukken en maatschappelijke discussie. Onderzoeksbureau SEO bracht de opkomst en omvang van deze economie in Nederland in beeld. Directeur Bas ter Weel licht toe. Platformwerk verlaagt de drempel tot de arbeidsmarkt, aldus Ter Weel. ‘Maar er is ook een keerzijde. Want hoe zit het met de juridische status van de werkers, de verhouding tot wet- en regelgeving en de sociale bescherming?’
  • F. Koster, ‘Personeelsbeleid in de platformeconomie’, Mens en maatschappij, Volume 93, nummer 3, augustus 2018, p. 283-305 [zichtbaar na inlog / registratie]
    Digitalisering is een van de meest in het oog springende ontwikkelingen waar organisaties mee te maken hebben. De afgelopen jaren heeft een groot deel van de organisaties papieren documenten gedigitaliseerd en emailverkeer is in geen enkele organisatie meer weg te denken. Een onderdeel van de digitaliseringstrend is dat organisaties meer en meer gebruik zijn gaan maken van online platforms. Het toepassen van die vorm van digitalisering kan gevolgen hebben voor de interne structuur van organisaties, bijvoorbeeld omdat collega’s op die manier met elkaar kunnen samenwerken of omdat het flexibeler werken mogelijk maakt. Daarnaast brengen online platforms met zich mee dat organisaties een deel van hun werkzaamheden buiten de grenzen van de eigen organisatie leggen. Te denken valt daarbij aan platforms voor het aanbieden van producten en diensten, online adverteren, digitaal betaalverkeer en het communiceren en samenwerken met andere organisaties via digitale kanalen. Voor organisaties leveren dergelijke platforms voordelen op omdat zij in principe altijd bereikbaar zijn en er daarom ook altijd gebruik van kan worden gemaakt. Vervolgens leidt dit er mogelijk toe organisatiegrenzen vervagen en organisaties meer en meer in elkaar overlopen, enerzijds omdat organisaties meer gebruikmaken van diensten buiten hun eigen organisaties en anderzijds omdat online platforms de samenwerking tussen organisaties kan stimuleren. Omdat het hier om een relatief nieuw fenomeen, is nog niet duidelijk is welke invloed het heeft op de inrichting en het functioneren van organisaties.
  • K. Frenken, A. van Waes, M. Smink, R. van Est, ‘Publieke belangen in de deel- en kluseconomie’, Mens en Maatschappij, Volume 93, nummer 3, p. 211-230 [zichtbaar na inlog / registratie]
    Het succes van Airbnb en Uber heeft geleid tot een publiek debat over de voor- en nadelen van de deeleconomie en platformwerk. Dit artikel beschrijft vijf casestudy's van platformen die momenteel actief zijn: auto delen (SnappCar), woning delen (Airbnb), thuisrestaurants (Airdnd), taxidiensten (UberPop) en schoonmaak (Helpling). Het artikel plaatst vervolgens de deeleconomie en platformwerk in een historisch perspectief, om te benadrukken dat de platformen voortbouwen op reeds bestaande sociale praktijken. Ook presenteren de auteurs een beleidskader op basis van vier elementaire beleidsopties: actief handhaven van bestaande regelgeving, het vaststellen van nieuwe regelgeving, deregulering of gedogen.
  • F. Dekker, ‘Werken in de klusseneconomie: een literatuurstudie’, Beleid en Maatschappij 2018, nr. 2, p. 189-198 [zichtbaar na inlog / registratie]
    In verschillende landen wordt gediscussieerd over de opkomst en gevolgen van de klusseneconomie. Ook in Nederland. Dit artikel over de klusseneconomie geeft op basis van de literatuur een overzicht van de gevolgen van online platforms voor de arbeidsmarkt, arbeidsorganisatie en arbeidsverhoudingen. Uitkomsten suggereren onder andere dat de klusseneconomie als verschijnsel past in een breder transformatieproces naar een meer flexibele arbeidsmarkt, waarbij zich vergelijkbare beleidsuitdagingen voordoen zoals bij de opkomst van zzp’ers.
  • M. Smink, J. Gerritsen, A. Van Waes, M. Peters en R. Van Est, ‘Een eerlijke klusseneconomie’, Beleid en Maatschappij 2018, nr. 2, p. 199-207 [zichtbaar na inlog / registratie]
    Dit artikel over de klusseneconomie introduceert het begrip ‘klusseneconomie’ en beschrijft de opkomst van klusplatforms in Nederland. Vervolgens komt aan de hand van twee voorbeelden het functioneren van klusplatforms aan bod. Daarna verkennen de auteurs enkele belangrijke vragen over juridische onduidelijkheden, maatschappelijke effecten en de autonomie van online dienstverleners. Het slot van de bijdrage vat de belangrijkste effecten van de klusseneconomie samen en stelt dat deze effecten beleidsmakers en politici nopen tot het bepalen van eerlijke voorwaarden in een klusseneconomie.
  • F. Koster, ‘Organisatiekenmerken en het gebruik van digitale platforms’, Beleid en Maatschappij 2018, nr. 2, p. 217-231 [zichtbaar na inlog / registratie]
    Dit artikel richt zich op de vraag welke organisatiekenmerken kunnen verklaren waarom organisaties gebruikmaken van digitale platforms. Waar bestaand onderzoek verklaringen vooral zoekt in kenmerken van de technologie zelf, gaat in dit onderzoek de aandacht uit naar drie meer algemene organisatiekenmerken, te weten (1) ervaringen met technologie; (2) opvattingen over technologie; en (3) aandacht binnen arbeidsorganisaties voor menselijk kapitaal. Er wordt onderscheid gemaakt tussen twee typen online platforms, namelijk: platforms voor het aanbieden van producten en diensten, en platforms voor het samenwerken met andere organisaties. Aan de hand van data over 678 organisaties in Nederland analyseren de auteurs of de drie organisatiekenmerken bijdragen aan het gebruik van digitale platforms. Terwijl ervaringen en opvattingen een verklaring bieden voor beide typen platforms, draagt aandacht voor menselijk kapitaal alleen bij aan het gebruik van platforms voor het samenwerken met andere organisaties.
  • M. Houwerzijl, ‘Juridische vraagstukken rond arbeid in de klusseneconomie’, Beleid en Maatschappij 2018, nr. 2, p. 208-216 [zichtbaar na inlog / registratie]
    In dit artikel worden de juridische consequenties van het werken in een klusseneconomie besproken. De auteurs belichten een aantal juridische aspecten die kleven aan de sociaal-politieke vraag naar het maatschappelijk gewenste minimumniveau aan bescherming voor platformwerkers. Daarbij gaat de meeste aandacht uit naar de kwalificatievraag: zijn werkenden in de klusseneconomie werknemers of zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers)? Voor de rechtsonzekerheid die hiermee gepaard gaat, is een aantal oplossingen in de maak of soms al voorhanden in het geldende recht. Deze oplossingen worden kort verkend.
  • P. Kruit & M. Ouwehand, ‘Platformarbeid: de ene platformwerk(nem)er is de andere niet’, TRA 2018/58
    In deze bijdrage geven de auteurs een nadere duiding aan platformarbeid door, na een korte introductie op het fenomeen platformarbeid in paragraaf 2 – in aanvulling op eerdere literatuur – in paragraaf 3 een categorisering aan te brengen in verschillende vormen van platformarbeid. Deze categorieën toetsen zij daarna in paragraaf 4 op basis van hun kenmerken aan het juridisch kader van artikel 7:610 BW om zodoende te analyseren welke vorm van platformarbeid wellicht als arbeidsrelatie in de zin van artikel 7:610 BW kan worden aangemerkt. De auteurs beogen hiermee de discussie over de inpassing van de figuur platformarbeid in haar verschillende facetten in het bestaande juridisch kader (verder) te voeden.
  • J.H. Bennaars, ‘Is platformwerk een bedreiging of een kans voor het arbeidsrecht? Het antwoord is ja’, ArbeidsRecht 2018/28
  • J.M. van Slooten, ‘Het arbeidsrecht moet op de schop’, Ondernemingsrecht 2018/43
  • H.J.W. Alt, ‘De gedwongen vrijheid van de maaltijdbezorger en de plannen van het kabinet Rutte III’, TRA 2018/36
  • M.R. Botman, ‘Uber: online dienst of vervoersbedrijf? Europese grenzen aan regulering van online platforms’, NtEr 2018, nr. 1-2
    In het arrest Asociación Professional Elite Taxi/Uber Systems Spain geeft het Hof van Justitie antwoord op de vraag of Uber moet worden gekwalificeerd als online dienst of vervoersbedrijf. Hiermee is ook duidelijk aan welke Europese regels nationale regulering van het online Uberplatform is onderworpen. In deze bijdrage wordt het arrest geanalyseerd en wordt bezien welke gevolgen het arrest heeft voor Nederland. Welke betekenis heeft het arrest voor de regulering van andere online platforms?
  • E. Verhulp, ‘Platformwerkers verdienen meer!’, ArbeidsRecht 2018/1
    De vraag die Verhulp in deze bijdrage onderzoekt is of op de rechtsrelatie tussen een werker en een platform dat zijn arbeid bemiddelt de uitzendrichtlijn (Richtlijn 2008/104/EG) en de deels daarop gebaseerde Waadi van toepassing zijn, ook als de rechtsrelatie van de werker en het platform geen arbeidsovereenkomst in de zin van art. 7:610 BW is.
  • F. de Fijter, ‘Nieuwe economie heeft regels en vangnet nodig’, SERmagazine oktober 2017, nr. 10, p. 14-16 (bron: SER)
    Dit artikel is de weergave van een gesprek met Koen Frenken en Mies Westerveld over de kansen en risico’s van de platformeconomie.
  • M.M. van den Berg, ‘The (possible) impact and consequences of Aslam and others v Uber B.V. and others for the industry in the UK and the Netherlands’, TAO 2017, nr. 3, p. 144-152
  • R. van Neck en R.G. Waterman, ‘Uber - dienst van de informatiemaatschappij of vervoersdienst? De online platformeconomie onder de loep’, JutD 2017-0104 (www.birdbuzz.nl)
  • J.G.L. van der Wees, ‘Conclusie A-G HvJ EU: Uber moet zich aan nationale vervoerswetten houden’, Computerrecht 2017/196
  • A. de Vries-Stotijn, ‘Ontwikkelingen in het EU-recht: Uber een vervoersaanbieder?’, TvC 2017/4
  • J.M. van Slooten, ‘Ter Visie – Platformarbeid: nog een reden tot rethinking van het arbeidsrecht’, TAO 2017, nr. 2, p. 51-52
    In dit artikel wordt ingegaan op werkplatforms en het door de auteur gesignaleerde probleem dat het huidige arbeidsrecht niet meer bij machte lijkt om vast te stellen wat de rechtsrelatie van werkplatforms met hun werkers is.
  • M.S. Houwerzijl, ‘Arbeid en arbeidsrecht in de digitale platformsamenleving: transnationale dimensies en dilemma’s’, TRA 2017/59
    In dit artikel staan de grensoverschrijdende vormen van digitaal werk binnen de EU centraal. Verkend wordt de impact van transnationaal werken op het vrij verkeer van werknemers en het bepalen van het toepasselijke arbeids- en socialezekerheidsrecht. In aansluiting op het eerste deel komt online arbeid via externe platforms aan de orde. De nadruk ligt echter op digitalisering van werk(onderdelen) via interne digitale platforms van werkgevers.
  • M.S. Houwerzijl, ‘Arbeid en arbeidsrecht in de digitale platformsamenleving: een verkenning’, TRA 2017/14
    In dit artikel wordt ingegaan op het soort werk, hoe bepaalde platformmechanismen de organisatie van arbeid (of de allocatie) sturen, welke sociaalrechtelijke vragen dit oproept en waarom het belangrijk is dat de overheid en andere 'stakeholders' zich hier nu al mee bezig houden.
  • M. Westelveld, ‘Het CBb en ‘Der digitale Taxi-Krieg’, NJB 2015/595

