Algemeen Pensioenfonds - Besluit Uitvoering Pensioenwet


Hier vindt u de nieuwe artikelen in het besluit uitvoering Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling als gevolg van het Concept besluit Algemeen Pensioenfonds, zoals dat ter consultatie door SZW is gepubliceerd op 7 mei 2015. Vanuit de index kunt u doorklikken naar de betreffende artikelen.

Peildatum: 01-11-2015

Klik hier voor de volledige tekst van het besluit.

Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling

(Tekst geldend op: 09-07-2015)

Hoofdstuk 2a. Uitvoeringsovereenkomst algemeen pensioenfonds

Bepalingen ter uitvoering van artikel 25, derde lid, Pensioenwet en artikel 4a, zesde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

Artikel 10c. Kostenregeling in uitvoeringsovereenkomst

1. Bij de regeling over de kosten die verband houden met de uitvoering van de pensioenregeling in de uitvoeringsovereenkomst met een algemeen pensioenfonds wordt, zowel bij de kosten die in mindering kunnen worden gebracht op een afgescheiden vermogen als bij de kosten die ten laste kunnen worden gebracht van de premie, onderscheid gemaakt tussen:

a. administratieve uitvoeringskosten als bedoeld in artikel 10a, eerste lid;
b. vermogensbeheerskosten als bedoeld in artikel 10a, tweede lid; en
c. transactiekosten als bedoeld in artikel 10a, derde lid.

2. Overige kosten die verband houden met de uitvoering van de pensioenregeling en niet als kosten in de zin van een van de drie categorieën, bedoeld in het eerste lid, kunnen worden toebedeeld worden volgens een vaste verdeelsleutel over de drie categorieën verdeeld. Daarbij worden deze kosten nader gespecificeerd.

3. De wijze waarop de kosten, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden bepaald is volledig en duidelijk gespecificeerd.

Artikel 10d. Kwaliteit van de dienstverlening

In de uitvoeringsovereenkomst met een algemeen pensioenfonds wordt een regeling opgenomen waaruit blijkt welke diensten worden uitgevoerd, onder welke voorwaarden dat gebeurt en waarbij in ieder geval afspraken worden opgenomen over indicatoren met betrekking tot de kwaliteit van dienstverlening.

Hoofdstuk 8a. Vergunning en weerstandsvermogen algemeen pensioenfonds

Bepalingen ter uitvoering van artikel 112a, derde en negende lid, van de Pensioenwet

Artikel 40a. Procedure vergunning

1. Een aanvraag als bedoeld in artikel 112a, derde lid, van de Pensioenwet wordt gedaan met gebruikmaking van een daartoe door De Nederlandsche Bank beschikbaar gesteld formulier.

2. De Nederlandsche Bank bericht de aanvrager onverwijld van de ontvangst van de aanvraag.

3. De Nederlandsche Bank beslist binnen dertien weken na ontvangst op de aanvraag.

4. De Nederlandsche Bank stelt de Autoriteit Financiële Markten in de gelegenheid te adviseren over gedragstoezichtaspecten van de vergunningaanvraag.

5. De gegevens, bedoeld inartikel 40b, worden in zodanige vorm verstrekt dat een goede beoordeling door De Nederlandsche Bank mogelijk is.

Artikel 40b. Gegevens bij aanvraag vergunning

1. De gegevens, bedoeld in artikel 112a, derde lid, van de Pensioenwet zijn:

a. een opgave van de naam, het adres, het telefoon- en faxnummer, het e-mailadres en de internetpagina van het algemeen pensioenfonds; b. een opgave van de statutaire zetel en de statutaire naam;
c. een opgave van het nummer van inschrijving in het handelsregister;
d. een gewaarmerkt afschrift van de statuten;
e. gegevens op basis waarvan De Nederlandsche Bank kan beoordelen of voldaan wordt aan hetgeen ingevolge artikel 106 van de Pensioenwet is bepaald met betrekking tot de geschiktheid van de personen die het beleid bepalen of mede bepalen;
f. gegevens op basis waarvan De Nederlandsche Bank kan beoordelen of voldaan wordt aan hetgeen ingevolge artikel 106 van de Pensioenwet is bepaald met betrekking tot de betrouwbaarheid van de personen die het beleid bepalen of mede bepalen;
g. gegevens op basis waarvan De Nederlandsche Bank kan beoordelen of voldaan wordt aan hetgeen ingevolge artikel 106a van de Pensioenwet met betrekking tot bestuurders en leden van de raad van toezicht is bepaald over het tijdsbeslag;
h. een beschrijving van besturing en toezicht in de organisatie, mede in relatie tot de voorziene collectiviteitkringen;
i. een beschrijving van de wijze waarop, in overeenstemming met de rangregeling, de scheiding wordt gewaarborgd tussen de afgescheiden vermogens die per collectiviteitkring worden aangehouden, overeenkomstig artikel 123 van de Pensioenwet;
j. een programma van werkzaamheden die het algemeen pensioenfonds voornemens is te verrichten;
k. bescheiden waaruit het weerstandsvermogen, bedoeld in artikel 112a, achtste lid, van de Pensioenwet blijkt, inclusief bescheiden waaruit blijkt dat het algemeen pensioenfonds gedurende de eerste drie jaren doorlopend kan beschikken over het wettelijk vereiste weerstandvermogen;
l. een beschrijving van de werkzaamheden die worden uitbesteed, voorzien van een op een risicoanalyse gebaseerde onderbouwing;
m. een beschrijving van de inrichting van de organisatie met betrekking tot de beheerste en integere bedrijfsvoering, bedoeld in artikel 143 van de Pensioenwet, inclusief een eigen risicobeoordeling;
n. de uitvoeringsovereenkomst of uitvoeringsovereenkomsten die het algemeen pensioenfonds voornemens is te sluiten, of indien hiervan nog geen sprake is, een modeluitvoeringsovereenkomst;
o. het pensioenreglement of de pensioenreglementen die het algemeen pensioenfonds op grond van artikel 35 van de Pensioenwet heeft opgesteld ten behoeve van de collectiviteitkring of collectiviteitkringen; en
p. een beschrijving van de doelstellingen en beleidsuitgangspunten als bedoeld in artikel 102a, eerste lid, van de Pensioenwet.

2. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, zijn:

a. een opgave van de naam, de geboortedatum, de geboorteplaats, nationaliteit, het privé-adres, het telefoon- en faxnummer, het e-mailadres en de functie;
b. een curriculum vitae;
c. een opgave van de relevante diploma’s;
d. een kopie van een geldig identiteitsbewijs; en
e. een opgave van referenten.

3. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, zijn:

a. een opgave van de naam, de geboortedatum, de geboorteplaats, nationaliteit, het privé-adres, het telefoon- en faxnummer, het e-mailadres en de functie;
b. een kopie van een geldig identiteitsbewijs;
c. gegevens met betrekking tot de antecedenten, bedoeld in de bijlage bij dit besluit; en
d. een opgave van referenten.

4. Het programma van werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel j, bevat ten minste:

a. een beschrijving van het bedrijfsmodel en verdienmodel;
b. een raming voor de eerste drie boekjaren van de kosten;
c. een raming voor de eerste drie jaren van de liquiditeitspositie.

Artikel 40c. Intrekken of wijzigen vergunning

1. De Nederlandsche Bank kan een verleende vergunning wijzigen, geheel of gedeeltelijk intrekken of beperken, dan wel daaraan nadere voorschriften verbinden, indien:

a. de vergunninghouder daartoe een aanvraag heeft ingediend;
b. de vergunninghouder, naar later blijkt, bij de aanvraag van de vergunning onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt, en kennis omtrent de juiste en volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;
c. de vergunninghouder omstandigheden of feiten heeft verzwegen op grond waarvan, zo zij voor het tijdstip waarop de vergunning werd verleend zich hadden voorgedaan of bekend waren geweest, de vergunning zou zijn geweigerd;
d. de vergunninghouder niet meer voldoet aan de bij of krachtens de Pensioenwet gestelde regels dan wel niet meer voldoet aan de aan de vergunning verbonden voorschriften of gestelde beperkingen;
e. de vergunninghouder geen gebruik van de vergunning heeft gemaakt binnen een termijn van twaalf maanden na vergunningverlening;
f. de vergunninghouder de vergunningplichtige activiteit gedurende meer dan zes maanden heeft beëindigd;
g. de vergunninghouder het bedrijf behoeve waarvan de vergunning is verleend, geheel of gedeeltelijk overdraagt;
h. de vergunninghouder wordt ontbonden;
i. niet blijkt dat de jaarrekening of de staten een getrouw beeld geeft of geven van de grootte en de samenstelling van het vermogen van het algemeen pensioenfonds en van het resultaat over het desbetreffende boekjaar;
j. de vergunninghouder in staat van faillissement is komen te verkeren.

2. De Nederlandsche Bank kan bij het besluit tot intrekking van een vergunning tevens bepalen dat het algemeen pensioenfonds binnen een door De Nederlandsche Bank te stellen termijn het bedrijf geheel of gedeeltelijk afwikkelt. Bij een afwikkeling, al dan niet bepaald door De Nederlandsche Bank, wordt het algemeen pensioenfonds of de curator in faillissement van het algemeen pensioenfonds aangemerkt als vergunninghoudende onderneming.

Artikel 40d Weerstandsvermogen

1. Het weerstandsvermogen, bedoeld in artikel 112a, achtste lid, van de Pensioenwet bedraagt ten minste 0,2% van de waarde van het beheerd pensioenvermogen met een minimum van € 500 000 en een maximum van € 20 miljoen.

2. Voor de dekking van aansprakelijkheidsrisico’s wordt het weerstandsvermogen, bedoeld in het eerste lid, verhoogd met 0,1% van de waarde van het beheerd pensioenvermogen, tenzij het algemeen pensioenfonds een beroepsaansprakelijkheidsverzekering of een daarmee vergelijkbare voorziening heeft die zijn aansprakelijkheid dekt wegens fouten, verzuimen of nalatigheden begaan in de uitoefening van zijn bedrijf en voor gevallen op het grondgebied waarop de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van toepassing is, voor een bedrag van ten minste 0,75% van de waarde van het beheerde pensioenvermogen, met een minimum van € 2 miljoen en een maximum van € 20 miljoen per schadegeval, en ten minste een procent van de waarde van het beheerde pensioenvermogen, met een minimum van € 2,5 miljoen en een maximum van € 25 miljoen per jaar, voor alle schadegevallen gezamenlijk.

3. In afwijking van het eerste en tweede lid bedraagt het weerstandvermogen meer dan het resultaat van de berekeningswijze overeenkomstig dit artikel, indien de risicoanalyse van het algemeen pensioenfonds daartoe aanleiding geeft.

4. Het weerstandsvermogen van het algemeen pensioenfonds wordt gevormd door de vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 5 tot en met 8 van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen.

5. Het algemeen pensioenfonds toetst ten minste een keer per jaar of de beroepsaansprakelijkheidsverzekering nog in overeenstemming is met de eisen bedoeld in het tweede lid dan wel vaker wanneer sprake is van een wijziging van omstandigheden die hierop van invloed zijn.