Algemeen Pensioenfonds - Artikel 66. Afkoop klein ouderdomspensioen bij beëindiging deelneming


Per wetsartikel worden de (voorgestelde) wijzigingen met een kleur getoond, waarbij de kleur afhankelijk is van het betreffende kamerstuk waaruit de wijziging voortvloeit:

Het Wetsvoorstel algemeen pensioenfonds (Kamerstuk 34 117, nr. 2);
De nota van wijziging (Kamerstuk 34 117, nr. 10);
De aangenomen amendementen.

Artikel 66. Afkoop klein ouderdomspensioen bij beëindiging deelneming

1. De pensioenuitvoerder heeft het recht om op zijn vroegst twee jaar na beëindiging van de deelneming pensioenaanspraken van een gewezen deelnemer af te kopen, indien op basis van de tot het tijdstip van beëindiging opgebouwde aanspraak op ouderdomspensioen de uitkering van het ouderdomspensioen op jaarbasis op de reguliere ingangsdatum minder zal bedragen dan € 400 [Red: per 1 januari 2015: € 462,88] per jaar, tenzij:

a. dit recht op afkoop in de pensioen- en uitvoeringsovereenkomst is beperkt of uitgesloten; of
b. de gewezen deelnemer binnen twee jaar na beëindiging van de deelneming een procedure tot waardeoverdracht is gestart.

2. Indien de reguliere ingangsdatum van het ouderdomspensioen ligt voor het verstrijken van de in het eerste lid genoemde termijn van twee jaar, heeft de pensioenuitvoerder het recht om bij de ingang van het ouderdomspensioen een aanspraak op ouderdomspensioen en eventuele andere aanspraken ten behoeve van de gepensioneerde of zijn nabestaanden af te kopen, indien de uitkering van het ouderdomspensioen op de ingangsdatum minder bedraagt dan € 400 [Red: per 1 januari 2015: €462,88] per jaar.

3. De pensioenuitvoerder die gebruik wil maken van het in het eerste lid bedoelde recht informeert de gewezen deelnemer over zijn besluit hieromtrent binnen zes maanden na afloop van de periode van twee jaar na beëindiging van de deelneming en gaat over tot de uitbetaling van de afkoopwaarde binnen die termijn van zes maanden.

4. De pensioenuitvoerder die gebruik wil maken van het in het tweede lid bedoelde recht informeert de gepensioneerde over zijn besluit hieromtrent binnen zes maanden na de ingang van het pensioen en gaat over tot de uitbetaling van de afkoopwaarde binnen die termijn van zes maanden.

5. De pensioenuitvoerder stelt de afkoopwaarde van de pensioenaanspraken ter beschikking aan de gewezen deelnemer dan wel de gepensioneerde, met uitzondering van de afkoopwaarde van een bijzonder partnerpensioen, die ter beschikking wordt gesteld aan de gewezen partner.

6. De pensioenuitvoerder betaalt de uitkering op de dag dat de aanspraken of rechten vervallen in verband met de afkoop.

7. De pensioenuitvoerder kan na de in het derde lid bedoelde termijn van 2 jaar en zes maanden afkopen indien:

a. de gewezen deelnemer of gepensioneerde daarmee instemt; en
b. de hoogte van het ouderdomspensioen op jaarbasis per 1 januari van dat jaar lager is dan het in het eerste lid bedoelde grensbedrag.

8. Het in het eerste en tweede lid genoemde bedrag wordt telkens gewijzigd met ingang van 1 januari op basis van de consumentenprijsindex Alle Huishoudens, zoals berekend door het Centraal Bureau voor de Statistiek. De wijziging wordt bepaald door de procentuele wijziging die dat indexcijfer over de maand oktober, voorafgaand aan de aanpassing, heeft ondergaan ten opzichte van de maand oktober van het daaraan voorafgaande jaar. Het gewijzigde bedrag wordt door of namens Onze Minister bekend gemaakt in de Staatscourant.

9. De pensioenuitvoerder waarborgt met betrekking tot perioden van opbouw vanaf 1 januari 2005 bij de vaststelling van de afkoopwaarde door vaststelling van een afkoopvoet dat geen onderscheid gemaakt wordt tussen mannen en vrouwen waarbij voldaan wordt aan het vereiste van collectieve actuariële gelijkwaardigheid.

10. Elk beding strijdig met dit artikel is nietig.

11. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen er nadere regels worden gesteld aan het vaststellen van de afkoopwaarde, bedoeld in het zesde lid.

12. Indien de pensioenuitvoerder door toepassing van dit artikel wil afkopen op of na de reguliere ingangsdatum van het ouderdomspensioen, en het moment waarop de pensioenuitvoerder wil afkopen ligt voor de datum voor of op de datum waarop het ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet ingaat, dan heeft de gewezen deelnemer het recht ervoor te kiezen dat het ouderdomspensioen waarop de afkoop betrekking heeft, ingaat op de eerste dag van de maand volgend op de datum waarop het ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet ingaat. De pensioenuitvoerder koopt af op het moment dat het ouderdomspensioen waarop de afkoop betrekking heeft ingaat. Artikel 62, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing.