Buitenland

Boeken

Tijdschriften

Publicaties overheid

Nederland

  • 23.08.2018 Kamervragen met antwoorden over het artikel “Maaltijdbezorger Deliveroo ronselt minderjarigen” (bron: ministerie SZW)
    In zijn antwoorden op de gestelde vragen merkt de minister onder meer op dat het uitvoeren van een bestelopdracht niet valt onder een toegestane vorm van kinderarbeid waardoor het derhalve verboden is voor kinderen om een bestelopdracht uit te voeren. Afgaande op het artikel heeft Deliveroo ook in eigen regels vastgelegd dat het uitbesteden van werk aan minderjarigen niet in toegestaan. Net als andere bedrijven is Deliveroo in de eerste plaats zelf verantwoordelijk om maatregelen te nemen tegen deze vorm van werkuitbesteding door invloed uit te oefen op de bezorgers waarmee een overeenkomst is afgesloten. De minister doet geen uitspraken over de overtreding van wet- en regelgeving in concrete gevallen en hij doet geen mededelingen over eventuele lopende onderzoeken van de ISZW. De ISWZ zal in het proces van meerjarenprogrammering 2019-2022 dat momenteel plaatsvindt, expliciet aandacht aan de platformeconomie schenken.
  • 11.07.2018 Verslag van een schriftelijk overleg met de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat inzake de ontwerpverordening ter bevordering van billijkheid en transparantie voor zakelijke gebruikers van onlinetussenhandelsdiensten (Kamerstuk 34978, B) (bron: www.overheid.nl)
    De staatssecretaris van het ministerie van EZK beantwoordt vragen van de VVD-fractie in de Eerste Kamer over het voorstel van de Europese Commissie om billijkheid en transparantie voor zakelijke gebruikers van online platforms te bevorderen. De overheid gaat onderzoeken over aanvullende maatregelen nodig zijn om voldoende concurrentie te waarborgen tussen aanbieders van online platforms voor (zakelijke) producten en diensten. Het is nu nog onvoldoende helder of de bestaande instrumenten inzake mededinging voldoende zijn, aldus de staatssecretaris. De analyse naar de wenselijkheid van verschillende (mededingings)instrumenten om online platformmarkten competitief te houden, moet hier de juiste richting in bepalen. De staatssecretaris wil de Tweede Kamer in de tweede helft van 2018 informeren over de uitkomsten van het onderzoek.
  • 11.07.2018 Kamervragen met antwoorden over het online platform Temper dat zich wel degelijk als werkgever gedraagt (Aanhangsel Handelingen II 2017/18, 2736) (bron: www.overheid.nl)
    In zijn antwoorden op de gestelde vragen merkt de minister op dat er bij leiding en toezicht sprake zou kunnen zijn van werkgeverschap of terbeschikkingstelling in de zin van de Waadi. Of dit bij Temper het geval is hangt af van de feiten of omstandigheden waaronder wordt gewerkt en dat kan niet worden vastgesteld alleen op basis van een tekst op een website. Het oordeel hierover is uiteindelijk aan de rechter die daarbij kijkt naar alle feiten en omstandigheden. Of de Waadi van toepassing is valt niet op voorhand vast te stellen. Hiervoor is niet relevant of het bedrijf een uitzendbureau is, maar of het bedrijf zich bezig houdt met het ter beschikking stellen van arbeidskrachten tegen vergoeding. Indien de opdrachtgever in dat geval toezicht en leiding uitoefent over de werkzaamheden van de arbeidskracht en er geen arbeidsovereenkomst bestaat tussen de arbeidskracht en de opdrachtgever, kan de Waadi van toepassing zijn. De arbeidskracht hoeft daarvoor niet als werknemer te kwalificeren. De Waadi is ook van toepassing indien er sprake is van arbeidsbemiddeling. Dat is dienstverlening waarbij de totstandkoming van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht wordt beoogd. Niet duidelijk is of bij Temper sprake is van terbeschikkingstelling, aldus de minister. Bij een vermoeden van overtreding van de Waadi kan de Inspectie SZW worden gevraagd om onderzoek te doen en hierover een rapport op te maken. De verzoeker kan de bevindingen van de Inspectie gebruiken in een civiele procedure bij de rechtbank. De minister benadrukt dat het niet aan het kabinet is om zich uit te laten over individuele gevallen, maar aan de rechter om hierover bij verschil van mening een uitspraak te doen. Bij de beoordeling of de wijze waarop platforms optreden leiden tot werkgeverschap, moeten alle feiten en omstandigheden van het geval worden gewogen. Het is in dat kader daarom niet zinvol een oordeel te geven over een of enkele van deze omstandigheden.
  • 04.07.2018 Verzamelbrief op het terrein van marktwerking en mededinging (Kamerstuk 24036, 429) (bron: www.overheid.nl)
    Consumenten moeten erop kunnen vertrouwen dat ze voldoende beschermd zijn bij het aanschaffen van producten en diensten. Het consumentenbeleid zorgt voor een hoge mate van bescherming. Het is belangrijk dat het consumentenbeleid meebeweegt met de veranderingen in de maatschappij bijvoorbeeld als gevolg van digitalisering. Om mijn prioriteiten voor het consumentenbeleid in de komende periode vast te kunnen stellen heeft Kantar Public een consumentenonderzoek verricht naar de ervaringen met online platforms. Consumenten blijken wanneer ze gebruikmaken van een platform niet altijd te weten van wie ze het product afnemen; de aanbieder op het platform of het platform zelf. Hierdoor weten consumenten ook niet altijd tot wie ze zich moeten richten bij problemen.
    • met als bijlage (onder meer) het Onderzoek deelname aan de platformeconomie (M. de Gier, T. de Beer en A. Kuperus, Kantar Public)
      De Nederlandse overheid voert, onder andere door middel van wetgeving, beleid om de consument te beschermen en voor te lichten bij de keuze van zijn of haar aankopen. Aangezien er steeds meer transacties online plaatsvinden en de consument steeds meer goederen en diensten via platforms van andere consumenten kan afnemen, is de vraag welke problemen en onduidelijkheden zij ervaren wanneer ze gebruikmaken van platforms. Kantar Public heeft, in opdracht van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat, onderzoek uitgevoerd naar de ervaringen van Nederlanders met consumentenrechten en de platformeconomie.
  • 27.06.2018 Kamervragen met antwoorden over de inwerkingtreding van de handhaving op schijnzelfstandigheid per 1 juli aanstaande (Aanhangsel Handelingen II 2017/18, 2582) (bron: www.overheid.nl)
  • 25.06.2018 Kamervragen met antwoorden over de ongevallenverzekering voor Deliveroo bezorgers (Aanhangsel Handelingen II 2017/18, 2543) (bron: www.overheid.nl)
    De minister van SZW bevestigt dat het uiteindelijke oordeel over de vraag of er bij een individuele opdrachtgever al dan niet sprake is van werkgeverschap is aan de rechter en wordt gevormd op basis van het totaal aan feiten en omstandigheden van dat specifieke geval. Er zijn, aldus de minister, andere ondernemingen / opdrachtgevers bekend die een vergelijkbare verzekering aanbieden. Het is de eigen verantwoordelijkheid van en het staat ieder bedrijf vrij om zelf samen met haar werknemers/opdrachtnemers de arbeidsrelaties binnen een bedrijf vorm te geven zolang daarbij de bestaande wet- en regelgeving in acht wordt genomen. Het is echter niet de bedoeling dat die keuzevrijheid binnen bestaande wet- en regelgeving leidt tot schijnzelfstandigheid en concurrentie op arbeidsvoorwaarden aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Het kabinet zet in op nieuwe wet- en regelgeving met onder meer als doelstelling dat schijnzelfstandigheid wordt voorkomen en dat concurrentie op arbeidsvoorwaarden, met name aan de onderkant van de arbeidsmarkt moet worden voorkomen. De opschorting van de handhaving van de Wet DBA is verlengd tot 1 januari 2020 en opdrachtgevers en opdrachtnemers krijgen geen boetes en naheffingen. Bij de ernstigste kwaadwillenden handhaaft de Belastingdienst wel. De bewijslast dat een opdrachtgevers als kwaadwillende moet worden aangemerkt, rust op de Belastingdienst. Per 1 juli 2018 richt de handhaving zich niet langer alleen op de ernstigste gevallen, maar ook op andere kwaadwillenden, aldus de minister.
  • 22.06.2018 Kamerbrief reactie op SEO-onderzoek naar platformwerk (Kamerstuk 29544, 837) (bron: www.overheid.nl)
