Algemeen Pensioenfonds - Artikel 117. Uitvoering vrijwillige pensioenregeling


Per wetsartikel worden de (voorgestelde) wijzigingen met een kleur getoond, waarbij de kleur afhankelijk is van het betreffende kamerstuk waaruit de wijziging voortvloeit:

Het Wetsvoorstel algemeen pensioenfonds (Kamerstuk 34 117, nr. 2);
De nota van wijziging (Kamerstuk 34 117, nr. 10);
De aangenomen amendementen.

Artikel 117. Uitvoering vrijwillige pensioenregeling

1. Een pensioenfonds kan uitsluitend een vrijwillige pensioenregeling uitvoeren indien dit een aanvulling op een door datzelfde pensioenfonds uitgevoerde basispensioenregeling betreft.

2. Een pensioenfonds kan een fiscaal bovenmatige pensioenregeling uitsluitend uitvoeren als vrijwillige pensioenregeling.

3. Onder een fiscaal bovenmatige pensioenregeling als bedoeld in het tweede lid wordt verstaan: een pensioenregeling die niet blijft binnen de begrenzingen die zijn opgenomen in de hoofdstukken IIB en VIII van de Wet op de loonbelasting 1964.

4. Voor de toepassing van het derde lid zijn de artikelen 3.18, vierde en vijfde lid, en 3.95, eerste lid, tweede volzin, van de Wet inkomstenbelasting 2001 van overeenkomstige toepassing voor zover aan de pensioenregeling wordt deelgenomen door deelnemers die niet worden aangemerkt als werknemer in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964.

5. Bij een algemeen pensioenfonds maken de basispensioenregeling en de vrijwillige pensioenregeling die in aanvulling op deze basispensioenregeling wordt uitgevoerd deel uit van hetzelfde afgescheiden vermogen. Bij een algemeen pensioenfonds kan de vrijwillige pensioenregeling die in aanvulling op de basispensioenregeling wordt uitgevoerd deel uitmaken van een ander afgescheiden vermogen dan deze basispensioenregeling.

6. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het bepaalde in het vijfde lid.

7. De voordracht voor een krachtens het zesde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Parlementaire geschiedenis

Memorie van toelichting (Kamerstuk 34 117, nr. 3) – Artikelsgewijs deel

Artikel I, onderdeel P (p. 32)

In het kader van de taakafbakening regelt artikel 117 van de Pensioenwet dat een pensioenfonds uitsluitend een vrijwillige pensioenregeling kan uitvoeren indien dit een aanvulling is op een door hetzelfde pensioenfonds uitgevoerde basispensioenregeling.

Aan dit artikel wordt een lid toegevoegd dat regelt dat bij een algemeen pensioenfonds de basispensioenregeling en de vrijwillige pensioenregeling onderdeel zijn van hetzelfde afgescheiden vermogen. Een algemeen pensioenfonds moet een vrijwillige pensioenregeling dus in dezelfde collectiviteitkring onderbrengen als de basispensioenregeling waar deze vrijwillige pensioenregeling een aanvulling op is.

Nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstuk 34 117, nr. 9)

Hoofdstuk 3. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel

(...)

3.10 Vrijwillige pensioenregelingen (p. 28-30)

De leden van de fracties van de VVD, de PvdA, de ChristenUnie en 50PLUS vragen naar de mogelijkheden om vrijwillige pensioenregelingen in een algemeen pensioenfonds uit te kunnen voeren. De leden van de fracties van de VVD, PvdA en 50PLUS vragen hoe wordt omgegaan met de vrijwillige nettopensioenregelingen voor inkomen boven € 100.000,–. De leden van de fracties van de VVD en ChristenUnie vragen daarbij naar de wenselijkheid van het scheiden van de uitvoering van (verplichte) Defined-Benefit regelingen en vrijwillige Defined-Contribution regelingen. De leden van de fractie van de VVD vragen bovendien naar de uitvoerbaarheid van excedentregelingen.

Zoals is aangegeven in de memorie van toelichting van dit wetsvoorstel wordt met de introductie van een algemeen pensioenfonds één element uit de taakafbakening, te weten de domeinafbakening, verlaten. Een ander element uit de taakafbakening, namelijk de productafbakening, blijft met dit voorstel ongewijzigd. Deze keuze is gemaakt in het kader van de doelstelling van de taakafbakening de kans op oneerlijke concurrentie en misbruik van de machtspositie die diverse pensioenfondsen (dankzij de verplichtstelling) hebben te voorkomen, als pensioenfondsen onbelemmerd op de markt optreden. Op grond van die taakafbakeningafspraken worden pensioenfondsen zowel wat betreft hun domein (welke werkgevers mogen zich bij een fonds aansluiten) als wat betreft de ≪producten≫ die zij mogen voeren beperkt.

