Algemeen Pensioenfonds - Artikel 121a. Uitbreiding werkingssfeer verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds


Per wetsartikel worden de (voorgestelde) wijzigingen met een kleur getoond, waarbij de kleur afhankelijk is van het betreffende kamerstuk waaruit de wijziging voortvloeit:

Het Wetsvoorstel algemeen pensioenfonds (Kamerstuk 34 117, nr. 2);
De nota van wijziging (Kamerstuk 34 117, nr. 10);
De aangenomen amendementen.

Artikel 121a. Uitbreiding werkingssfeer verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds

Artikel 121 is van overeenkomstige toepassing bij uitbreiding van de werkingssfeer van een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds met een bedrijfstak of deel van een bedrijfstak waarbij deelneming aan het bedrijfstakpensioenfonds voor in die bedrijfstak werkzame personen niet verplicht is gesteld.

Parlementaire geschiedenis

Memorie van toelichting (Kamerstuk 34 117, nr. 3) – Algemeen deel

HOOFDSTUK 4. IMPACT OP DE PENSIOENSECTOR

(...)

4.5. Introductie van het algemeen pensioenfonds kan het aantal vrijwillige aansluitingen bij bedrijfstakpensioenfondsen beïnvloeden (p. 16-18)

Met de introductie van het algemeen pensioenfonds ontstaat voor sociale partners een extra keuzemogelijkheid die van invloed kan zijn op de vrijwillige aansluiting bij bestaande verplichtgestelde en niet-verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen die opereren op basis van het uitgangspunt van één financieel geheel. Daarnaast zullen ook werkgevers die vrijstelling hebben gekregen van de verplichte deelname bij een bedrijfstakpensioenfonds hun pensioenregeling kunnen onderbrengen bij een algemeen pensioenfonds.

Uiteraard blijven de mogelijkheden voor sociale partners om onderdeel te worden van een verplicht bedrijfstakpensioenfonds door middel van uitbreiding van de verplichtstelling en een vrijwillige aansluiting conform artikel 121 van de Pensioenwet behouden. De eisen uit artikel 121 zijn dat de loonontwikkeling bij de werkgever ten minste gelijk is aan die in een bedrijfstak waarin het bedrijfstakpensioenfonds werkzaam is en de werkgever deelneemt in de sociale fondsen van dezelfde bedrijfstak, er sprake is van een groepsverhouding tussen de werkgever die zich vrijwillig wil aansluiten en een andere werkgever die onder de werkingssfeer van het bedrijfstakpensioenfonds valt, of dit aansluitend gebeurt aan een periode waarin de werkgever wel onder de werkingssfeer van het bedrijfstakpensioenfonds viel.

In het kader van een gelijk speelveld acht de regering het wenselijk om deze eisen uit artikel 121 ook toe te passen op de mogelijkheid om door middel van een aanpassing van de statutaire werkingssfeer onderdeel te worden van een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds [Verwezen zij ook naar de brief van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 1 december 2014 over aansluitingsbeleid Pensioenfonds voor de Grafische Bedrijven, Kamerstukken II 2014/15, 32 043, nr. 237.].

De huidige pensioenwetgeving staat niet in de weg dat de statutaire werkingssfeer ruimer is dan de verplichtstelling. Dat betekent dat een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds op basis van de huidige pensioenwetgeving als pensioenuitvoerder kan optreden voor (meerdere) ondernemingen/bedrijfstakken of delen van een bedrijfstak die niet onder de verplichtstelling vallen. De handelwijze biedt sociale partners, in het kader van de consolidatie die momenteel gaande is onder pensioenfondsen, ook meer keuzemogelijkheden voor het onderbrengen van hun pensioenregelingen.

Dat laat onverlet dat kanttekeningen kunnen worden geplaatst bij de wijze waarop het aansluitingsbeleid van sommige verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen nu plaatsvindt, mede in relatie tot het algemeen pensioenfonds. Dat betreft vooral het feit dat verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen op de zakelijke markt van uitvoering van pensioenregelingen van werkgevers uiteindelijk concurreren om dezelfde deelnemers met verzekeraars, waarbij het verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfonds haar verplichtstelling gebruikt om andere (onderneming)pensioenfondsen op te nemen die niet direct tot de bedrijfstak lijken te behoren, terwijl verzekeraars in die concurrentie de met een verplichtstelling samenhangende voordelen niet hebben.

