Platformarbeid - Informatie over platformarbeid


Laatst bijgewerkt op 19 september 2019

Inleiding

Op deze pagina vindt u informatie over de recente juridische ontwikkelingen aangaande het onderwerp platformarbeid in ruime zin. Via de onderstaande iconen komt u direct bij een door ons bijgehouden overzicht van onder meer relevante nieuws- en blogberichten, binnen- en buitenlandse rechtspraak, binnen- en buitenlandse rechtswetenschappelijke literatuur, publicaties van binnen- en buitenlandse overheden en wetenschappelijke of beleidsmatige rapporten, onderzoeken en studies.

Nieuws Icon Rechtspraak NL Icon Literatuur NL Icon Overheid NL Rapporten

Indien u beschikt over informatie en / of documenten over dit onderwerp die (nog) niet op deze pagina staan, ontvangen wij deze zeer graag per e-mail via: platformarbeid@stibbe.com.

NieuwsNieuws- en blogberichten

Nederland

  • 11.09.2019 In Californië is de Uber-chauffeur voortaan werknemer in plaats van freelancer (J. van Velzen, bron: Trouw)
    Het lijkt op een gebed zonder end: is iemand die werk verricht voor een platform als Uber een werknemer of eerder een zelfstandige? Het zorgt wereldwijd voor ophef en verdeeldheid, maar in Californië zijn ze er nu uit. De Senaat van de Amerikaanse staat aan de westkust nam woensdag een wet aan die bepaalt dat bedrijven achter taxi-apps als Uber hun chauffeurs moeten behandelen als werknemers. Tot nu toe laten app-diensten zoals ook Lyft en Deliveroo taxichauffeurs en maaltijdbezorgers enkel als freelancers werken.
  • 11.09.2019 'Nederland laat kansen in de platformeconomie liggen' (bron: BNR)
    Nederland benut onvoldoende de kansen die de platformeconomie biedt. Dat stellen VNO-NCW en MKB-Nederland. Om dat te bereiken moeten er meer spelregels en toezicht komen om een beter en eerlijker speelveld te creëren met platformbedrijven. Vandaag presenteren de twee ondernemersorganisaties samen met techbedrijven en platformgebruikers hun visie op de platformeconomie aan premier Rutte.
  • 11.09.2019 Visie op de platformeconomie: hoe laten we het werken? (bron: VNO NCW)
    'De platformeconomie heeft schaduwkanten, maar biedt vooral ook grote kansen.' Dat is de kern van de visie die de taskforce platformeconomie van VNO-NCW en MKB-Nederland ontwikkelde, samen met techbedrijven, platformgebruikers en ondernemers. Vandaag overhandigden Jacco Vonhof, Hans de Boer, Lotte de Bruijn (NLdigital), Jan Meerman (INretail) en Ernst-Jan Stigter (voorzitter taskforce) de visie aan premier Mark Rutte. Volgens de organisaties benutten we die kansen nu onvoldoende, terwijl de ontwikkelingen razendsnel gaan.
  • 11.09.2019 Californische wet verplicht Uber om chauffeurs in dienst te nemen (bron: RTL Z)
    Taxi-apps zoals Uber en Lyft moeten zeer waarschijnlijk hun chauffeurs voortaan als werknemers gaan behandelen in Californië. De senaat in de Amerikaanse staat Californië heeft een wet aangenomen waarin dat staat. Het is een belangrijke overwinning voor chauffeurs die nu nog als freelancers rijden voor platformdiensten zoals Uber en Lyft.
  • 31.08.2019 Deliveroo zwicht voor protesterende bezorgers en draait tariefverlaging terug (bron: RTL Nieuws)
    Deliveroo draait de tariefverlaging die eerder deze week werd ingevoerd, per direct terug. Dat doet het bedrijf na klachten hun bezorgers. In verschillende steden gingen zij de straat op om te protesteren tegen de nieuwe tarieven.
  • 30.08.2019 Online platforms vs. beroepsgoederenvervoer: Deliveroo als transporteur (bron: Vallenduuk advocaten)
    Veel van deze online platforms zijn in korte tijd heel groot gegroeid. En daar waar startups in korte tijd uitgroeien tot grote bedrijven, moeten ook veel mensen worden aangenomen. En om een of andere reden is het voor dit soort hippe bedrijven ook heel trendy om dat op allerlei manieren te doen, behalve op basis van een arbeidsovereenkomst. En meestal gaat dat wel een poosje goed, tot het moment dat de vakbond zich ermee gaat bemoeien. Of wanneer een van de medewerkers zich begint af te vragen of hij wel echt als zelfstandige werkt. Dan beginnen de juridische procedures. Soms loopt dat goed af, zoals in geval van Helpling. Maar soms ook niet, zoals in geval van Deliveroo
  • 28.08.2019 Deliveroo valt onder verplichtstelling pensioenfonds Vervoer (S. van Alfen, bron: Pensioen Pro) [zichtbaar na inlog/ registratie]
    Maaltijdbezorger Deliveroo valt onder de verplichtstelling van pensioenfonds Vervoer, vindt de kantonrechter. Deliveroo gaat tegen de uitspraak in beroep. Zolang dat loopt hoeft het bedrijf geen achterstallige premies te betalen.

→ Klik hier voor alle nieuws- en blogberichten.

Buitenland

  • 18.09.2019 Postmates Will Deliver Benefits To Gig Workers (J. Smith, Fisher Phillips, source: JDSupra)
    Good news for Postmates delivery drivers…and for gig economy businesses across the country. The company recently announced that it would offer accident insurance benefits to its entire fleet of independent contractor drivers, providing the kind of safety net that many gig workers crave.
  • 18.09.2019 Will New York Be The Next Gig Economy Battlefield? (M. Osipoff Camire, Fisher Phillips, source: JDSupra)
    “Anything you can do, I can do better.” That’s essentially the sentiment floating around Albany these days as New York lawmakers look enviously towards California and its groundbreaking new law that will soon revolutionize the way workers are characterized as contractors or employees. In the wake of California’s AB-5 – a bill that will codify the stringent ABC test into state law and make it extremely difficult for companies to classify their gig economy workers as independent contractors – New York legislative leaders are lining up to be next to reshape the state’s misclassification test, according to Newsday, “on a scale that one veteran lawmaker said would be similar to sweeping changes made during the Industrial Revolution.”
  • 18.09.2019 California Bill AB5 Will Rewrite the Rules for Independent Contractors (C. Bertram & J. Blum, Polsinelli, source: JDSupra)
    On September 10, 2019, the California Senate passed AB-5, a sweeping bill to control the use of independent contractors in the nation’s largest state.  With the California Assembly concurring in the Senate’s amendments to the bill on September 11, 2019, the legislation now proceeds to Governor Gavin Newsom who is expected to sign it into law. AB5 codifies the California Supreme Court’s holding in Dynamex Operations West, Inc. v. Superior Court of Los Angeles, and adopts an “ABC” test to determine whether a worker is classified as an “employee” for purposes of California’s Labor Code, unemployment insurance law, and wage orders. 
  • 18.09.2019 California Codifies Employee Classification Standards (J. Cannon II, K. Laverriere, D. Lilienfeld, G.E. Moldowan & L. Rappaport, Shearman & Sterling LLP, source: JDSupra)
    On September 10, 2019, the California State Senate passed Assembly Bill 5 (AB 5) effectively requiring certain workers previously operating as independent contractors to be considered employees. Governor Gavin Newsom is expected to sign the bill into law following State Assembly approval. Resultant employee reclassification will require employers to adhere to previously inapplicable labor laws and potentially cause disruptive changes to the gig economy.
  • 18.09.2019 California Assembly Bill Five Excepts Certain Categories Of Workers From Independent Contractor Classification Overhaul (Coblentz Patch Duffy & Bass, source: JDSupra)
    Last week, the California Legislature passed Assembly Bill 5 (AB 5), a new law related to an issue that is critically important to California employers and service providers – whether a worker is classified as an employee or an independent contractor. Much of the commentary surrounding AB 5 to date has focused on its effect on app-based gig-economy businesses like Uber, Lyft, and DoorDash, however, AB 5’s reach will undoubtedly require all types of employers and service providers to carefully consider the circumstances under which they rely on independent contract classifications to operate their businesses and provide services to clients.
  • 18.09.2019 Commissioner prepares to hear Uber Eats, Deliveroo driver disputes (E. Koehn, source: The Sydney Morning Herald)
    Victoria's small business commissioner has been handed expanded powers to hear disputes from delivery contractors working on platforms like Uber Eats and Deliveroo and the New South Wales commissioner has also opened her doors to the contractors. The move came as small business ombudsman Kate Carnell highlighted the difficulty courier contractors faced negotiating disputes with bigger businesses.
  • 16.09.2019 AB 5, Codifying Dynamex and Broadening the ABC Test’s Application, Passes California Legislature (R. Boughton, D. Lyman & J. Schaedel, Ius Laboris USA, source: JDSupra)
    After months of debate and negotiations, the California State Legislature passed the controversial AB 5 on Wednesday, September 11, 2019, bringing it one step closer to being law. If passed, the new law is expected to impact and clarify the use of independent contractors throughout the state. It is now on Governor Newsom’s desk. If signed, it will go into effect on January 1, 2020.
  • 16.09.2019 Sacked Uber Eats worker's Fair Work Commission appeal could change the gig economy (D. Chau, source: ABC News)
    A former delivery worker is suing Uber Eats for unfair dismissal after she was allegedly sacked for showing up 10 minutes late. Adelaide-based Amita Gupta also claims to have been severely underpaid by the food delivery giant. 

→ Klik hier voor alle nieuws- en blogberichten.

RechtspraakRechtspraak

Nederlandse rechtspraak

  • 26.08.2019 Rb. Amsterdam 26 augustus 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:6292 (Pensioenfonds Vervoer / Deliveroo)
    Deliveroo voldoet aan de voorwaarden om verplicht deel te moeten nemen aan het bedrijfstakpensioenfonds voor het beroepsvervoer over de weg. Dat heeft de kantonrechter bepaald. Bezorgers van Deliveroo vervoeren tegen vergoeding goederen (maaltijden) over de weg. Deze vervoerswerkzaamheden zijn de kerntaak van Deliveroo en oefent zij daarmee in hoofdzaak uit. Dat het bezorgen op de fiets gebeurt doet daar niet aan af. Deliveroo voert als verweer dat zij in hoofdzaak een technologiebedrijf is en haar kerntaak niet ziet op het bezorgen maar op het faciliteren en vergroten van het aantal maaltijdbestellingen bij aangesloten restaurants en het bieden van een digitaal platform. De bezorging is slechts een onderdeel van de marketingstrategie. Dit is volgens de kantonrechter onvoldoende gebleken. Deze uitspraak betekent dat voor alle werknemers van Deliveroo, inclusief het kantoorpersoneel, pensioenpremie aan het Pensioenfonds moet worden betaald.
  • 01.07.2019 Rb. Amsterdam 1 juli 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:4546, JAR 2019/171, m.nt. E.C.A. Pronk (FNV / Helpling Netherlands B.V.)
    Tussen Helpling en personen die via het online platform schoonmaakwerk verrichten, is geen sprake van een arbeids- of uitzendovereenkomst. Helpling kan daarom ook niet worden verplicht om de schoonmaak-CAO toe te passen. Wel is er sprake van arbeidsbemiddeling. Daarom mag Helpling niet langer een vergoeding vragen van schoonmakers die de site gebruiken.
  • 18.05.2019 Hof Amsterdam 28 mei 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:1849 (Stichting bedrijfstakpensioenfonds voor de reisbranche / Booking.com)
    Het hof oordeelt dat het exploiteren van een onlinereserveringsplatform niet valt onder het begrip bemiddelen bij de totstandkoming van overeenkomsten. Booking.com niet verplicht deel te nemen aan het Bedrijfstakpensioenfonds voor de Reisbranche, omdat het exploiteren van een onlinereserveringsplatform niet valt onder het begrip bemiddelen bij de totstandkoming van overeenkomsten in de zin van het verplichtstellingsbesluit.
  • 15.01.2019 Rb. Amsterdam 15 januari 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:210, JAR 2019/24, m.nt. M. Jovović & J.P.H. ZwemmerNTFR 2019/286, m.nt. L.M.J. Arets, FutD 2019-0129, TAO 2019/1, p. 16-19, m.nt. I. Zaal, RAR 2019/56 (FNV / Deliveroo)
    De kantonrechter oordeelt in een procedure tussen FNV en Deliveroo dat Deliveroo onder de werkingssfeer van de cao voor beroepsgoederenvervoer valt. Bezorging van maaltijden door Deliveroo moet worden gekwalificeerd als vervoer van goederen over de weg en valt daarmee onder de cao van die sector. Deliveroo is daarmee ook verplicht de cao met terugwerkende kracht na te leven.
  • 15.01.2019 Rb. Amsterdam 15 januari 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:198, JAR 2019/23, m.nt. M. Jovović & J.P.H. ZwemmerAR Annotaties 2019-0051, m.nt. J.H. Bennaars, NTFR 2019/23, m.nt. L.M.J. Arets, NLF 2019/0305, m.nt. S. Spauwen, FutD 2019-0129, TAO 2019/1, p. 7-15, m.nt. P.R. Bartens, RAR 2019/57 (FNV / Deliveroo)
    De kantonrechter oordeelt in een procedure tussen FNV en Deliveroo dat bezorgers van Deliveroo geen zzp’ers zijn, maar aanspraak kunnen maken op een arbeidsovereenkomst. De kantonrechter is het met FNV eens dat de verhouding tussen Deliveroo en de bezorgers met de invoering van de nieuwe contractvorm (de partnerovereenkomst) per 2018 niet wezenlijk veranderd is. Daarbij is, volgens de rechter, onder andere van belang dat de partnerovereenkomst een standaardcontract is, dat volledig en eenzijdig door Deliveroo is opgesteld en niet onderhandelbaar is. De rechter oordeelt dat binnen de rechtsverhouding nog altijd sprake is van een gezagsverhouding tussen het bedrijf en de bezorgers. Hierbij spelen de digitale systemen die Deliveroo gebruikt voor het inroosteren van de bezorgers en de bezorging van maaltijden, een belangrijke rol.
  • 23.07.2018 Rb. Amsterdam 23 juli 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:5183, JAR 2018/189, m.nt. J.P. Wiewel & J.M. van Slooten, RAR 2018/153 (Deliveroo)
    De kantonrechter oordeelt, gezien hetgeen Deliveroo en de maaltijdbezorger zijn overeengekomen en hoe zij vervolgens feitelijk aan die overeenkomst uitvoering en invulling hebben gegeven, dat de rechtsverhouding tussen partijen niet als een arbeidsovereenkomst gekwalificeerd kan worden. Volgens de kantonrechter moge het zo zijn dat in het huidige arbeidsrecht geen rekening is gehouden met de uit de (relatief) nieuwe platformeconomie voorkomende arbeidsverhoudingen maar dat maakt echter nog niet dat de onderhavige beslissing tot dusdanig onaanvaardbare resultaten leidt, dat de redelijkheid en billijkheid tot rechterlijk ingrijpen noopt. Wanneer het ongewenst wordt geacht dat werkplatforms als Deliveroo dergelijke overeenkomsten aanbieden, zal de wetgever daartegen maatregelen moeten treffen. De vorderingen van de maaltijdbezorger worden afgewezen.
  • 09.05.2018 Rb. Midden-Nederland 9 mei 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:2044, JAR 2018/134 (Booker B.V.)
    De verklaring voor recht dat Hotel Booker B.V. en Bungalow Booker B.V. niet vallen onder de werkingssfeer van het Verplichtstellingsbesluit en niet onder de CAO Sociaal Fonds, en daarmee niet verplicht zijn om deel te nemen in het bedrijfstakpensioenfonds voor de Reisbranche, wordt niet gegeven. Uitgangspunt bij de beoordeling is dat een uitleg van het Verplichtstellingsbesluit en de CAO moet worden gegeven waarbij in beginsel de bewoordingen van die bepaling, gelezen in de licht van de gehele tekst van doorslaggevende betekenis zijn. Deze tekst hanteert een zeer breed begrip van reizen. De kantonrechter is van oordeel dat de door Hotel Booker en Bungalow Booker aan accomodatieaanbieders te stellen voorwaarden en de vergoeding die zij ontvangen van de accomodatieaanbieders samen een zodanige actieve rol impliceren, dat is voldaan aan het begrip bemiddelen en daarmee sprake is van een reisagent zoals bedoeld in het Verplichtstellingsbesluit.
  • 21.09.2017 College van Beroep voor het bedrijfsleven 21 september 2017, ECLI:NL:CBB:2017:312
    “In deze uitspraak oordeelt het Cbb dat het verbod van UberPOP standhoudt. UberX voldoet daarentegen wel aan de Nederlandse taxiwetgeving. “De Wet personenvervoer 2000 verbiedt taxivervoer zonder vergunning. UberPOP is gericht op vervoer door particuliere chauffeurs zonder taxivergunning. Dat is taxivervoer (en geen carpoolen), omdat het gebeurt als economische activiteit. UberX is gericht op taxivervoer door chauffeurs die beschikken over een taxivergunning. Dat is een andere dienst dan UberPOP, omdat geen samenwerking met particuliere chauffeurs zonder taxivergunning wordt gezocht.”
  • 30.12.2016 Rb. Amsterdam 30 December 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:9040 (Booking.com)
    Booking.com fungeert als digitaal prikbord en bemiddelt niet bij totstandkoming van een individuele reisovereenkomst. Booking.com valt niet onder het verplichtstellingsbesluit van het Bedrijfstakpensioenfonds voor de Reisbranche.

Europese rechtspraak

  • 10.04.2018 Hof van Justitie EU 10 april 2018, ECLI:EU:C:2018:221 (C-320/16) (Uber France SAS)
    In dit arrest oordeelt het Hof van Justitie EU dat de lidstaten de illegale uitoefening van een vervoersactiviteit zoals UberPop kunnen verbieden en bestraffen zonder voorafgaande kennisgeving aan de Commissie van het wetsontwerp tot strafbaarstelling van een dergelijke uitoefening. Aangezien de UberPop-dienst aldus niet onder Richtlijn 98/34/EG valt, concludeert het Hof dat de in die richtlijn neergelegde verplichting van voorafgaande kennisgeving aan de Commissie niet van toepassing is. Hieruit volgt dat de Franse autoriteiten niet verplicht waren het betrokken wetsontwerp van tevoren bij de Commissie aan te melden. Klik hier voor het persbericht over dit arrest en klik hier voor de conclusie van de AG.
  • 20.12.2017 Hof van Justitie EU 20 december 2017, ECLI:EU:C:2017:981 (C-434/15) (Asociación Profesional Elite Taxi / Uber Systems Spain SL)
    Uber levert als elektronisch platform, via een smartphoneapp, een dienst waarmee particuliere bestuurders die hun eigen voertuig gebruiken, tegen betaling in contact worden gebracht met personen die een stadstraject willen afleggen. Een beroepsvereniging van taxibestuurders in Barcelona verzocht de Spaanse rechter vast te stellen dat de activiteiten van Uber Systems Spain (een vennootschap verbonden met Uber Technologies Inc.) misleidend zijn en oneerlijke mededinging vormen. Volgens de rechter moet worden bepaald of de door Uber geleverde diensten beschouwd moeten worden als vervoerdiensten, als diensten van de informatiemaatschappij of als een combinatie van deze twee soorten diensten. De Spaanse rechter heeft daartoe het Hof van Justitie EU prejudiciële vragen gesteld. Het Hof van Justitie EU oordeelt dat de door Uber geleverde dienst onder “diensten op het gebied van het vervoer” valt waarmee lidstaten voorwaarden kunnen vaststellen waaronder deze bemiddelingsdienst geleverd kan worden. Dit houdt in dat taxivergunningen voor chauffeurs verplicht gesteld mogen worden. Klik hier voor het persbericht over dit arrest en klik hier voor de conclusie van de AG.

Buitenlandse rechtspraak

Australië

  • 16.11.2018 Fair Work Commission, Case No. [2018] FWC 6836 (Klooger / Foodora)
    Former delivery rider, Joshua Klooger, applied for an unfair dismissal remedy by Foodora under sector 394 of the Fair Work Act 2009. This unfair dismissal claim has involved significant consideration and determination of the question as to whether the applicant was an employee or independent contractor. The Commission has determined that Klooger was an employee of Foodora because the shifts start, finish times and locations were fixed by Foodora, he was required to wear Foodora branded attire and equipment when working and Foodora had a significant amount of control over how he did his work.
  • 11.05.2018 Fair Work Commission (Pallage v Rasier Pacific Pty Ltd)
    Former Uber driver, Janaka Pallage, applied for an unfair dismissal remedy following deactivation of his capacity to work as an Uber driver in Melbourne, which had taken place on 4 December 2017. Mr Pallage's relationship with Uber started on 25 July 2016 and the relationship was a partnership registered in the Netherlands by the name of Rasier Pacific V.O.F. On 1 December 2017, that relationship changed to being one between Mr Pallage and Rasier Pacific Pty Ltd (an Australian company) and Uber B.V. (a Dutch company). Uber argued that the Australian entity had no employees and that the driver was an independent contractor party to a succession of services agreements. Uber also submitted that the nature of the services agreement between Uber and Mr Pallage was such that he was not an employee and that his circumstances are indistinguishable from those of in the matter determined in Kaseris v Rasier Pacific. The Fair Work Commission (FWC) found that there was still a need to test Mr Pallage’s case and concluded that ‘while elements of the contract itself appear more consistent with an employment relationship (for example, those dealing with termination), most do not’. The FWC noted that ‘the nature of the work and its environment, in which unskilled work is performed, albeit alone, repetitively and over many engagements for the one principal also has some consistency, possibly greater consistency, with a finding of employment. The FWC determined that Mr Pallage was not at the relevant time a person protected from unfair dismissal and that his application for unfair dismissal remedy must be dismissed.
  • 01.12.2017 Fair Work Commission [2017] FWC 6610 (Kaseris / Rasier Pacific V.O.F.)
    Former Uber driver, Michail Kaseris, has applied (under s.394 of the Fair Work Act 2009) for an unfair dismissal remedy. On 29 August 2016, he entered into a services agreement with Rasier Pacific V.O.F (known as Uber). Mr. Kaseris alleges that he was dismissed by Uber on 11 August 2017. Uber had terminated the driver’s service agreement and removed his access to the Uber app as a result of poor passenger ratings. Uber argues that Mr. Kaseris was not protected from unfair dismissal because he was an independent contractor and not an employee within the meaning of the Fair Work Act 2009. The Fair Work Commission concluded that Uber did not owe any legal obligation to its drivers except to provide access to the partner app and remittance of the fares and cancellation fees and, as a consequence, the wages-work bargain that is essential to employment relationship was therefore missing. Kaseris purported to rely upon the UK decision in Aslam and others v Uber B.V. and others in which the Employment Tribunal of London concluded Uber drivers were “workers”. The Commission refused to take into account this decision because the Australian law does not contain any equivalent to the UK’s expanded definition of “worker”, but continues to distinguish between employees and contractors only. The Commission determined that Mr. Kaseris was not an employee but an independent contractor.

België

  • 09.03.2018 Commission administrative de règlement de la relation de travail (Deliveroo)
    De Administratieve Commissie ter regeling van de Arbeidsrelatie heeft op 9 maart 2018 vastgesteld dat de medewerkers een heel beperkte vrijheid hebben inzake de organisatie van hun werktijd: medewerkers moeten immers aangeven wanneer zij beschikbaar zijn op basis van een voorstel van agenda, dat afhankelijk van vroegere prestaties (aanwezigheidsrate; annulatierate en deelneming in piekperiodes). Volgens de Commissie dienen de medewerkers veel voorwaarden aanvaarden om een goede rating te hebben, en dergelijke voorwaarden zijn onverenigbaar met een zelfstandig statuut.
  • 23.02.2018 Commission administrative de règlement de la relation de travail (Deliveroo)
    De Administratieve Commissie ter regeling van de Arbeidsrelatie heeft zich op 23 februari 2018 uitgesproken over het statuut van Deliveroo medewerkers en beslist dat een Deliveroo medewerker loontrekkende werknemer is en niet zelfstandig is omwille van de volgende redenen:
    • ontstentenis van enig financieel of economisch risico in hoofde van de medewerker;
    • ontstentenis van verantwoordelijkheid en beslissingsmacht aangaande de financiële middelen van de onderneming;
    • ontstentenis van beslissingsmacht over het aankoopbeleid van de onderneming;
    • ontstentenis van beslissingsmacht over de prestaties die in aanmerking komen voor de prijsafrekening van de werkzaamheden;
    • ontstentenis van resultaatsverbintenis betreffende het overeengekomen werk;
    • mogelijkheid om zich voor de uitvoering van het overeengekomen werk te laten vervangen of personeel aan te werven, is voor discussie vatbaar. Dit is niet duidelijk en irrelevant volgens de Commissie;
    • in ruimte werken waarvan men niet de eigenaar is, is eveneens een criterium dat volgens de Commissie niet duidelijk is. 

