Algemeen Pensioenfonds - Artikel 220a. Overgangsrecht


Per wetsartikel worden de (voorgestelde) wijzigingen met een kleur getoond, waarbij de kleur afhankelijk is van het betreffende kamerstuk waaruit de wijziging voortvloeit:

Het Wetsvoorstel algemeen pensioenfonds (Kamerstuk 34 117, nr. 2);
De nota van wijziging (Kamerstuk 34 117, nr. 10);
De aangenomen amendementen.

Artikel 220a. Overgangsrecht

1. Indien een pensioenfonds voor de datum van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel E, van de Verzamelwet pensioenen 2012 is overgegaan tot verzekering bij een verzekeraar op basis van een kapitaalcontract als bedoeld in artikel 148a geldt het verbod tot verzekering op basis van een kapitaalcontract, bedoeld in artikel 148a, na afloop van het contract of een verlenging daarvan doch uiterlijk vijf jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel E, van de Verzamelwet pensioenen 2012.

2. Artikel 104, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van artikel I, onderdeel D, van de Wet versterking bestuur pensioenfondsen, blijft van toepassing op de leden, gewezen leden, werknemers die op een kandidatenlijst staan of gestaan hebben voor en de toegevoegd secretaris van een deelnemersraad.

3. De personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel V, onderdeel B, van de Wet versterking bestuur pensioenfondsen deel uitmaken van de raad van toezicht van een pensioenfonds, worden tot het einde van hun op dat tijdstip lopende benoemingstermijn, doch uiterlijk tot 1 januari 2017, geacht geschikt te zijn als bedoeld in artikel 105, derde lid, en, vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel D, van de Wet versterking bestuur pensioenfondsen, artikel 106, eerste lid, en betrouwbaar als bedoeld in artikel 105, vijfde lid, en vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel D, van de Wet versterking bestuur pensioenfondsen, artikel 106, derde lid, zolang niet een wijziging in de relevante feiten, omstandigheden of antecedenten een redelijke aanleiding geeft tot een beoordeling van die geschiktheid of betrouwbaarheid.

4. Indien een persoon die het beleid van een pensioenfonds bepaalt of mede bepaalt voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel V, onderdeel B, van de Wet versterking bestuur pensioenfondsen deskundig is in verband met de uitoefening van het bedrijf van het pensioenfonds wordt die persoon vanaf dat tijdstip geacht geschikt te zijn als bedoeld in artikel 105, derde lid, en vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel D, van de Wet versterking bestuur pensioenfondsen, artikel 106, eerste lid, zolang niet een wijziging in de relevante feiten en omstandigheden een redelijke aanleiding geeft tot een beoordeling of herbeoordeling van die geschiktheid.

5. Indien beroep is ingesteld op grond van de artikelen 217 en 218, zoals deze luidden voor inwerkingtreding van artikel I, onderdelen J en K, van de Wet versterking bestuur pensioenfondsen, wordt dit beroep afgehandeld met toepassing van de wet zoals die luidde voor inwerkingtreding van artikel I, onderdelen J en K, van de Wet versterking bestuur pensioenfondsen.

6. Een pensioenfonds dat in het eerste jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel P, van de Wet aanpassing financieel toetsingskader niet voldoet aan de bij of krachtens artikel 132 gestelde eisen, dient een herstelplan in op grond van artikel 138, waarbij het pensioenfonds, in afwijking van artikel 138, tweede lid, uitwerkt hoe het binnen 12 jaar zal voldoen aan artikel 132. Een pensioenfonds dat in het tweede jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel P, van de Wet aanpassing financieel toetsingskader niet voldoet aan de bij of krachtens artikel 132 gestelde eisen dient een herstelplan in op grond van artikel 138 of artikel 139, waarbij het pensioenfonds, in afwijking van artikel 138, tweede lid, of artikel 139, tweede lid, uitwerkt hoe het binnen 11 jaar zal voldoen aan artikel 132. Indien een pensioenfonds een herstelplan heeft vastgesteld met een termijn van 12 of 11 jaar is artikel 139, tweede lid, voor zover het betreft het hanteren van een gelijke termijn voor herstelplannen, van toepassing vanaf het vierde jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel P, van de Wet aanpassing financieel toetsingskader.