Parlementaire Geschiedenis

Nota van wijziging (Kamerstuk 34 117, nr. 10)

Onderdeel 3, onderdeel Da, 10 en 11, artikel IIIA (p. 5-6)

Op 1 januari 2015 is het wettelijke keuzerecht met betrekking tot de afkoop van een klein pensioen in werking getreden (artikel 66, twaalfde lid, van de Pensioenwet, artikel 78, twaalfde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling en artikel 28, vierde en achtste lid, van de Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet). Het wettelijk keuzerecht is tot stand gekomen als gevolg van een amendement van de Tweede Kamer tijdens de plenaire behandeling van de Verzamelwet SZW 2015 (Kamerstukken II 2014/15, 33 988, nr. 29).

Het keuzerecht maakt het mogelijk om de ingangsdatum van een klein pensioen en de afkoop van een dergelijk pensioen uit te stellen tot de eerste dag van de maand volgend op de datum waarop ouderdomspensioen op grond van de AOW ingaat. Door (de afkoop van) een klein pensioen uit te stellen, kunnen nadelige financiële consequenties voor deelnemers (samenloop met inkomensafhankelijke regelingen op het terrein van de sociale zekerheid en verschuldigdheid van AOW-premie) worden voorkomen. De nadelige financiële consequenties als gevolg van de samenloop van inkomensafhankelijke regelingen op het terrein van sociale zekerheid zullen voortaan worden voorkomen door aanpassing van het Algemeen inkomensbesluit sociale zekerheidswetten, zoals aangekondigd in de brief van 13 februari 2015 (Kamerstukken II 2014/15, 32 043, nr. 253). Voor het voorkomen van de verschuldigdheid van AOW-premie blijft het keuzerecht echter van belang.

Er is nog wel een kleine aanpassing aan het wettelijk keuzerecht noodzakelijk. Het keuzerecht is in de huidige formulering alleen van toepassing op de situatie dat de reguliere pensioenleeftijd vóór de AOW-gerechtigde leeftijd ligt. Er zijn echter ook pensioenregelingen waarin de reguliere pensioenleeftijd precies gelijk ligt met de AOW-gerechtigde leeftijd. Het wettelijk keuzerecht zou ook in die situatie voor deelnemers van toepassing moeten zijn. Daarom wordt in de onderhavige nota van wijziging voorgesteld om het betreffende artikel zo aan te passen dat het van toepassing is indien de reguliere pensioenleeftijd ligt «voor of op» de datum waarop het ouderdomspensioen op grond van de AOW ingaat.

Nota naar aanleiding van het nader verslag (Kamerstuk 34 117, nr. 13)

Hoofdstuk 7. Overig (p. 15-16)

(...)

Kan de Staatssecretaris toelichten hoe de uitbreiding van het keuzerecht afkoop strookt met het aangenomen amendement Vermeij c.s.[Kamerstuknummer: 33 988, nr. 23] en de uitspraak CRvB[CRvB, 19 december 2014, ECLI:NL:CRvB:2014:4147]? Wat verandert er voor de deelnemer en wat verandert er voor het betrokken pensioenfonds?

Naar de mening van de regering ligt de uitbreiding van het keuzerecht, zoals opgenomen in de nota van wijziging, in lijn met het amendement Vermeij c.s. Met het amendement is voor pensioenregelingen, waarin de reguliere pensioenleeftijd vóór de AOW-gerechtigde leeftijd ligt, geregeld dat een klein pensioen kan worden uitgesteld tot de maand volgend op de datum waarop een gewezen deelnemer de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. Daarmee worden nadelige financiële gevolgen, die zich kunnen voordoen als de afkoop van een klein pensioen plaatsvindt vóór de AOW-gerechtigde leeftijd, bij dergelijke regelingen voorkomen. Er zijn echter ook pensioenregelingen waarin de reguliere pensioenleeftijd precies gelijk ligt met de AOW-gerechtigde leeftijd. Bij afkoop op de dag waarop de AOW-gerechtigde leeftijd wordt bereikt kunnen zich dezelfde nadelige financiële gevolgen voordoen als bij afkoop vóór de AOW-gerechtigde leeftijd. De regering is daarom van mening dat het wettelijk keuzerecht ook in die situatie voor deelnemers van toepassing zou moeten zijn. Een keuzerecht voor uitstel van het kleine pensioen is dus ook van belang voor de deelnemers van wie de pensioendatum precies gelijk ligt met de AOW-gerechtigde leeftijd.

Zoals aangegeven in de toelichting bij de nota van wijziging, blijft het keuzerecht ook na de uitspraak van de CRvB en de aanpassing van het Algemeen inkomensbesluit sociale zekerheidswetten (zoals aangekondigd in de brief van 13 februari 2015, Kamerstukken II 2014/15, 32 043, nr. 253) van belang. De uitbreiding van het keuzerecht ligt daarom naar de mening van de regering ook in lijn met de genoemde uitspraak.

Door middel van deze uitbreiding wordt voor deelnemers van wie de reguliere pensioenleeftijd precies gelijk ligt met de AOW-gerechtigde leeftijd, mogelijk gemaakt dat zij ook gebruik kunnen maken van het keuzerecht. Voor de betrokken pensioenfondsen betekent dit dat zij zullen moeten meewerken aan een verzoek van de deelnemer om uitstel van het kleine pensioen.