Canada

  • 02.01.2019 Court of Appeal Ontario (Heller / Uber Technologies Inc.)
    Former Uber driver, David Heller, sued Uber under a class action on behalf of all Uber drivers of Ontario, alleging that they should be classified as Uber employees instead of independent contractors in order to be entitled to the benefits under Ontario’s Employment Standards Act. In order to use Uber, any prospective driver must agree to the company’s Service Agreement. Uber’s Service Agreement contained two important provisions: 1. A Driver Acknowledgment that the two parties are not in an employment relationship; and 2. An Arbitration Clause that stipulates that disputes, conflicts, or controversies arising out of or broadly in connection with the agreements shall be resolved by arbitration in Amsterdam under the Rules of Arbitration of the International Chamber of Commerce. The court said this case “is not about a discretionary court jurisdiction where there is a forum selection clause to refuse to stay proceedings where a strong cause might justify refusing a stay; rather, it is about a very strong legislative direction under the Arbitration Act, 1991 or the International Commercial Arbitration Act, 2017 and numerous cases that hold that courts should only refuse a reference to arbitration if it is clear that the dispute falls outside the arbitration agreement.” The Court rejected the plaintiff’s argument that since the proposed class action is about an alleged employment relationship it falls outside an arbitrator’s jurisdiction. Rather, the Court held that it is left to an arbitrator in The Netherlands to decide whether it has jurisdiction over this matter. The plaintiff appeals from the order of the motion judge that stayed the plaintiff’s action in favour of arbitration. The Ontario Court of Appeal concluded that the Arbitration Clause amounts to an illegal contracting out of an employment standard, if the drivers are found to be employees as alleged by the appellant and reached the separate and independent conclusion that the Arbitration Clause is unconscionable at common law and therefore invalid. The appeal is therefore allowed and the stay is set aside.
    See also: 22.01.2018 Ontario Superior Court of Justice (Heller / Uber Technologies Inc.)

Frankrijk

  • 10.01.2019 Cour d’Appel de Paris, N° RG 18/08357 (Uber B.V. and others)
    The Paris Court of Appeal determined the contract between Uber and the former Uber driver was "an employment contract" on the basis of the driver being dependent on the ride-hailing service for work. The court also noted that the driver had signed a "registration partnership" with the company which did not give him the freedom to choose his clients or charge his own rates. The court ruled that Uber had "control" over the driver.
  • 28.11.2018 Cour de cassation - Chambre sociale, Arrêt n°1737, (17-20.079), ECLI:FR:CCASS:2018:SO01737 (David / Take Eat Easy)
    Le lien de subordination est caractérisé par l’exécution d’un travail sous l’autorité d’un employeur qui a le pouvoir de donner des ordres et des directives, d’en contrôler l’exécution et de sanctionner les manquements de son subordonné. Viole l’article L.8221-6, II du code du travail la cour d’appel qui retient qu’un coursier ne justifie pas d’un contrat de travail le liant à une société utilisant une plate-forme web et une application afin de mettre en relation des restaurateurs partenaires, des clients passant commande de repas par le truchement de la plate-forme et des livreurs à vélo exerçant sous le statut de travailleur indépendant des livraisons de repas, alors qu’il résulte de ses constatations que l’application était dotée d’un système de géo-localisation permettant le suivi en temps réel par la société de la position du coursier et la comptabilisation du nombre total de kilomètres parcourus par celui-ci et que la société disposait d’un pouvoir de sanction à l’égard du coursier. [Volgens het Cour de Cassation was voor het aannemen van een gezagsverhouding voldoende dat het platform Take Eat Easy via een systeem van geolocalisatie kon volgen waar de maaltijdbezorgers op welk moment waren en dat het bevoegd was via een systeem van “strikes” sancties op te leggen. Het oordeel van het hof dat geen gezagsverhouding  aanwezig was omdat werkers zelf konden kiezen wanneer en waar ze werkten, houdt geen stand, gelet op een Groen/Schoevers-achtig criterium]
  • 04.07.2018 Paris Commercial Court (Petrovic / Uber B.V. and others)
    The Paris Commercial Court has ruled that Petrovic, a former Uber driver, was not an employee and the relationship between Uber and the driver is a commercial nature. The driver claimed that he had a framework agreement with Uber and that each trip for Uber was a transport service contract, which in terms of employment law, should be seen as a short term contract.
  • 20.04.2017 Paris Commercial Court (Dubost / Take Eat Easy)
    The Paris Commercial Court admitted that the couriers who are using the application Take Eat Easy, are not employees but self-employed drivers.
  • 30.01.2017 Paris Commercial Court (Viabac and others / Uber B.V. and others)
    The Paris Commercial Court found that drivers who are using the Uber app are not employees but self-employed drivers. The court rejected Viacab’s claims.
  • 07.01.2016 Paris Court of Appeal (Driver / LeCab)
    The Paris Court of Appeal found that a driver using the application of LeCab was not an employee of this platform because the driver was free to organise his working time, he had no obligation to use the app, he was free to use other apps and warnings were sent to him by the platform as a reminder of his contractual commitments.

Italië

  • 11.01.2019 The Turin Court of Appeal, No. 26/2019 (Foodora)
    Six Foodora riders sued Foodora and claimed for the requalification of their relationships as “regular” employees. On April 5th, 2018, the Court of Turin rejected their judicial claims, considering that their contractual relationship could not be qualified as a regular employment relationship, especially because riders had no obligation to perform their working activity, as they were free to deny their availability to do shifts. The riders appealed this decision. On January 11th, 2019, the Turin Court of Appeal confirmed the first-instance interpretation according to which riders should not be qualified as employees, the court held that they cannot be considered fully self-employed either. Through its interpretation of Article 2 of Legislative Decree 81/2015 (which provides that where the organisation of work is unilaterally decided by a principal, subordinate employment rules apply), the court stated that Foodora riders belong to a third type of relationship between self-employment and subordinated employment. The riders are a new type of workers who perform “hetero-organized” work to which the discipline of the subordinate employment relationship applies.

Spanje

  • 22.07.2019 El Juzgado de lo Social nº 19 de Madrid, No.188/2019 (Deliveroo)
    De Spaanse rechter oordeelt dat Deliveroo sociale fraude heeft gepleegd omdat circa 500 werknemers van Deliveroo in Madrid werden niet aangegeven, waardoor ongeveer 1,2 miljoen euro aan bijdragen voor de sociale zekerheid niet werden betaald. Volgens de rechter hebben de betrokken werknemers een arbeidsovereenkomst met Deliveroo.
  • 01.06.2018 Juzgado de lo social numero seis Valencia, sentencia Nr. 244/2018 (García / Roofoods Spain S.L. (Deliveroo))
    The court said Sanchez was used by Deliveroo as a “fake self-employed worker” when he should have been a permanent employee. This decision is based on the level of control exerted in fact by Deliveroo on the couriers, notably the shifts (time and area) system and the number (and the nature) of instructions received by the couriers. The right of substitution proved not to be a safe defence line because the court found that courier two had to be approved.

Verenigde Staten

  • 02.05.2019 United States Court of Appeals for the Ninth Circuit, Case No. 3:16-cv-05961 (Vazquez and others / Jan-Pro Franchising International Inc.)
    The Court of Appeals concludes in this case that Dynamex (the ABC test) does apply retroactively.
  • 22.10.2018 California Court of Appeal Fourth Appellate District, Case No. D072521 (Garcia / Border Transportation Group LLC)
    Jesus Cuitlahuac Garcia was a taxi driver for Border Transportation Group LLC (BTG). In 2015 Garcia filed a wage and hour lawsuit against BTG. The trial court granted defendants' motion for summary judgment on the basis that Garcia was an independent contractor, not an employee. After Garcia's appeal was fully briefed, the Supreme Court issued a ruling in Dynamex Operations West Inc. v. Superior Court (2018), which adopted the “ABC test” to determine the employee-independent contractor question as to wage order claims. BTG argued in supplemental briefing that even under Dynamex, Garcia was an independent contractor. The Court of Appeal found that defendants failed to establish Part C of the ABC test. Specifically defendants did not establish that Garcia “is customarily engaged in an independently established trade, occupation, or business” apart from his work for BTG. However the Court of Appeal held that Dynamex’s ABC independent contractor test only applies to claims brought under California’s wage orders, e.g., claims pertaining to minimum wages, maximum hours, and certain other basic working conditions. For this reason, the Court denied Garcia’s efforts to apply the ABC test to his non-wage order claims.
  • 25.09.2018 United States Court of Appeals for the Ninth Circuit, Case No. 15-17420 (O’Connor / Uber Technologies Inc)
    The Court of Appeals said drivers seeking to be classified as employees rather than independent contractors must arbitrate their claims individually, and not pursue class-action lawsuits.
  • 12.07.2018 The New York State Unemployment Insurance Appeal Board, Case No. 596722 (Uber Technologies Inc. / NY Taxi Workers Alliance and others)
    In 2016 the NYS Department of Labor found three of NYTWA's Uber driver members, Levon Aleksanian, Jakir Hossain and Jeffrey Shepherd, and any other individuals similarly situated to be employees for the purposes of unemployment benefits. Uber appealed and an Administrative Law Judge held combined hearings for the three drivers. On June 9, 2017, the Administrative Law Judge overruled Uber's appeal. On June 29, 2017, Uber appealed the decision to the Unemployment Insurance Appeal Board. The New York State Unemployment Insurance Appeal Board found that Uber exerted control over drivers and acted as an employer based on criteria including: (i) Uber assigns work by dispatching drivers through the app, (ii) Uber sets the fare rates and collects the fares from passengers and sets the pay rates for drivers and pays drivers, (iii) Uber uses a 5-star rating system and deactivates drivers with less than 4.5 stars and (iv) Uber monitors drivers while they are using the app. The New York State Unemployment Insurance Appeal Board ruled that "The credible evidence establishes that Uber exercises sufficient supervision, direction or control over the three claimants and other similarly situated Drivers... Uber also exercises control through its Driver App. Uber provides the Driver App and sets up the information that appears on the Driver App; sets the fares charged to Riders; sets the rate of pay to Drivers and the occasional income guarantee; sets the various incentives and promotions; and sets the music, tipping and deactivation policies. Uber assigns the work by dispatching trip requests to the closest individual Driver who must accept the dispatch within Uber's 15-second mandate...". The Appeal Board rejected Uber’s application to withdraw its appeal and issued a decision finding that the three former Uber drivers situated to be employees of Uber.
  • 21.06.2018 New York Supreme Court Appellate Division 3d Dept, Case No. 162 AD3d 1337 (Postmates Inc. / Commissioner of Labor)
    Postmates Inc. couriers aren’t employees, New York state appeals court ruled. The appeals court said a courier fired by Postmates isn’t entitled to unemployment insurance benefits. The order reverses a state Unemployment Insurance Appeal Board finding that the San Francisco food-delivery start up is an employer liable for unemployment insurance contributions on money paid to its couriers.
  • 11.05.2018 United States Court of Appeals for the Ninth Circuit, Case No. 17-35640 (Chamber of Commerce of the United States of America and Rasier LLC / City of Seattle)
    Seattle was the first US city to pass a law allowing Uber and Lyft drivers to unionize but since that law passed in 2015, the business community has continually challenged it. In December 2015, the Seattle City Council enacted into law relating to Taxicab, Transportation Network Company, and For-Hire Vehicle Drivers (Ordinance). The Ordinance was the first municipal ordinance of its kind in the United States, and authorizes a collective-bargaining process between “driver coordinators” - like Uber, Lyft and other independent contractors who work as for-hire drivers. The Ordinance permits independent-contractor drivers, represented by an entity denominated an “exclusive driver representative” and driver coordinators to agree on the “nature and amount of payments to be made by, or withheld from, the driver coordinator to or by the drivers.” Acting on behalf of its members which lists Uber and Lyft, the Chamber of Commerce of the United States of America and Rasier, LLC (a subsidiary of Uber), sued the City of Seattle, challenging the Ordinance on federal antitrust and labor law grounds. The district court dismissed the case, holding that the state-action immunity doctrine exempts the Ordinance from preemption by the Sherman Act, and that the NLRA does not preempt the Ordinance. The Chamber appealed both holdings. The United States Court of Appeals for the Ninth Circuit affirmed in part and reversed in part the district court’s dismissal. The Court of Appeals reversed the district court’s dismissal of claims that the ordinance violates, and is preempted by, § 1 of the Sherman Antitrust Act because the ordinance sanctions price-fixing of ride-referral service fees by private cartels of independent-contractor drivers and held that the state-action immunity doctrine did not exempt the ordinance from preemption by the Sherman Act because the State of Washington had not clearly articulated and affirmatively expressed a state policy authorizing private parties to price-fix the fees that for-hire drivers pay to companies like Uber or Lyft in exchange for ride-referral services. In addition, the active-supervision requirement for state-action immunity applied, and was not met. The Court of Appeals affirmed the district court’s dismissal of claims that the ordinance was preempted by the National Labor Relations Act under either Machinists or Garmon preemption. The Court of Appeals remanded the case for further proceedings.
  • 30.04.2018 Supreme Court of California, Case No. 4 Cal. 5th 903 (Dynamex Operations West Inc. / Superior Court)
    In the underlying lawsuit in this matter, two individual delivery drivers suing, on their own behalf and on behalf of a class of allegedly similarly situated drivers, filed a complaint against Dynamex Operations West, Inc. (Dynamex), a nationwide package and document delivery company, alleging that Dynamex had misclassified its delivery drivers as independent contractors rather than employees. Under the ABC test, a worker will be deemed to have been “suffered or permitted to work,” and an employee for wage order purposes, unless the putative employer proves: (A) that the worker is free from the control and direction of the hirer in connection with the performance of the work, both under the contract for the performance of such work and in fact; (B) that the worker performs work that is outside the usual course of the hiring entity’s business; and (C) that the worker is customarily engaged in an independently established trade, occupation, or business of the same nature as the work performed for the hiring entity. The Supreme Court evaluated three questions based on the ABC test. The Supreme Court conceded that the “suffer or permit to work” standard is a “term of art” that cannot be interpreted literally because it would obviously encompass workers who are traditional independent contractors (e.g. plumbers) and would more or less eviscerate the commonly understood distinction between employees and independent contractors. The Supreme Court limited the scope of “suffer or permit to work” by adopting the “ABC test.” In Vazquez and others / Jan-Pro Franchising International Inc. the Court of Appeals concludes that Dynamex does apply retroactively.
  • 11.04.2018 United States District Court for the Eastern District of Pennsylvania, Case No. 2:16-cv-00573 (Razak and others / Uber Technologies Inc.)
    Plaintiff Ali Razak and two others plaintiffs have brought individual and representative claims against Uber. The plaintiffs, Uber drivers for Uber’s limousine service UberBLACK, argued that they are employees and that Uber failed to pay them overtime and minimum wage in violation of the Fair Labor Standards Act (FLSA). The Court evaluated six factors come from a 1985 decision Donovan v. DialAmerica Marketing: (1) The degree of the alleged employer’s right to control the manner in which the work is to be performed, (2) The alleged employee’s opportunity for profit or loss depending upon his managerial skill, (3) The alleged employee’s investment in equipment or materials required for his task, or his employment of helpers, (4) Whether the service rendered requires a special skill, (5) The degree of permanence of the working relationship and (6) Whether the service rendered is an integral part of the alleged employer’s business. The Court found that four of the six factors weighed in favour of the “independent contractor” status. Given the totality of the circumstances and the fact “that no single factor in the economic reality test is dispositive”, plaintiffs have not brought proof of showing that they are employees. Uber’s motion will be granted: UberBLACK drivers are independent contractors.
  • 08.02.2018 United States District Court for the District of California, Case No. 3:15-cv-05128-JSC (Lawson / Grubhub)
    Former Delivery driver, Raef Lawson, worked for Grubhub for four months. He complains that Grubhub improperly classified him as an independent contractor rather than an employee under California law and in doing so violated California’s minimum wage, overtime and employee expense reimbursement laws. Based on what the Court observed at trail and the facts, the Court finds that during the four months Mr. Lawson performed delivery services for Grubhub he was an independent contractor. Since he was not an employee, he cannot prevail on this individual Labor Code of PAGA claims. See also: Grubhub’s opposition to plaintiff-appellant’s motion to remand.
  • 24.01.2018 Commonwealth Court of Pennsylvania (Lowman / Unemployment Compensation Board of Review)
    Donald Lowman petitioned the Commonwealth Court for review of an adjudication of the Unemployment Compensation Board of Review (Board) that affirmed the Referee’s decision that Lowman was ineligible for benefits under Section 402(h) of the Unemployment Compensation Law. The Board concluded that Claimant’s work as an Uber driver constituted self-employment that rendered him ineligible for unemployment compensation for which he was otherwise entitled by reason of losing his job as a behavioral health specialist. Specifically, the Board found that Lowman was self-employed under his agreement with Uber in accordance with the two-part test provided by Section 4(l)(2)(B) of the Unemployment Compensation Law. Applying this test, the Board focused on Lowman’s relationship with Uber and the degree of dependence between the two to find that Lowman was not connected to Uber in a subordinate manner or dependent upon Uber’s transportation services; rather, he could refuse assignments and was permitted to provide similar services for other entities. Considering the case en banc, the Commonwealth Court disagreed with the Board’s application of Section 4(l)(2)(B). The court reasoned that because Uber was not the separating employer named in Lowman’s benefit claim, his employment relationship with Uber was “not an issue for this Court to consider.” Judge McCullough found the Board properly applied the Supreme Court’s three part test set forth in Danielle Viktor, Ltd. v. Department of Labor and Industry, Bureau of Employer Tax Operations, to decide whether Lowman was operating an “independently established” business: (1) whether the individual depended on the existence of the presumed employer for ongoing work; (2) whether the individual is able to work for more than one entity; and (3) whether the individual was hired on a job-to-job basis and could refuse any assignment. However, applying these factors, Judge McCullough would nonetheless conclude that the Board erred in determining that Lowman was conducting a business “independent” of Uber because evidence failed to establish that Lowman (1) was not dependent on Uber for the existence and operation of transportation network services, (2) could refuse assignments without consequence, and/or (3) work for more than one entity.
  • 01.02.2017 Florida District Court of Appeal, Case No. 3D15-2758 (McGillis / Department of Economic Opportunity and Uber Technologies Inc.)
    McGillis was an Uber driver until Uber revoked his access to the technology based on alleged violations of Uber’s user privacy. McGillis filed a claim for reemployment assistance against Uber. The threshold issue raised by his claim was whether he provided service to Uber as an employee entitled to reemployment assistance under sector 433.1216, Florida Statutes (2015), or whether he served Uber as an independent contractor. The court agrees with the Department’s conclusion that Uber drivers like McGillis are not employees for the purpose of reemployment assistance. In this case, the parties’ agreement unequivocally disclaims an employer-employee relationship and the parties’ actual practice reflects the written contract. Due in large part to the transformative nature of the internet and smartphones, Uber drivers like McGillis decide whether, when, where, with whom, and how to provide rides using Uber’s computer programs. This level of free agency is incompatible with the control to which a traditional employee is subject. The Court affirms the final order of the Department of Economic Opportunity concluding that Uber drivers are not entitled to reemployment assistance under section 443.1216 and denies McGillis’ claim for reemployment assistance.
  • 30.01.2017 United States District Court for the District of New Jersey, Case No. 16–3044 (Singh / Uber Technologies Inc.)
    Former Uber driver, Jaswinder Singh, brought an action in District Court against Uber, alleging Uber misclassified him as an independent contractor, did not pay him overtime compensation, and required him to pay for business expenses incurred on behalf of service. Uber asked the District Court to dismiss the action and compel arbitration. The District Court found that the parties have agreed to permit the arbitrator to decide issues of arbitrability under the Agreement's delegation clause and concluded that the parties entered into a valid and enforceable arbitration agreement and Singh must arbitrate his claims.
  • 07.09.2016 United States Court of Appeals for the Ninth Circuit, Case No. 15-16178, Case No. 15-16181, Case No. 15-16250 (Mohamed / Uber Technologies Inc.)
    Former Uber drivers, Abdul Mohamed and Ronald Gillette, filed an action in District Court alleging on behalf of themselves and a proposed class of other drivers that defendant, Uber Technologies, violated the Fair Credit Reporting Act (FCRA) and various state statutes. Gillette has also brought a representative claim against Uber under California's Private Attorneys General Act of 2004 (PAGA) alleging that he was misclassified as an independent contractor rather than an employee. The District Court concluded that the delegation clauses in both of the 2013 and the 2014 agreements were ineffective because they were not clear and unmistakable. The District Court denied Uber's motion to compel arbitration of the claims. Uber argues on appeal (1) that the district court erroneously considered whether the arbitration provisions were enforceable when that question was clearly delegated to an arbitrator, and (2) that even if the district court properly considered arbitrability, it erred in concluding that the arbitration provisions were invalid and in declining to compel arbitration. The Court of Appeals concluded that the District Court erred at first step and improperly assumed the authority to decide whether the arbitration agreements were enforceable. The question of arbitrability as to all but Gillette’s PAGA claims was delegated to the arbitrator. Under the terms of the agreement Gillette signed, the PAGA waiver should be severed from the arbitration agreement and Gillette’s PAGA claims may proceed in court on a representative basis. All of Plaintiffs’ remaining arguments, including both Mohamed’s challenge to the PAGA waiver in the agreement he signed and the challenge by both Plaintiffs to the validity of the arbitration agreement itself, are subject to resolution via arbitration. The Court of Appeals affirmed in part and reverse the District Court’s order denying Uber’s motions to compel arbitration and remand for proceedings consistent with this opinion.
  • 12.05.2016 Wisconsin Department of Workforce Development: Equal Rights Division (Taveree Y. Sly-Lundasi / Uber Technologies Inc.)
    Taveree Y. Sly-Lundasi filed a complaint alleging that Uber violated the Wisconsin Fair Employment Act, section 111.31-111.395, by discriminating against her because of her arrest record. Uber argued that the complaint should be dismissed because Taveree Y. Sly-Lundasi was an independent contractor and Uber was not an employer or “other person” under the Wisconsin Fair Employment Act. Uber also argued that the she was attempting to enter into a relationship with Uber as an independent contractor and that such action was not actionable under the Wisconsin Fair Employment Act. Because Uber did not exercise the required control of individual drivers like Sly-Lundasi, there was no employer-employee relationship between her and Uber. She was an independent contractor, and was not afforded the protection of the Wisconsin Fair Employment Act. Therefore the judge dismisses the complaint in this matter.  
  • 23.06.2016 United States District Court for the Northern District of California (Cotter / Lyft)
    The drivers in this lawsuit sued Lyft alleging that Lyft improperly classified drivers who gave rides in California as independent contractors rather than employees and that as a result of this classification, Lyft violated various laws and regulations. The Court did not decide in favor of the drivers or Lyft. Instead, both sides agreed to a settlement.
  • 04.05.2016 United States District Court for the Middle District of Florida, Case No. 8:16 CV-166-T-30MAP (Suarez / Uber Technologies Inc.)
    The drivers in this lawsuit sued Uber alleging that Uber misclassified drivers as independent contractors, rather than as employees and also claimed that Uber violated the Fair Labor Standards Act by failing to pay them minimum and overtime wages. The U.S. District Judge found that the user agreements signed by the drivers contained valid arbitration and opt-out clauses that allowed Uber to arbitrate the disputes individually. The drivers appealed this case.
  • 03.05.2016 United States District Court for the District of Maryland, Civil Action No. MJG-15-3650 (Varon / Uber Technologies Inc.)
    Former Uber driver, Elizabeth Varon, filed an action on behalf of herself and a proposed class of other drivers in District Court against Uber, alleging among other things that Uber’s treating drivers as employees but not paying them as employees. Uber moved to compel arbitration and dismiss the case. The District Court granted Uber’s motion to compel arbitration. Varon has filed a motion for reconsideration of the Court’s May 3, 2016 Order granting Uber’s motion to compel arbitration. The motion is denied on July 20, 2016.
  • 07.04.2016 United States District Court for the District of Arizona, Case No. CV-15-02418-PHX-DLR (Sena / Uber Technologies Inc.) (OnLabor)
    Former Uber driver, David Sena, filed an action in District Court against Uber, alleging Uber misclassified him as an independent contractor. Uber moved to compel arbitration and dismiss the case. Sena stated that the Court should follow the Northern District of California's decision in Mohamed v. Uber Technologies (N.D. Cal. 2015), which found Uber's arbitration provision unconscionable, and therefore unenforceable. On April 7, 2016, the Court granted Uber's motion to compel arbitration. In declining to follow Mohamed's reasoning, the Court concluded that the arbitration provision clearly and unmistakably delegates questions of arbitrability to the arbitrator because similar language had been found clear and unmistakable by the Supreme Court and the Ninth Circuit. Sena has filed a motion for reconsideration of the Court's April 7, 2016 Order granting Uber's motion to compel arbitration. The motion is denied on May 3, 2016.
  • 2013-2016 United States District Court for the Northern District of California, Case No. C13-3826 EMC (O’Connor / Uber Technologies, Inc. et al.)
    “This case will boil down to whether Uber can successfully convince a jury that its classification of drivers as independent contractors, rather than employees of Uber, is appropriate”.
  • 06.11.2015 United States District Court for the District of California, Case No. 15-cv-01285-EDL (Levin / Caviar Inc.)
    Plaintiff, Levin, was a courier for food delivery service Caviar, which does business as Try Caviar. Levin filed a suit against Try Caviar alleging it had misclassified him as an independent contractor, rather than employee, in violation of California Labor Code governing wages and expenses, and asserted a representative action, under the California Private Attorneys General Act (PAGA), on behalf of other drivers. Try Caviar moved to compel arbitration. The court grants the motion to compel arbitration of plaintiff’s individual claims and finds the PAGA waiver unenforceable. Within 14 days the parties shall each submit letter briefs on the issue of whether the arbitrability of plaintiff’s claim should be decided by the AAA arbitrator.
  • 03.11.2015 United States District Court for the District of California, Case No. 15-cv-00697-EMC (Cobarruviaz et al / Maplebear Inc.
    Personal shoppers and drivers who worked for food delivery service Maplebear, which does business as Instacart, filed a multi-state putative class action against the service alleging they had been classified as independent contractors, rather than employees, in violation of Fair Labor Standards Act (FLSA) and state law. California bases plaintiff’s also sought civil penalties under the California Private Attorneys General Act (PAGA). The food delivery service moved to compel arbitration. The court concludes that the agreement to arbitrate is enforceable, subject to severance of the fee-splitting and fee-shifting provision. The court concludes that the agreement to arbitrate is enforceable. The court grants the motion to compel arbitration on an individual basis, except for the PAGA representative claim. However the court will grant Maplebear’s request to stay this litigation including the PAGA representatives claim, pending the outcome of the arbitration.
  • 01.08.2012 California Labor Commission (Alatraqchi / Uber Technologies Inc.)
    Uber contends Alatraqchi is an independent contractor. “In determining whether an individual providing service to another is an employee of an independent contractor, there is no single determinative factor. Prior to 1970, the principle test was whether the person to whom service was rendered had the right to control the manner and means of the accomplishing the result desired. S.G. Borello & Sons, Inc. v. Dept. of Industrial Relations (1989) brought a departure from the focus on control over the work details. The court identified the following additional factors that must be considered: whether the person performing services is engaged in an occupation or business district from that of the principal, whether the work is a part of the regular business of the principal, whether the principal or the worker supplies the instrumentalities, tools, and the place for the person doing the work, the alleged employee’s investment in the equipment or materials required by the task, the skill required in the particular occupation, the kind of occupation, with reference to whether, in the locality, the work usually is done under the direction of the principal of by a specialist without supervision, the alleged employee’s opportunity for profit or loss depending on his managerial skill, the length of time for which the services are to be performed, the degree of performance of the working relationship, the method of payment, whether by time of by the job, and whether the parties believe they are creating an employer-employee relationship. California courts have established a series of definitive tests for determining whether one is an employee or an independent contractor. Even if the parties expressly agree in writing that an independent contractor relationship exists, under the tests, the one performing services may still be considered an employee. In this matter, Uber’s business was engaged in technology and not the transportation industry, The services Alatraqchi provided were not part of the business operated by Uber, and the evidence did indicate that Alatraqchi provided similar services for others during the time of his employment with Uber. The work arrangement was paid at per-job rate. Alatraqchi provided the means to complete the job. Uber did not supervise or direct his work and only paid him when  Alatraqchi invoices Uber. Based on testimonies and evidence presented, Alatraqchi performed services as an independent contractor of Uber and not as a bona fide employee. The Labor Commission lacks jurisdiction over disputes arising from bona fide independent contractor, rather than employment, relationships. Alatraqchi’s claim, therefor, is dismissed for lack of jurisdiction.”