7. Artikel 140 is van toepassing op beleidsdekkingsgraden die zijn vastgesteld vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel R, van de Wet aanpassing financieel toetsingskader.

8. Op een op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel A, onder 2, van de Wet algemeen pensioenfonds bestaand ondernemingspensioenfonds verbonden aan meerdere ondernemingen of groepen als bedoeld in de definitie van ondernemingspensioenfonds in artikel 1, zoals dat luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel A, onder 2, van de Wet algemeen pensioenfonds blijven tot uiterlijk 5 jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel A, onder 2, van de Wet algemeen pensioenfonds de voor deze ondernemingspensioenfondsen gestelde regels in de artikelen 1, 2, elfde en twaalfde lid, 28, derde lid, 100, derde lid, 111, eerste lid, onderdeel m, 115, tweede lid, 115a, derde lid, onderdeel j, 123 en 125a, zoals deze luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel A, onder 2, van de Wet algemeen pensioenfonds, van toepassing.

9. Een voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel A, onder 3, van de Wet algemeen pensioenfonds bestaand pensioenfonds dat op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel A, onder 3, van de Wet algemeen pensioenfonds niet voldoet aan de definitie van pensioenfonds, bedoeld in artikel 1, omdat het geen stichting is, wordt gelijkgesteld met een pensioenfonds als bedoeld in artikel 1.

10. Indien een andere pensioenuitvoerder een algemeen pensioenfonds wordt is sprake van een situatie als bedoeld in artikel 83, eerste lid, onderdeel a is artikel 84 van overeenkomstige toepassing.

Parlementaire geschiedenis

Memorie van toelichting (Kamerstuk 34 117, nr. 3) – Algemeen deel

HOOFDSTUK 3. HOOFDLIJNEN VAN HET WETSVOORSTEL

(...)

3.2. Uitvoeringsmodel (p. 9)

(...)

Verder zullen voor het overbrengen van pensioenvermogens behorend bij al bestaande collectiviteitkringen waarvoor uitvoering wordt gezocht in het algemeen pensioenfonds de waarborgen gelden die volgen uit de bepalingen voor collectieve waardeoverdrachten.

(...)

HOOFDSTUK 4. IMPACT OP DE PENSIOENSECTOR

(...)

4.6. Het multi-opf verdwijnt binnen 5 jaar (p. 18)

Gezien het beperkte aantal bestaande multi-opf’en en de wens om een overzichtelijk speelveld binnen de pensioensector te behouden, vervalt – op termijn – de legitimatie om het multi-opf in stand te houden. Daarom komt er voor multi-opf’en een overgangsregime van 5 jaar waarbinnen zij zich kunnen omvormen tot, dan wel hun pensioenregelingen overplaatsen naar, een algemeen pensioenfonds.

(...)

HOOFDSTUK 8. TOEZICHTTOETSEN

(...)

8.4 Omzetting bestaand pensioenfonds naar een algemeen pensioenfonds en consolidatie (p. 27)

DNB ziet graag een wettelijke basis om een bestaand fonds, bij verkrijging van een vergunning van DNB voor het uitoefenen van het bedrijf van algemeen pensioenfonds, deze verandering uit te voeren, zonder aparte (externe) waardeoverdracht en zonder de oorspronkelijke instelling te hoeven liquideren. De regering wijst er op dat in het wetsvoorstel expliciet is geregeld dat indien een pensioenuitvoerder een algemeen pensioenfonds wordt er sprake is van collectieve waardeoverdracht. Dit ter bescherming van de belangen van de deelnemers.

Memorie van toelichting (Kamerstuk 34 117, nr. 3) – Artikelsgewijs deel

Artikel I, onderdeel V (p. 34)

Aan artikel 220a van de Pensioenwet wordt overgangsrecht toegevoegd voor het multi-opf. Na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel verdwijnt het multi-opf. Voor de bestaande multi-opf’n (thans twee) wordt een overgangstermijn voorgesteld van 5 jaar. Zij krijgen derhalve uiterlijk vijf jaar de tijd om over te gaan naar een andere vorm van uitvoering bijvoorbeeld door zich om te vormen tot een algemeen pensioenfonds. Tijdens de overgangstermijn blijven een aantal specifiek voor het multi-opf gemaakte bepalingen van toepassing bijvoorbeeld de bepaling op grond waarvan artikelen uit het financieel toetsingskader bij het multi-opf op ieder afgescheiden vermogen wordt toegepast.