    Met deze brief reageert het kabinet op de uitkomsten van het onderzoek ‘De opkomst en groei van de kluseconomie in Nederland’. “Uit het onderzoek en het gesprek met de maaltijdbezorgsector ontstaat het beeld dat er platformen zijn die op zoek zijn naar manieren om weg te blijven van werkgeverschap. Voor het kabinet staat voorop dat op de arbeidsmarkt binnen de wettelijke kaders met werkenden moet worden omgegaan. Het uiteindelijke oordeel over de juridische en fiscale kwalificatie van deze verschijningsvormen is aan de rechter. Uitgangspunt van het kabinet is dat op basis van de aard van het werk de arbeidsrelatie vorm wordt gegeven, en dat geen oneigenlijke concurrentie op arbeidsvoorwaarden plaatsvindt. Daarbij komt dat platformwerk al wordt gekenmerkt door de hoge mate van flexibiliteit die van de werker wordt gevraagd en door de lage werk- en inkomenszekerheid. De concurrentie tussen bedrijven om een marktaandeel veilig te stellen mag niet ten koste gaan van de positie van de werkende, ongeacht of het om platformwerk of werk bij een regulier bedrijf gaat. Daarom wil het kabinet schijnzelfstandigheid en oneigenlijke concurrentie op arbeidsvoorwaarden aanpakken. Dit vormt, samen met het bieden van duidelijkheid aan echte zelfstandigen, de basis voor de bredere visie van het kabinet rond de kwalificatie van arbeidsrelaties en de Wet DBA zoals vastgelegd in het regeerakkoord. Daarnaast wordt vanaf 1 juli 2018 niet langer alleen bij de ernstigste gevallen van kwaadwillenden gehandhaafd door de Belastingdienst, maar kan er ook bij de andere kwaadwillenden worden gehandhaafd. Bij een vermoeden van overtreding van de Waadi kan de Inspectie SZW onderzoek doen en hiervan een rapport opmaken. De verzoeker kan de bevindingen van de Inspectie gebruiken in een civiele procedure bij de rechtbank. Hierop wordt verder ingegaan in de Kamerbrief over de uitwerking van maatregelen ‘werken als zelfstandige’. Bij de kwalificatiediscussie hoort ook de vraag of onze wetgeving nog is toegesneden op de arbeidsmarkt van vandaag en bestendig is voor de arbeidsmarkt van morgen. De Tweede Kamer een motie aangenomen om hier verder onderzoek naar te doen. Het onderzoek naar platformwerk laat eens te meer zien dat die vraag onverminderd actueel is; hoewel de platforms nog klein zijn en niet alles even nieuw is, blijkt uit het onderzoek dat de arbeidsmarkt blijft veranderen en voor nieuwe uitdagingen komt te staan. De variëteit aan arbeidsrelaties neemt toe. Daarmee wordt de vraag actueel of de wijze waarop risico’s worden verdeeld en bescherming wordt georganiseerd (via het arbeidsrecht, de sociale zekerheid en de fiscaliteit) herziening behoeft. Dit bredere vraagstuk komt ook aan de orde in de eerder genoemde Kamerbrief over de uitwerking maatregelen ‘werken als zelfstandige’.
    • met als bijlagen: B. ter Weel, S. van der Werff, J.H. Bennaars, R. Scholte, J. Fijnje, M Westerveld & T. Mertens, De opkomst en groei van de kluseconomie in Nederland en The rise and growth of the gig economy in the Netherlands (SEO economisch onderzoek (in opdracht van het ministerie van SZW))
      Deze studie definieert en inventariseert de stand van zaken met betrekking tot de omvang en potentie van de kluseconomie in Nederland, de werkpraktijk en de gevolgen in arbeidsrechtelijke, sociaalzekerheidsrechtelijke en fiscaalrechtelijke zin. Het onderzoek is een nulmeting waarin wordt beschreven hoe bestaande en nieuwe platforms worden geduid en wat de implicaties zijn voor beleid. Uitgegaan wordt van een relatief smalle definitie van de kluseconomie, waarbij het gaat om werkenden die fysieke arbeid verrichten in Nederland en die primair via een internetplatform (een app of website) aan opdrachten komen.
  • 15.06.2018 Brief regering aangaande de Nederlandse Digitaliseringsstrategie (Kamerstuk 26643, 541)
    • met als bijlage de Nederlandse Digitaliseringsstrategie
      In hoofdstuk 5 (Ander werk, nieuwe vaardigheden en een leven lang leren) staat in § 5.5. (Duidelijkheid over werken via platforms): “Door de opkomst van digitale platforms zoals Werkspot, Helpling, Uber, Deliveroo en Foodora wordt steeds meer dienstverlenend werk via digitale platforms verricht. Hierdoor kunnen mensen op een laagdrempelige en flexibele manier geld verdienen. Een vraagstuk bij dit soort dienstverlening is: wordt arbeid verricht vanuit een positie als werknemer of als zelfstandige? En is daarmee het platform een werkgever of enkel een bemiddelaar van vraag en aanbod? Deze onduidelijkheid heeft gevolgen voor de sociale rechten van de platformwerkers, de plichten van de platforms jegens de werkenden en voor de handhaving van belastingheffing. Het kabinet wil mensen beter ondersteunen in het vinden van de juiste werkrelatie en werkgevers een duidelijker kader geven. Deze vraagstukken zijn breder dan het werken via platforms. In het regeerakkoord zijn daarom maatregelen aangekondigd die zelfstandigen en opdrachtgevers meer duidelijkheid bieden en schijnzelfstandigheid voorkomen. Op het gebied van klusplatforms heeft het kabinet daarnaast een onderzoek laten uitvoeren om een beter zicht te krijgen op de gevolgen van de opkomst van deze platforms.
  • 05.06.2018 Kamervragen met antwoorden over het omgaan met de mogelijkheden om deelplatforms te kunnen onderwerpen aan nationale regels (Aanhangsel II 2017/18, 2326) (bron: www.overheid.nl)
  • 30.03.2018 Kamervragen met antwoorden over dat Schiphol Deliveroo inzet voor bezorging aan de gate (Aanhangsel Handelingen II 2017/18, 1616) (bron: www.overheid.nl)
  • 13.03.2018 Verslag algemeen overleg, gehouden op 14 februari 2018, over Arbeidsmarktbeleid (Kamerstukken II 2017/18, 29544, 815) (bron: www.overheid.nl)
    Hierin zegt de minister van SZW over platformarbeid onder meer het volgende. “Zoals al eerder is aangekondigd, zal het onderzoek naar de platformeconomie in maart verschijnen. Zelf ga ik in gesprek zodra dat onderzoek beschikbaar is. Ik ga dan in gesprek naar aanleiding van dat onderzoek, naar aanleiding van deze discussie, maar ook naar aanleiding van de discussie die de heer Wiersma, de heer Van Weyenberg en de heer Heerma net hebben opgebracht over wat nou goede oplossingen zijn in die nieuwe economie. Want laten we gewoon eerlijk zijn; daarbij zijn er soms knelpunten die kunnen worden opgelost, waarmee ook knelpunten kunnen worden opgelost voor ondernemers met een nieuw businessmodel en met nieuwe, innovatieve ideeën. Mijn beeld is dat ook sociale partners er echt open voor staan om die gesprekken te voeren. Maar als u het mij toestaat, wil ik dat wel graag samen nemen, anders gaan er namelijk discussies door elkaar heen lopen. Ik vind het van belang dat we de verschillende discussies tegelijkertijd voeren, namelijk de discussie over de handhaving, de discussie over de toekomst van de platformeconomie en de discussie die met de sociale partners wordt gevoerd over de vraag hoe we dit in de toekomst gaan regelen. Ik vind het van belang dat ik dat samen neem en ik, met die kennis in mijn achterhoofd, die gesprekken aanga met ondernemersorganisaties en werknemersorganisaties in die sector, waar de motie mij om vraagt.”
  • 07.03.2018 Kamervragen (zonder antwoorden) over een mogelijke aanval van taxichauffeurs op het hoofdkantoor van Uber (bron: www.overheid.nl)
  • 16.02.2018 Brief regering met fiche inzake de Richtlijn transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden (Kamerstuk 22112, 2486) (bron: www.overheid.nl)
    Nederland onderschrijft het algemene doel van het richtlijnvoorstel om zekerder en beter voorspelbare werkgelegenheid te bevorderen en tevens te zorgen voor aanpassingsmogelijkheden op de arbeidsmarkt alsook betere leef- en arbeidsomstandigheden. Nederland heeft echter ook een aantal kanttekeningen. Zo is van belang dat de voorgestelde richtlijn niet tot gevolg heeft dat Nederland belemmerd wordt de voorgenomen maatregelen uit het Regeerakkoord uit te voeren rondom het aanbrengen van een nieuwe balans op de arbeidsmarkt. Vooralsnog is het oordeel dat de maatregelen uit het Regeerakkoord niet door het onderhavige richtlijnvoorstel belemmerd worden. Tijdens de komende onderhandelingen zal dit echter een aandachtspunt blijven. Ook zal het kabinet er op toezien dat het richtlijnvoorstel het Nederlandse bedrijfsleven niet onnodig belast.
  • 12.02.2018 Kamervragen met antwoorden over de uitspraak van het Europese Hof van Justitie dat Uber een taxibedrijf is (Aanhangsel Handelingen II 2017/18, 1133) (bron: www.overheid.nl)
    De minister van SZW verduidelijkt dat het Europese Hof van Justitie (het Hof) in deze zaak geen uitspraak heeft gedaan over de vraag of een Uber chauffeur als werknemer dient te worden beschouwd. Het is aan een nationale rechter om aan de hand van feiten en omstandigheden van het concrete geval vast te stellen of sprake is van een werknemersrelatie. Inzake de vraag naar de kwalificatie van de werkrelatie tussen Uber en zijn chauffeurs verwijst de minister naar het onafhankelijk onderzoek dat hij momenteel laat uitvoeren. Het doel van dit onderzoek is om meer inzicht in de omvang van het aantal mensen dat hierin werkt en de manier van werken (onder welke omstandigheden) in de kluseconomie te krijgen. Naast een beschrijving van de feitelijke stand van zaken zal het onderzoek ook inzicht bieden in de arbeidsrechtelijke, fiscaalrechtelijke en sociaalrechtelijke aspecten die het werken in de kluseconomie met zich meebrengt. Oplevering van het onderzoek is voorzien in het voorjaar van 2018 en geeft een duidelijker beeld over de werkzaamheden binnen de kluseconomie. De minister zegt voorts dat het niet aan hem is om een uitspraak over specifieke gevallen te doen. Het is aan de belastinginspecteur en bij blijvend verschil van mening aan een rechter om de feiten en omstandigheden van een individueel geval te beoordelen en een uitspraak te doen over de vraag of iemand werkzaam is in dienstbetrekking of niet en indien iemand als opdrachtnemer werkzaam is, of deze persoon dan als zelfstandig ondernemer kwalificeert.