Verenigd Koninkrijk

  • 19.12.2018 Court of Appeal (Civil Division), Case No. A2/2017/3467 (Uber B.V. and others / Aslam and others)
    The proceedings which give rise to these appeals were brought by Uber drivers in London against Uber holiday pay under the Working Time Regulations 1998 and under-payments of “wages” by reference to the National Minimum Wage Regulations 1999. In order to bring their claims it is necessary for the drivers to establish that they are “workers” within the meaning of the Regulations and the Act. The Employment Tribunal held a preliminary hearing to decide that question; and also, if the drivers were workers, the period during which they were working, which is necessary for the calculation of any holiday pay due and of the national minimum wage. It held (1) that the drivers were workers, employed by Uber London Ltd; and (2) that they were to be regarded as working during any period when they were within their territory (i.e. London), had the Uber app switched on and were ready and willing to accept trips. The Employment Appeal Tribunal upheld that decision. The Court of Appeal has upheld the decisions of the Employment Tribunal and the Employment Appeal Tribunal and has given Uber permission to appeal to the Supreme Court.
    See also the: Press summary, 10.11.2017 Employment Appeal Tribunal (Uber B.V. and others / Aslam and others) and 28.10.2016 Employment Tribunals (Aslam and others / Uber B.V. and others).
  • 05.12.2018 High Court of Justice [2018] EWHC 3342, Case No. CO/810/2018 (Independent Workers’ Union of Great Britain (IWGB) / Central Arbitration Committee & Deliveroo)
    The Independent Workers' Union of Great Britain ("the Union") submitted an application to the Central Arbitration Committee ("the CAC") that it should be recognised for collective bargaining purposes by Deliveroo under the Trade Union and Labour Relations (Consolidation) Act 1992 ("the 1992 Act") in respect of a group of delivery drivers who work in London. Deliveroo is a well-known food and drinks delivery company. By the decision dated 14 November 2017, the Central Arbitration Committee found that the Riders in the proposed bargaining unit are not workers within the meaning of s.296 of the 1992 Act and thus were not eligible to be the subject of a recognition claim. The Union challenged that decision on five grounds. Simler, J concluded that grounds 1-3 and 5 failed to raise arguable errors of law as grounds for judicial review and that permission should be granted in relation to ground 4: the CAC erred in failing to address the Union's arguments in respect of Article 11. The High Court did not consider that, on the findings made by the CAC, the Riders have the right for which the Union contends under Article 11(1) and concluded that neither domestic nor Strasbourg case law supports this contention and Article 11(1) is not engaged in this case. The High Court held that the sole ground of challenge in respect of which permission has been granted, is not made out and dismissed this claim for judicial review.
    See also: 14.11.2017 Central Arbitration Committee Trade Union and Labour Relations (Independent Workers’ Union of Great Britain (IWGB) / Deliveroo)
  • 14.11.2018 Employment Appeal Tribunal, Appeal No. UKEAT/0037/18/BA (Addison Lee Ltd / Lange)
    Mr Lange and other claimants were drivers within the private hire business. They brought claims against Addison Lee asserting an entitlement to holiday pay and to the national minimum wage. Such an entitlement will exist only if they were workers for the purposes of the Working Time Regulations 1998 and the National Minimum Wage Act 1998. In July 2017 these claims came before the Employment Tribunal sitting in London Central. By its Judgment dated 25 September 2017 the Employment Tribunal accepted their case that they were “limb (b) workers” for the purposes of these definitions. Addison Lee appeals against that conclusion. The Employment Appeal Tribunal dismissed the appeal. It found that this was the type of case referred to by the Supreme Court in Autoclenz Limited v. Belcher, where a tribunal has to investigate whether the written contract reflects the actual terms agreed. The Supreme Court commented that the tribunal must be “realistic and worldly-wise” when it does so. As a result, the Employment Appeal Tribunal found the tribunal was entitled to reach the conclusions it did.
  • 22.06.2018 Leeds Employment Tribunal (Leyland and others v Hermes Parcelnet Ltd)
    A number of Hermes Parcelnet couriers brought claims against Hermes Parcelnet (a parcel delivery business) for the National Minimum Wage, paid annual leave and unauthorised deduction from wages. The Employment Tribunal must determine whether an individual is a limb (b) worker as so defined is to identify the terms of the contract and what they mean. A worker is defined as an individual who has entered into or works under (a) a contract of employment; or (b) any other contract, whether express or implied and (if it is express) whether oral or in writing, whereby the individual undertakes to do or perform personally any work or services for another party to the contract whose status is not by virtue of the contract that of a client or customer of any profession or business undertaking carried on by the individual. The key question was whether there was an obligation on the couriers to “personally” perform work. The written contract says that couriers are not obliged to provide the service personally and have the “unconditional” right to nominate a substitute to provide the service on their behalf, at any time and for any reason. There are two ways in which couriers may arrange for their deliveries to be undertaken if they are unable or unwilling to do so themselves: (1) to provide a cover (a person who is already a Hermes courier) or (2) to provide a substitute (a person who is not already a Hermes courier). Hermes argued that the couriers had an unfettered right to use a substitute or cover. The Employment Tribunal considered that there was an obligation on Hermes to provide work and an obligation on the couriers to deliver services personally and found that the written contract was not a true or full reflection of the contractual agreement between Hermes and the couriers. The written terms does not reflect the actual legal obligations of the parties. The Employment Tribunal concluded that the terms of the contract and the way in which the parties operate in practice point overwhelmingly to the fact that these are contracts that fall within the field of dependent work relationships. The Hermes couriers undertake personally to perform work and Hermes is not a client of a business undertaking of theirs. The Employment Tribunal concluded that the couriers are properly regarded as limb (b) workers.
  • 13.06.2018 United Kingdom Supreme Court, [2018] UKSC 29 (Pimlico Plumbers Ltd / Smith)
    Gary Smith, worked for Pimlico Plumbers as a plumbing and heating engineer. In August 2011 Mr Smith issued proceedings against Pimlico Plumbers before the employment tribunal alleging that he had been unfairly dismissed, that an unlawful deduction had been made from his wages, that he had not been paid for a period of statutory annual leave and that he had been discriminated against by virtue of his disability. The employment tribunal decided that Mr Smith had not been an employee under a contract of employment, and therefore that he was not entitled to complain of unfair dismissal (a finding that Mr Smith does not now challenge), but that Mr Smith (i) was a ‘worker’ within the meaning of s.230(3) of the Employment Rights Act 1996, (ii) was a ‘worker’ within the meaning of regulation 2(1) of the Working Time Regulations 1998, and (iii) had been in ‘employment’ for the purposes of s.83(2) of the Equality Act 2010. These findings meant that Mr Smith could legitimately proceed with his latter three complaints and directions were made for their substantive consideration at a later date. Pimlico Plumbers appealed this decision to an appeal tribunal and then to the Court of Appeal, but were unsuccessful. They consequently appealed to the Supreme Court. The Supreme Court unanimously dismisses the appeal. The tribunal was entitled to conclude that Mr Smith qualified as a ‘worker’ under s.230(3)(b) of the Employment Rights Act 1996 (and by analogy the relevant provisions of the Working Time Regulations 1998 and the Equality Act 2010), and his substantive claims can proceed to be heard. See also: the case details.  
  • 11.05.2018 Employment Appeal Tribunal, Appeal No. UKEAT/0289/17/LA (Addison Lee Ltd / Gascoigne)
    In August 2017 the Employment Tribunal (ET) held that a former courier, Chris Gascoigne, was a worker for Addison Lee and not a self-employed independent contractor. As a result of the decision of the ET, he was entitled to claim employment right such as holiday pay. Addison Lee appealed this decision. Addison Lee’s main point on appeal was the argument that its couriers were under no legal obligation to work. They could log on or off at will, and decide whether or not to accept jobs when logged on. At most there was “gentle pressure” from a controller to accept jobs, but no adverse consequences if they did not. The Employment Appeal Tribunal (EAT) concluded that when an individual was logged on there was “mutuality of obligation” – meaning a contractual obligation for Addison Lee to offer work and for the individual to accept it, subject to the individual’s occasional entitlement to decline if a parcel was too heavy. The EAT said: “…we do not accept that [the claimant’s] entitlement to log off at any time is at odds with the obligation to accept work offered when he was logged on”. The Employment Appeal Tribunal rejected the appeal, upholding the decision of the Employment Tribunal.
  • 14.11.2017 Central Arbitration Committee Trade Union and Labour Relations (Independent Workers’ Union of Great Britain (IWGB) / Deliveroo)
    The IWGB (the Union) submitted an application to the CAC (a body that resolves worker disputes) that it should be recognised for collective bargaining by Deliveroo. The CAC ruled that the food delivery firm’s riders were self-employed contractors as they had the right to allocate a substitute to do the work for them. The CAC ruling said: “The central and insuperable difficulty for the union is that we find that the substitution right to be genuine, in the sense that Deliveroo have decided in the new contract that riders have a right to substitute themselves both before and after they have accepted a particular job; and we have also heard evidence, that we accepted, of it being operated in practice.” It said that its finding on this particular aspect of the relationship between Deliveroo and its riders was “fatal to the union’s claim.” Accordingly, the decision is that the Union’s application is not accepted since the riders are not workers within the meaning of s.296 TULR(C)A, but in all other respects the acceptance tests have been met by the Union.
  • 10.11.2017 Employment Appeal Tribunal (Uber B.V. and others / Aslam and others)
    The Employment Appeal Tribunal (EAT) has upheld the ruling against taxi organisation Uber, stating that its drivers are employed as workers and are entitled to employment rights such as the national minimum wage and holiday pay. As part of the ruling, the EAT also confirmed that the period from when drivers are logged on and are ready and willing to accept rides counts as working time, meaning that drivers should be paid at least the minimum wage for that whole period.
  • 23.03.2017 Central London Employment Tribunal (Boxer / Excel Group Services Ltd.)
    The claimant (Mr Boxer) was a bicycle courier and argued that when he worked for Excel Group Services, he was a worker within the meaning of the Employments Rights Acts. The Employment Tribunal of London has ruled that he was a worker for the purposes of the Working Time Regulations, entitling him to holiday pay. In finding that Mr Boxer was a worker entitled to holiday pay, the tribunal was influenced by: the inequality of bargaining power when he signed the contract, his five-day working week under the supervision of a controller; the notice he had to give if he was not working; the fact that he did not pay insurance; the absence of negotiating room in what he was paid; and the expectation that he wait between jobs in a particular location. The tribunal also made clear that a theoretical right to send a suitably qualified substitute did not defeat Mr Boxer’s claim. The reality of the arrangement was that sending a substitute was not a practical option.
  • 05.01.2017 Central London Employment Tribunal (Dewhurst / Citysprint UK Ltd.)
    The claimant (Ms Dewhurst) works as a cycle courier for City Sprint and typically works four days a week form 9.30 am to 6.30 pm. She argues she is a worker within the meaning of section 230(3)(b) of the Employment Rights Act (“the limb (b) worker”). Her claim is for two days’ holiday pay in respect of holiday which she took but has not been paid for. The Employment Tribunal of Londen looked at the contractual documentation but also examined the reality of the situation in detail. The reality of Ms Dewhursts working conditions made it clear she was integrated into CitySprint's business. In particular it noted as significant: the couriers do not have discretion to determine the manner in which the services are performed, the substitution clause was so prescriptive that in effect it allowed no more than that the couriers could swap jobs with a colleague, although the document referred to couriers self-billing and using invoices, in practice couriers do not submit invoices for individual jobs, instead the company automatically calculates payments due and pays them weekly in arrears, and the tick box exercise on recruitment illustrated the clear inequality of bargaining power. The tribunal concludes that the claimant was a worker during the time she was on circuit. City Sprint unlawfully failed to pay her for two days’ of holiday.
  • 28.10.2016 Employment Tribunals (Aslam and others / Uber B.V. and others)
    In deze uitspraak oordeelt het Employment Tribunal dat twee chauffeurs die voor Uber rijden, niet 'self-employed' zijn, maar kwalificeren als 'worker'. Dit heeft tot gevolg dat deze chauffeurs aanspraak kunnen maken op bijvoorbeeld het wettelijk minimumloon en doorbetaalde vakantie.

LiteratuurLiteratuur

Nederland

Boeken

  • E.M. Bevers, ‘J.5.6. Platformarbeid’, in: E. Cremers-Hartman & P. de Casparis (red.), Flexibele arbeidsrelaties, Deventer: Wolters Kluwer 2019
    In par. J.5.6.2 wordt eerst nader toegelicht welke verschijningsvormen platformen zoal hebben. De maatschappelijke context van platformarbeid is beschreven in par. J.5.6.3. Op de juridische verhouding tussen de bij platformarbeid betrokken partijen wordt ingezoomd in par. J.5.6.4. In par. J.5.6. wordt vervolgens uitvoerig ingegaan op de verhouding tussen het platform en de arbeidskracht, die in dit onderdeel zal worden aangeduid als de ‘platformwerker’. Andere verhoudingen die bij platformarbeid aan de orde zijn, te weten tussen het platform en de gebruiker (klant), alsmede tussen de gebruiker (klant) en de platformwerker, komen in onderdeel J.5.6.6 aan bod. In dit onderdeel wordt ook stilgestaan bij de positie van de eventuele leverancier (ten opzichte van het platform, de gebruiker en de platformwerker).
  • J. van Bergeijk, Uber leven, Undercover als Uberchauffeur, Ambo/Anthos 2018
  • R. Lieman, Uber voor alles, Amsterdam: Uitgeverij Business Contact 2018
  • J. van Dijck, T. Poell & M. de Waal, De platformsamenleving – Strijd om publieke waarden in een online wereld, KNAW, Amsterdam University Press
  • M. Kreijveld m.m.v. J. Deuten & R. van Est, De kracht van platformen. Nieuwe strategieën voor innoveren in een digitaliserende wereld, Den Haag: Rathenau Instituut 2014