In dit wetsvoorstel is mede daarom opgenomen dat het verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen niet is toegestaan zich om te vormen tot, of hun pensioenregelingen uit te laten voeren door, een algemeen pensioenfonds. Enerzijds heeft dit als voordeel dat voor alle betrokkenen de duidelijkheid en transparantie van het proces wordt vergroot. Immers, de aanpassing van de statutaire werkingssfeer betreft ook een vrijwillige (zijnde niet onder de verplichtstelling vallende) aansluiting en er valt niet in te zien waarom hier de eisen van artikel 121 Pensioenwet niet zouden moeten gelden. Anderzijds wordt voor het verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfonds een gelijkwaardige en transparante uitgangspositie ten opzichte van het algemeen pensioenfonds gecreëerd. Dat is in het belang van de deelnemers.

Tot de daadwerkelijke inwerkingtreding van dit wetsvoorstel moet de grootst mogelijke terughoudendheid betracht worden bij het realiseren van uitbreidingen via het vaststellen van de statutaire werkingssfeer, zowel waar het nieuwe aansluitingen betreft als bij aansluitingen waarover op dit moment met andere partijen wordt gesproken.

(...)

HOOFDSTUK 8. TOEZICHTTOETSEN

(...)

8.4 Omzetting bestaand pensioenfonds naar een algemeen pensioenfonds en consolidatie (p. 27)

(...)

DNB wijst op de voorgestelde strengere wettelijke eisen aan de aansluiting bij verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen en is van mening dat dit mogelijk in een overgangsperiode tot vertraging van de (deels reeds ingezette) door pensioenfondsen gewenste consolidatie kan leiden omdat aansluiting bij een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds lastiger wordt, terwijl het algemeen pensioenfonds nog niet operationeel is. De regering is van mening dat door het behouden van de mogelijkheid voor verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen om aansluitingen te realiseren door middel van uitbreiding van de verplichtstelling en via vrijwillige aansluitingen conform artikel 121 van de Pensioenwet, van de door DNB geschetste vertraging geen sprake zal zijn. Daarbij wijst de regering er ook op dat pensioenfondsen die overwegen hun pensioenregeling onder te brengen bij een andere pensioenuitvoerder met de indiening van dit wetsvoorstel reeds in de gelegenheid worden gesteld om te anticiperen op de overgang naar een algemeen pensioenfonds.

Memorie van toelichting (Kamerstuk 34 117, nr. 3) – Artikelsgewijs deel

Artikel I, onderdeel Q (p. 32-33)

In artikel 121 van de Pensioenwet is een regeling opgenomen op grond waarvan een bedrijfstakpensioenfonds een uitvoeringsovereenkomst kan sluiten met een werkgever die niet onder de werkingssfeer van het bedrijfstakpensioenfonds valt, maar die zich vrijwillig bij het bedrijfstakpensioenfonds wil aansluiten. Dit kan indien de werkgever aan een van drie genoemde voorwaarden voldoet.

Naast de vrijwillige aansluiting van een werkgever die niet onder de werkingssfeer valt kan een bedrijfstakpensioenfonds ook de werkingssfeer statutair uitbreiden. Daarvoor gelden nu geen vergelijkbare regels. In het nieuwe artikel 121a wordt voorgesteld om dezelfde voorwaarden als voor de vrijwillige aansluiting te gaan hanteren indien een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds de werkingssfeer wil uitbreiden met een (deel van een) bedrijfstak waarbij deelname aan het bedrijfstakpensioenfonds voor dat deel niet verplicht wordt gesteld. De voorwaarden gelden dus niet bij uitbreiding van de werkingssfeer door uitbreiding van de verplichtstelling of opname van een ander verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds maar alleen bij uitbreiding van de werkingssfeer met een «vrijwillig» deel.