In artikel I, onderdeel A, onder 3, wordt voorgesteld te regelen dat in de definitie van een pensioenfonds wordt opgenomen dat een pensioenfonds een stichting is. Voor de bestaande pensioenfondsen die een andere rechtsvorm hebben wordt in artikel 220a geregeld dat ze worden gelijkgesteld met een pensioenfonds. Ze kunnen dan blijven bestaan als pensioenfonds zonder dat ze hun rechtsvorm moeten wijzigen.

In het derde lid dat aan artikel 220a wordt toegevoegd wordt expliciet geregeld dat in de situatie dat bijvoorbeeld een ondernemingspensioenfonds zich omvormt tot algemeen pensioenfonds sprake is van een situatie waarbij de uitvoeringsovereenkomst met de «oude» overdragende pensioenuitvoerder beëindigd wordt en er waardeoverdracht plaatsvindt naar de nieuwe ontvangende pensioenuitvoerder waarmee een uitvoeringsovereenkomst is gesloten.

Nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstuk 34 117, nr. 9)

Hoofdstuk 4 Impact op de pensioensector (p. 30)

(...)

De leden van de VVD-fractie vragen waarom er niet voor gekozen is om de multi-opf overeind te laten voor de twee huidige multi-opf’en.

Gezien het beperkte aantal bestaande multi-opf’en en de wens om een overzichtelijk speelveld binnen de pensioensector te behouden, vervalt – op termijn – de legitimatie om het multi-opf in stand te houden. Daarom komt er voor multi-opf’en een overgangsregime van 5 jaar waarbinnen zij zich kunnen omvormen tot, dan wel hun pensioenregelingen overplaatsen naar, een algemeen pensioenfonds.

Nota van wijziging (Kamerstuk 34 117, nr. 10)

Onderdeel 8 en 9, onder 2 (p. 7)

In het overgangsrecht is opgenomen dat bij omvorming van een pensioenuitvoerder tot een algemeen pensioenfonds sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 83 van de Pensioenwet, derhalve een collectieve waardeoverdracht op verzoek van de werkgever. Bij nader inzien is de situatie van omvorming echter meer te vergelijken met een collectieve waardeoverdracht als bedoeld in artikel 84 van de Pensioenwet, derhalve waardeoverdracht na liquidatie van de pensioenuitvoerder met name omdat er in de situatie van omvorming geen «oude uitvoerder» achterblijft. Artikel 220a van de Pensioenwet en artikel 4a van de Wet verplichte beroepspensioenregeling worden in die zin aangepast.

Nota naar aanleiding van het nader verslag (Kamerstuk 34 117, nr. 13)

Hoofdstuk 2. Waarom (nu) een algemeen pensioenfonds? (p. 3-4)

(...)

Zoals in de memorie van toelichting van het wetsvoorstel algemeen pensioenfonds is aangegeven[Kamerstukken 2014/15, 34 117, nr. 3, blz. 6.] zal met de introductie van het algemeen pensioenfonds het gebruik van het multi-opf naar verwachting niet verder toenemen. Gezien het kleine aantal multi-opf’en en de wens om een overzichtelijk speelveld te behouden vervalt daarmee – op termijn – de legitimatie om het multi-opf in stand te houden. Daarom geldt voor multi-opf’en een overgangsregime van 5 jaar waarbinnen zij in staat worden gesteld zich om te vormen tot, dan wel de pensioenregelingen te laten uitvoeren door, een algemeen pensioenfonds. Het algemeen pensioenfonds is een nieuw soort pensioenfonds dat nadrukkelijk bedoeld is om sociale partners meer keuzes te bieden in de consolidatieslag die gaande is. Daarbij is de reikwijdte van het algemeen pensioenfonds breder dan de reikwijdte van het multi-opf. Het algemeen pensioenfonds ziet niet alleen op ondernemingspensioenfondsen, maar ook op beroepspensioenregelingen en niet-verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen. De regering onderzoekt momenteel of het mogelijk is dat verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen ook het algemeen pensioenfonds kunnen benutten binnen de randvoorwaarden die de Europese mededingingsregels stellen.