Tijdschriften

  • V. Heidsma & I. Zaal, ‘Platformarbeid en medezeggenschap: is de WOR digiproof?’, ArbeidsRecht 2019/27
    Medezeggenschap is in beginsel een grondrecht voor alle werkenden, maar desalniettemin is het niet altijd duidelijk of platformwerkers hier een beroep op kunnen doen. Zo vallen platformwerkers (meestal) niet onder de reikwijdte van de WOR, en zelfs wanneer dit wel zo is, rijzen er medezeggenschapsrechtelijke kwesties. Is er bijvoorbeeld medezeggenschap wanneer de arbeidstijden wijzigen door een zelflerend algoritme? En kan een overlegvergadering online plaatsvinden? In dit artikel wordt de medezeggenschapsrechtelijke problematiek rondom platformwerkers besproken en worden alternatieve vormen van medezeggenschap bij platforms onderzocht.
  • S. Said, ‘Holistisch wegen van feiten en omstandigheden: legt de maatschappelijke positie van partijen nog voldoende gewicht in de schaal?’, TAP 2019/152
  • M. Arets & K. Frenken, ‘Zijn platformcoöperaties levensvatbaar?’, TPEdigitaal 2019, jaargang 13(2) 1-14 (bron: TPEdigitaal)
  • S.J. Kremer, ‘Actualiteit - Weg met het gezagscriterium, een pleidooi voor (on)afhankelijkheid’, TAO 2019/1, p. 46-52
    In dit artikel wordt eerst kort de context en de huidige situatie op de arbeidsmarkt besproken worden. Vervolgens wordt uiteengezet wat verstaan wordt onder een gezagsverhouding. Daarna wordt aan de hand van recente jurisprudentie waaronder de Deliveroo-uitspraken aangetoond dat het gezagscriterium niet (meer) werkt en wordt een voorstel gedaan voor een alternatief: afhankelijkheid als criterium voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Tot slot volgt een conclusie.
  • B. Kemp & A.S. Renshof, ‘De platformeconomie en het ondernemingsrecht: time for change?’, MvO 2019, nr. 1/2, p. 36-39
    In tegenstelling tot traditionele ondernemingen hebben platformondernemingen doorgaans minder werknemers en activa. Dit kan leiden tot een zekere schreefgroei bij het gebruik van ondernemingsrechtelijke ‘drempels’, zoals bij het structuurregime, artikel 2:107a BW en de vrijstellingen voor de jaarrekening. In deze column wordt ingegaan op de consequenties en houdbaarheid van deze drempels.
  • I. Zaal, ‘Maaltijdbezorging valt onder beroepsgoederenvervoer over de weg (Rb. Amsterdam 15 januari 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:210)’, TAO 2019/1, p. 16-19
  • P.R. Bartens, ‘'Vrije vervanging' en de kwalificatievraag: duiding, positie en bruikbaarheid (Rb. Amsterdam 15 januari 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:198, Deliveroo-II)’, TAO 2019/1, p. 7-15
  • P.T. Sick, ‘Deliveroo: terecht bezorgd’, TRA 2019/24
  • L. van den Berg, ‘Platformarbeid: biedt het Rariteitenbesluit soelaas?’, TRA 2019/15
    Platformarbeid staat volop in de schijnwerpers. De vraag in hoeverre platformwerkers bescherming kunnen ontlenen aan de regeling van de fictieve dienstbetrekkingen in de werknemersverzekeringen, is nog onderbelicht. In deze bijdrage komt naar voren, dat een grote groep ‘work on demand’ platformwerkers kan vallen onder de in artikel 3 Rariteitenbesluit opgenomen tussenkomstbepaling.
  • M. Kullmann, ‘Discriminating job applicants through algorithmic decision-making’, ArsAequi 2019, 1, p. 46-53
    As an increasing number of hiring(-related) decisions have been delegated to algorithms, the author explores the question to what extent EU non-discrimination laws, in combination with the General Data Protection Regulation (EU) 2016/679, provide (unsuccessful) job applicants with sufficient legal means to address any discriminatory or biased automated decision taken by an employer.
  • M. Kullmann, ‘Platformwerk, besluitvorming door algoritmen en bewijs van algoritmische discriminatie’, Ondernemingsrecht 2019/8
    In deze bijdrage wordt stilgestaan bij de vraag in hoeverre het huidige EU non-discriminatierecht nog wel geschikt is in tijden van algoritmische besluitvorming. Deze bijdrage begint met een korte analyse van werken in de platformeconomie en de uitdagingen die het meebrengt, om daarna de rol van algoritmen en hun vermogen om discriminerende beslissingen te nemen te analyseren. Vervolgens wordt gekeken naar het EU non-discriminatierecht en, om de mogelijke knelpunten rondom algoritmische discriminatie te kunnen concretiseren, in het bijzonder naar het beginsel van gelijke beloning voor mannen en vrouwen (art. 157 VWEU). Met name wordt gekeken wat het betekent indien bedrijven hun algoritmen als bedrijfsgeheim kwalificeren en dus toegang tot het beslissingsmodel en de gegevensbronnen (willen) weigeren alsmede de rol van de Algemene Verordening Gegevensbescherming.
  • F.G. Laagland & J. Kloostra, ‘De Engelse tussencategorie als oplossing voor platformwerk: mythe of werkelijkheid?’, Ondernemingsrecht 2019/7
    In Nederland is afgelopen zomer de eerste en tot nu toe enige uitspraak gewezen: de Kantonrechter Amsterdam kwalificeerde de rechtsverhouding als een opdrachtovereenkomst en de platformwerker viel aldus buiten de bescherming van het arbeidsrecht. Een idee dat geregeld wordt aangedragen, is het creëren van een tussencategorie zoals die in verschillende landen bestaat. In dit artikel wordt gekeken naar het Verenigd Koninkrijk. Hoewel de Engelse tussencategorie niet speciaal in het leven is geroepen voor platformarbeid, hebben rechters aldaar zich inmiddels meerdere keren uitgelaten over een beroep van platformwerkers op deze status. De auteurs gaan aan de hand van een rechtsvergelijking na of een dergelijke tussencategorie voor de Nederlandse platformwerker uitkomst biedt en betrekken in hun analyse tevens het Europese recht.
  • J.M. van Slooten & J. Holscher, ‘De werkerscoöperatie’, Ondernemingsrecht 2019/6
    In deze bijdrage onderzoeken Van Slooten en Holscher tegen welke problemen de economisch afhankelijke zelfstandige platformwerker en de platforms aanlopen in Nederland en in hoeverre een model met een zogenoemde “werkerscoöperatie” hiervoor een oplossing kan bieden. Daartoe wordt eerst bezien wat platformisering nu precies inhoudt en waarom het vermoedelijk tot een blijvende nieuwe categorie werkers zal leiden. Vervolgens worden de drie kernproblemen in de relatie tussen platforms en werkers beschreven: het kwalificatieprobleem, het medezeggenschapsprobleem en het cao-probleem (paragraaf 3). In paragraaf 4 wordt het (juridische) model van een werkerscoöperatie beschreven en in paragraaf 5 analyseren wij in welke mate deze problemen kunnen worden verholpen en welke randvoorwaarden daarbij gelden. De conclusie is dat de coöperatie kan uitgroeien tot een organisatie waarmee rechtsgeldige prijsafspraken kunnen worden gemaakt, medezeggenschap kan worden uitgeoefend en opleidingen, verzekeringen en bedrijfsmiddelen gezamenlijk kunnen worden ingekocht.
  • M. Jovović, 'Ter Visie – Algoritmische discriminatie', TAO 2018, nr. 4, p. 141-145
    'Slimme algoritmes' nemen steeds meer arbeidsrechtelijk relevante beslissingen. Zo kunnen zelflerende systemen onder meer worden ingezet om te bepalen wie promotie krijgt of welk cv wordt geselecteerd in een sollicitatieprocedure. Ook in de opkomende platformeconomie worden veel arbeidsrechtelijk relevante beslissingen genomen door geautomatiseerde systemen: wie doet welke klus en tegen welke beloning? Het is de vraag of dit soort beslissingen ook eerlijk(er) zijn wanneer zij geautomatiseerd zijn. Zelflerende algoritmes kunnen namelijk tot niet objectief te rechtvaardigen resultaten komen, zowel doordat het algoritme de vooroordelen van de programmeurs of hun opdrachtgevers weerspiegelt, als doordat het is getraind met historische oefendata die is voortgekomen uit een ongelijke historische situatie. In deze 'Ter Visie' verkent Marko Jovović twee arbeidsrechtelijk relevante, hiermee samenhangende, eigenaardigheden van zelflerende systemen.
  • M. Arets, ‘Platformcoöperaties : een kans voor een coöperatie 2.0?’, Coöperatie 2018, nr. 635, p. 12-14
  • J. Seghrouchni, ‘Het arbeidsrechtelijk lot van de platformwerker van Deliveroo: een terechte uitkomst?’, Bb 2018/75
    Op 23 juli 2018 heeft de kantonrechter zich voor het eerst uitgelaten over de vraag of de met een platformwerker gesloten overeenkomst van opdracht gelet op de wijze waarop het platformwerk in de praktijk wordt ingevuld niet toch moet worden gekwalificeerd als arbeidsovereenkomst. Op basis van de in de rechtspraak ontwikkelde holistische benadering concludeert de kantonrechter dat de wijze waarop feitelijk uitvoering werd gegeven aan de opdrachtovereenkomst onvoldoende aanleiding vormt om de relatie als arbeidsrelatie te kwalificeren. Dit oordeel brengt mee dat de platformwerker geen aanspraak kan maken op de bescherming die het arbeidsrecht aan werknemers biedt, maar volledig valt onder het regime dat geldt voor zelfstandigen.
  • T.F.E. Tjong Tjin Tai, ‘Platformen als uitdaging voor het privaatrecht’, WPNR 7214, p. 835-841
    In dit artikel behandelt de auteur de kwalificatie van platformen door deze te toetsen aan verschillende bekende rechtsfiguren. Een bijkomend resultaat van deze exercitie is dat zij inzichtelijk maakt wat er bijzonder is aan platformen, en waarom regulering tot nog toe moeilijk is. De auteur concentreert zich vooral op de aard van de interne verhouding tussen deelnemers en platform, en eventuele externe aansprakelijkheid.
  • S.D. Burri & S. Heeger-Hertter, ‘Discriminatie in de platformeconomie juridisch bestrijden: geen eenvoudige zaak’, AA 2018/12, p. 1000-1008
    Onderzoek wijst uit dat ook in de platformeconomie discriminatie voorkomt. Dit artikel biedt een verkenning van de juridische (on)mogelijkheden om discriminatie in de relaties tussen platform, platformwerkers en klanten te bestrijden. De Nederlandse gelijkebehandelingswetgeving biedt daartoe beslist mogelijkheden, maar deze zijn niet onbeperkt. 
  • S.S.M. Peters, ‘VOF-arbeid’, TRA 2018/94
    In dit artikel wordt ingegaan op de vraag hoe ‘VOF-arbeid’ is vormgegeven in een uitspraak van het Hof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2018:752) waarin chauffeurs die koeriersdiensten verrichten gepresenteerd worden als vennoten in een VOF. Het hof oordeelde dat er geen sprake is van ondernemerschap, noch in VOF-verband, noch in de vorm van een eenmanszaak. Het hof concludeert dat sprake is van een schijnconstructie. Deze driehoeksrelatie kwalificeert volgens het hof niet als uitzendovereenkomst omdat vervoerswerkzaamheden uitgesloten zijn van de overeenkomst van opdracht. Over deze platformarbeid lopen in Nederland verschillende juridische procedures. De FNV spande al eerder een zaak aan tegen Deliveroo (ECLI:NL:RBAMS:2018:5183) en heeft recentelijk Helpling voor de rechter gedaagd.
  • D. van Kesteren, SEO-directeur Bas ter Weel over de platformeconomie, SERmagazine nr. 10 - oktober 2018
    De kluseconomie, met platformen als Uber, Helpling en Deliveroo, groeit. Dat biedt kansen, maar leidt ook tot arbeidsvraagstukken en maatschappelijke discussie. Onderzoeksbureau SEO bracht de opkomst en omvang van deze economie in Nederland in beeld. Directeur Bas ter Weel licht toe. Platformwerk verlaagt de drempel tot de arbeidsmarkt, aldus Ter Weel. ‘Maar er is ook een keerzijde. Want hoe zit het met de juridische status van de werkers, de verhouding tot wet- en regelgeving en de sociale bescherming?’
  • F. Koster, ‘Personeelsbeleid in de platformeconomie’, Mens en maatschappij, Vol. 93, nr. 3, augustus 2018, p. 283-305 [zichtbaar na inlog / registratie]
    Digitalisering is een van de meest in het oog springende ontwikkelingen waar organisaties mee te maken hebben. De afgelopen jaren heeft een groot deel van de organisaties papieren documenten gedigitaliseerd en emailverkeer is in geen enkele organisatie meer weg te denken. Een onderdeel van de digitaliseringstrend is dat organisaties meer en meer gebruik zijn gaan maken van online platforms. Het toepassen van die vorm van digitalisering kan gevolgen hebben voor de interne structuur van organisaties, bijvoorbeeld omdat collega’s op die manier met elkaar kunnen samenwerken of omdat het flexibeler werken mogelijk maakt. Daarnaast brengen online platforms met zich mee dat organisaties een deel van hun werkzaamheden buiten de grenzen van de eigen organisatie leggen. Te denken valt daarbij aan platforms voor het aanbieden van producten en diensten, online adverteren, digitaal betaalverkeer en het communiceren en samenwerken met andere organisaties via digitale kanalen. Voor organisaties leveren dergelijke platforms voordelen op omdat zij in principe altijd bereikbaar zijn en er daarom ook altijd gebruik van kan worden gemaakt. Vervolgens leidt dit er mogelijk toe organisatiegrenzen vervagen en organisaties meer en meer in elkaar overlopen, enerzijds omdat organisaties meer gebruikmaken van diensten buiten hun eigen organisaties en anderzijds omdat online platforms de samenwerking tussen organisaties kan stimuleren. Omdat het hier om een relatief nieuw fenomeen, is nog niet duidelijk is welke invloed het heeft op de inrichting en het functioneren van organisaties.
  • K. Frenken, A. van Waes, M. Smink & R. van Est, ‘Publieke belangen in de deel- en kluseconomie’, Mens en Maatschappij, Volume 93, nummer 3, p. 211-230 [zichtbaar na inlog / registratie]
    Het succes van Airbnb en Uber heeft geleid tot een publiek debat over de voor- en nadelen van de deeleconomie en platformwerk. Dit artikel beschrijft vijf casestudy's van platformen die momenteel actief zijn: auto delen (SnappCar), woning delen (Airbnb), thuisrestaurants (Airdnd), taxidiensten (UberPop) en schoonmaak (Helpling). Het artikel plaatst vervolgens de deeleconomie en platformwerk in een historisch perspectief, om te benadrukken dat de platformen voortbouwen op reeds bestaande sociale praktijken. Ook presenteren de auteurs een beleidskader op basis van vier elementaire beleidsopties: actief handhaven van bestaande regelgeving, het vaststellen van nieuwe regelgeving, deregulering of gedogen.
  • F. Dekker, ‘Werken in de klusseneconomie: een literatuurstudie’, Beleid en Maatschappij 2018, nr. 2, p. 189-198 [zichtbaar na inlog / registratie]
    In verschillende landen wordt gediscussieerd over de opkomst en gevolgen van de klusseneconomie. Ook in Nederland. Dit artikel over de klusseneconomie geeft op basis van de literatuur een overzicht van de gevolgen van online platforms voor de arbeidsmarkt, arbeidsorganisatie en arbeidsverhoudingen. Uitkomsten suggereren onder andere dat de klusseneconomie als verschijnsel past in een breder transformatieproces naar een meer flexibele arbeidsmarkt, waarbij zich vergelijkbare beleidsuitdagingen voordoen zoals bij de opkomst van zzp’ers.
  • M. Smink, J. Gerritsen, A. Van Waes, M. Peters & R. Van Est, ‘Een eerlijke klusseneconomie’, Beleid en Maatschappij 2018, nr. 2, p. 199-207 [zichtbaar na inlog / registratie]
    Dit artikel over de klusseneconomie introduceert het begrip ‘klusseneconomie’ en beschrijft de opkomst van klusplatforms in Nederland. Vervolgens komt aan de hand van twee voorbeelden het functioneren van klusplatforms aan bod. Daarna verkennen de auteurs enkele belangrijke vragen over juridische onduidelijkheden, maatschappelijke effecten en de autonomie van online dienstverleners. Het slot van de bijdrage vat de belangrijkste effecten van de klusseneconomie samen en stelt dat deze effecten beleidsmakers en politici nopen tot het bepalen van eerlijke voorwaarden in een klusseneconomie.
  • F. Koster, ‘Organisatiekenmerken en het gebruik van digitale platforms’, Beleid en Maatschappij 2018, nr. 2, p. 217-231 [zichtbaar na inlog / registratie]
    Dit artikel richt zich op de vraag welke organisatiekenmerken kunnen verklaren waarom organisaties gebruikmaken van digitale platforms. Waar bestaand onderzoek verklaringen vooral zoekt in kenmerken van de technologie zelf, gaat in dit onderzoek de aandacht uit naar drie meer algemene organisatiekenmerken, te weten (1) ervaringen met technologie; (2) opvattingen over technologie; en (3) aandacht binnen arbeidsorganisaties voor menselijk kapitaal. Er wordt onderscheid gemaakt tussen twee typen online platforms, namelijk: platforms voor het aanbieden van producten en diensten, en platforms voor het samenwerken met andere organisaties. Aan de hand van data over 678 organisaties in Nederland analyseren de auteurs of de drie organisatiekenmerken bijdragen aan het gebruik van digitale platforms. Terwijl ervaringen en opvattingen een verklaring bieden voor beide typen platforms, draagt aandacht voor menselijk kapitaal alleen bij aan het gebruik van platforms voor het samenwerken met andere organisaties.
  • M. Houwerzijl, ‘Juridische vraagstukken rond arbeid in de klusseneconomie’, Beleid en Maatschappij 2018, nr. 2, p. 208-216 [zichtbaar na inlog / registratie]
    In dit artikel worden de juridische consequenties van het werken in een klusseneconomie besproken. De auteurs belichten een aantal juridische aspecten die kleven aan de sociaal-politieke vraag naar het maatschappelijk gewenste minimumniveau aan bescherming voor platformwerkers. Daarbij gaat de meeste aandacht uit naar de kwalificatievraag: zijn werkenden in de klusseneconomie werknemers of zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers)? Voor de rechtsonzekerheid die hiermee gepaard gaat, is een aantal oplossingen in de maak of soms al voorhanden in het geldende recht. Deze oplossingen worden kort verkend.
  • P. Kruit & M. Ouwehand, ‘Platformarbeid: de ene platformwerk(nem)er is de andere niet’, TRA 2018/58
    In deze bijdrage geven de auteurs een nadere duiding aan platformarbeid door, na een korte introductie op het fenomeen platformarbeid in paragraaf 2 – in aanvulling op eerdere literatuur – in paragraaf 3 een categorisering aan te brengen in verschillende vormen van platformarbeid. Deze categorieën toetsen zij daarna in paragraaf 4 op basis van hun kenmerken aan het juridisch kader van artikel 7:610 BW om zodoende te analyseren welke vorm van platformarbeid wellicht als arbeidsrelatie in de zin van artikel 7:610 BW kan worden aangemerkt. De auteurs beogen hiermee de discussie over de inpassing van de figuur platformarbeid in haar verschillende facetten in het bestaande juridisch kader (verder) te voeden.
  • J.H. Bennaars, ‘Is platformwerk een bedreiging of een kans voor het arbeidsrecht? Het antwoord is ja’, ArbeidsRecht 2018/28
  • J.M. van Slooten, ‘Het arbeidsrecht moet op de schop’, Ondernemingsrecht 2018/43
  • H.J.W. Alt, ‘De gedwongen vrijheid van de maaltijdbezorger en de plannen van het kabinet Rutte III’, TRA 2018/36
  • M.R. Botman, ‘Uber: online dienst of vervoersbedrijf? Europese grenzen aan regulering van online platforms’, NtEr 2018, nr. 1-2
    In het arrest Asociación Professional Elite Taxi/Uber Systems Spain geeft het Hof van Justitie antwoord op de vraag of Uber moet worden gekwalificeerd als online dienst of vervoersbedrijf. Hiermee is ook duidelijk aan welke Europese regels nationale regulering van het online Uberplatform is onderworpen. In deze bijdrage wordt het arrest geanalyseerd en wordt bezien welke gevolgen het arrest heeft voor Nederland. Welke betekenis heeft het arrest voor de regulering van andere online platforms?
  • E. Verhulp, ‘Platformwerkers verdienen meer!’, ArbeidsRecht 2018/1
    De vraag die Verhulp in deze bijdrage onderzoekt is of op de rechtsrelatie tussen een werker en een platform dat zijn arbeid bemiddelt de uitzendrichtlijn (Richtlijn 2008/104/EG) en de deels daarop gebaseerde Waadi van toepassing zijn, ook als de rechtsrelatie van de werker en het platform geen arbeidsovereenkomst in de zin van art. 7:610 BW is.
  • F. de Fijter, ‘Platformeconomie krijgt vastere vorm. Nieuwe economie heeft regels en vangnet nodig’, SERmagazine nr. 10 - oktober 2017, nr. 10, p. 14-16 (bron: SER)
    Dit artikel is de weergave van een gesprek met Koen Frenken en Mies Westerveld over de kansen en risico’s van de platformeconomie.
  • M.M. van den Berg, ‘The (possible) impact and consequences of Aslam and others v Uber B.V. and others for the industry in the UK and the Netherlands’, TAO 2017, nr. 3, p. 144-152
  • R. van Neck & R.G. Waterman, ‘Uber - dienst van de informatiemaatschappij of vervoersdienst? De online platformeconomie onder de loep’, JutD 2017-0104 (www.birdbuzz.nl)
  • J.G.L. van der Wees, ‘Conclusie A-G HvJ EU: Uber moet zich aan nationale vervoerswetten houden’, Computerrecht 2017/196
  • A. de Vries-Stotijn, ‘Ontwikkelingen in het EU-recht: Uber een vervoersaanbieder?’, TvC 2017/4
  • J.M. van Slooten, ‘Ter Visie – Platformarbeid: nog een reden tot rethinking van het arbeidsrecht’, TAO 2017, nr. 2, p. 51-52
    In dit artikel wordt ingegaan op werkplatforms en het door de auteur gesignaleerde probleem dat het huidige arbeidsrecht niet meer bij machte lijkt om vast te stellen wat de rechtsrelatie van werkplatforms met hun werkers is.
  • M.S. Houwerzijl, ‘Arbeid en arbeidsrecht in de digitale platformsamenleving: transnationale dimensies en dilemma’s’, TRA 2017/59
    In dit artikel staan de grensoverschrijdende vormen van digitaal werk binnen de EU centraal. Verkend wordt de impact van transnationaal werken op het vrij verkeer van werknemers en het bepalen van het toepasselijke arbeids- en socialezekerheidsrecht. In aansluiting op het eerste deel komt online arbeid via externe platforms aan de orde. De nadruk ligt echter op digitalisering van werk(onderdelen) via interne digitale platforms van werkgevers.
  • M.S. Houwerzijl, ‘Arbeid en arbeidsrecht in de digitale platformsamenleving: een verkenning’, TRA 2017/14
    In dit artikel wordt ingegaan op het soort werk, hoe bepaalde platformmechanismen de organisatie van arbeid (of de allocatie) sturen, welke sociaalrechtelijke vragen dit oproept en waarom het belangrijk is dat de overheid en andere 'stakeholders' zich hier nu al mee bezig houden.
  • M. Westelveld, ‘Het CBb en ‘Der digitale Taxi-Krieg’, NJB 2015/595