  • 09.01.2018 Kamerbrief met reactie op het rapport van het Rathenau Instituut inzake de bescherming van publieke belangen in de deeleconomie (Kamerstuk 33009, 47) (bron: www.overheid.nl)
    In deze brief reageert de staatssecretaris van EZK op bovengenoemd rapport van het Rathenau Instituut. De brief schetst hoe het kabinet omgaat met de deel- en kluseconomie en de inzichten en aanbevelingen van het Rathenau-rapport. De staatsecretaris gaat onder meer in op de ‘juridische status’ van platforms. Hij stelt voorop dat de ‘juridische status’ van platforms niet te benoemen valt. Welke regelgeving op een platform van toepassing is, is afhankelijk van welke activiteiten dat platform uitvoert en welke diensten het verricht. Ook gaat hij in op de ‘rechtspositie bij werk via platforms’. Bij platforms in de kluseconomie is cruciaal of de arbeid wordt verricht vanuit een positie als werknemer of als zelfstandige, dus of het platform optreedt als werkgever of enkel als bemiddelaar van vraag en aanbod. Het kabinetsbeleid is erop gericht om ‘schijnzelfstandigheid’ tegen te gaan. De minister van SZW heeft aangegeven dat het kabinet geen oordeel kan geven over de status van (het werken bij) Deliveroo of andere platforms, omdat beoordeling en duiding van de feitelijke individuele omstandigheden van een arbeidsrelatie uiteindelijk aan de rechter is. De staatssecretaris wijst op het onderzoek dat de minister van SZW momenteel uitvoert om een beter inzicht te krijgen in hoeveel mensen via klusplatforms werken en onder welke omstandigheden zij dat doen. Hierbij komen ook mogelijke arbeidsrechtelijke, sociaalrechtelijke en fiscaalrechtelijke aspecten aan de orde. Voorts wijst de staatsecretaris op de maatregelen die zijn aangekondigd in het Regeerakkoord en op de brief die op korte termijn naar de Tweede Kamer wordt gestuurd, waarin wordt ingegaan op de uitvoering van de aangekondigde maatregelen rond het thema ‘werken als zelfstandige’, de verlenging van het handhavingsmoratorium van de Wet DBA en op welke wijze de handhaving op schijnzelfstandigheid bij kwaadwillende opdrachtgevers in de tussentijd zal worden opgepakt.
  • 21.12.2017 Motie over de fietskoeriers van Deliveroo (Kamerstuk 34775-XV, 62). Verworpen (bron: www.overheid.nl)
  • 21.12.2017 Motie over de situatie op de markt voor maaltijdbezorging (Kamerstuk 34775-XV, 47). Aangenomen (bron: www.overheid.nl)
    Met deze motie verzoekt de Tweede Kamer het kabinet, zich uit te spreken over de situatie op de markt voor maaltijdbezorging en om met de spelers op deze markt in gesprek te gaan. Tevens wordt verzocht om te kijken of er meer mogelijkheden zijn om bij evidente kwaadwillendheid te handhaven, en of daarbij samenwerking kan worden gezocht met de inspectie van SZW en de risicoanalyse die bij de Inspectie SZW wordt gebruikt.
  • 15.12.2017 Brief regering inzake reactie op verzoek commissie om nadere informatie zorgplicht van de opdrachtgever (Kamerstuk 29544, 809) (bron: www.overheid.nl)
    In deze Kamerbrief geeft de minister van SZW gehoor aan het verzoek van de Tweede Kamer om schriftelijk in te gaan op het begrip zorgplicht van de opdrachtgever, de concrete betekenis ervan in de praktijk en de mate waarin hier zekerheden aan ontleend kunnen worden. De minister merkt op dat de suggestie die is ontstaan dat zelfstandigen, net als werknemers, collectief verzekerd zijn voor ongevallen en arbeidsongeschiktheid, niet correct is. Ter toelichting gaat hij in op de wettelijke zorgplicht van de opdrachtgever (artikel 7:658 BW) en de gevolgen van de schending van deze zorgplicht. De minister geeft aan dat hij niet beschikt over informatie die inzicht biedt in de concrete betekenis van de zorgplicht in de praktijk. Voorts merkt de minister op dat een werknemer, in tegenstelling tot een opdrachtnemer, verplicht verzekerd is voor ziekte en arbeidsongeschiktheid. Tot wijst hij op het onafhankelijke onderzoek dat zal worden uitgevoerd naar de omvang en de manier van werken in de kluseconomie. Naast een beschrijving van de feitelijke stand van zaken zal dit onderzoek ook inzicht bieden in de arbeidsrechtelijke, fiscaalrechtelijke en sociaalrechtelijke aspecten die het werken in de kluseconomie met zich meebrengt, aldus de minister. Oplevering van het onderzoek is voorzien in het voorjaar van 2018.
  • 13.12.2017 Verslag van een algemeen overleg, gehouden op 29 november 2017, over arbeidsomstandigheden – Handhaving (Kamerstuk 25883, 312) (bron: www.overheid.nl)
    Tweede Kamerlid Gijs de Vries vraagt aan de staatssecretaris of de inspectie SZW (de inspectie) ook gaat toezien op de mooie, maar af en toe ook zorgelijke ontwikkelingen in de platformeconomie, zoals bij de fietsbezorgers (p. 6)? Tevens wijst hij op de twee discussies die spelen in de platformeconomie: 1. is er sprake van zelfstandigheid of werknemerschap en 2. de onveilige situaties op de weg bij fietsbezorgers. Hij vraagt of de inspectie naar dat laatste zou willen kijken (p. 7). De staatssecretaris antwoordt dat de inspectie de ontwikkelingen in de platformeconomie volgt. Indien er meldingen bij de inspectie binnen komen, kunnen deze aanleiding zijn om een onderzoek te starten. De staatssecretaris geeft aan dat hij in antwoord op Kamervragen van de heer Van Kent een onafhankelijk onderzoek laat uitvoeren naar de omvang van en de manier van werken in de kluseconomie. De oplevering van dat onderzoek is voorzien in het voorjaar van 2018. Hij stelt voor de uitkomsten van dat onderzoek af te wachten en op dat moment te bezien of maatregelen nodig zijn en zo ja, welke (p. 31). Als toezegging wordt genoteerd: het onderzoek naar de arbeidsomstandigheden in de platformeconomie komt in het voorjaar 2018 naar de Tweede Kamer (p. 42).
  • 26.10.2017 Kamervragen met antwoorden over maaltijdbezorger Deliveroo die alle koeriers in loondienst gaat vervangen door (schijn)zelfstandigen (Aanhangsel Handelingen II 2017/18, 288) (bron: www.overheid.nl)
    De minister geeft aan (1,2) dat hij geen inzicht heeft in de feitelijke onderhandelingspositie van de fietskoeriers ten opzichte van Deliveroo en dat hij om die reden geen uitspraken daarover kan doen. Ook geeft de minister aan (3) niet bekend te zijn met de specifieke situatie waarin (schijn)constructies plaatsvinden maar dat hij om oneigenlijke concurrentie op arbeidsvoorwaarden te voorkomen reeds maatregelen heeft getroffen, zoals de Wet aanpak schijnconstructies en de uitbreiding van de reikwijdte van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. (4) In zijn algemeenheid, meent de minister dat het een zorgelijke ontwikkeling is dat steeds meer werknemers worden vervangen door zelfstandigen en dat zij zich gedwongen zien slechtere arbeidsomstandigheden en arbeidsvoorwaarden te accepteren. (5) Met betrekking tot eventuele concrete onderzoeken van de Inspectie SZW doet de minister geen mededelingen; sociale partners houden toezicht op de naleving van cao-voorwaarden. Zij kunnen op grond van artikel 10 van de Wet AVV een verzoek indienen bij de Inspectie SZW ter ondersteuning van dit toezicht. (6) Tot slot vindt de minister het positief als mensen voor zichzelf opkomen.
  • 05.10.2017 Dertigledendebat over het rapport ‘Eerlijk delen’ van het Rathenau Instituut (Handelingen II 2017/18, nr. 9, item 9) (bron: www.overheid.nl)
  • 25.09.2017 Kamervragen met antwoorden over maaltijdbezorger Deliveroo die alle koeriers in loondienst gaat vervangen door (schijn)zelfstandigen (Aanhangsel Handelingen II 2017/18, 39) (bron: www.overheid.nl)
    De minister laat een onafhankelijk onderzoek uitvoeren om een beter beeld te krijgen van de bedrijven en platforms die zich manifesteren in de kluseconomie (gig economy) en om een inschatting te kunnen maken van het aantal mensen dat hierin werkt en onder welke omstandigheden zij dat doen. Dit onderzoek heeft al doel om meer inzicht in de omvang van en de manier van werken in de kluseconomie te krijgen. Naast een beschrijving van de feitelijke stand van zaken zal het onderzoek ook inzicht bieden in de arbeidsrechtelijke, fiscaalrechtelijke en sociaalrechtelijke aspecten die het werken in de kluseconomie met zich meebrengt. Oplevering van het onderzoek is voorzien in het voorjaar van 2018. Op dat moment bestaat een duidelijker beeld of maatregelen nodig zijn.
  • 03.07.2017 Kamervragen met antwoorden over de bezorgplannen van McDonalds en Uber Eats (Aanhangsel Handelingen II 2016/17, 2243) (bron: www.overheid.nl)
  • 20.02.2017 Verslag van een nader schriftelijk overleg (Kamerstuk 33623, M, p. 5, inzake de Wijziging van de WML i.v.m. het van toepassing verklaren van die wet op nader bepaalde overeenkomsten van opdracht) (bron: www.overheid.nl)
    Minister Asscher beantwoordt in dit verslag een vraag van de D66- en CDA-fractie over de inzichten in en de juridische toelaatbaarheid van de zzp-constructie van UberEats. Minister Asscher geeft aan nader onderzoek te laten doen naar de vraag of deze arbeidsrelatie moet worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst.
  • 03.05.2015 Kamervragen met antwoorden over het massaal ontduiken van belastingen door UberPop-chauffeurs (Aanhangsel Handelingen II 2014/15, 1818) (bron: www.overheid.nl)
  • 24.02.2015 Kamervragen met antwoorden over het bericht dat taxichauffeurs het heft in eigen hand willen nemen tegen UberPOP (Aanhangsel Handelingen II 2014/15, 1346) (bron: www.overheid.nl)
  • 28.01.2015 Kamervragen met antwoorden over Uber (Aanhangsel Handelingen II 2014/15, 1152) (bron: www.overheid.nl)
  • 01.09.2014 Kamervragen met antwoorden over de introductie van de dienst UberPOP in Amsterdam (Aanhangsel Handelingen II 2013/14, 2829) (bron: www.overheid.nl)
  • 28.05.2014 Kamervragen met antwoorden over het bericht dat de alternatieve taxidienst Uber wordt verboden in Brussel en Berlijn (Aanhangsel Handelingen II 2013/14, 2095) (bron: www.overheid.nl)