Uitbreiding van de werkingssfeer is dan mogelijk als de loonontwikkeling ten minste gelijk is aan die van de verplichtgestelde bedrijfstak van het bedrijfstakpensioenfonds en de werkgever(s) deelnemen aan de sociale fondsen van die bedrijfstak, als er sprake is van een groepsverhouding met een werkgever die al onder de werkingssfeer valt, of als dit gebeurt aansluitend aan een periode waarin de werkgever wel onder de werkingssfeer viel.

Nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstuk 34 117, nr. 9)

4.1 Verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen (p. 31-32)

(...)

Wel hecht de regering eraan te vermelden dat verplichte bedrijfstakpensioenfondsen beschikken over andere mogelijkheden om tot schaalvergroting te komen. Bijvoorbeeld via het uitbreiden van de verplichtstelling. Die mogelijkheid staat niet ter beschikking van bijvoorbeeld ondernemingspensioenfondsen. Datzelfde geldt voor de mogelijkheid van verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen om tot schaalvergroting komen door uitbreiding via de statutaire werkingssfeer conform het nieuwe artikel 121a van de Pensioenwet.

(...)

4.2 Statutaire uitbreiding van de werkingssfeer van verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen (p. 32-34)

De leden van de VVD-fractie vragen wat de regering bedoelt als zij schrijft dat er tot daadwerkelijke inwerkingtreding van dit wetsvoorstel de grootst mogelijke terughoudendheid betracht dient te worden bij het realiseren van uitbreidingen via het vaststellen van de statutaire werkingssfeer. Het is immers nu toch per wet niet verboden om op deze manier nieuwe aansluitingen mogelijk te maken?

De leden van de PvdA-fractie vinden het niet wenselijk om het voorgestelde nieuwe artikel 121a in werking te laten treden voordat het algemeen pensioenfonds (inclusief de variant waarbij een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds kan aansluiten bij een algemeen pensioenfonds) wettelijk is geregeld en operationeel is en vragen een reactie van de regering.

Het lid van de 50PLUS-fractie vraagt of het klopt dat sociale partners op basis van het wetsvoorstel onder géén beding meer de gelegenheid krijgen om de werkingssfeer van een verplicht gesteld pensioenfonds aan te passen. Kan uitgelegd worden waarom de keuzemogelijkheden voor sociale partners om een pensioenregeling zo goed mogelijk onder te brengen bij een pensioenfonds of verzekeraar beperkt moeten worden. Waarom nu deze beperking, als er nog géén duidelijkheid is of een verplicht bedrijfstakpensioen al of niet op termijn gebruik kan maken van een algemeen pensioenfonds?

De leden van de D66-fractie vragen of de voorwaarden in het nieuwe artikel 121a met betrekking tot de uitbreiding van de statutaire werkingssfeer van verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen betekent dat na inwerkingtreding van het wetsvoorstel nog nieuwe vrijwillige aansluitingen bij een verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds kunnen plaatsvinden voor zover een werkgever buiten de werkingssfeer van de verplichtstelling maar binnen de huidige statutaire werkingssfeer van dat bedrijfstakpensioenfonds valt. Acht de regering dit wenselijk? En welke nadere wettelijke bepalingen zijn mogelijk om deze vrijwillige aansluitingen te voorkomen, zo informeren de leden van deze fractie.

Bedrijfstakpensioenfondsen hebben de afgelopen jaren een belangrijke rol gespeeld in de consolidatie van het aantal pensioenfondsen. Er zijn verschillende manieren voor aansluiting bij een verplicht bedrijfstakpensioenfonds. Allereerst is er de mogelijkheid om de verplichtstelling uit te breiden. Daarnaast kan volgens artikel 121 van de Pensioenwet een bedrijfstakpensioenfonds een uitvoeringsovereenkomst sluiten met een werkgever die niet onder de werkingssfeer van het bedrijfstakpensioenfonds valt, maar die zich op vrijwillige basis wil aansluiten mits aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Een derde manier is dat de statutaire werkingssfeer wordt gewijzigd waarbij andere (delen van) bedrijfstakken worden omschreven waarvoor het bedrijfstakpensioenfonds werkzaam kan zijn. Hierdoor kan de statutaire werkingssfeer ruimer zijn dan de verplichtstelling van een bedrijfstakpensioenfonds. Hoewel de huidige pensioenwetgeving dit niet in de weg staat, kunnen zich daardoor verschillende bedrijven en branches aansluiten bij een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds die niet of nauwelijks verbonden zijn met de bedrijfstak waarvoor de verplichtstelling is afgegeven.