Buitenland

Boeken

Tijdschriften

Publicaties overheden4

Nederland

  • 29.08.2019 Kamervragen zonder antwoorden over de rechterlijke uitspraak dat Deliveroo zijn medewerkers pensioen moet betalen (Aanhangsel Handelingen II 2018/19, 16126) (bron: www.overheid.nl)
    Tweede Kamerlid Gijs van Dijk (PvdA) vraagt de minister van SZW: (1) of hij bekend is met de rechterlijke uitspraak dat Deliveroo zijn medewerkers pensioen moet betalen, (2) wat zijn oordeel is over deze uitspraak, (3) of deze uitspraak ook positieve gevolgen heeft voor andere platformwerkers, (4) welke maatregelen de minister kan nemen om ervoor te zorgen dat alle Deliveroo en Uber Eats medewerkers hun rechtmatige opgebouwde pensioen krijgen, (5) of hij (ook) van mening is dat het niet wenselijk is dat deze onrechtvaardigheid voor platformwerkers via de rechter wordt uitgevochten, en (6) wat hij ervan vindt dat Deliveroo eenzijdig de vergoeding heeft verlaagd voor haar bezorgers.
  • 28.08.2019 Kamervragen zonder antwoorden over de onrust onder bezorgers van Deliveroo na een tariefwijziging (Aanhangsel Handelingen II 2018/19, 16090) (bron: www.overheid.nl)
    Tweede Kamerlid Palland (CDA) vraagt de minister van SZW: (1) of hij bekend is met het bericht: ‘FNV: grote onrust onder bezorgers Deliveroo om tariefwijziging’, (2) wat hij van het besluit van Deliveroo vindt om per direct te tarieven te wijzigen, (3) of hij de onrust begrijpt die onder maaltijdbezorgers is ontstaan, (4) hoe hij aankijkt tegen het nieuwe rit- en beloningssysteem dat aan de tariefwijziging te grondslag ligt, (5) wat hij vindt van de uitspraak van Deliveroo dat het zijn maattijdbezorgers een tarief van gemiddeld tussen de 11 en 13 euro per uur wil bieden, terwijl hij zelf een minimumtarief van 16 euro per uur als norm wilt stellen, (6) hoe groot hij de kans acht dat andere bedrijven het voorbeeld van Deliveroo zullen volgen en hun tarieven, of andere arbeidsvoorwaarden, gaan aanpassen, en (7) hoe hij de wijze van werken van Deliveroo kwalificeert binnen de nieuwe zzp-maatregelen die recent zijn aangekondigd.
  • 04.07.2019 De Vaste Commissie voor SZW van de Tweede Kamer verzoekt de minister voor SZW om een kabinetsreactie op de initiatiefnota van het lid Gijs van Dijk “De herovering van de platformeconomie” (Kamerstuk 35230, 2). De commissie vraag of de minister specifiek kan ingaan op de uitspraak FNV/Helpling, alsmede de handhaving(saspecten) bij de platformeconomie.
  • 26.06.2019 Kamerbrief met de initiatiefnota van het lid Gijs van Dijk (PvdA) “De herovering van de platformeconomie” (Kamerstukken II 2018/19, 35230, nrs. 1-2) (bron: www.overheid.nl)
    Deze nota richt zich primair op bescherming van werkenden in de platformeconomie. De nota bestaat uit twee delen. In het eerste deel wordt de huidige situatie geschetst. In het tweede deel wordt een alternatief gegeven en worden concrete voorstellen gedaan. De initiatiefnemer doet, kort gezegd, de onderstaande voorstellen. (1) Keer de bewijslast om: een platform is per definitie een werkgever, tenzij het platformbedrijf aantoont dat het platform slechts als bemiddelaar werkt. (2) Verduidelijk de arbeidsrelatie: platformwerkers dienen de rechten van werknemers te krijgen als de arbeidsrelatie aan een aantal criteria voldoet. Om de relatie tussen platformwerkers en het platform te verduidelijken, kunnen ten eerste criteria, zoals voorgeteld door de Commissie Boot, worden gehanteerd. Deze criteria kunnen worden opgenomen in de Wet op de loonbelasting 1964 en de Wet financiering sociale verzekeringen. Indien niet aan die criteria wordt voldaan, is altijd sprake van een arbeidsovereenkomst, met overeenkomstige rechten en plichten voor platform en platformwerker. (3) Platformwerkers moeten zeker kunnen zijn van een eerlijk loon, een goed pensioen en bescherming bij ziekte en arbeidsongeschiktheid. (4) Pas de wetgeving over arbeidsomstandigheden en arbeidstijden ook toe op zzp’ers. Waar mogelijk wordt deze wetgeving direct geïntegreerd in het algoritme dat platformwerkers werk toewijst. (5) Versterk de onderhandelingspositie van platformwerkers: geef zzp’ers, waaronder platformwerkers, de mogelijkheid om collectief te kunnen onderhandelen over tarieven door aanpassing van de mededingingswet. (6) Dataportabiliteit: de overheid dient het meenemen van de opgebouwde reputatiedata van platformwerkers te bevorderen en op te treden tegen platforms die dit verhinderen. (7) Inspraak: verplicht inspraak en/of instemming van platformwerkers bij wijziging van de werking van algoritmes die werk toewijzen. (8) Naleving: handhaaf wet- en regelgeving die zelfstandigen en werknemers bescherming bieden.
  • 20.05.2019 Kamervragen met antwoorden over jonge maaltijdkoeriers die op grote schaal ’s avonds werken (Aanhangsel Handelingen II 2018/19, 2779) (bron: www.overheid.nl)
  • 20.05.2019 Kamervragen met antwoorden over elke week een maaltijdbezorger gewond naar het ziekenhuis (Aanhangsel Handelingen II 2018/19, 2778) (bron: www.overheid.nl)
  • 23.04.2019 Brief regering met de kabinetsreactie op  het ATR-advies ‘minder regeldruk door opkomst klus- en deeleconomie’ (Kamerstuk 33009, 69) 
    In deze brief reageert de staatssecretaris van EZK op het advies dat het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) eind oktober 2018 uitbracht over de mogelijkheden van regeldrukvermindering als gevolg van de opkomst van nieuwe verdienmodellen in de klus- en deeleconomie. Het kabinet vindt oneigenlijke concurrentie op arbeidsvoorwaarden tussen zzp’ers en werknemers/werkgevers onwenselijk en onderschrijft daarom het belang dat het ATR hecht aan een bredere analyse van de gevolgen (zowel voor werkenden als voor werkgevers) van bestaande verschillen tussen werknemers en zzp’ers. Vanuit dezelfde overweging heeft het kabinet in november 2018 de Commissie Borstlap ingesteld om grondig te kijken naar de brede problematiek van regulering van werkenden en arbeids- en opdrachtrelaties op de arbeidsmarkt. De commissie is gevraagd eind 2019 aan het kabinet te rapporteren.
  • 23.04.2019 Kamervragen met antwoorden over de bezorgdheid vanwege komst Uber Freight naar Nederland (Aanhangsel Handelingen II 2018/19, 2353) (bron: www.overheid.nl)
    In zijn antwoorden op de gestelde vragen merkt de minister onder meer op dat Uber Freight juridisch te beschouwen is als een expediteur die aanbod van lading en vervoercapaciteit bijeen brengt. Het is aan de markt om te beslissen of een tarief renderend is, aldus de minister. De transportbedrijven die gebruik willen maken van Uber Freight dienen zich te houden aan alle wet- en regelgeving. Hiermee wordt het gelijk speelveld en de verkeersveiligheid geborgd. Chauffeurs in loondienst die ritten uitvoeren die via Uber Freight zijn geboekt, zijn beschermd door het stelsel van sociale wetgeving. Zelfstandig opererende chauffeurs zullen net als bij andere bedrijven zelf moeten bepalen of zij door Uber Freight aangeboden ritten tegen een bepaalde prijs willen accepteren. De minister geeft aan bekend te zijn met de berichtgeving over de kwaliteit en veiligheid van Uber taxichauffeurs en Uber maaltijdbezorgers en de lange dagen die zij maken en zegt dat hij met Uber Freight in gesprek zal gaan om zich ervan te vergewissen dat de dienst vooraf voldoende waarborgen inbouwt dat vervoerders zich houden aan wet en regelgeving, waaronder de eis van dienstbetrekking en het beschikken over een transportvergunning.
  • 12.02.2019 Brief regering met reactie op het verzoek van Gijs van Dijk over de uitspraak van de rechter in de zaak FNV vs. Deliveroo (Kamerstuk 29544, 877) (bron: www.overheid.nl)
    Minister Koolmees (SZW) informeert de Tweede Kamer over de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam inzake FNV en Deliveroo en gaat daarna in op de gevolgen voor andere bedrijven en de rol van de Inspectie SZW.
  • 19.12.2018 – 03.02.2019 Internetconsultatie inzake de discussienotitie mededingingsbeleid in relatie tot online platforms (Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, bron: www.internetconsultatie.nl)
    Online platforms spelen een steeds belangrijker rol in onze economie en samenleving. Dit leidt tot vraagstukken rond de macht van een aantal platforms. Deze discussienotitie betreft een analyse naar de toepasbaarheid van het mededingingsinstrumentarium in de digitale economie. De consultatie heeft tot doel om deze analyse te toetsen en nut en noodzaak van aanvullende beleidsopties te onderzoeken. Dit document is uitsluitend bedoeld voor discussie en bevat dus geen beleidsinzet.
  • 29.11.2018 Motie over een SER-verkenning naar de platformeconomie (Kamerstuk 35000-XV-66). Aangenomen (bron: www.overheid.nl)
    In deze motie wordt de regering verzocht om de SER een verkenning te laten doen naar de praktijk van de platformeconomie waarin onder andere wordt gekeken naar de positie van platformwerkers, de positie en aard van platformbedrijven en de handhaving van schijnzelfstandigheid.
  • 08.11.2018 Motie over tegengaan van fraude bij taxivervoer door Uber (Kamerstuk 35000-XII, 50). Aangenomen (bron: www.overheid.nl)
    In deze motie wordt de regering verzocht om met Uber in gesprek te gaan over hoe fraude en het overtreden van de regels voorkomen kan worden, en daarbij zo mogelijk afspraken te maken over aanpassingen aan de app die daarbij kunnen helpen en de Kamer hierover te informeren.
  • 29.10.2018 Brief van de voorzitter van ATR over een advies en het onderzoeksrapport inzake regeldruk in de klus- en deeleconomie (Kamerstuk 33009, 65) (bron: www.overheid.nl)
    Op 5 oktober 2017 vond in de Tweede Kamer een dertigledendebat plaats over het rapport van het Rathenau instituut “Eerlijk delen” (Handelingen II 2017/18, nr. 9, item 9). In dit debat kwam de vraag aan de orde of de ontwikkelingen in de klus- en deeleconomie mogelijkheden bieden om de regeldruk te verminderen. De gedachte van de Tweede Kamer was dat de regels die de wetgever heeft bedacht voor de “oude economie”, mogelijk niet meer nodig zijn door de komst van nieuwe verdienmodellen in de klus- en deeleconomie. ATR heeft voor de beantwoording van die vraag onderzoek laten doen. Het college is tot vijf bevindingen gekomen. De vierde bevinding betreft de verplichtingen van werkgevers. In § 2.3 van dit rapport worden de verschillen beschreven tussen de traditionele economie die doorgaans met werkgevers-werknemers relaties werkt, en de klus- en deeleconomie waarin ondernemende burgers zelf aan de slag gaan. De verplichtingen voor werkgevers hebben als doel om bepaalde publieke belangen te borgen, zoals een robuust fiscaal bestel, sociale zekerheid. pensioenvoorziening, en bescherming van werknemers (waaronder de arbeidsomstandigheden. De nieuwe verdienmodellen laten zich vaak niet goed vatten in traditionele economische typologieën; in de onderzochte gevallen hebben de platformen veelal geen werkgeversrol omdat ze de aanbieders niet in dienst hebben. Zo bestaan aanbieders in de klus- en deeleconomie niet alleen uit bedrijven maar vaak uit particulieren die hun activiteiten en diensten aanbieden. Zij werken onder andere fiscale sociale, arbeidsrechtelijke en verzekeringsvoorwaarden dan bedrijven in de traditionele economie. Als aanbieders uit de klus- en deeleconomie in directe concurrentietreden met deze bedrijven, staat het verdienmodel van deze laatsten onder druk. Als reactie op dit concurrentievoordeel is er het risico dat het traditionele werkgeverschap verdwijnt, er minder aangrijpingspunten voor werkgeversverplichtingen zijn, en de publieke belangen niet meer worden gewaarborgd. In de maatschappij sluit dit aan op de trend dat steeds meer mensen als ZZP’er werken en steeds minder mensen een vast dienstverband hebben. In het publieke debat wordt vaak geopperd dat de aanbieders of de platforms uit de klus- en deeleconomie dezelfde verantwoordelijkheden moeten krijgen als werkgevers in de traditionele economie. Deze benadering lijkt geen recht te doen een de complexiteit van de materie. Zo zou het niet proportioneel zijn om aan alle aanbieders in de klus- en deeleconomie dezelfde wettelijke eisen te stellen als die momenteel gelden voor werkgevers in de traditionele economie die hun activiteiten meer bedrijfsmatig en op grotere schaal ontplooien. De optie om de verplichtingen neer te leggen bij de platforms houdt ook geen rekening met het feit dat veel platforms op een nieuwe manier vraag en aanbod bij elkaar brengen, maar zelf geen onderdeel zijn van de relatie die tussen vrager en aanbieder ontstaat. ATR merkt op dat dit complexe vraagstuk buiten de scope van het verzoek van de Tweede Kamer valt. ATR wil echter het belang van dit vraagstuk onderstrepen en is van mening dat beantwoording hiervan een veel bredere insteek behoeft dan alleen een analyse vanuit regeldruk perspectief. Beantwoording zal alleen goed mogelijk zijn als de gevolgen van de nieuwe ontwikkelingen in beeld worden gebracht voor de te beschermen publieke belangen. Een heroriëntatie moet plaatsvinden op de inrichting en voorgeving van institutionele arrangementen met betrekking  tot de fiscaliteit, de sociale zekerheid, de pensioenvoorziening en de bescherming van werknemers.
    • Bijlage: Onderzoeksrapport De klus- en deeleconomie als aanleiding voor het moderniseren van de regelgeving
      De klus- en deeleconomie is in opkomst. Dankzij de snelgroeiende online platforms delen mensen steeds vaker hun huis, auto, kleding, gereedschap of maaltijden. In deze innovatieve en vernieuwende ontwikkeling blijkt dat regels soms niet gelden voor de klus- en deeleconomie en dit een voordeel is ten opzichte van de traditionele economie. De vraag is of hierdoor een ongelijk speelveld ontstaat. De Tweede Kamer heeft naar aanleiding daarvan de vraag aan ATR gesteld of dat verschil aanleiding is om regels voor de traditionele economie te vereenvoudigen. In dit onderzoek is nagegaan waar in de regelgeving, uitvoering en/of het toezicht verschillen bestaan tussen vergelijkbare activiteiten in de klus- en deeleconomie en de traditionele economie. Wanneer er verschillen zijn, dan is nagegaan of dit een aanleiding kan zijn om deze verplichtingen te moderniseren of lastenluwer vorm te geven, zonder dat het publieke belang (zoals werknemersbelangen) in het geding komt.
  • 23.08.2018 Kamervragen met antwoorden over het artikel “Maaltijdbezorger Deliveroo ronselt minderjarigen” (Aanhangsel Handelingen II 2017/18, 2966) (bron: www.overheid.nl)
    In zijn antwoorden op de gestelde vragen merkt de minister onder meer op dat het uitvoeren van een bestelopdracht niet valt onder een toegestane vorm van kinderarbeid waardoor het derhalve verboden is voor kinderen om een bestelopdracht uit te voeren. Afgaande op het artikel heeft Deliveroo ook in eigen regels vastgelegd dat het uitbesteden van werk aan minderjarigen niet in toegestaan. Net als andere bedrijven is Deliveroo in de eerste plaats zelf verantwoordelijk om maatregelen te nemen tegen deze vorm van werkuitbesteding door invloed uit te oefen op de bezorgers waarmee een overeenkomst is afgesloten. De minister doet geen uitspraken over de overtreding van wet- en regelgeving in concrete gevallen en hij doet geen mededelingen over eventuele lopende onderzoeken van de ISZW. De ISWZ zal in het proces van meerjarenprogrammering 2019-2022 dat momenteel plaatsvindt, expliciet aandacht aan de platformeconomie schenken.
  • 11.07.2018 Verslag van een schriftelijk overleg met de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat inzake de ontwerpverordening ter bevordering van billijkheid en transparantie voor zakelijke gebruikers van onlinetussenhandelsdiensten (Kamerstuk 34978, B) (bron: www.overheid.nl)
    De staatssecretaris van het ministerie van EZK beantwoordt vragen van de VVD-fractie in de Eerste Kamer over het voorstel van de Europese Commissie om billijkheid en transparantie voor zakelijke gebruikers van online platforms te bevorderen. De overheid gaat onderzoeken over aanvullende maatregelen nodig zijn om voldoende concurrentie te waarborgen tussen aanbieders van online platforms voor (zakelijke) producten en diensten. Het is nu nog onvoldoende helder of de bestaande instrumenten inzake mededinging voldoende zijn, aldus de staatssecretaris. De analyse naar de wenselijkheid van verschillende (mededingings)instrumenten om online platformmarkten competitief te houden, moet hier de juiste richting in bepalen. De staatssecretaris wil de Tweede Kamer in de tweede helft van 2018 informeren over de uitkomsten van het onderzoek.
  • 11.07.2018 Kamervragen met antwoorden over het online platform Temper dat zich wel degelijk als werkgever gedraagt (Aanhangsel Handelingen II 2017/18, 2736) (bron: www.overheid.nl)
    In zijn antwoorden op de gestelde vragen merkt de minister op dat er bij leiding en toezicht sprake zou kunnen zijn van werkgeverschap of terbeschikkingstelling in de zin van de Waadi. Of dit bij Temper het geval is hangt af van de feiten of omstandigheden waaronder wordt gewerkt en dat kan niet worden vastgesteld alleen op basis van een tekst op een website. Het oordeel hierover is uiteindelijk aan de rechter die daarbij kijkt naar alle feiten en omstandigheden. Of de Waadi van toepassing is valt niet op voorhand vast te stellen. Hiervoor is niet relevant of het bedrijf een uitzendbureau is, maar of het bedrijf zich bezig houdt met het ter beschikking stellen van arbeidskrachten tegen vergoeding. Indien de opdrachtgever in dat geval toezicht en leiding uitoefent over de werkzaamheden van de arbeidskracht en er geen arbeidsovereenkomst bestaat tussen de arbeidskracht en de opdrachtgever, kan de Waadi van toepassing zijn. De arbeidskracht hoeft daarvoor niet als werknemer te kwalificeren. De Waadi is ook van toepassing indien er sprake is van arbeidsbemiddeling. Dat is dienstverlening waarbij de totstandkoming van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht wordt beoogd. Niet duidelijk is of bij Temper sprake is van terbeschikkingstelling, aldus de minister. Bij een vermoeden van overtreding van de Waadi kan de Inspectie SZW worden gevraagd om onderzoek te doen en hierover een rapport op te maken. De verzoeker kan de bevindingen van de Inspectie gebruiken in een civiele procedure bij de rechtbank. De minister benadrukt dat het niet aan het kabinet is om zich uit te laten over individuele gevallen, maar aan de rechter om hierover bij verschil van mening een uitspraak te doen. Bij de beoordeling of de wijze waarop platforms optreden leiden tot werkgeverschap, moeten alle feiten en omstandigheden van het geval worden gewogen. Het is in dat kader daarom niet zinvol een oordeel te geven over een of enkele van deze omstandigheden.
  • 04.07.2018 Verzamelbrief op het terrein van marktwerking en mededinging (Kamerstuk 24036, 429) (bron: www.overheid.nl)
    Consumenten moeten erop kunnen vertrouwen dat ze voldoende beschermd zijn bij het aanschaffen van producten en diensten. Het consumentenbeleid zorgt voor een hoge mate van bescherming. Het is belangrijk dat het consumentenbeleid meebeweegt met de veranderingen in de maatschappij bijvoorbeeld als gevolg van digitalisering. Om mijn prioriteiten voor het consumentenbeleid in de komende periode vast te kunnen stellen heeft Kantar Public een consumentenonderzoek verricht naar de ervaringen met online platforms. Consumenten blijken wanneer ze gebruikmaken van een platform niet altijd te weten van wie ze het product afnemen; de aanbieder op het platform of het platform zelf. Hierdoor weten consumenten ook niet altijd tot wie ze zich moeten richten bij problemen.
    • met als bijlage (onder meer) het Onderzoek deelname aan de platformeconomie (M. de Gier, T. de Beer en A. Kuperus, Kantar Public)
      De Nederlandse overheid voert, onder andere door middel van wetgeving, beleid om de consument te beschermen en voor te lichten bij de keuze van zijn of haar aankopen. Aangezien er steeds meer transacties online plaatsvinden en de consument steeds meer goederen en diensten via platforms van andere consumenten kan afnemen, is de vraag welke problemen en onduidelijkheden zij ervaren wanneer ze gebruikmaken van platforms. Kantar Public heeft, in opdracht van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat, onderzoek uitgevoerd naar de ervaringen van Nederlanders met consumentenrechten en de platformeconomie.
  • 27.06.2018 Kamervragen met antwoorden over de inwerkingtreding van de handhaving op schijnzelfstandigheid per 1 juli aanstaande (Aanhangsel Handelingen II 2017/18, 2582) (bron: www.overheid.nl)
  • 25.06.2018 Kamervragen met antwoorden over de ongevallenverzekering voor Deliveroo bezorgers (Aanhangsel Handelingen II 2017/18, 2543) (bron: www.overheid.nl)
    De minister van SZW bevestigt dat het uiteindelijke oordeel over de vraag of er bij een individuele opdrachtgever al dan niet sprake is van werkgeverschap is aan de rechter en wordt gevormd op basis van het totaal aan feiten en omstandigheden van dat specifieke geval. Er zijn, aldus de minister, andere ondernemingen / opdrachtgevers bekend die een vergelijkbare verzekering aanbieden. Het is de eigen verantwoordelijkheid van en het staat ieder bedrijf vrij om zelf samen met haar werknemers/opdrachtnemers de arbeidsrelaties binnen een bedrijf vorm te geven zolang daarbij de bestaande wet- en regelgeving in acht wordt genomen. Het is echter niet de bedoeling dat die keuzevrijheid binnen bestaande wet- en regelgeving leidt tot schijnzelfstandigheid en concurrentie op arbeidsvoorwaarden aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Het kabinet zet in op nieuwe wet- en regelgeving met onder meer als doelstelling dat schijnzelfstandigheid wordt voorkomen en dat concurrentie op arbeidsvoorwaarden, met name aan de onderkant van de arbeidsmarkt moet worden voorkomen. De opschorting van de handhaving van de Wet DBA is verlengd tot 1 januari 2020 en opdrachtgevers en opdrachtnemers krijgen geen boetes en naheffingen. Bij de ernstigste kwaadwillenden handhaaft de Belastingdienst wel. De bewijslast dat een opdrachtgevers als kwaadwillende moet worden aangemerkt, rust op de Belastingdienst. Per 1 juli 2018 richt de handhaving zich niet langer alleen op de ernstigste gevallen, maar ook op andere kwaadwillenden, aldus de minister.
  • 22.06.2018 Kamerbrief reactie op SEO-onderzoek naar platformwerk (Kamerstuk 29544, 837) (bron: www.overheid.nl)
    Met deze brief reageert het kabinet op de uitkomsten van het onderzoek ‘De opkomst en groei van de kluseconomie in Nederland’. “Uit het onderzoek en het gesprek met de maaltijdbezorgsector ontstaat het beeld dat er platformen zijn die op zoek zijn naar manieren om weg te blijven van werkgeverschap. Voor het kabinet staat voorop dat op de arbeidsmarkt binnen de wettelijke kaders met werkenden moet worden omgegaan. Het uiteindelijke oordeel over de juridische en fiscale kwalificatie van deze verschijningsvormen is aan de rechter. Uitgangspunt van het kabinet is dat op basis van de aard van het werk de arbeidsrelatie vorm wordt gegeven, en dat geen oneigenlijke concurrentie op arbeidsvoorwaarden plaatsvindt. Daarbij komt dat platformwerk al wordt gekenmerkt door de hoge mate van flexibiliteit die van de werker wordt gevraagd en door de lage werk- en inkomenszekerheid. De concurrentie tussen bedrijven om een marktaandeel veilig te stellen mag niet ten koste gaan van de positie van de werkende, ongeacht of het om platformwerk of werk bij een regulier bedrijf gaat. Daarom wil het kabinet schijnzelfstandigheid en oneigenlijke concurrentie op arbeidsvoorwaarden aanpakken. Dit vormt, samen met het bieden van duidelijkheid aan echte zelfstandigen, de basis voor de bredere visie van het kabinet rond de kwalificatie van arbeidsrelaties en de Wet DBA zoals vastgelegd in het regeerakkoord. Daarnaast wordt vanaf 1 juli 2018 niet langer alleen bij de ernstigste gevallen van kwaadwillenden gehandhaafd door de Belastingdienst, maar kan er ook bij de andere kwaadwillenden worden gehandhaafd. Bij een vermoeden van overtreding van de Waadi kan de Inspectie SZW onderzoek doen en hiervan een rapport opmaken. De verzoeker kan de bevindingen van de Inspectie gebruiken in een civiele procedure bij de rechtbank. Hierop wordt verder ingegaan in de Kamerbrief over de uitwerking van maatregelen ‘werken als zelfstandige’. Bij de kwalificatiediscussie hoort ook de vraag of onze wetgeving nog is toegesneden op de arbeidsmarkt van vandaag en bestendig is voor de arbeidsmarkt van morgen. De Tweede Kamer een motie aangenomen om hier verder onderzoek naar te doen. Het onderzoek naar platformwerk laat eens te meer zien dat die vraag onverminderd actueel is; hoewel de platforms nog klein zijn en niet alles even nieuw is, blijkt uit het onderzoek dat de arbeidsmarkt blijft veranderen en voor nieuwe uitdagingen komt te staan. De variëteit aan arbeidsrelaties neemt toe. Daarmee wordt de vraag actueel of de wijze waarop risico’s worden verdeeld en bescherming wordt georganiseerd (via het arbeidsrecht, de sociale zekerheid en de fiscaliteit) herziening behoeft. Dit bredere vraagstuk komt ook aan de orde in de eerder genoemde Kamerbrief over de uitwerking maatregelen ‘werken als zelfstandige’.
    • met als bijlagen: B. ter Weel, S. van der Werff, J.H. Bennaars, R. Scholte, J. Fijnje, M Westerveld & T. Mertens, De opkomst en groei van de kluseconomie in Nederland en The rise and growth of the gig economy in the Netherlands (SEO economisch onderzoek (in opdracht van het ministerie van SZW))
      Deze studie definieert en inventariseert de stand van zaken met betrekking tot de omvang en potentie van de kluseconomie in Nederland, de werkpraktijk en de gevolgen in arbeidsrechtelijke, sociaalzekerheidsrechtelijke en fiscaalrechtelijke zin. Het onderzoek is een nulmeting waarin wordt beschreven hoe bestaande en nieuwe platforms worden geduid en wat de implicaties zijn voor beleid. Uitgegaan wordt van een relatief smalle definitie van de kluseconomie, waarbij het gaat om werkenden die fysieke arbeid verrichten in Nederland en die primair via een internetplatform (een app of website) aan opdrachten komen.
  • 15.06.2018 Brief regering aangaande de Nederlandse Digitaliseringsstrategie (Kamerstuk 26643, 541)
    • met als bijlage de Nederlandse Digitaliseringsstrategie
      In hoofdstuk 5 (Ander werk, nieuwe vaardigheden en een leven lang leren) staat in § 5.5. (Duidelijkheid over werken via platforms): “Door de opkomst van digitale platforms zoals Werkspot, Helpling, Uber, Deliveroo en Foodora wordt steeds meer dienstverlenend werk via digitale platforms verricht. Hierdoor kunnen mensen op een laagdrempelige en flexibele manier geld verdienen. Een vraagstuk bij dit soort dienstverlening is: wordt arbeid verricht vanuit een positie als werknemer of als zelfstandige? En is daarmee het platform een werkgever of enkel een bemiddelaar van vraag en aanbod? Deze onduidelijkheid heeft gevolgen voor de sociale rechten van de platformwerkers, de plichten van de platforms jegens de werkenden en voor de handhaving van belastingheffing. Het kabinet wil mensen beter ondersteunen in het vinden van de juiste werkrelatie en werkgevers een duidelijker kader geven. Deze vraagstukken zijn breder dan het werken via platforms. In het regeerakkoord zijn daarom maatregelen aangekondigd die zelfstandigen en opdrachtgevers meer duidelijkheid bieden en schijnzelfstandigheid voorkomen. Op het gebied van klusplatforms heeft het kabinet daarnaast een onderzoek laten uitvoeren om een beter zicht te krijgen op de gevolgen van de opkomst van deze platforms.
  • 05.06.2018 Kamervragen met antwoorden over het omgaan met de mogelijkheden om deelplatforms te kunnen onderwerpen aan nationale regels (Aanhangsel II 2017/18, 2326) (bron: www.overheid.nl)
  • 30.03.2018 Kamervragen met antwoorden over dat Schiphol Deliveroo inzet voor bezorging aan de gate (Aanhangsel Handelingen II 2017/18, 1616) (bron: www.overheid.nl)
  • 13.03.2018 Verslag algemeen overleg, gehouden op 14 februari 2018, over Arbeidsmarktbeleid (Kamerstukken II 2017/18, 29544, 815) (bron: www.overheid.nl)
    Hierin zegt de minister van SZW over platformarbeid onder meer het volgende. “Zoals al eerder is aangekondigd, zal het onderzoek naar de platformeconomie in maart verschijnen. Zelf ga ik in gesprek zodra dat onderzoek beschikbaar is. Ik ga dan in gesprek naar aanleiding van dat onderzoek, naar aanleiding van deze discussie, maar ook naar aanleiding van de discussie die de heer Wiersma, de heer Van Weyenberg en de heer Heerma net hebben opgebracht over wat nou goede oplossingen zijn in die nieuwe economie. Want laten we gewoon eerlijk zijn; daarbij zijn er soms knelpunten die kunnen worden opgelost, waarmee ook knelpunten kunnen worden opgelost voor ondernemers met een nieuw businessmodel en met nieuwe, innovatieve ideeën. Mijn beeld is dat ook sociale partners er echt open voor staan om die gesprekken te voeren. Maar als u het mij toestaat, wil ik dat wel graag samen nemen, anders gaan er namelijk discussies door elkaar heen lopen. Ik vind het van belang dat we de verschillende discussies tegelijkertijd voeren, namelijk de discussie over de handhaving, de discussie over de toekomst van de platformeconomie en de discussie die met de sociale partners wordt gevoerd over de vraag hoe we dit in de toekomst gaan regelen. Ik vind het van belang dat ik dat samen neem en ik, met die kennis in mijn achterhoofd, die gesprekken aanga met ondernemersorganisaties en werknemersorganisaties in die sector, waar de motie mij om vraagt.”
  • 07.03.2018 Kamervragen (zonder antwoorden) over een mogelijke aanval van taxichauffeurs op het hoofdkantoor van Uber (bron: www.overheid.nl)
  • 16.02.2018 Brief regering met fiche inzake de Richtlijn transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden (Kamerstuk 22112, 2486) (bron: www.overheid.nl)
    Nederland onderschrijft het algemene doel van het richtlijnvoorstel om zekerder en beter voorspelbare werkgelegenheid te bevorderen en tevens te zorgen voor aanpassingsmogelijkheden op de arbeidsmarkt alsook betere leef- en arbeidsomstandigheden. Nederland heeft echter ook een aantal kanttekeningen. Zo is van belang dat de voorgestelde richtlijn niet tot gevolg heeft dat Nederland belemmerd wordt de voorgenomen maatregelen uit het Regeerakkoord uit te voeren rondom het aanbrengen van een nieuwe balans op de arbeidsmarkt. Vooralsnog is het oordeel dat de maatregelen uit het Regeerakkoord niet door het onderhavige richtlijnvoorstel belemmerd worden. Tijdens de komende onderhandelingen zal dit echter een aandachtspunt blijven. Ook zal het kabinet er op toezien dat het richtlijnvoorstel het Nederlandse bedrijfsleven niet onnodig belast.
  • 12.02.2018 Kamervragen met antwoorden over de uitspraak van het Europese Hof van Justitie dat Uber een taxibedrijf is (Aanhangsel Handelingen II 2017/18, 1133) (bron: www.overheid.nl)
    De minister van SZW verduidelijkt dat het Europese Hof van Justitie (het Hof) in deze zaak geen uitspraak heeft gedaan over de vraag of een Uber chauffeur als werknemer dient te worden beschouwd. Het is aan een nationale rechter om aan de hand van feiten en omstandigheden van het concrete geval vast te stellen of sprake is van een werknemersrelatie. Inzake de vraag naar de kwalificatie van de werkrelatie tussen Uber en zijn chauffeurs verwijst de minister naar het onafhankelijk onderzoek dat hij momenteel laat uitvoeren. Het doel van dit onderzoek is om meer inzicht in de omvang van het aantal mensen dat hierin werkt en de manier van werken (onder welke omstandigheden) in de kluseconomie te krijgen. Naast een beschrijving van de feitelijke stand van zaken zal het onderzoek ook inzicht bieden in de arbeidsrechtelijke, fiscaalrechtelijke en sociaalrechtelijke aspecten die het werken in de kluseconomie met zich meebrengt. Oplevering van het onderzoek is voorzien in het voorjaar van 2018 en geeft een duidelijker beeld over de werkzaamheden binnen de kluseconomie. De minister zegt voorts dat het niet aan hem is om een uitspraak over specifieke gevallen te doen. Het is aan de belastinginspecteur en bij blijvend verschil van mening aan een rechter om de feiten en omstandigheden van een individueel geval te beoordelen en een uitspraak te doen over de vraag of iemand werkzaam is in dienstbetrekking of niet en indien iemand als opdrachtnemer werkzaam is, of deze persoon dan als zelfstandig ondernemer kwalificeert.