Europese Unie

  • 28.06.2018 A. Pesole, M.C. Urzí Brancati, E. Fernández-Macías, F. Biagi and I. González Vázquez, Platform Workers in Europe (Evidence form the COLLEEM Survey), JRC Science for Policy Report (source: European Commission)
    The recent surge of digital labour platforms has led to new forms of work organisation and tasks distribution across the workforce. This has raised several questions about the functioning and the benefits deriving from the reorganisation of work that those platforms entail and the associated risks. The European Commission assessed online platforms in a May 2016 communication, focusing on both their innovation opportunities and regulatory challenges. In June 2016 the Commission also adopted its European Agenda for the Collaborative Economy, which clarified the concept and provided some guidance on the employment status of platform workers and the EU definition of worker. The European Pillar of Social Rights aims to address some of the policy challenges associated to new forms of employment, including platform work. As accompanying initiatives, the Commission presented in December 2017 a proposal for a new Directive on transparent and predictable working conditions, and in March 2018 a proposal for a Council Recommendation on access to social protection for workers and the self-employed. A crucial issue in designing the policy response to the emergence of digital labour platforms is the lack of reliable evidence. In 2017, the JRC conducted the COLLEEM pilot survey, an initial attempt to provide quantitative evidence on platform work, responding to calls by the European Council and the European Parliament. The survey provides a basis for an initial estimation of platform work in 14 Member States (Germany, Netherlands, Spain, Finland, Slovakia, Hungary, Sweden, United Kingdom, Croatia, France, Romania, Lithuania, Italy, Portugal).
    • See also: Digital employment platforms gaining a foothold in Europe's labour markets (source: European Commission - EU Science Hub)
      One in every 10 adults (16-74 years) in several EU countries has used online platforms at least once to provide labour services. While for the majority it remains only a sporadic source of secondary income, 2% of the adult population works more than 20 hours a week or earns at least half of their income via online labour platforms. These figures come from a new survey by the Joint Research Centre. Responses from more than 32 000 people across 14 Member States help to outline the main characteristics of platform workers, learn about their working conditions and motivations, and describe the type of services provided through digital labour platforms.
  • 26.04.2018 Voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad ter bevordering van billijkheid en transparantie voor zakelijke gebruikers van onlinetussenhandelsdiensten (COM(2018) 238) (bron: EUR-Lex)
    Het doel van deze verordening is te zorgen voor een eerlijke en voorspelbare bedrijfsomgeving voor (kleine) ondernemers die platforms gebruiken om hun goederen of diensten aan te bieden. De verordening hoopt dit te bereiken door (i) transparantievereisten op te leggen en (ii) waarborgen in te bouwen voor effectieve geschilbeslechting tussen platforms en ondernemers die goederen en diensten via platforms aanbieden. De Commissie roept daarnaast de sector op om hier praktische en uitvoerbare manieren voor te ontwikkelen en nodigt de sector uit om hier standaarden of gedragscodes voor op te stellen.
  • 13.03.2018 Commissie presenteert voorstellen voor een Europese Arbeidsautoriteit en voor een bredere toegang tot sociale bescherming (source: Persbericht Europese Commissie)
    De Europese Commissie stelt voor om de sociale bescherming uit te breiden tot alle werknemers en zelfstandigen. Dit voorstel moet ervoor zorgen dat uiteindelijk alle werknemers en zelfstandigen, en met name degenen als gevolg van zijn arbeidsstatuut nu nog geheel of gedeeltelijk buiten de boot vallen, sociale bescherming (zoals werkloosheidsuitkeringen, uitkeringen bij ziekte en ziektekostenverzekeringen, ouderschapsuitkeringen, invaliditeitsuitkeringen, ouderdomsuitkeringen (waaronder pensioen) en uitkeringen bij arbeidsongevallen of beroepsziekten) krijgen. Het gaat hier om ‘werknemers’ in atypische arbeidsrelaties, zoals tijdelijke contracten, deeltijdwerk, oproepwerk, arbeidsverhoudingen tussen meer dan twee partijen, in tegenstelling tot voltijdswerk met een contract voor onbepaalde tijd. Binnen de atypische arbeidsrelaties zijn subcategorieën te onderscheiden, zoals nulurencontracten, tijdelijk uitzendwerk of werk via platforms (d.w.z. mensen die via digitale platforms werken, zonder vaste werkplek). Voor dit initiatief is de definitie met opzet breed gehouden, zodat ook nieuwe en toekomstige categorieën van atypisch werk eronder vallen. De arbeidsmarkt ontwikkelt zich snel en technologieën leiden tot allerlei nieuwe vormen van werk. Dit voorstel gaat nu naar de Raad die op basis van het Commissievoorstel een aanbeveling kan doen. Handhaving van deze regels wordt vergemakkelijkt door het recente voorstel voor de wijziging van de richtlijn over transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden, waardoor de grenzen tussen werknemers en zelfstandigen duidelijker worden zodat er minder vaak misbruik wordt gemaakt van de status van zelfstandige (schijnzelfstandige).
  • 01.03.2018 B. Dachs, ‘The impact of new technologies on the labour market and the social economy’ (source: European Parliament Think Tank (European Parliamentary Research Service))
    This study investigates the potential employment effects of new information and communication technologies, by examining the relationship between innovation, new technologies, employment and inequality. It reviews the existing literature and experiences of previous technological revolutions, and argues that the race between job creation through new products, and job destruction from process innovation, has been won in the past by the job-creating effects of innovation. It concludes that there is an uneven distribution in the costs of digitalisation, because of the skills-biased nature of technological change - so the challenge of the future lies in coping with rising inequality from technological change. The study also proposes a set of policy options for dealing with the employment effects of digitalization.
  • 22.02.2018 Transparent and predictable working conditions (Briefing Initial appraisal of a European Commission Impact Assessment) (source: European Parliament Think Tank (European Parliamentary Research Service))
    This note seeks to provide an initial analysis of the strengths and weaknesses of the European Commission's impact assessment (IA) accompanying the above-mentioned proposal (21 December 2017). The proposal updates and replaces Directive 91/533/EEC (the Written Statement Directive, hereafter WSD), which gives employees the right to be notified in writing of the essential aspects of their contract or employment relationship. Taking into account that the labour market has evolved and new forms of work have developed in recent years, the REFIT evaluation of the WSD found that there is a need to modernise and complement the existing obligations to inform workers of their working conditions, and to create minimum standards to ensure that each worker benefits from more clarity regarding his/her working terms, irrespective of the type of employment relationship they have. According to the IA, the initiative would set a framework within which new forms of work could develop, offering fairer protection for workers, a clearer legal framework and a more level playing field for companies in the internal market (IA, pp. 6-7). The proposal, which is part of the 2018 Commission work programme, is a follow-up to the European Pillar of Social Rights. In line with the Treaty on the Functioning of the European Union (TFEU), the Commission conducted a two-stage consultation with the social partners on the revision of the WSD. There was no agreement among the social partners to enter into direct negotiations on concluding an EU-level agreement. The European Parliament has stressed the need to address the developments of the labour market and protect workers in all forms of employment. It has called for a framework directive on decent working conditions and for a revision of the WSD to take account of new forms of employment. 
  • 21.12.2017 Commissie stelt voor transparantie en voorspelbaarheid van arbeidsvoorwaarden de verbeteren (source: Press Release European Commission)
    Als onderdeel van de follow-up van de Europese pijler van sociale rechten heeft de Europese Commissie een voorstel voor een nieuwe richtlijn voor meer transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden, ter actualisering en vervanging van de richtlijn schriftelijke verklaringen (91/533/EEG), in de hele EU goedgekeurd. Hierin stelt de commissie voor om de bestaande verplichtingen om elke werknemer in kennis te stellen van zijn arbeidsvoorwaarden aan te vullen en te moderniseren. Daarnaast wordt voorgesteld nieuwe minimumnormen te introduceren om te garanderen dat alle werknemers met atypische contracten, duidelijkere en beter voorspelbare arbeidsovereenkomsten krijgen. De voorgestelde richtlijn zou moeten worden goedgekeurd door het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie en zou moeten worden uitgevoerd door de lidstaten, hetzij in de vorm van wetgeving hetzij via collectieve overeenkomsten tussen de sociale partners. Klik hier voor de vragen en antwoorden inzake dit voorstel van de commissie (ENG).
    Concreet wil de commissie het risico van onvoldoende bescherming voor werknemers terugdringen door:
    • het begrip werknemer in overeenstemming te brengen met de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie. De huidige regels bieden ruimte voor uiteenlopende definities, waardoor bepaalde categorieën werknemers worden uitgesloten. Door de definitie van werknemer uit de rechtspraak van het Hof te gebruiken, zouden dezelfde brede categorieën van werknemers onder de richtlijn vallen;
    • het toepassingsgebied van de richtlijn uit te breiden tot vormen van werk die er nu vaak niet onder vallen (die omvatten huishoudelijk personeel, marginale deeltijdwerknemers of werknemers met een zeer kort contract) en nieuwe vormen van werk, zoals oproepwerkers, werknemers die werken op basis van vouchers en platformwerkers;
    • ervoor te zorgen dat werknemers direct bij indiensttreding vanaf dag één een actueel en uitgebreid informatiepakket krijgen, in plaats van twee maanden na indiensttreding zoals nu het geval is;
    • nieuwe rechten te introduceren, zoals het recht op een grotere voorspelbaarheid van het werk voor werknemers die voornamelijk met een variabel rooster werken, de mogelijkheid een verzoek in te dienen om een stabielere vorm van werk en hierop een schriftelijk antwoord te ontvangen, en het recht om zonder salarisaftrek verplichte opleidingen te volgen; en
    • de handhavings- en beroepsmogelijkheden te verbeteren die als laatste redmiddel kunnen dienen om meningsverschillen op te lossen als een dialoog geen uitkomst bidet.
  • 25.09.2017 Commission continues work on fair and predictable employment contracts – Questions and Answers (source: Press Release European Commission)
    “The Commission has launched a consultation of the Social Partners to collect their views on the possible direction of an EU action to ensure that people in all forms of employment have adequate access to social protection and employment services. The Commission will take the next step by launching a second stage consultation shortly this autumn.”
  • 15.06.2017 Sharing economy: Parliament calls for clear EU guidelines (source: News European Parliament)
  • 19.01.2017 ‘European Parliament resolution of 19 January 2017 on a European Pillar of Social Rights’ (zie: nr. K, 5b, 22c) (source: European Parliament)
    Het Europees Parlement heeft naar aanleiding van aanbevelingen van o.a. de Europese Commissie en de ILO (International Labour Organisation) in deze niet-bindende resolutie gesteld dat platformwerkers, ongeacht de kwalificatie van hun arbeidsrelatie, recht hebben op een zekere bescherming. Lidstaten dienen daarom toezicht te houden op platforms en de wijze hoe zij omgaan met mensen die voor het platform werken.
  • 02.06.2016 Mededeling van de Europese Commissie, Een Europese agenda voor de deeleconomie, Brussel 2016: COM (2016) 356, p.12-15 (source: European Commission)
    In deze mededeling van de Europese Commissie wordt expliciet de positie van ‘platformwerkers’ besproken. Een belangrijke vraag is op deze Europese beleidsagenda is of werkenden in de gig-economie überhaupt arbeidsrechtelijke bescherming kunnen krijgen. De Europese Commissie roept de lidstaten op te evalueren of hun nationale vereisten inzake arbeidsverhoudingen toereikend zijn, ‘rekening houdend met de verschillende behoeften van werknemers en zelfstandigen in de digitale wereld, alsmede met de innovatieve aard van de bedrijfsmodellen van de deeleconomie.
  • 26.04.2016 C. O’Brien, E. Spaventa and J. De Coninck, Comparative Report 2015 - The concept of worker under Article 45 TFEU and certain non-standard forms of employment (source: European Commission)
    In dit rapport wordt vergeleken hoe verschillende landen in de Europese Unie het begrip werknemer invullen. Daarbij wordt ingegaan op verschillende flexibele en atypische arbeidsrelaties, zoals parttime werken en vrijwilligerswerk. Het werknemersbegrip is van belang, nu aan werknemers in de Europese Unie vrijheid van verkeer wordt toegekend.
  • 15.03.2016 The use of collaborative platforms. Flash Eurobarometer 438 (survey conducted by TNS Political & Social at the request of the European Commission, source: European Commission)
    This survey showed that a majority of respondents had either used or were aware of collaborative platforms. Almost one third of respondents who have used the services of collaborative platforms also provided a service on this kind of platform at least once. This signals that users are also likely to act as service providers. Users appreciated in particular that collaborative economy services are easily accessible and cheaper than traditional services and that products or services can be exchanged, rather than paid for. Three main drawbacks identified by respondents were lack of awareness of who is responsible in case a problem arises, lack of trust in Internet transactions generally and lack of trust in the provider/seller.