Daardoor ontstaat de situatie dat op de zakelijke markt van uitvoering van pensioenregelingen van werkgevers het verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfonds uiteindelijk concurreert om dezelfde deelnemers met verzekeraars, waarbij de verplichtstelling wordt gebruikt om andere pensioenfondsen op te nemen, terwijl verzekeraars in die concurrentie de met een verplichtstelling samenhangende voordelen niet hebben. In het wetsvoorstel is mede daarom voorgesteld om verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen niet toe te staan zich om te vormen tot, of hun regelingen uit te laten voeren door, een algemeen pensioenfonds.

Een dergelijk gebruik van de uitbreiding via de statutaire werkingssfeer is niet voorzien. Daarom worden nadere voorwaarden verbonden aan het aansluitingsbeleid van verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen, dat plaatsvindt via een (voortdurende) uitbreiding van de statutaire werking met een (deel van een) bedrijfstak. Deze voorwaarden zijn neergelegd in het nieuwe artikel 121a. Indien aan die randvoorwaarden wordt voldaan kan de statutaire werkingssfeer worden uitgebreid. Omdat het nieuwe artikel 121a ziet op een uitbreiding van de statutaire werkingssfeer zijn er geen effecten voor wat betreft de vrijwillige aansluitingen die binnen de huidige werkingssfeer plaatsvinden.

De voorwaarden uit het nieuwe artikel 121a gelden niet bij uitbreiding van de verplichtstelling of opname van een ander verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds, maar uitsluitend bij uitbreiding van de werkingssfeer met een «vrijwillig» deel.

Naar de mening van de regering is hiermee sprake van een evenwichtige situatie, waarbij enerzijds nadere voorwaarden worden gesteld aan de uitbreiding van de statutaire werkingssfeer terwijl anderzijds verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen andere opties hebben om hun rol in de consolidatie van de pensioenfondsen te blijven vervullen.

Tegelijkertijd gelden tot de daadwerkelijke inwerkingtreding van dit wetsvoorstel de voorwaarden uit het nieuwe artikel 121a niet. In het kader van evenwichtigheid is de regering gezien het voorgaande van mening dat verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen de grootst mogelijke terughoudendheid dienen te betrachten bij uitbreiding van de statutaire werkingssfeer. Het is immers niet wenselijk dat voor de inwerkingtreding van het wetsvoorstel nog aanpassingen van de statutaire werkingssfeer plaatsvinden gezien de eerder genoemde kanttekeningen.

De regering acht het ook niet opportuun om artikel 121a op een later tijdstip in te laten gaan, gezien het feit dat er dan een situatie ontstaat waarbij aan de ene kant randvoorwaarden gelden voor de aansluiting bij een algemeen pensioenfonds terwijl het uitbreiden van de statutaire werkingssfeer voor een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds verder geen randvoorwaarden kent. De regering acht het, zoals eerder aangegeven in deze nota naar aanleiding van het verslag, niet wenselijk reeds op dit moment verplichtgestelde bpf’en toe te staan in een algemeen pensioenfonds.

Het is in beginsel mogelijk om vrijwillige aansluitingen bij een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds niet langer toe te staan door artikel 121 van de Pensioenwet te laten vervallen. De regering is echter van mening dat het aan de betrokken sociale partners is om af te wegen of een vrijwillige aansluiting opportuun is gezien de specifieke omstandigheden en voor zover die passen binnen de wettelijke voorwaarden. Het laten vervallen van artikel 121 heeft naar de mening van de regering daarom niet de voorkeur, zeker gezien het alternatief dat is verwoord in het nieuwe artikel 121a dat de regering evenzo adequaat en meer proportioneel acht.