  • 09.01.2018 Kamerbrief met reactie op het rapport van het Rathenau Instituut inzake de bescherming van publieke belangen in de deeleconomie (Kamerstuk 33009, 47) (bron: www.overheid.nl)
    In deze brief reageert de staatssecretaris van EZK op bovengenoemd rapport van het Rathenau Instituut. De brief schetst hoe het kabinet omgaat met de deel- en kluseconomie en de inzichten en aanbevelingen van het Rathenau-rapport. De staatsecretaris gaat onder meer in op de ‘juridische status’ van platforms. Hij stelt voorop dat de ‘juridische status’ van platforms niet te benoemen valt. Welke regelgeving op een platform van toepassing is, is afhankelijk van welke activiteiten dat platform uitvoert en welke diensten het verricht. Ook gaat hij in op de ‘rechtspositie bij werk via platforms’. Bij platforms in de kluseconomie is cruciaal of de arbeid wordt verricht vanuit een positie als werknemer of als zelfstandige, dus of het platform optreedt als werkgever of enkel als bemiddelaar van vraag en aanbod. Het kabinetsbeleid is erop gericht om ‘schijnzelfstandigheid’ tegen te gaan. De minister van SZW heeft aangegeven dat het kabinet geen oordeel kan geven over de status van (het werken bij) Deliveroo of andere platforms, omdat beoordeling en duiding van de feitelijke individuele omstandigheden van een arbeidsrelatie uiteindelijk aan de rechter is. De staatssecretaris wijst op het onderzoek dat de minister van SZW momenteel uitvoert om een beter inzicht te krijgen in hoeveel mensen via klusplatforms werken en onder welke omstandigheden zij dat doen. Hierbij komen ook mogelijke arbeidsrechtelijke, sociaalrechtelijke en fiscaalrechtelijke aspecten aan de orde. Voorts wijst de staatsecretaris op de maatregelen die zijn aangekondigd in het Regeerakkoord en op de brief die op korte termijn naar de Tweede Kamer wordt gestuurd, waarin wordt ingegaan op de uitvoering van de aangekondigde maatregelen rond het thema ‘werken als zelfstandige’, de verlenging van het handhavingsmoratorium van de Wet DBA en op welke wijze de handhaving op schijnzelfstandigheid bij kwaadwillende opdrachtgevers in de tussentijd zal worden opgepakt.
  • 21.12.2017 Motie over de fietskoeriers van Deliveroo (Kamerstuk 34775-XV, 62). Verworpen (bron: www.overheid.nl)
  • 21.12.2017 Motie over de situatie op de markt voor maaltijdbezorging (Kamerstuk 34775-XV, 47). Aangenomen (bron: www.overheid.nl)
    Met deze motie verzoekt de Tweede Kamer het kabinet, zich uit te spreken over de situatie op de markt voor maaltijdbezorging en om met de spelers op deze markt in gesprek te gaan. Tevens wordt verzocht om te kijken of er meer mogelijkheden zijn om bij evidente kwaadwillendheid te handhaven, en of daarbij samenwerking kan worden gezocht met de inspectie van SZW en de risicoanalyse die bij de Inspectie SZW wordt gebruikt.
  • 15.12.2017 Brief regering inzake reactie op verzoek commissie om nadere informatie zorgplicht van de opdrachtgever (Kamerstuk 29544, 809) (bron: www.overheid.nl)
    In deze Kamerbrief geeft de minister van SZW gehoor aan het verzoek van de Tweede Kamer om schriftelijk in te gaan op het begrip zorgplicht van de opdrachtgever, de concrete betekenis ervan in de praktijk en de mate waarin hier zekerheden aan ontleend kunnen worden. De minister merkt op dat de suggestie die is ontstaan dat zelfstandigen, net als werknemers, collectief verzekerd zijn voor ongevallen en arbeidsongeschiktheid, niet correct is. Ter toelichting gaat hij in op de wettelijke zorgplicht van de opdrachtgever (artikel 7:658 BW) en de gevolgen van de schending van deze zorgplicht. De minister geeft aan dat hij niet beschikt over informatie die inzicht biedt in de concrete betekenis van de zorgplicht in de praktijk. Voorts merkt de minister op dat een werknemer, in tegenstelling tot een opdrachtnemer, verplicht verzekerd is voor ziekte en arbeidsongeschiktheid. Tot wijst hij op het onafhankelijke onderzoek dat zal worden uitgevoerd naar de omvang en de manier van werken in de kluseconomie. Naast een beschrijving van de feitelijke stand van zaken zal dit onderzoek ook inzicht bieden in de arbeidsrechtelijke, fiscaalrechtelijke en sociaalrechtelijke aspecten die het werken in de kluseconomie met zich meebrengt, aldus de minister. Oplevering van het onderzoek is voorzien in het voorjaar van 2018.
  • 13.12.2017 Verslag van een algemeen overleg, gehouden op 29 november 2017, over arbeidsomstandigheden – Handhaving (Kamerstuk 25883, 312) (bron: www.overheid.nl)
    Tweede Kamerlid Gijs de Vries vraagt aan de staatssecretaris of de inspectie SZW (de inspectie) ook gaat toezien op de mooie, maar af en toe ook zorgelijke ontwikkelingen in de platformeconomie, zoals bij de fietsbezorgers (p. 6)? Tevens wijst hij op de twee discussies die spelen in de platformeconomie: 1. is er sprake van zelfstandigheid of werknemerschap en 2. de onveilige situaties op de weg bij fietsbezorgers. Hij vraagt of de inspectie naar dat laatste zou willen kijken (p. 7). De staatssecretaris antwoordt dat de inspectie de ontwikkelingen in de platformeconomie volgt. Indien er meldingen bij de inspectie binnen komen, kunnen deze aanleiding zijn om een onderzoek te starten. De staatssecretaris geeft aan dat hij in antwoord op Kamervragen van de heer Van Kent een onafhankelijk onderzoek laat uitvoeren naar de omvang van en de manier van werken in de kluseconomie. De oplevering van dat onderzoek is voorzien in het voorjaar van 2018. Hij stelt voor de uitkomsten van dat onderzoek af te wachten en op dat moment te bezien of maatregelen nodig zijn en zo ja, welke (p. 31). Als toezegging wordt genoteerd: het onderzoek naar de arbeidsomstandigheden in de platformeconomie komt in het voorjaar 2018 naar de Tweede Kamer (p. 42).
  • 26.10.2017 Kamervragen met antwoorden over maaltijdbezorger Deliveroo die alle koeriers in loondienst gaat vervangen door (schijn)zelfstandigen (Aanhangsel Handelingen II 2017/18, 288) (bron: www.overheid.nl)
    De minister geeft aan (1,2) dat hij geen inzicht heeft in de feitelijke onderhandelingspositie van de fietskoeriers ten opzichte van Deliveroo en dat hij om die reden geen uitspraken daarover kan doen. Ook geeft de minister aan (3) niet bekend te zijn met de specifieke situatie waarin (schijn)constructies plaatsvinden maar dat hij om oneigenlijke concurrentie op arbeidsvoorwaarden te voorkomen reeds maatregelen heeft getroffen, zoals de Wet aanpak schijnconstructies en de uitbreiding van de reikwijdte van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. (4) In zijn algemeenheid, meent de minister dat het een zorgelijke ontwikkeling is dat steeds meer werknemers worden vervangen door zelfstandigen en dat zij zich gedwongen zien slechtere arbeidsomstandigheden en arbeidsvoorwaarden te accepteren. (5) Met betrekking tot eventuele concrete onderzoeken van de Inspectie SZW doet de minister geen mededelingen; sociale partners houden toezicht op de naleving van cao-voorwaarden. Zij kunnen op grond van artikel 10 van de Wet AVV een verzoek indienen bij de Inspectie SZW ter ondersteuning van dit toezicht. (6) Tot slot vindt de minister het positief als mensen voor zichzelf opkomen.
  • 05.10.2017 Dertigledendebat over het rapport ‘Eerlijk delen’ van het Rathenau Instituut (Handelingen II 2017/18, nr. 9, item 9) (bron: www.overheid.nl)
  • 25.09.2017 Kamervragen met antwoorden over maaltijdbezorger Deliveroo die alle koeriers in loondienst gaat vervangen door (schijn)zelfstandigen (Aanhangsel Handelingen II 2017/18, 39) (bron: www.overheid.nl)
    De minister laat een onafhankelijk onderzoek uitvoeren om een beter beeld te krijgen van de bedrijven en platforms die zich manifesteren in de kluseconomie (gig economy) en om een inschatting te kunnen maken van het aantal mensen dat hierin werkt en onder welke omstandigheden zij dat doen. Dit onderzoek heeft al doel om meer inzicht in de omvang van en de manier van werken in de kluseconomie te krijgen. Naast een beschrijving van de feitelijke stand van zaken zal het onderzoek ook inzicht bieden in de arbeidsrechtelijke, fiscaalrechtelijke en sociaalrechtelijke aspecten die het werken in de kluseconomie met zich meebrengt. Oplevering van het onderzoek is voorzien in het voorjaar van 2018. Op dat moment bestaat een duidelijker beeld of maatregelen nodig zijn.
  • 03.07.2017 Kamervragen met antwoorden over de bezorgplannen van McDonalds en Uber Eats (Aanhangsel Handelingen II 2016/17, 2243) (bron: www.overheid.nl)
  • 20.02.2017 Verslag van een nader schriftelijk overleg (Kamerstuk 33623, M, p. 5, inzake de Wijziging van de WML i.v.m. het van toepassing verklaren van die wet op nader bepaalde overeenkomsten van opdracht) (bron: www.overheid.nl)
    Minister Asscher beantwoordt in dit verslag een vraag van de D66- en CDA-fractie over de inzichten in en de juridische toelaatbaarheid van de zzp-constructie van UberEats. Minister Asscher geeft aan nader onderzoek te laten doen naar de vraag of deze arbeidsrelatie moet worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst.
  • 03.05.2015 Kamervragen met antwoorden over het massaal ontduiken van belastingen door UberPop-chauffeurs (Aanhangsel Handelingen II 2014/15, 1818) (bron: www.overheid.nl)
  • 24.02.2015 Kamervragen met antwoorden over het bericht dat taxichauffeurs het heft in eigen hand willen nemen tegen UberPOP (Aanhangsel Handelingen II 2014/15, 1346) (bron: www.overheid.nl)
  • 28.01.2015 Kamervragen met antwoorden over Uber (Aanhangsel Handelingen II 2014/15, 1152) (bron: www.overheid.nl)
  • 01.09.2014 Kamervragen met antwoorden over de introductie van de dienst UberPOP in Amsterdam (Aanhangsel Handelingen II 2013/14, 2829) (bron: www.overheid.nl)
  • 28.05.2014 Kamervragen met antwoorden over het bericht dat de alternatieve taxidienst Uber wordt verboden in Brussel en Berlijn (Aanhangsel Handelingen II 2013/14, 2095) (bron: www.overheid.nl)

Europese Unie

  • 14.06.2019 EU introduces transparency obligations for online platforms (source: European Council)
    The EU is introducing new rules which will provide businesses with a more transparent, fair and predictable online business environment, as well as an efficient system for seeking redress. The regulation adopted today by the Council addresses relations between online platforms and businesses.
  • 16.04.2019 MEPs approve boost to workers’ rights in the gig economy (source: European Parliament)
    MEPs approved minimum rights for workers with on-demand, voucher-based or platform jobs, such as Uber or Deliveroo, in a vote. The law, already agreed with EU ministers, grants a set of minimum rights for those in casual or short-term employment, on-demand workers, intermittent workers, voucher-based workers, platform workers, as well as paid trainees and apprentices if they work a minimum of three hours per week and 12 hours per four weeks on average. Self-employed workers will be excluded from the new rules.
  • 09.04.2019 Gig economy: EU law to improve workers’ rights (infographic) (source: European Parliament)
    MEPs are set to vote on a provisional agreement reached with EU ministers on new minimum rights for all employees. This legislation grants new rights for the most vulnerable employees on atypical contracts and in non-standard jobs, such as gig economy workers. The new rules include measures to protect workers by ensuring more transparent and predictable working conditions, such as free mandatory training and limits on working hours and the length of the probationary period. The rules would also prevent employers from stopping a worker from taking up another job outside of working hours and require that all new employees get key information on their responsibilities and working conditions within a week. It is an important step in the EU's social policy.
  • 08.04.2019 The Impact of the Digital Transformation on EU Labour Markets, High-Level Expert Group (source: European Commission)
    The report of the HLG was adopted by consensus and includes recommendations on (1) a skilled workforce supporting digitalization, (2) managing new labour relations, and (3) a new social contract.
  • 07.02.2019 New forms of work: deal on measures boosting workers’ rights (source: Press Release European Parliament)
    Workers with on-demand or platform jobs, such as Uber or Deliveroo, will enjoy new rights at EU level. EP negotiators struck a deal with EU ministers on minimum rights for workers with on-demand, voucher-based or platform jobs, such as Uber or Deliveroo.
  • 10.12.2018 Open Call for Proposal for a study on “Support to the Observatory for the Online Platform Economy” (source: European Commission)
    The European Commission is launching an Open Call for Proposals for a study to support the Observatory for the Online Platform Economy. The objective of this study is to provide robust evidence for the analytical work of the Observatory. The online platform economy is fundamentally and rapidly changing. Given the breadth of issues associated with it, there is a need for a continuous monitoring of evolutions, so as to inform policy-making and, as appropriate, underpin targeted policy measures. Therefore, alongside with the Commission’s regulatory proposal, a group of experts for the Observatory on the Online Platform Economy has been set up by a Commission Decision of 26 April. It will support the work of the Commission's EU Observatory on the Online Platform Economy. The Observatory is composed of the expert group and a dedicated team of Commission officials whose main task will be to monitor and analyze the developments in the online platform economy to enable informed and flexible policy making at Union level. It is essential to provide the EU Observatory with robust evidence and tools to carry out its analytical work. 
  • 28.06.2018 A. Pesole, M.C. Urzí Brancati, E. Fernández-Macías, F. Biagi & I. González Vázquez, Platform Workers in Europe (Evidence form the COLLEEM Survey), JRC Science for Policy Report (source: European Commission)
    The recent surge of digital labour platforms has led to new forms of work organisation and tasks distribution across the workforce. This has raised several questions about the functioning and the benefits deriving from the reorganisation of work that those platforms entail and the associated risks. The European Commission assessed online platforms in a May 2016 communication, focusing on both their innovation opportunities and regulatory challenges. In June 2016 the Commission also adopted its European Agenda for the Collaborative Economy, which clarified the concept and provided some guidance on the employment status of platform workers and the EU definition of worker. The European Pillar of Social Rights aims to address some of the policy challenges associated to new forms of employment, including platform work. As accompanying initiatives, the Commission presented in December 2017 a proposal for a new Directive on transparent and predictable working conditions, and in March 2018 a proposal for a Council Recommendation on access to social protection for workers and the self-employed. A crucial issue in designing the policy response to the emergence of digital labour platforms is the lack of reliable evidence. In 2017, the JRC conducted the COLLEEM pilot survey, an initial attempt to provide quantitative evidence on platform work, responding to calls by the European Council and the European Parliament. The survey provides a basis for an initial estimation of platform work in 14 Member States (Germany, Netherlands, Spain, Finland, Slovakia, Hungary, Sweden, United Kingdom, Croatia, France, Romania, Lithuania, Italy, Portugal).
    • See also: Digital employment platforms gaining a foothold in Europe's labour markets (source: European Commission - EU Science Hub)
      One in every 10 adults (16-74 years) in several EU countries has used online platforms at least once to provide labour services. While for the majority it remains only a sporadic source of secondary income, 2% of the adult population works more than 20 hours a week or earns at least half of their income via online labour platforms. These figures come from a new survey by the Joint Research Centre. Responses from more than 32 000 people across 14 Member States help to outline the main characteristics of platform workers, learn about their working conditions and motivations, and describe the type of services provided through digital labour platforms.
  • 26.04.2018 Voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad ter bevordering van billijkheid en transparantie voor zakelijke gebruikers van onlinetussenhandelsdiensten (COM(2018) 238) (bron: EUR-Lex)
    Het doel van deze verordening is te zorgen voor een eerlijke en voorspelbare bedrijfsomgeving voor (kleine) ondernemers die platforms gebruiken om hun goederen of diensten aan te bieden. De verordening hoopt dit te bereiken door (i) transparantievereisten op te leggen en (ii) waarborgen in te bouwen voor effectieve geschilbeslechting tussen platforms en ondernemers die goederen en diensten via platforms aanbieden. De Commissie roept daarnaast de sector op om hier praktische en uitvoerbare manieren voor te ontwikkelen en nodigt de sector uit om hier standaarden of gedragscodes voor op te stellen.
  • 13.03.2018 Commissie presenteert voorstellen voor een Europese Arbeidsautoriteit en voor een bredere toegang tot sociale bescherming (source: Persbericht Europese Commissie)
    De Europese Commissie stelt voor om de sociale bescherming uit te breiden tot alle werknemers en zelfstandigen. Dit voorstel moet ervoor zorgen dat uiteindelijk alle werknemers en zelfstandigen, en met name degenen als gevolg van zijn arbeidsstatuut nu nog geheel of gedeeltelijk buiten de boot vallen, sociale bescherming (zoals werkloosheidsuitkeringen, uitkeringen bij ziekte en ziektekostenverzekeringen, ouderschapsuitkeringen, invaliditeitsuitkeringen, ouderdomsuitkeringen (waaronder pensioen) en uitkeringen bij arbeidsongevallen of beroepsziekten) krijgen. Het gaat hier om ‘werknemers’ in atypische arbeidsrelaties, zoals tijdelijke contracten, deeltijdwerk, oproepwerk, arbeidsverhoudingen tussen meer dan twee partijen, in tegenstelling tot voltijdswerk met een contract voor onbepaalde tijd. Binnen de atypische arbeidsrelaties zijn subcategorieën te onderscheiden, zoals nulurencontracten, tijdelijk uitzendwerk of werk via platforms (d.w.z. mensen die via digitale platforms werken, zonder vaste werkplek). Voor dit initiatief is de definitie met opzet breed gehouden, zodat ook nieuwe en toekomstige categorieën van atypisch werk eronder vallen. De arbeidsmarkt ontwikkelt zich snel en technologieën leiden tot allerlei nieuwe vormen van werk. Dit voorstel gaat nu naar de Raad die op basis van het Commissievoorstel een aanbeveling kan doen. Handhaving van deze regels wordt vergemakkelijkt door het recente voorstel voor de wijziging van de richtlijn over transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden, waardoor de grenzen tussen werknemers en zelfstandigen duidelijker worden zodat er minder vaak misbruik wordt gemaakt van de status van zelfstandige (schijnzelfstandige).
  • 01.03.2018 B. Dachs, ‘The impact of new technologies on the labour market and the social economy’ (source: European Parliament Think Tank (European Parliamentary Research Service))
    This study investigates the potential employment effects of new information and communication technologies, by examining the relationship between innovation, new technologies, employment and inequality. It reviews the existing literature and experiences of previous technological revolutions, and argues that the race between job creation through new products, and job destruction from process innovation, has been won in the past by the job-creating effects of innovation. It concludes that there is an uneven distribution in the costs of digitalisation, because of the skills-biased nature of technological change - so the challenge of the future lies in coping with rising inequality from technological change. The study also proposes a set of policy options for dealing with the employment effects of digitalization.
  • 22.02.2018 Transparent and predictable working conditions (Briefing Initial appraisal of a European Commission Impact Assessment) (source: European Parliament Think Tank (European Parliamentary Research Service))
    This note seeks to provide an initial analysis of the strengths and weaknesses of the European Commission's impact assessment (IA) accompanying the above-mentioned proposal (21 December 2017). The proposal updates and replaces Directive 91/533/EEC (the Written Statement Directive, hereafter WSD), which gives employees the right to be notified in writing of the essential aspects of their contract or employment relationship. Taking into account that the labour market has evolved and new forms of work have developed in recent years, the REFIT evaluation of the WSD found that there is a need to modernise and complement the existing obligations to inform workers of their working conditions, and to create minimum standards to ensure that each worker benefits from more clarity regarding his/her working terms, irrespective of the type of employment relationship they have. According to the IA, the initiative would set a framework within which new forms of work could develop, offering fairer protection for workers, a clearer legal framework and a more level playing field for companies in the internal market (IA, pp. 6-7). The proposal, which is part of the 2018 Commission work programme, is a follow-up to the European Pillar of Social Rights. In line with the Treaty on the Functioning of the European Union (TFEU), the Commission conducted a two-stage consultation with the social partners on the revision of the WSD. There was no agreement among the social partners to enter into direct negotiations on concluding an EU-level agreement. The European Parliament has stressed the need to address the developments of the labour market and protect workers in all forms of employment. It has called for a framework directive on decent working conditions and for a revision of the WSD to take account of new forms of employment. 
  • 21.12.2017 Commissie stelt voor transparantie en voorspelbaarheid van arbeidsvoorwaarden de verbeteren (source: Press Release European Commission)
    Als onderdeel van de follow-up van de Europese pijler van sociale rechten heeft de Europese Commissie een voorstel voor een nieuwe richtlijn voor meer transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden, ter actualisering en vervanging van de richtlijn schriftelijke verklaringen (91/533/EEG), in de hele EU goedgekeurd. Hierin stelt de commissie voor om de bestaande verplichtingen om elke werknemer in kennis te stellen van zijn arbeidsvoorwaarden aan te vullen en te moderniseren. Daarnaast wordt voorgesteld nieuwe minimumnormen te introduceren om te garanderen dat alle werknemers met atypische contracten, duidelijkere en beter voorspelbare arbeidsovereenkomsten krijgen. De voorgestelde richtlijn zou moeten worden goedgekeurd door het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie en zou moeten worden uitgevoerd door de lidstaten, hetzij in de vorm van wetgeving hetzij via collectieve overeenkomsten tussen de sociale partners. Concreet wil de commissie het risico van onvoldoende bescherming voor werknemers terugdringen door:
    • Klik hier voor de vragen en antwoorden inzake dit voorstel van de commissie (ENG). 
    • Zie voor meer informatie en de voortgang van het wetgevingstraject ook de Procedure File Transparent and predictable working conditions in the European Union van het Europees Parlement.
    • het begrip werknemer in overeenstemming te brengen met de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie. De huidige regels bieden ruimte voor uiteenlopende definities, waardoor bepaalde categorieën werknemers worden uitgesloten. Door de definitie van werknemer uit de rechtspraak van het Hof te gebruiken, zouden dezelfde brede categorieën van werknemers onder de richtlijn vallen;
    • het toepassingsgebied van de richtlijn uit te breiden tot vormen van werk die er nu vaak niet onder vallen (die omvatten huishoudelijk personeel, marginale deeltijdwerknemers of werknemers met een zeer kort contract) en nieuwe vormen van werk, zoals oproepwerkers, werknemers die werken op basis van vouchers en platformwerkers;
    • ervoor te zorgen dat werknemers direct bij indiensttreding vanaf dag één een actueel en uitgebreid informatiepakket krijgen, in plaats van twee maanden na indiensttreding zoals nu het geval is;
    • nieuwe rechten te introduceren, zoals het recht op een grotere voorspelbaarheid van het werk voor werknemers die voornamelijk met een variabel rooster werken, de mogelijkheid een verzoek in te dienen om een stabielere vorm van werk en hierop een schriftelijk antwoord te ontvangen, en het recht om zonder salarisaftrek verplichte opleidingen te volgen; en
    • de handhavings- en beroepsmogelijkheden te verbeteren die als laatste redmiddel kunnen dienen om meningsverschillen op te lossen als een dialoog geen uitkomst biedt.
  • 25.09.2017 Commission continues work on fair and predictable employment contracts – Questions and Answers (source: Press Release European Commission)
    “The Commission has launched a consultation of the Social Partners to collect their views on the possible direction of an EU action to ensure that people in all forms of employment have adequate access to social protection and employment services. The Commission will take the next step by launching a second stage consultation shortly this autumn.”
  • 15.06.2017 Sharing economy: Parliament calls for clear EU guidelines (source: News European Parliament)
  • 19.01.2017 ‘European Parliament resolution of 19 January 2017 on a European Pillar of Social Rights’ (zie: nr. K, 5b, 22c) (source: European Parliament)
    Het Europees Parlement heeft naar aanleiding van aanbevelingen van o.a. de Europese Commissie en de ILO (International Labour Organisation) in deze niet-bindende resolutie gesteld dat platformwerkers, ongeacht de kwalificatie van hun arbeidsrelatie, recht hebben op een zekere bescherming. Lidstaten dienen daarom toezicht te houden op platforms en de wijze hoe zij omgaan met mensen die voor het platform werken.
  • 02.06.2016 Mededeling van de Europese Commissie, Een Europese agenda voor de deeleconomie, Brussel 2016: COM (2016) 356, p.12-15 (source: European Commission)
    In deze mededeling van de Europese Commissie wordt expliciet de positie van ‘platformwerkers’ besproken. Een belangrijke vraag is op deze Europese beleidsagenda is of werkenden in de gig-economie überhaupt arbeidsrechtelijke bescherming kunnen krijgen. De Europese Commissie roept de lidstaten op te evalueren of hun nationale vereisten inzake arbeidsverhoudingen toereikend zijn, ‘rekening houdend met de verschillende behoeften van werknemers en zelfstandigen in de digitale wereld, alsmede met de innovatieve aard van de bedrijfsmodellen van de deeleconomie.
  • 26.04.2016 C. O’Brien, E. Spaventa & J. De Coninck, Comparative Report 2015 - The concept of worker under Article 45 TFEU and certain non-standard forms of employment (source: European Commission)
    In dit rapport wordt vergeleken hoe verschillende landen in de Europese Unie het begrip werknemer invullen. Daarbij wordt ingegaan op verschillende flexibele en atypische arbeidsrelaties, zoals parttime werken en vrijwilligerswerk. Het werknemersbegrip is van belang, nu aan werknemers in de Europese Unie vrijheid van verkeer wordt toegekend.
  • 15.03.2016 The use of collaborative platforms. Flash Eurobarometer 438 (survey conducted by TNS Political & Social at the request of the European Commission, source: European Commission)
    This survey showed that a majority of respondents had either used or were aware of collaborative platforms. Almost one third of respondents who have used the services of collaborative platforms also provided a service on this kind of platform at least once. This signals that users are also likely to act as service providers. Users appreciated in particular that collaborative economy services are easily accessible and cheaper than traditional services and that products or services can be exchanged, rather than paid for. Three main drawbacks identified by respondents were lack of awareness of who is responsible in case a problem arises, lack of trust in Internet transactions generally and lack of trust in the provider/seller.