Australië

België

  • 24.05.2018 Wetsvoorstel houdende een gewaarborgde minimumbezoldiging van medewerkers van de erkende platformeconomie (Parlementair Document 54K3116) (bron: Belgische Kamer van volksvertegenwoordigers)
    Uit de samenvatting van het wetsvoorstel. Dit wetsvoorstel moet worden gelezen in samenhang met het wetsvoorstel tot regeling en waarborging van de bescherming en de bezoldiging van de medewerkers van de erkende-platformeconomie (DOC 54 2912/001), zoals het werd geamendeerd (DOC 54 2912/002). Met dit wetsvoorstel wordt geenszins beoogd voor die medewerkers een nieuw statuut in te stellen; het ligt wel in de bedoeling de achteruitgang van de arbeidsvoorwaarden in de erkende-platformeconomie een eerste maal een halt toe te roepen. Concreet wordt voorgesteld te voorzien in een minimumuurloon van 14 euro bruto voor de medewerkers die via een erkend platform werken.
  • 23.01.2018 Wetsvoorstel tot regeling en waarborging van de bescherming en de bezoldiging van de medewerkers van de erkende-platformeconomie (Parlementair Document 54K2912) (bron: Belgische Kamer van volksvertegenwoordigers)
    Uit de samenvatting van het wetsvoorstel. Bedoeling van dit wetsvoorstel is niet een nieuw statuut te creëren voor de medewerkers van de platformeconomie, maar wel de bescherming en de bezoldiging te regelen en te waarborgen van wie via een erkend platform aan de slag is. Met het oog op de regulering van de platformeconomie wordt eerst en vooral bepaald dat de platformen met een zekere omvang erkend moeten zijn om hun activiteiten in België te ontplooien. Voorts willen de indieners van dit wetsvoorstel voorzien in een minimale brutobezoldiging van 14 euro per uur voor wie via een erkend platform werkt. Bovendien is het de bedoeling de eventuele financiële risico’s voor de medewerker maximaal te beperken door duidelijkheid te verschaffen over de aansprakelijkheid van de erkende platformen. Concreet wordt voorzien in een aansprakelijkheidsregeling die vergelijkbaar is met die welke is opgenomen in het arbeidsrecht, dan wel met de regeling die voor het verenigingsleven geldt. Daardoor zal de medewerker in principe niet aansprakelijk zijn voor de fouten die hij begaat bij of door de uitoefening van zijn activiteit via het platform. Hij zal alleen verantwoording moeten afleggen wanneer hij een opzettelijke of een zware fout, dan wel een gewoonlijk voorkomende fout maakt. Het platform blijft in principe dan ook aansprakelijk ten aanzien van derden en moet dientengevolge een verzekering afsluiten die zijn aansprakelijkheid dekt. Ter voorkoming van de meest dramatische scenario’s moet het platform ten slotte de medewerkers een verzekering aanbieden ter dekking van de lichamelijke letsels die zij kunnen oplopen zowel in het woon-werkverkeer als bij of door het verrichten van hun werk. Deze verzekering moet tevens de ziekten behelzen die het gevolg zijn van het verrichten van hun prestaties.
  • 23.08.2017 Deeleconomie en sociale verplichtingen (bron: Belgium.be)
    De deeleconomie brengt via virtuele platformen consumenten en particuliere aanbieders met elkaar in contact om onderling producten, diensten en kennis te gebruiken, ruilen en verkopen. Wie een beroepsbezigheid uitoefent in België zonder verbonden te zijn door een arbeidsovereenkomst wordt in beginsel beschouwd als een zelfstandige. In het kader van de deeleconomie is men echter niet onderworpen aan het wettelijk sociaal statuut der zelfstandigen wanneer cumulatief volgende voorwaarden vervuld zijn: (1) de diensten worden uitsluitend verleend aan natuurlijke personen die niet optreden in het kader van hun eigen beroepsbezigheid; (2) de diensten komen uitsluitend tot stand door tussenkomst van een erkend elektronisch platform of een elektronisch platform dat door een overheid wordt georganiseerd; (3) de activiteit beperkte inkomsten genereert, d.i. niet meer dan 5.100 EUR/jaar (geïndexeerd brutobedrag). Op fiscaal vlak moeten deze inkomsten ook beschouwd worden als een divers inkomen; (4) de vergoedingen enkel door het platform of door tussenkomst van dat platform worden betaald, en niet rechtstreeks tussen consument en particuliere aanbieder. In alle andere gevallen, zoals bijvoorbeeld het leveren van diensten aan bedrijven of het niet werken via een erkend platform, zijn op sociaal vlak de regels als zelfstandige in bij- of hoofdberoep van toepassing.