Nota naar aanleiding van het nader verslag (Kamerstuk 34 117, nr. 13)

4.1 Verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen (p.10-11)

(...)

Wel hecht de regering eraan te vermelden dat verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen beschikken over andere mogelijkheden om tot schaalvergroting te komen. Bijvoorbeeld via het uitbreiden van de verplichtstelling. Die mogelijkheid staat niet ter beschikking van bijvoorbeeld ondernemingspensioenfondsen. Datzelfde geldt voor de mogelijkheid van verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen om tot schaalvergroting komen door uitbreiding via de statutaire werkingssfeer conform het nieuwe artikel 121a van de Pensioenwet of via vrijwillige aansluiting van een werkgever conform de voorwaarden uit artikel 121 van de Pensioenwet. Deze voorwaarden zijn dat de loonontwikkeling bij de werkgever ten minste gelijk is aan die in een bedrijfstak waarin het bedrijfstakpensioenfonds werkzaam is en de werkgever deelneemt in de sociale fondsen van dezelfde bedrijfstak, er sprake is van een groepsverhouding tussen de werkgever die zich vrijwillig wil aansluiten en een andere werkgever die onder de werkingssfeer van het bedrijfstakpensioenfonds valt, of dat dit aansluitend gebeurd aan een periode waarin de werkgever wel onder de werkingssfeer van het bedrijfstakpensioenfonds viel.

(...)

4.2 Statutaire uitbreiding van de werkingssfeer van verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen

De leden van de D66-fractie lezen in paragraaf 4.2 van het nota n.a.v. het verslag dat de regering van mening is dat verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen de grootst mogelijke terughoudendheid dienen te betrachten bij uitbreiding van de statutaire werkingssfeer. De regering acht het niet wenselijk dat voor de inwerkingtreding van het wetsvoorstel nog aanpassingen van de statutaire werkingssfeer plaatsvinden. Hoe zal de regering omgaan met een uitbreiding van de statutaire werkingssfeer indien die evenwel toch plaatsvindt? Deze leden vragen dit, mede in het licht van recente mediaberichtgeving rondom het Pensioenfonds Grafisch Bedrijf. Voorts vragen deze leden of de regering van plan is om aanvullende maatregelen te nemen voor het geval op het moment van inwerkingtreding van onderhavig wetsvoorstel de statutaire werkingssfeer van een bedrijfstakpensioenfonds al ruimer is dan de verplichtstelling. Zal de regering bij de inwerkingtreding bestaande aansluitingen die vallen onder de werkingssfeer zonder meer accepteren?

De regering vertrouwt erop dat sociale partners de oproep om uiterste terughoudendheid te betrachten bij een uitbreiding van de statutaire werkingssfeer tot inwerkingtreding van het wetsvoorstel algemeen pensioenfonds zeer serieus nemen. Mocht dat onverhoopt niet het geval zijn dan zal de regering inventariseren welke nadere consequenties zij daaraan kan verbinden. De regering hecht eraan te benadrukken dat haar oproep geen betrekking had op een uitbreiding van de statutaire werkingssfeer om een uitbreiding van de verplichtstelling mogelijk te maken. Deze optie blijft beschikbaar voor verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen en het wetsvoorstel algemeen pensioenfonds verandert dat niet. Immers, om een uitbreiding van de verplichtstelling te realiseren is het noodzakelijk ook de statutaire werkingssfeer aan te passen aangezien die niet enger gedefinieerd kan zijn dan de verplichtstelling. De beoogde aansluiting van het verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfonds voor de Zeevisserij bij het verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfonds voor de Grafische Bedrijven valt onder deze laatste categorie.

De regering is niet voornemens om met terugwerkende kracht uitbreidingen van de statutaire werkingssfeer die reeds hebben plaatsgevonden onder de eisen van het nieuwe artikel 121a te brengen. De meerwaarde van een dergelijk exercitie steekt naar de mening van de regering schril af tegen de complexiteit en kosten die daarmee gemoeid zijn.