Australië

België

  • 24.05.2018 Wetsvoorstel houdende een gewaarborgde minimumbezoldiging van medewerkers van de erkende platformeconomie (Parlementair Document 54K3116) (bron: Belgische Kamer van volksvertegenwoordigers)
    Uit de samenvatting van het wetsvoorstel. Dit wetsvoorstel moet worden gelezen in samenhang met het wetsvoorstel tot regeling en waarborging van de bescherming en de bezoldiging van de medewerkers van de erkende-platformeconomie (DOC 54 2912/001), zoals het werd geamendeerd (DOC 54 2912/002). Met dit wetsvoorstel wordt geenszins beoogd voor die medewerkers een nieuw statuut in te stellen; het ligt wel in de bedoeling de achteruitgang van de arbeidsvoorwaarden in de erkende-platformeconomie een eerste maal een halt toe te roepen. Concreet wordt voorgesteld te voorzien in een minimumuurloon van 14 euro bruto voor de medewerkers die via een erkend platform werken.
  • 23.01.2018 Wetsvoorstel tot regeling en waarborging van de bescherming en de bezoldiging van de medewerkers van de erkende-platformeconomie (Parlementair Document 54K2912) (bron: Belgische Kamer van volksvertegenwoordigers)
    Uit de samenvatting van het wetsvoorstel. Bedoeling van dit wetsvoorstel is niet een nieuw statuut te creëren voor de medewerkers van de platformeconomie, maar wel de bescherming en de bezoldiging te regelen en te waarborgen van wie via een erkend platform aan de slag is. Met het oog op de regulering van de platformeconomie wordt eerst en vooral bepaald dat de platformen met een zekere omvang erkend moeten zijn om hun activiteiten in België te ontplooien. Voorts willen de indieners van dit wetsvoorstel voorzien in een minimale brutobezoldiging van 14 euro per uur voor wie via een erkend platform werkt. Bovendien is het de bedoeling de eventuele financiële risico’s voor de medewerker maximaal te beperken door duidelijkheid te verschaffen over de aansprakelijkheid van de erkende platformen. Concreet wordt voorzien in een aansprakelijkheidsregeling die vergelijkbaar is met die welke is opgenomen in het arbeidsrecht, dan wel met de regeling die voor het verenigingsleven geldt. Daardoor zal de medewerker in principe niet aansprakelijk zijn voor de fouten die hij begaat bij of door de uitoefening van zijn activiteit via het platform. Hij zal alleen verantwoording moeten afleggen wanneer hij een opzettelijke of een zware fout, dan wel een gewoonlijk voorkomende fout maakt. Het platform blijft in principe dan ook aansprakelijk ten aanzien van derden en moet dientengevolge een verzekering afsluiten die zijn aansprakelijkheid dekt. Ter voorkoming van de meest dramatische scenario’s moet het platform ten slotte de medewerkers een verzekering aanbieden ter dekking van de lichamelijke letsels die zij kunnen oplopen zowel in het woon-werkverkeer als bij of door het verrichten van hun werk. Deze verzekering moet tevens de ziekten behelzen die het gevolg zijn van het verrichten van hun prestaties.
  • 23.08.2017 Deeleconomie en sociale verplichtingen (bron: Belgium.be)
    De deeleconomie brengt via virtuele platformen consumenten en particuliere aanbieders met elkaar in contact om onderling producten, diensten en kennis te gebruiken, ruilen en verkopen. Wie een beroepsbezigheid uitoefent in België zonder verbonden te zijn door een arbeidsovereenkomst wordt in beginsel beschouwd als een zelfstandige. In het kader van de deeleconomie is men echter niet onderworpen aan het wettelijk sociaal statuut der zelfstandigen wanneer cumulatief volgende voorwaarden vervuld zijn: (1) de diensten worden uitsluitend verleend aan natuurlijke personen die niet optreden in het kader van hun eigen beroepsbezigheid; (2) de diensten komen uitsluitend tot stand door tussenkomst van een erkend elektronisch platform of een elektronisch platform dat door een overheid wordt georganiseerd; (3) de activiteit beperkte inkomsten genereert, d.i. niet meer dan 5.100 EUR/jaar (geïndexeerd brutobedrag). Op fiscaal vlak moeten deze inkomsten ook beschouwd worden als een divers inkomen; (4) de vergoedingen enkel door het platform of door tussenkomst van dat platform worden betaald, en niet rechtstreeks tussen consument en particuliere aanbieder. In alle andere gevallen, zoals bijvoorbeeld het leveren van diensten aan bedrijven of het niet werken via een erkend platform, zijn op sociaal vlak de regels als zelfstandige in bij- of hoofdberoep van toepassing.

Verenigde Staten

  • 14.06.2019 New York State Dependent worker act (A.08343/S.06538)
    This bill proposes to provide workers in the gig economy with certain rights that previously were only available to “employees”.
  • 29.04.2019 U.S. Department of Labor – opinion letter FLSA2019-6 (source: U.S. Department of Labor)
    U.S. Department of Labor Issues New Wage and Hour Opinion Letter, Concludes Service Providers for a Virtual Marketplace Company Are Independent Contractors “Under the facts described in your letter, we conclude that your client’s service providers are independent contractors, not employees of your client. The facts in your letter demonstrate economic independence, rather than economic dependence, in the working relationship between your client and its service providers. The FLSA therefore recognizes your client’s status as independent contractors.”
  • 16.04.2019 United States Government, National Labor Relations Board, General Counsel - Advice Memorandum regarding Uber Technologies (source: National Labor Relations Board
    This memorandum concludes that a group of Uber drivers are properly classified as independent contractors and shouldn’t be permitted to proceed with their labor claims.
  • 09.04.2019 Rule §815.134. Employment Status: Employee or Independent Contractor (source: Texas Workforce Commission)
    The Texas Workforce Commission (TWC) adopted amendments relating Unemployment Insurance to develop an employment status analysis for workers who use a marketplace platform’s digital network to conduct their own independent business. The TWC defines workers hired through an app as “marketplace contractors” ineligible for unemployment insurance. The TWC uses a 20-point comparative approach as a guide to determine if a worker is an employee or an independent contractor. The tests focuses on the businesses’ right to control the worker.
  • 03.12.2018 AB-5 Worker status: independent contractors (Introduced by Assembly Member Gonzalez, California Legislation) (source: Californian Legislative Information)
    A new California Assembly bill introduced by Lorena Gonzalez would codify the same ABC test to determine who’s “independent”. The state assembly in California passed this legislation on the 29th of May 2019.
  • 03.12.2018 AB-71 Employment standards: independent contractors and employees (Introduced by Assembly Members Gonzalez and Kiley, California Legislation) (source: Californian Legislative Information)
    Existing case law establishes a three-part test, known as the “ABC” test, for determining whether a worker is considered an independent contractor for purposes of specified wage orders. Under this test, a worker is properly considered an independent contractor only if the hiring entity establishes; (1) that the worker is free from the control and direction of the hirer in connection with the performance of the work, both under the contract for performance of the work and in fact; (2) that the worker performs work outside the usual course of the hiring entity’s business; and (3) that the worker is customarily engaged in an independently established trade, occupation, or business of the same nature as the work performed for the hiring entity. This bill would, instead, require a determination of whether a person is an employee or an independent contractor to be based on a specific multifactor test, including whether the person to whom service is rendered has the right to control the manner and means of accomplishing the result desired, and other identified factors. The bill would make related, conforming changes.
  • 09.05.2018 The Workplace Decocracy Act (source: Sanders senate gov)
    The bill would narrow the definition of an independent contractor, revise the National Labor Relations Act (NLRA), and increase protections for workers in the gig economy by extending collective bargaining rights to gig workers. Currently, only those classified as employees only have the right to unionize and negotiate collectively with employers. The proposed law would expand the definition of an employee. Under the bill, if a worker performs work that is not outside the usual course of the hiring entity’s business (essentially, if the worker satisfies Prong B of Dynamex’s ABC test), the worker would be classified as an employee. See the press release, the summary and the text of the legislation (source: Gillibrand senate gov).
  • 27.03.2018 A bill to be entitled an Act to amend Title 34 of the Official Code of Georgia Annotated, relating to labor and industrial relations, so as to provide for marketplace contractors to be treated as independent contractors under state and local laws; to provide for definitions; to provide for conditions and exceptions; to specifically provide that as independent contractors of a marketplace platform marketplace contractors are not engaged in employment for purposes of the "Employment Security Law" and are not employees for purposes of workers' compensation; to provide for related matters; to provide an effective date; to repeal conflicting laws; and for other purposes (NB 789) (source: Georgia General Assembly)
  • 21.03.2018 Protect the Gig Economy Act of 2018 (source: Congress.gov)
    This act aims to amend Rule 23 of the Federal Rules of Civil Procedure to protect the “gig economy” and small businesses that operate in large part through contractor services from the threat of costly class action litigation, and for other purposes (H.R.5367).
  • 21.02.2018 Bill for an act concerning the creation of a test to determine whether a marketplace contractor that provides services on a marketplace platform is covered under certain employment-related laws (source: Colorado General Assembly)
    The bill establishes a test for determining whether a marketplace contractor is considered an 'employee' under the 'Workers' Compensation Act of Colorado' and whether services provided by a marketplace contractor are considered 'employment' under the 'Colorado Employment Security Act’. The bill defines a 'marketplace contractor' as a person that enters into a written agreement with a marketplace platform to use the platform's online-enabled application, software, website, or system to receive services requests from third parties seeking the types of services offered by the contractor (SB18-171).
  • 15.02.2017 Bill Creating portable, prorated, universal benefits for workers of the gig economy (HB 2109) (source: Washington State Legislature)

Verenigd Koninkrijk

Rapporten / onderzoeken / studiesRapporten

Nederland

  • 11.09.2019 De platformeconomie: hoe laten we het werken, Taskforce platform economie, MKB Nederland en VNO NCW (bron: VNO NCW)
    Onder de noemer ‘De platformeconomie; hoe laten we het werken’ hebben wij in een uniek samenwerkingsverband van techbedrijven, platformgebruikers en ondernemers die toenemende concurrentie ondervinden een brede visie op de platformeconomie opgesteld.
  • 26.06.2019 Onderzoeksrapport FNV ‘Riders verdienen beter – De maaltijdbezorgsector in Nederland’ (bron: FNV)
    Om een socialer Nederland te bereiken in de maaltijdbezorgingswereld doet FNV in dit rapport aantal aanbevelingen. (1) Gezien de groei van de subsector en het risico op verdere cao-ondermijning vindt FNV het belangrijk dat er nader onderzoek wordt gedaan naar de omvang, groei en toekomstplannen van alle bedrijven in deze subsector. (2) De overheid moet gaan naleven. De maaltijdbezorgsector laat zien hoe snel de arbeidsmarkt zich in de verkeerde richting ontwikkelt. En vooral hoe lucratief het is. De overheid kan niet langer op zijn handen blijven zitten. Daarom is het noodzakelijk dat het moratorium op de uitvoering van de Wet DBA opgeheven wordt en dat de Belastingdienst met spoed gaat vaststellen dat het om werknemers gaat in deze sector. De uitspraak van de rechter, de heel lage tarieven en de wijze van aansturing zijn duidelijke aanwijzingen dat de riders niet echt zelfstandig zijn. (3) De rider is een werknemer. Hij werkt onder het gezag en leiding en toezicht van het platform. Het platform bepaalt de tarieven. Werkgevers werpen een technisch rookgordijnen op door te zeggen dat er geen gezag wordt uitgeoefend en de app en het algoritme alleen maar digitale instrumenten en werktuigen zijn. Dit is bezijden de waarheid. Alle signalen, zoals screenshots, documenten en gesprekken wijzen op een gezagsverhouding bij Deliveroo en UberEATS. Daarom wil de FNV dat er automatisch sprake is van een arbeidsovereenkomst als je aangestuurd wordt door een ‘blackbox’ algoritme. (4) Het is van belang dat deze groeiende sector gereguleerd wordt. De FNV roept de minister op om de partijen bij elkaar te brengen en aan te spreken op hun verantwoordelijkheid. Organiseer een centraal overleg, zodat de excessen uit deze sector tot het verleden gaan behoren. (5) De basis voor de tarieven en lonen voor de maaltijdbezorgers moet de TLN-cao zijn. Dat betekent dat ook de uitzendkrachten meer moeten verdienen dan nu het geval is. Ook de inlenersbeloning moet immers bepaald worden aan de hand van de TLN-cao.
  • 05.03.2019 Effecten van technologisering op de arbeidsmarkt, Kennisdocument SER, Commissie Robotisering en Arbeid (bron: www.ser.nl)
    Wat zijn de effecten van nieuwe technologieën op ons werk? Verdwijnen onze banen en worden we vervangen door AI-technieken? Of gaat vooral de aard van ons werk ingrijpend veranderen? Een nieuw kennisdocument van de SER brengt het laatste onderzoek op dit gebied in kaart. Platformisering kan gezien worden als de meest concrete verschijningsvorm van de verandering van aard en organisatie van organisatie als gevolg van technologische ontwikkelingen en krijgt om deze reden relatief veel aandacht in dit document. Bovendien raakt platformisering aan andere veranderingen op de arbeidsmarkt. Onderzoek van SEO toont aan dat het platformwerk nu nog beperkt van omvang is in Nederland (0,4% van de beroepsbevolking is actief als werker) maar de potentie heeft om te groeien, afhankelijk van de mogelijkheden om de huidige activiteiten op te schalen en nieuwe activiteiten te ontwikkelen. Met name over platformisering zijn relatief veel empirische studies beschikbaar gekomen. Daaruit blijkt dat de omvang van de platformeconomie in Nederland nu nog beperkt is maar dat er aanwijzingen zijn dat dit snel kan veranderen. Regelmatig monitoren lijkt dus raadzaam. Bovendien is er behoefte aan een vervolgstap: hoe gaat Nederland om met dit nieuwe business model en de mogelijk verstrekkende gevolgen hiervan?
  • 21.02.2019 R.F. Hoekstra, Naar een normalisering van platformwerk? Onderzoek naar de aard van werk in de platformeconomie en de wenselijkheid van bijzondere regulering hiervan (bron: agnesjongerius.nl) (Wiadi Beckman Stichting)
    De belangrijkste aanbeveling uit dit onderzoek is dat platformbedrijven zelf aan moeten tonen dat ze geen werkgever zijn. Die bewijslast ligt momenteel bij de werkers.
  • 30.11.2018 R. van Egdom, Platformwerkers - Een onderzoek naar de collectieve rechten van platformwerkers in een arbeidsrechtelijke – en mededingingsrechtelijke context in rechtsvergelijkend perspectief, scriptie in het kader van de master rechtsgeleerdheid, Vrije Universiteit Amsterdam 2018 (source: VU Library)
    In deze scriptie wordt ingegaan op het vraagstuk of platformwerkers over collectieve middelen kunnen beschikken om zodoende hun (zwakke) arbeidsrechtelijke positie te verbeteren.
  • 28.11.2018 Platformen kunnen arbeidsmarkt drastisch veranderen (M. Blom, bron: ING Economisch Bureau)
    Digitale werkplatformen, zoals Uber, Temper en Roamler, kunnen ertoe leiden dat het aantal zzp’ers in Nederland sterk toeneemt. Niet alleen uitzendkrachten, maar ook werkenden in kortdurende en oproepcontracten kunnen op grote schaal op een zzp-platform terecht komen. Platforms maken zzp-werk namelijk veel makkelijker. Hoe groot de daadwerkelijke impact wordt, hangt af van de technologie, juridische ruimte en financiële prikkels. In twee scenario’s varieert de impact van 200.000 tot een miljoen extra zzp’ers. Dit komt uit een verkennende analyse van het ING Economisch Bureau. Beide scenario’s kennen een substantieel effect, en zorgen ervoor dat de Nederlandse arbeidsmarkt drastisch verandert.
  • 23.11.2018 Unlocking the value of the platform economy (bron: KPMG) [zichtbaar na inlog / registratie]
    Verzet tegen de groeiende kracht van platforms is niet alleen zinloos maar ook een miskenning van de waarde ervan. Europa heeft een uitstekend handelingsperspectief om de balans te herstellen en het belang van de mens centraal te stellen in de doorontwikkeling van platforms.

→ Klik hier voor alle rapporten / onderzoeken / studies.