Verenigde Staten

Verenigd Koninkrijk

Rapporten / onderzoeken / studies

Nederland

  • 01.05.2018 Are algorithms the temp agencies of the future? (source: Think ING)
    Recruitment and selection of workers is still often done by people. But as technology develops, the process will become more automated, making it cheaper and easier to recruit new workers. Ultimately a work platform may even determine the 'right' remuneration (for example through an auction or dynamic prices). In this report, we examine the development of these platforms and the threat they pose to the traditional temp agency.
  • 14.02.2018 Whitepaper: Wat is de impact van platformwerk? (bron: ABU)
    Door het gebruik van digitale platforms kunnen vraag en aanbod sneller, goedkoper en op grotere schaal dan vroeger bij elkaar gebracht worden. Dat biedt kansen, maar het leidt ook tot arbeidsvraagstukken en maatschappelijke discussie over de gevolgen van platformwerk. Eind 2017 werd er daarom een hoorzitting in de Tweede Kamer gehouden. Er is veel onduidelijkheid over de vorm en omvang van platformwerk en de gevolgen die het heeft voor mens en maatschappij. Vandaar dat de ABU in deze whitepaper helderheid biedt, een oordeel over platformwerk geeft en suggesties voor beleid aanreikt.
  • 16.11.2017 R. Lieman, Position paper t.b.v. rondetafelgesprek Werk in de platformeconomie op 16 november 2017 (bron: website Tweede Kamer)
    Lieman is journalist en auteur van het in februari 2018 te verschijnen boek ‘Uber voor alles’. In dit kader heeft hij een groot aantal bij de platformeconomie betrokken partijen (zoals Uber, Deliveroo, Helpling, platformwerkers, advocaten en wetenschappers) geïnterviewd. Hij gaat in deze position paper in op zijn bevindingen aan de hand van zeven stellingen. 1. Wie wil werken, kan werken - platformwerk is zeer laagdrempelig en toegankelijk. 2. Platformwerk is minder flexibel dan het lijkt. 3. Het principe ‘hoe meer je werkt, hoe meer je verdient’ kan onwenselijke uitwerkingen hebben. Lieman constateert dat indien er geen enkele garanties gegeven worden, dat kan leiden tot situaties waarin mensen meer en harder werken dan goed voor ze is. 4. Platformbedrijven zijn bang voor rechtszaken waarin ze als werkgever kunnen worden aangemerkt. Dat houdt betere werkomstandigheden tegen. Zo worden er geen verzekeringen voor platformwerkers afgesloten of administratieve taken overgenomen; dat zouden immers aanwijzingen kunnen zijn voor een dienstverband. 5. Platformbedrijven kunnen het werkgedrag van platformwerkers sturen. 6. Het algoritme is de baas. Er lijkt sprake van een scheve machtsverhouding tussen platformbedrijven en platformwerkers. Platformwerkers kunnen meestal niet hun eigen prijs bepalen en zijn minder vrij in het plannen van hun werk dan je in eerste instantie zou verwachten. 7. Platformwerkers worden beoordeeld aan de hand van hun data en klantenbeoordelingen. Data kan geen rekening houden met menselijke motieven van chauffeurs om ritten te weigeren, klantenbeoordelingen zijn niet altijd redelijk en diverse onderzoeken stellen de kwestie van privacy en eigenaarschap van de data die wordt verzameld aan de orde.
  • 14.11.2017 Positon paper t.b.v. rondetafelgesprek Werk in de platformeconomie op 16 november 2017 (CNV Vakcentrale) (bron: website Tweede Kamer)
    CNV Vakcentrale maakt bezwaar tegen de gang van zaken bij het rondetafelgesprek dat er in geresulteerd zou hebben dat werknemers die zich hebben georganiseerd in de Riders Union van deelname van het gesprek zijn uitgesloten. CNV Vakcentrale meent dat juist in de platformeconomie de inzet op fatsoenlijke en eerlijke arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden hard nodig is. Er is nog geen eenduidige definitie van het begrip platformarbeid. In de meeste gevallen lijkt het te gaan om economische activiteiten die worden gefaciliteerd door een digitaal platform die bepaalde markten op een nieuwe manier ontsluiten. Op zich zijn de technologische innovaties toe te juichen, maar in de meeste gevallen is de werknemer de dupe: fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden en –omstandigheden en sociale voorzieningen, zoals loondoorbetaling bij ziekte en een verzekering voor arbeidsongeschiktheid ontbreken vaak. De platformeconomie is in zijn huidige vorm zowel in sociaal als in economisch opzicht een doorlopende weg. Als het even tegenzit (ziekte, arbeidsongeschiktheid, even geen werk) is de ‘werker’ in de platformeconomie op zichtzelf aangewezen. CNV Vakcentrale stelt voor om al deze ‘nieuwe’ economische activiteiten nauwkeurig onder de loep te nemen en vast te stellen welke economische activiteiten er in de kern worden uitgeoefend, wie de werkgever is en of er werkelijk sprake is van ondernemerschap bij de ‘werkers’ in de platformeconomie. Vaak blijkt die ‘nieuwe’ economische activiteit helemaal niet zo nieuw te zijn en hoeft er helemaal geen nieuw wettelijk kader te worden ontworpen om deze platformen tegemoet te komen. Wel moet toepasselijke wet- en regelgeving van toepassing worden verklaard en gehandhaafd, aldus CNV Vakcentrale. In het geval van Deliveroo is bijvoorbeeld sprake van beroepsgoederenvervoer en zou de cao beroepsgoederenvervoer van toepassing moeten zijn. Het gaat immers om vervoer van goederen in opdracht van derden. Degenen die dat doen namens Deliveroo zijn werknemers. Van ondernemerschap, van zzp’er zijn is geen sprake, aldus CNV Vakcentrale.  
  • 13.11.2017 Position paper t.b.v. rondetafelgesprek Werk in de platformeconomie op 16 november 2017 (FNV) (bron: website Tweede Kamer)
    De FNV beschouwt platformwerk als digitale platforms waardoor mensen tegen betaling diensten (fysiek of digitaal) verrichten voor een derde. In Nederland wordt platformwerk vooral gebruikt om werkgeversverplichtingen te ontlopen en mensen zo goedkoop mogelijk te laten werken. Dit probleem kan, aldus de FNV, het beste aangepakt worden door flexibele arbeid duurder te maken en het arbeidsrecht te handhaven. De juridische positie van platformwerkers is ongewis en een groot aantal van hen is werkzaam aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Werkgevers proberen het werkgeverschap te ontduiken via schijnconstructies. Volgens de FNV is in veel gevallen sprake van een arbeidsovereenkomst, ook al wordt er door de platforms op papier van alles aan gedaan om een arbeidsovereenkomst te vermijden. De FNV is van mening dat het huidige arbeidsrecht niet hoeft te worden aangepast. Het arbeidsrecht is op zich duidelijk: er is ofwel sprake van een arbeids- of uitzendovereenkomst dan wel van een (echte) zelfstandige. De technologische vooruitgang van platforms maakt dit niet anders. Het achterliggende probleem in al deze situaties is dat iedere arbeidsrelatie, afhankelijk van de concrete situatie, moet worden gekwalificeerd of het wel of geen arbeidsovereenkomst betreft. Bovendien blijkt in de praktijk dat mensen in kwetsbare posities geen arbeidsovereenkomst durven te claimen. Platformwerkers hebben als extra handicap dat zij vaak geen mogelijkheid hebben om contact te maken met collega’s, hebben zij te maken met onderlinge concurrentie, zijn zij afhankelijk van ratings en zonder slag of stoot verwijderd kunnen worden van het platform. Daarom wil de FNV dat de Belastingdienst en ISZW hun instrumentarium beter gaan gebruiken en meer controles gaan uitoefenen op deze platforms om de arbeidsrelatie vast te stellen. Bovendien vindt de FNV dat er een omgekeerde bewijslast moet gelden: er is sprake van een arbeidsovereenkomst, tenzij het platform aan kan tonen dat die er niet is. Verder vraagt de FNV aandacht voor de ketenaansprakelijkheid. In Nederland is recht op vrijheid van vakvereniging. In dat kader acht de FNV het onjuist dat de initiatiefnemers en de woordvoeders van de Riders union geweerd zijn van dit rondetafelgesprek.
  • 13.11.2017 Position paper t.b.v. rondetafelgesprek Werk in de platformeconomie op 16 november 2017 (VNO-NCW en MKB Nederland) (bron: website Tweede Kamer)
    In deze paper getiteld “Veel (werk)kansen door de platformeconomie binnen bestaande rechtsstelsel” geven VNO-NCW en MKB-Nederland onder meer aan dat digitale platformen het makkelijker maken dat mensen werk vinden of in hun eigen inkomen kunnen voorzien. Zij genereren ook hoogwaardige werkgelegenheid vanwege de technologie die ervoor benodigd is. Tegelijkertijd is er discussie over de status van platformwerkers en de zekerheden die aan hun status verbonden zijn. VNO-NCW en MKB-Nederland vinden dat de constructies die nu voorkomen in “de” platformeconomie passen binnen het bestaande rechtsstelsel: net zoals in de rest van de arbeidsmarkt hangt het van de omstandigheden van het geval af of er sprake is van een arbeids- of opdrachtovereenkomst. Indien men daarin andere keuzes wil maken, is dat, aldus VNO-NCW en MKB-Nederland, een veel bredere discussie dan die alleen over “de” platformeconomie. De gig-economy accentueert slechts dat vraagstuk. Daarom vinden zij dat “de” platformeconomie niet apart moet worden gereguleerd. De benodigde herbalancering rond zzp-flex-vast wordt geleverd door de plannen in het Regeerakkoord. De invoering van de ondernemersovereenkomst kan helpen om een zelfstandige een duidelijke positie te geven in het Burgerlijk Wetboek.
  • 13.11.2017 H. Lut en J. Met, Position paper t.b.v. rondetafelgesprek Werk in de platformeconomie op 16 november 2017 (SmartSharing) (bron: website Tweede Kamer)
    SmartSharing wijst op het zogenaamde ‘Broodfonds’ als alternatief voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering. Dit is een groep van 20 tot 50 ondernemers die elkaar bij ziekte door middel van schenkingen twee jaar ondersteunt. Het is de missie van SmartSharing om een systeem van deze zeer laagdrempelige ‘schenkkringen’ te ontwikkelen waardoor er honderdduizenden deelnemers zouden kunnen zijn. Zij pleit ervoor dat deze vangnet-vorm als alternatief voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering mogelijk blijft en dat deze optie niet verloren gaat door nieuwe wet- en regelgeving voor de platformeconomie.

→ Klik hier voor alle rapporten / onderzoeken / studies.

Buitenland

→ Klik hier voor alle rapporten / onderzoeken / studies.

Presentaties

Stibbe

  • 10.10.2018 E.L.H. van der Vos, ‘Presentatie de Uberwerker oktober 2018’ (Stibbe Talks | bron: Stibbe)
    Presentatie ‘de Uberwerker’. Aan de orde komen de volgende onderwerpen: (1) kwalificatie van de werkvorm en (2) nieuwe uitdagingen in het arbeidsrecht zoals kinderarbeid, discriminatie en stakingen.
  • 10.10.10 J.M. van Slooten, ‘Presentatie drie problemen platforms en platformwerkers oktober 2018’ (Stibbe Talks | bron: Stibbe)
    Presentatie ‘drie problemen platforms en platformwerkers’. Aan de orde komen de volgende onderwerpen: (1) het kwalificatieprobleem, (2) het medezeggenschapsprobleem en (3) het cao-probleem.
  • 13.04.2018 J.M. van Slooten, ‘Presentatie Fundamentele herziening van het arbeidsrecht ?!’ (Arbeidsrechtelijk congres: De toekomst van het arbeidsrecht | bron: UvA / Stibbe)
    Presentatie over de fundamentele herziening van het arbeidsrecht. Aan de orde komen de volgende onderwerpen: (1) de basis van het arbeidsrecht, (2) werknemer of zzp’er?, (3) ondernemingsvrijheid, (4) wat is platformisering, (5) is interne platformisering de volgende stap?, (6) gevolg platformisering, (7) waarom het arbeidsrecht platforms niet zal tegenhouden, (8) wordt het Regeerakkoord de oplossing? en tot slot (9) drie redenen voor fundamentele herziening.
  • 08.03.2018 J.M. van Slooten, ‘Presentatie externe en interne platformisering maart 2018’ (college UvA | bron: UvA)
    Presentatie over externe en interne platformisering. Aan de orde komen de volgende onderwerpen: (1) wat is een arbeidsovereenkomst, (2) wat is een baan, (3) externe platforms, (4) interne platformisering, (5) wat verklaart het succes van platforms? en (6) voorlopige conclusies (inzake de kwalificatie-paradox en de tussencategorie-paradox).
  • 08.02.2018 J.P.H. Zwemmer, ‘Presentation digital platforms and Dutch labour market regulations Feb 2018’ (European Forum joint meeting | bron: Stibbe)
    Presentation regarding digital platforms and Dutch labour market regulations. The following topics are discussed. (1) Definition of the employment contract in article 7:610 DCC; (2) The employer in Dutch law; (3) Definition digital platforms; (4) Different kinds of platforms; (5) Case Aslam & Farrar v. Uber BV & Others; (6) When does a digital platform qualify as an employer in the Netherlands and when not? and (7) Platformization and employment law protection = problems?
  • 19.10.2017 J.M. van Slooten, ‘Presentation collective action and crowd work Oct 2017’ (Conference “Reshaping Work in the Platform Economy” | bron: UvA / Stibbe)
    Presentatie over ‘collective action’ en ‘crowd work’. Summary: (1) collective actions against platforms occur, (2) crowd work is different (when focusing on collective action), (3) the collective action rules are not different, and (4) do collective action rules need a change?
  • 29.09.2017 J.M. van Slooten, ‘Presentation collective action and crowd work Sept 2017’ (HSI-bijeenkomst - “The Gig Economy – Challenges for Labour law” | bron: UvA / Stibbe)
    Presentatie over ‘collective action en ‘crowd work’. Summary: (1) collective actions against platforms occur, (2) crowd work is different (when focusing on collective action), (3) the collective action rules are not different, and (4) do collective action rules need a change?
  • 20.04.2017 J.P.H. Zwemmer, ‘Presentatie online platformen en arbeidsrechtelijke bescherming april 2017’ (interne opleidingsdag | bron: Stibbe)
    Presentatie over online platformen en arbeidsrechtelijke bescherming. Aan de orde komen onder meer de volgende onderwerpen: (1) verschillende typen arbeidsverhoudingen, (2) platformisering, (3) online platformen, (4) deeleconomieplatforms en ‘gig’ / ‘ondemand’-economie, (5) kan een platform een werkgever zijn (in NL)?, (6) Uber-rechtszaken en tot slot (7) is platformisering en arbeidsrechtelijke bescherming een probleem?
  • 03.04.2017 J.M. van Slooten & E.L.H. van der Vos, ‘Presentatie de Uberwerker april 2017’ (Meet-up studenten ASAR | bron: Stibbe)
    Presentatie ‘de Uberwerker’. Aan de orde komen de volgende onderwerpen: (1) kwalificatie arbeidsovereenkomst, (2) zelfstandigen in de deeleconomie, (3) soorten platforms (deeleconomie, gig-economie, collaboratieve economie), (4) Uber in Nederland, (5) zijn platforms in Nederland werkgever? en (6) is de klant werkgever?
  • 10.03.2017 J.M. van Slooten & R. Rietveld, ‘Presentatie platformisering in het arbeidsrecht maart 2017’ (AOM bijeenkomst | bron: UvA / Stibbe)
    Het onderwerp van deze presentatie is platformisering in het arbeidsrecht. Aan de orde komen onder meer de volgende onderwerpen: (1) de Uber-rechtszaken, (2) Uber in Nederland, (3) Helping, (4) zijn de platforms in Nederland werkgever?, (5) (of) is de klant de werkgever? en tot slot (6) is de Waadi van toepassing?

Extern

  • 03.09.2018 M. Arets, ‘Introductie kluseconomie: de context, kansen, bedreigingen en toekomst’, (bron: Nederlands Genootschap Sociale Zekerheid | Universiteit Utrecht)
    Presentatie over de opkomst van platformen, de verschillende verschijningsvormen, dilemma's en kansen.
  • 03.09.2018 B. ter Weel, ‘De opkomst en groei van de kluseconomie’ (bron: Nederlands Genootschap Sociale Zekerheid | SEO Economisch Onderzoek)
    Presentatie over de resultaten van het SEO Economisch Onderzoek met betrekking tot de feiten en cijfers van de omvang, potentie en economische betekenis van de kluseconomie.
  • 03.09.2018 M. Westerveld, ‘Platformarbeid en Sociale Zekerheid’ (bron: Nederlands Genootschap Sociale Zekerheid | UvA)
    Presentatie over de juridische status van platformwerkers. Hoe ziet het er arbeidsrechtelijk uit en hoe organiseren we sociale zekerheid rond platforms; bijvoorbeeld bij arbeidsongevallen?
  • 04.11.2017 J.H. Bennaars, ‘Platformisering’ (Nationaal Arbeidsrecht Congres | bron: UvA)
    Presentatie over platformisering. Aan de orde komen de volgende onderwerpen: (1) inleiding en afbakening van het begrip platform, (2) voorbeelden van platformen, (3) wat is de rol van technologie, (4) wat is een platform?, (5) is een platform anders? (nee, uiteindelijk verricht iemand arbeid om inkomen te verwerven), (6) vragen voor het arbeidsrecht: a. kwalificatie van het platform (prikbord, bemiddelaar, werkgever / opdrachtgever (meeste platformen zijn zelfstandigen, uitzondering Thuisbezorgd.nl werkt met arbeidsovereenkomsten, wel of geen arbeidsovereenkomst ((onder) verwijzing naar de Uber-rechtspraak)), b. kwalificatie van het werk (ongeacht kwalificatie: grote kans op kwetsbaar werk, hoe flexibeler de arbeidsrelatie, hoe slechter vaak de arbeidsomstandigheden, ook bij ovo: veilige en gezonde werkomgeving, vrijwaring van discriminatie, aansprakelijkheden soms te zwaar voor kleine opdrachtnemer en soms, WML) en c. arbeidsmarktveranderingen (fragmentering van taken, ‘uitgeklede’ arbeidsorganisaties, werken op ‘klusbasis’)), en (7) oplossingsrichtingen (handhaven, organiseren en reguleren).
  • 29.09.2017 D. Hlava, ‘Gig economy and the ECJ’ (HSI-bijeenkomst - “The Gig Economy – Challenges for Labour law | source: Hugo Sinzheimer Institut für Arbeitsrecht (HSI))
    Presentatie over de ‘gig-economy’ en de rechtspraak van Hof van Justitie EU. Discussed are the following topics: (1) introduction gig-economy (especially Uber), (2) pending cases at the ECJ, (3) Uber drivers: self-employed of employees (national case law, classification of Uber drivers in de EU law)?, and (4) further legal policy developments at EU level.
  • 29.09.2017 V. Barth, ‘Platform based work’ (HSI-bijeenkomst - “The Gig Economy – Challenges for Labour law | source: IGM, FB Zielgruppenarbeit und Gleichstellung)
  • 29.09.2017 J. Beckmann, ‘The Legal Status of Crowdworkers under German Law’ (HSI-bijeenkomst - “The Gig Economy – Challenges for Labour law | source: Goethe Universität Frankfurt)
    Discussed are the following topics: (1) qualification of crowd workers under German law – possible categories and the respective protection level (the status of employee, the status of employee-like person, the status of homeworker), (2) future pathways: the Homework Act as a ‘Model for Regulation’.
  • 18.05.2017 J.H. Bennaars, ‘Arbeidsrecht & Platform - Innovatie of same old?’ (bron: VvA | UvA)
    In deze presentatie komen de volgende onderwerpen aan de orde: (1) inleiding: innovatie of same old?, (2) gig economy, crowd work, work-on-demand: wat is het en hoe vaak komt het voor, (3) work-on demand: een praktijkcasus, (4) reactie werkers, en (5) conclusie: ja en nee: meer nieuwe wijn in oude zakken.
  • 18.05.2017 R. Knegt, ‘Platforms en arbeidsrecht: een nieuw probleem’ (bron: VvA | HSI)
    In deze presentatie komen de volgende onderwerpen aan de orde (1) de arbeidsovereenkomst als norm en maatstaf, (2) variabele en institutionele inbedding van arbeidsverhoudingen, (2) markten en platforms, (3) platformwerk vroeger, (4) conclusies: wat is nieuw?, en (5) kan het verleden ons iets zeggen over: wat te doen?

Websites

Nederland

  • Deeleconomie in Nederland
    Op deze website staat een overzicht van meer dan 150 platform initiatieven die op de Nederlandse markt actief zijn.
  • Website van de Riders Union
    “The Riders Union was set up to better the lives of the rider, by fighting to end the freelance contracts and getting every rider back as an employee of Deliveroo.”

Buitenland

  • Collectif des coursier-e-s / KoeriersKollectief (Belgische vakbond)
    Collectif des coursier-e-s / KoeriersKollectief is een vakbond die koeriers vertegenwoordigt.
  • Deliver Union Campaign | FAU Berlin
    “The section aims to provide an effective organizational platform for foreigners living in the German capital, as well as support and solidarity in labour rights and workplace struggles involving foreign residents plus essential advice on work and social rights legislation in Germany for non-German speakers.”
  • EP Research: Publications on the collaborative economy (European Parliament – Think Tank)
  • Fair Crowd Work - Gewerkschaftliche Informationen und Austausch zu Crowd-, App- und plattformbasiertem Arbeiten (Duitse vakbond IG Metall)
    Deze website over Fair Crowd Work van de Duitste vakbond IB Metall. “IG Metall is open to self-employed members since January 1, 2016, with a focus on crowd- and platform-based workers. As of April 2017, self-employed members of IG Metall may receive insurance for legal costs up to EUR 100,000 in cases of legal disputes with clients.”
  • Freelancers Union (vakbond in de Verenigde Staten)
    “Freelancers Union promotes the interests of independent workers through advocacy, education, and services.”
  • IWGB Couriers and Logistics Branch (Engelse vakbond Independent Workers of Great Britain (IWGB))
    “The London-based Couriers and Logistics Branch of the Independent Workers of Great Britain is doing pioneering work defending the rights of workers in the British courier and logistics industry, including self-employed workers for major courier companies and food delivery companies such as Deliveroo and UberEats.”
  • ILO topic: Disguised employment / Dependent self-employment
  • RideShare Drivers United | AUS & USA
    RSDU is a ‘lobby group’ that is established “to help protect the interests of ride share drivers through real time discussion, collaboration and collective actions”.
  • Unionen (vakbond in Zweden)
    “Unionen has developed a plan to certify platforms for fair and socially sustainable working conditions.”
  • Webpage of the European Commission on the collaborative economy
  • www.lyftdriverlawsuit.com
    Website on the lawsuit Cotter v. Lyft. This lawsuit claims, generally, that Lyft improperly classified drivers who gave rides in California as independent contractors rather than employees and that as a result of this classification, Lyft violated various laws and regulations. Lyft denies that drivers were or are employees and denies the claims in the lawsuit. Lyft argues that it complied with all applicable federal, state, and local laws and regulations at all times, and it has asserted various defenses to the claims.
  • www.onlabor.org - gig-economy
    OnLabor is a blog devoted to workers, unions, and their politics.
  • www.uberlawsuit.com
    Op deze website zijn uitspraken van Amerikaanse rechters over Uber bijeengebracht.
  • www.uberlitigation.com
    O’Connor v. Uber Technologies, Inc. Lawsuit Website. This lawsuit is about whether Uber has misclassified drivers as independent contractors, as opposed to its employees. If so, this lawsuit will determine whether part of the fare includes a tip that Uber allegedly failed to pass along to drivers and whether Uber must reimburse drivers for certain vehicle-related and phone expenses. The lawsuit is known as Douglas O’Connor et al v. Uber Technologies, Inc., Case No. 13-03826-EMC.