Buitenland

  • 16.08.2019 R. Conway & F. Wallace-Stephens, Economic insecurity: the case for a 21st century safety net (source: The RSA
    This paper aims to deepen understanding of how economic insecurity is experienced by workers, including those in non-standard employment arrangements such as zero-hours contracts. Employment in the UK recently reached a record high of 32.75 million. Despite this fact, there is growing evidence that British workers are economically insecure. The economic security challenge is much broader than zero-hours contracts or gig economy jobs. It impacts a wide range of people, including middle-income workers experiencing financial strain, indebtedness, or the risk that their job may become obsolete in the future because of new technologies.
  • 01.07.2019 N. Datta, Willing to Pay for Security: A Discrete Choice Experiment to Analyse Labour Supply Preferences, CEP Discussion Paper No' CEPDP1632 (source: London School of Economics and Political Science)
    This paper investigates the extent to which labour supply preferences are responsible for the marked rise in atypical work arrangements in the UK and US. By employing vignettes in a discrete job choice experiment in a representative survey, I estimate the distribution for preferences and willingness-to-pay over various job attributes. The list of attributes includes key distinguishing factors of typical and atypical work arrangements, such as security, work-related benefits, flexibility, autonomy and taxation implications. The results are indicative that the majority of the population prefer characteristics associated with traditional employee-employer relationships, and this preference holds even when analysing just the sub-sample of those in atypical work arrangements. Additionally, preferences across the UK and US are very similar, despite differences in labour market regulations. Rather than suggesting that labour supply preferences have contributed to the increase in atypical work arrangements, I find that the changing nature of work is likely to have significant negative welfare implications for many workers. 
  • 01.07.2019 I. Daugareilh, C. Degryse & P. Pochet, The platform economy and social law: Key issues in comparative perspective, European Trade Union Institute (ETUI), Brussels (source: ETUI)
    This Working Paper brings together two parallel but complementary approaches to the impact of the platform economy on working conditions and social law. The first part of the study shows that the business models of some platforms is a combination of technological disruption and social evasion. The second part of this working paper confirms that it is in the gaps and ambiguities in social legislation that platforms are trying to legitimise a business model abrogating all social responsibility. It is in this sense that we can talk about the risk of “social evasion” of several major platforms, exactly in the same way as fiscal evasion.
  • 28.06.2019 Platform Work in the UK 2016-2019, Statistical Services and Consultancy Unit (SSCU), University of Hertfordshire and Hertfordshire Business School (HBS) (source: TUC)
    The number of people doing gig economy work has doubled in the last three years, according to new TUC and FEPS-supported research. The survey – carried out by the University of Hertfordshire with fieldwork and data collection by Ipsos MORI – shows that nearly 1 in 10 (9.6%) working-age adults surveyed now work via gig economy platforms at least once a week, compared to around 1 in 20 (4.7%) in 2016. The majority of gig workers don’t do this kind of work full time. Rather “platform work” is used to supplement other forms of income, reflecting that UK workers are increasingly likely to patch together a living from multiple different sources. The term “platform work” covers a wide range of jobs that are found via a website or app – like Uber, Handy, Deliveroo or Upwork – and accessed using a laptop, smartphone or other internet-connected device.
  • 28.05.2019 B. Apouey & M. Stabile, The Effects of Self and Temporary Employment on Mental Health: The Role of the Gig Economy in the UK, INSEAD Working Paper No. 2019/23/EPS (source: SSRN)[zichtbaar na inlog/registratie]
    “We study the effect of both self and temporary employment on mental health in the UK. We match individual-level information on health and sociodemographic characteristics from the UK Household Longitudinal Study (Understanding Society) between 2009 and 2016 with Google Trends data on the amount of search activity related to the gig economy. We use Google Trends data on Uber, Deliveroo, and Airbnb by commuting zone to instrument for the probability that an individual will be employed in a gig-type job. The Google Trends data are strong predictors of both self and temporary employment. Our findings suggest that self and temporary employment, as identified through gig-economy activity, have large positive effects on mental health. These effects exist for both men and women but are stronger for women and for older workers (ages 40-64). Our evidence points to issues of control in the job as potential drivers of the improvements in mental health.”
  • 25.04.2019 K. Vandaele, A. Piasna & J. Drahokoupi, ‘Algorithm breakers’ are not a different ‘species’: attitudes towards trade unions of Deliveroo riders in Belgium, European Trade Union Institute (ETUI), Brussels (source: ETUI)
    This working paper investigates a rare case of platform work performed in the realm of regulated employment and explores the attitudes of platform workers towards collective representation. Using a case study of Deliveroo, a food delivery platform, the paper argues that platform workers are not essentially different to their peers in their attitudes towards trade unions. The paper finds that the riders do not generally hold negative views towards unions, and do not consider unions incompatible with platform work. Instead, there has been  a lack of union activity in reaching out to riders as a reason for their non-membership.
  • 07.04.2019 V. De Stefano & M. Wouters, Should digital labour platforms be treated as private employment agencies?, Foresight Brief April 2019 (source: ETUI)
    This Foresight Brief examines whether digital labour platforms should be treated as private employment agencies. Platforms like LinkedIn may rightfully be perceived by the general public to be mere social networks,  but underneath their sleek design, they also act as an employment service. This brief specifically focused on one of the central principles of international labour standards on employment services, namely that jobseekers must not be charged any fees or costs for job-finding services, unless those fees or costs have been approved by a competent authority.

→ Klik hier voor alle rapporten / onderzoeken / studies.

Presentaties

Stibbe

  • 08.02.2019 Presentatie arbeidsrecht en algoritmes (AOM) feb 2018 (AOM | bron: UvA / Stibbe)
    Deze presentatie over arbeidsrecht en algoritmes gaven Jaap van Slooten en Marko Jovović op 8 februari 2919 tijdens de AOM-bijeenkomst. Aan de orde komen de volgende onderwerpen: (1) Is het arbeidsrecht klaar voor algoritmes? - Wat zijn AI & algoritmes? (2) Arbeidsrechtelijke vragen: - Kan een algoritme discrimineren?, - Invloed op gezagsverhoudingskwestie?, - Loonregels en beloningsalgoritmes?, - Rol data en oordelen bij ontslag?, - Is de WOR klaar voor algoritmes?
  • 10.10.2018 E.L.H. van der Vos, ‘Presentatie de Uberwerker oktober 2018’ (Stibbe Talks | bron: Stibbe)
    Presentatie ‘de Uberwerker’. Aan de orde komen de volgende onderwerpen: (1) kwalificatie van de werkvorm en (2) nieuwe uitdagingen in het arbeidsrecht zoals kinderarbeid, discriminatie en stakingen.
  • 10.10.2018 J.M. van Slooten, ‘Presentatie drie problemen platforms en platformwerkers oktober 2018’ (Stibbe Talks | bron: Stibbe)
    Presentatie ‘drie problemen platforms en platformwerkers’. Aan de orde komen de volgende onderwerpen: (1) het kwalificatieprobleem, (2) het medezeggenschapsprobleem en (3) het cao-probleem.
  • 04.10.2018 J.M. van Slooten, ‘De werkerscoöp en andere aspecten van de medezeggenschap van zzp‘ers’ (VvA | bron: Stibbe)
    Deze presentatie over de werkerscoöperatie en andere aspecten van de medezeggenschap van zzp'ers gaf Jaap van Slooten op 4 oktober 2018 bij de werkgroep Medezeggenschap van de VvA. Aan de orde komen de volgende onderwerpen. (1) Wat is platformisering? (2) Drie gezamenlijke problemen voor werkers en platforms; - de platformwerker is lastig te kwalificeren (= kwalificatieprobleem); - cao (FNV KIEM) en mededingingsrecht (= cao-probleem); - medezeggenschapsrecht (= medezeggenschapsprobleem). Mogelijke oplossing: de coöperatie. (3) De drie functies van de werkerscoöp; - inkoopfunctie; - medezeggenschapsfunctie; - cao-functie. (4) Drie vormen van medezeggenschap voor zzp'ers; - uitbreiding WOR; - coöpmodel (waarbij binding leden hoort); - overige vormen zoals ad hoc meepraten, geheel eigen raad, netwerkorganisatie.
  • 13.04.2018 J.M. van Slooten, ‘Presentatie Fundamentele herziening van het arbeidsrecht ?!’ (Arbeidsrechtelijk congres: De toekomst van het arbeidsrecht | bron: UvA / Stibbe)
    Presentatie over de fundamentele herziening van het arbeidsrecht. Aan de orde komen de volgende onderwerpen: (1) de basis van het arbeidsrecht, (2) werknemer of zzp’er?, (3) ondernemingsvrijheid, (4) wat is platformisering, (5) is interne platformisering de volgende stap?, (6) gevolg platformisering, (7) waarom het arbeidsrecht platforms niet zal tegenhouden, (8) wordt het Regeerakkoord de oplossing? en tot slot (9) drie redenen voor fundamentele herziening.
  • 08.03.2018 J.M. van Slooten, ‘Presentatie externe en interne platformisering maart 2018’ (college UvA | bron: UvA)
    Presentatie over externe en interne platformisering. Aan de orde komen de volgende onderwerpen: (1) wat is een arbeidsovereenkomst, (2) wat is een baan, (3) externe platforms, (4) interne platformisering, (5) wat verklaart het succes van platforms? en (6) voorlopige conclusies (inzake de kwalificatie-paradox en de tussencategorie-paradox).
  • 08.02.2018 J.P.H. Zwemmer, ‘Presentation digital platforms and Dutch labour market regulations Feb 2018’ (European Forum joint meeting | bron: Stibbe)
    Presentation regarding digital platforms and Dutch labour market regulations. The following topics are discussed. (1) Definition of the employment contract in article 7:610 DCC; (2) The employer in Dutch law; (3) Definition digital platforms; (4) Different kinds of platforms; (5) Case Aslam & Farrar v. Uber BV & Others; (6) When does a digital platform qualify as an employer in the Netherlands and when not? and (7) Platformization and employment law protection = problems?
  • 19.10.2017 J.M. van Slooten, ‘Presentation collective action and crowd work Oct 2017’ (Conference “Reshaping Work in the Platform Economy” | bron: UvA / Stibbe)
    Presentatie over ‘collective action’ en ‘crowd work’. Summary: (1) collective actions against platforms occur, (2) crowd work is different (when focusing on collective action), (3) the collective action rules are not different, and (4) do collective action rules need a change?
  • 29.09.2017 J.M. van Slooten, ‘Presentation collective action and crowd work Sept 2017’ (HSI-bijeenkomst - “The Gig Economy – Challenges for Labour law” | bron: UvA / Stibbe)
    Presentatie over ‘collective action en ‘crowd work’. Summary: (1) collective actions against platforms occur, (2) crowd work is different (when focusing on collective action), (3) the collective action rules are not different, and (4) do collective action rules need a change?
  • 20.04.2017 J.P.H. Zwemmer, ‘Presentatie online platformen en arbeidsrechtelijke bescherming april 2017’ (interne opleidingsdag | bron: Stibbe)
    Presentatie over online platformen en arbeidsrechtelijke bescherming. Aan de orde komen onder meer de volgende onderwerpen: (1) verschillende typen arbeidsverhoudingen, (2) platformisering, (3) online platformen, (4) deeleconomieplatforms en ‘gig’ / ‘ondemand’-economie, (5) kan een platform een werkgever zijn (in NL)?, (6) Uber-rechtszaken en tot slot (7) is platformisering en arbeidsrechtelijke bescherming een probleem?
  • 03.04.2017 J.M. van Slooten & E.L.H. van der Vos, ‘Presentatie de Uberwerker april 2017’ (Meet-up studenten ASAR | bron: Stibbe)
    Presentatie ‘de Uberwerker’. Aan de orde komen de volgende onderwerpen: (1) kwalificatie arbeidsovereenkomst, (2) zelfstandigen in de deeleconomie, (3) soorten platforms (deeleconomie, gig-economie, collaboratieve economie), (4) Uber in Nederland, (5) zijn platforms in Nederland werkgever? en (6) is de klant werkgever?
  • 10.03.2017 J.M. van Slooten & R. Rietveld, ‘Presentatie platformisering in het arbeidsrecht maart 2017’ (AOM bijeenkomst | bron: UvA / Stibbe)
    Het onderwerp van deze presentatie is platformisering in het arbeidsrecht. Aan de orde komen onder meer de volgende onderwerpen: (1) de Uber-rechtszaken, (2) Uber in Nederland, (3) Helping, (4) zijn de platforms in Nederland werkgever?, (5) (of) is de klant de werkgever? en tot slot (6) is de Waadi van toepassing?

Extern

  • 03.09.2018 M. Arets, ‘Introductie kluseconomie: de context, kansen, bedreigingen en toekomst’, (bron: Nederlands Genootschap Sociale Zekerheid | Universiteit Utrecht)
    Presentatie over de opkomst van platformen, de verschillende verschijningsvormen, dilemma's en kansen.
  • 03.09.2018 B. ter Weel, ‘De opkomst en groei van de kluseconomie’ (bron: Nederlands Genootschap Sociale Zekerheid | SEO Economisch Onderzoek)
    Presentatie over de resultaten van het SEO Economisch Onderzoek met betrekking tot de feiten en cijfers van de omvang, potentie en economische betekenis van de kluseconomie.
  • 03.09.2018 M. Westerveld, ‘Platformarbeid en Sociale Zekerheid’ (bron: Nederlands Genootschap Sociale Zekerheid | UvA)
    Presentatie over de juridische status van platformwerkers. Hoe ziet het er arbeidsrechtelijk uit en hoe organiseren we sociale zekerheid rond platforms; bijvoorbeeld bij arbeidsongevallen?
  • 04.11.2017 J.H. Bennaars, ‘Platformisering’ (Nationaal Arbeidsrecht Congres | bron: UvA)
    Presentatie over platformisering. Aan de orde komen de volgende onderwerpen: (1) inleiding en afbakening van het begrip platform, (2) voorbeelden van platformen, (3) wat is de rol van technologie, (4) wat is een platform?, (5) is een platform anders? (nee, uiteindelijk verricht iemand arbeid om inkomen te verwerven), (6) vragen voor het arbeidsrecht: a. kwalificatie van het platform (prikbord, bemiddelaar, werkgever / opdrachtgever (meeste platformen zijn zelfstandigen, uitzondering Thuisbezorgd.nl werkt met arbeidsovereenkomsten, wel of geen arbeidsovereenkomst ((onder) verwijzing naar de Uber-rechtspraak)), b. kwalificatie van het werk (ongeacht kwalificatie: grote kans op kwetsbaar werk, hoe flexibeler de arbeidsrelatie, hoe slechter vaak de arbeidsomstandigheden, ook bij ovo: veilige en gezonde werkomgeving, vrijwaring van discriminatie, aansprakelijkheden soms te zwaar voor kleine opdrachtnemer en soms, WML) en c. arbeidsmarktveranderingen (fragmentering van taken, ‘uitgeklede’ arbeidsorganisaties, werken op ‘klusbasis’)), en (7) oplossingsrichtingen (handhaven, organiseren en reguleren).
  • 29.09.2017 D. Hlava, ‘Gig economy and the ECJ’ (HSI-bijeenkomst - “The Gig Economy – Challenges for Labour law | source: Hugo Sinzheimer Institut für Arbeitsrecht (HSI))
    Presentatie over de ‘gig-economy’ en de rechtspraak van Hof van Justitie EU. Discussed are the following topics: (1) introduction gig-economy (especially Uber), (2) pending cases at the ECJ, (3) Uber drivers: self-employed of employees (national case law, classification of Uber drivers in de EU law)?, and (4) further legal policy developments at EU level.
  • 29.09.2017 V. Barth, ‘Platform based work’ (HSI-bijeenkomst - “The Gig Economy – Challenges for Labour law | source: IGM, FB Zielgruppenarbeit und Gleichstellung)
  • 29.09.2017 J. Beckmann, ‘The Legal Status of Crowdworkers under German Law’ (HSI-bijeenkomst - “The Gig Economy – Challenges for Labour law | source: Goethe Universität Frankfurt)
    Discussed are the following topics: (1) qualification of crowd workers under German law – possible categories and the respective protection level (the status of employee, the status of employee-like person, the status of homeworker), (2) future pathways: the Homework Act as a ‘Model for Regulation’.
  • 18.05.2017 J.H. Bennaars, ‘Arbeidsrecht & Platform - Innovatie of same old?’ (bron: VvA | UvA)
    In deze presentatie komen de volgende onderwerpen aan de orde: (1) inleiding: innovatie of same old?, (2) gig economy, crowd work, work-on-demand: wat is het en hoe vaak komt het voor, (3) work-on demand: een praktijkcasus, (4) reactie werkers, en (5) conclusie: ja en nee: meer nieuwe wijn in oude zakken.
  • 18.05.2017 R. Knegt, ‘Platforms en arbeidsrecht: een nieuw probleem’ (bron: VvA | HSI)
    In deze presentatie komen de volgende onderwerpen aan de orde (1) de arbeidsovereenkomst als norm en maatstaf, (2) variabele en institutionele inbedding van arbeidsverhoudingen, (2) markten en platforms, (3) platformwerk vroeger, (4) conclusies: wat is nieuw?, en (5) kan het verleden ons iets zeggen over: wat te doen?

Websites

Nederland

  • ABU – Thema Platformeconomie
    De ABU wil dat platforms die zich bezighouden met het bij elkaar brengen van vraag en aanbod van werk zich conformeren aan de Waadi (Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs). De Waadi verbiedt bijvoorbeeld het vragen van een tegenprestatie in geld van de werkende en stelt eisen aan arbeidsvoorwaarden en arbeidstijden. De ABU is daarnaast voorstander van een (zelf)regulerend kader voor platforms. Dit kader moet ruimte bieden om dienstverlening van platforms verder te ontwikkelen. Tegelijkertijd is het belangrijk dat een aantal spelregels worden nageleefd over werkwijze en arbeidsvoorwaarden, de bescherming van persoonsgegevens en de positie van platformwerkers. Zij werken vaak aan de ‘onderkant’ van de arbeidsmarkt en in een aantal gevallen ten onrechte als zelfstandige. Het komt voor dat zij moeten betalen voor de dienstverlening van de platforms. Daarnaast is deze groep vaak onverzekerd, waardoor risico’s worden afgewenteld op de samenleving. De positie van deze groep is vooral gediend met duidelijkheid over het zelfstandig ondernemerschap. De ABU stelt voor de zelfstandige een duidelijke plek te geven in ons civiele recht. Dit kan door de in het regeerakkoord genoemde ondernemersovereenkomst. Ook de voorgenomen maatregel om inhuur onder de 18 euro onmogelijk te maken, biedt soelaas.
  • Commissie Regulering van werk
    De Commissie Regulering van werk is een onafhankelijke commissie onder leiding van Hans Borstlap. De commissie onderzoekt op verzoek van het kabinet of de regels die gelden rondom het verrichten van werk nog passen bij de manier waarop we werken, nu en in de toekomst.
  • Deeleconomie in Nederland
    Op deze website staat een overzicht van meer dan 150 platform initiatieven die op de Nederlandse markt actief zijn.
  • Martijn Arets (De platformrevolutie) | Revue
    Iedere week zoekt Martijn Arets de vijf beste of meest discutabele artikelen over de platformeconomie voor je uit en deelt ze hier voorzien van zijn gedachten en duiding.
  • Martijn Arets – Impact van platformen op mens en maatschappij
    Martijn Arets is internationaal platform expert en verkent sinds 2012 de opkomst van de platformeconomie en de impact op de samenleving. Dit doet hij door in gesprek te gaan met alle betrokken stakeholders (400 interviews in 13 landen) en door zich actief op te stellen in het (publieke) debat. Zijn kennis deelt hij door het geven van presentaties, advies en door deel te nemen aan (advies) commissies. Ook deelt hij al ruim twee jaar lang zijn inzichten in zijn wekelijkse nieuwsbrief en duidt hij de ontwikkelingen middels diverse blogs en stukken in de media.
  • Website van de Riders Union
    “The Riders Union was set up to better the lives of the rider, by fighting to end the freelance contracts and getting every rider back as an employee of Deliveroo.”

Buitenland

  • Crowdsourcing: Code of Conduct (Crowdsourcing Association)
    The code of conduct at hand is a self-imposed guideline for prominent crowdsourcing companies that has been initiated by the crowdtesting provider Testbirds and will be continuously developed and improved. Its aim is to create general guidelines about how to act in regards to crowdwork and thereby create a basis for a trusting and fair cooperation between service providers, clients and crowdworkers, supplementary to current legislation. There are still uncertainties concerning the concrete form of cooperation – especially regarding legal aspects as well as the platforms‘ corporate responsibility towards crowdworkers. This code of conduct serves as an orientation to crowdsourcing in its role as a modern method of working. It also aspires to contribute towards a win-win-situation for all persons involved to better fulfill the full potential of this new form of work.
  • Collectif des coursier-e-s / KoeriersKollectief (Belgische vakbond)
    Collectif des coursier-e-s / KoeriersKollectief is een vakbond die koeriers vertegenwoordigt.
  • Deliver Union Campaign | FAU Berlin
    “The section aims to provide an effective organizational platform for foreigners living in the German capital, as well as support and solidarity in labour rights and workplace struggles involving foreign residents plus essential advice on work and social rights legislation in Germany for non-German speakers.”
  • EP Research: Publications on the collaborative economy (European Parliament – Think Tank)
  • Fair Crowd Work - Gewerkschaftliche Informationen und Austausch zu Crowd-, App- und plattformbasiertem Arbeiten (Duitse vakbond IG Metall)
    Deze website over Fair Crowd Work van de Duitste vakbond IB Metall. “IG Metall is open to self-employed members since January 1, 2016, with a focus on crowd- and platform-based workers. As of April 2017, self-employed members of IG Metall may receive insurance for legal costs up to EUR 100,000 in cases of legal disputes with clients.”
  • Fairwork
    The Fairwork Foundation is committed to highlighting best and worst practices in the emerging platform economy. In a partnership with the International Labour Organisation, they have brought together platforms, workers, trade unions, regulators, and academics to set global principles for fair work in the platform economy. Those principles been revised a series of tripartite workshops in South Africa, India, and Germany. Using those principles, we give every platform a ‘fairness’ score. The Fairwork project draws on the expertise and experience of staff at the Universities of Oxford, Cape Town, Manchester, and the Western Cape on work practices and working conditions in digital labour platforms.
    • Fairwork Rankings Guide
    • Fairwork certifications scheme
      Fairwork is developing an international standard for good-quality digital working conditions. Our standard is put into practice through both a ‘Fairwork certification scheme’ and an annual ranking of platforms.
  • Freelancers Union (vakbond in de Verenigde Staten)
    “Freelancers Union promotes the interests of independent workers through advocacy, education, and services.”
  • House of gigs
    House of gigs is the marketplace for gig economy workers. It's built for workers by workers to be their personal assistant.
  • IWGB Couriers and Logistics Branch (Engelse vakbond Independent Workers of Great Britain (IWGB))
    “The London-based Couriers and Logistics Branch of the Independent Workers of Great Britain is doing pioneering work defending the rights of workers in the British courier and logistics industry, including self-employed workers for major courier companies and food delivery companies such as Deliveroo and UberEats.”
  • ILO topic: Disguised employment / Dependent self-employment
  • RideShare Drivers United | AUS & USA
    RSDU is a ‘lobby group’ that is established “to help protect the interests of ride share drivers through real time discussion, collaboration and collective actions”.
  • Unionen (vakbond in Zweden)
    “Unionen has developed a plan to certify platforms for fair and socially sustainable working conditions.”
  • Webpage of the European Commission on the collaborative economy
  • www.lyftdriverlawsuit.com
    Website on the lawsuit Cotter v. Lyft. This lawsuit claims, generally, that Lyft improperly classified drivers who gave rides in California as independent contractors rather than employees and that as a result of this classification, Lyft violated various laws and regulations. Lyft denies that drivers were or are employees and denies the claims in the lawsuit. Lyft argues that it complied with all applicable federal, state, and local laws and regulations at all times, and it has asserted various defenses to the claims.
  • www.onlabor.org - gig-economy
    OnLabor is a blog devoted to workers, unions, and their politics.
  • www.uberlawsuit.com
    Op deze website zijn uitspraken van Amerikaanse rechters over Uber bijeengebracht.
  • www.uberlitigation.com
    O’Connor v. Uber Technologies, Inc. Lawsuit Website. This lawsuit is about whether Uber has misclassified drivers as independent contractors, as opposed to its employees. If so, this lawsuit will determine whether part of the fare includes a tip that Uber allegedly failed to pass along to drivers and whether Uber must reimburse drivers for certain vehicle-related and phone expenses. The lawsuit is known as Douglas O’Connor et al v. Uber Technologies, Inc., Case No. 13-03826-EMC.