Bij dit wetsvoorstel zijn de afspraken over de domeinafbakening verlaten, opdat bij een algemeen pensioenfonds pensioenregelingen van verschillende werkgevers kunnen worden uitgevoerd in aparte collectiviteitkringen die elk een eigen governancestructuur hebben. Die vorm heeft tot gevolg dat als bij een van die collectiviteitkringen het kortinginstrument wordt toegepast, de andere collectiviteitkringen binnen het algemeen pensioenfonds door dat kortingsinstrument niet worden geraakt. Dan geldt ook voor elke collectiviteitkring het huidige uitgangspunt van de Pensioenwet dat elk pensioenfonds één financieel geheel is en dat een pensioenfonds meerdere pensioenregelingen en pensioensoorten kan uitvoeren die elk een eigenstandige kostendekkende premie hebben. In die vorm heeft elke collectiviteitkring – net als bij een pensioenfonds – de mogelijkheid bepaalde activiteiten extern onder te brengen (bv. bij een verzekeraar).

Bij een algemeen pensioenfonds kunnen basispensioenregelingen van verschillende werkgevers worden geïntegreerd binnen één collectiviteitkring. Dat kan via de mogelijkheid dat in een collectiviteitkring van het algemeen pensioenfonds een basispensioenregeling wordt uitgevoerd die door de betrokken werkgevers wordt opengesteld voor andere werkgevers. Maar het kan ook via de weg dat een of meerdere ondernemingen besluiten om verschillende pensioenregelingen in één collectiviteitkring onder te brengen. In dat geval zal ook de governancestructuur van de voorheen aparte collectiviteitkringen worden geïntegreerd. Als een pensioenfonds dat niet wenst, bestaat er nog de mogelijkheid om voor één pensioenregeling een eigen collectiviteitkring aan te houden.

Het bovenstaande heeft ook gevolgen voor de toepassing van de afspraken over de productafbakening. Een van die afspraken over de productafbakening (die tot uitdrukking komt in collectiviteit- en solidariteitseisen waaraan pensioenregelingen moeten voldoen om uitgevoerd te kunnen worden door pensioenfondsen) is dat pensioenfondsen niet uitsluitend vrijwillige pensioenregelingen mogen aanbieden. Vrijwillige voorzieningen bij pensioenfondsen moeten dus altijd gekoppeld zijn aan een voor de deelnemers verplichte collectieve basispensioenregeling [Kamerstukken II 2005/06, 30 413, nr. 3 blz. 70.]. Deze voorwaarde is tot uitdrukking gebracht in artikel 117 van de Pensioenwet. De voorwaarde van één financieel geheel impliceert binnen het uitgangspunt van de Pensioenwet dat een pensioenfonds meerdere pensioenregelingen en pensioensoorten kan uitvoeren, dat een eventuele kortingsmaatregel zowel op de basisregeling als op de vrijwillige pensioenregeling van toepassing is. Op grond van deze afspraken over de taakafbakening is de mogelijkheid om een vrijwillige pensioenregeling los van een basisregeling uit te voeren alleen toegestaan als die vrijwillige regeling wordt uitgevoerd door een verzekeraar.

Deze afspraken over de productafbakening gelden ook voor een algemeen pensioenfonds als sprake is van aparte collectiviteitkringen. Als binnen een algemeen pensioenfonds met aparte collectiviteitkringen (met dus ook eigen governancestructuren) de vrijwillige pensioenregeling die behoort tot de ene collectiviteitkring zou open staan voor een andere collectiviteitkring, dan zouden de afspraken over de productafbakening worden doorbroken.

Maar als binnen een algemeen pensioenfonds twee basisregelingen zijn geïntegreerd binnen één collectiviteitkring en als dan één van de oorspronkelijke basisregelingen een aanvulling had in de vorm van een vrijwillige pensioenregeling, dan kan die vrijwillige pensioenregeling ook onderdeel worden van die nieuw te vormen collectiviteitkring die de geïntegreerde basisregeling(en) voor die werkgevers uitvoert. Uiteraard is dat afhankelijk van de besluiten die de betrokken ondernemingen daarover maken, rekening houdend met het risicoprofiel en/of het beleid met betrekking tot de betrokken regelingen.

De regering neemt aan dat hiermee tevens antwoord is gegeven op de vragen van de leden van de fracties van de VVD, de PvdA en 50PLUS hoe wordt omgegaan met de (vrijwillige) nettopensioenregelingen voor inkomen boven € 100.000,– en of deze regelingen in aparte collectiviteitkringen kunnen worden ondergebracht. Het bovengenoemd uitgangspunt over de productafbakening is ook van toepassing op de uitvoering van een nettopensioenregeling. Immers, nettopensioen is een vrijwillige pensioenregeling als bedoeld in artikel 117 van de Pensioenwet. Naast de eisen uit hoofde van artikel 117 van de Pensioenwet, zal nettopensioen ook moeten voldoen aan de voorwaarden in het besluit van 11 december 2014 tot wijziging van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling in verband met uitvoering van het nettopensioen en de waarborg voor fiscale hygiëne van het nettopensioen (Stb. 2014, 529).

Nota naar aanleiding van het nader verslag (Kamerstuk 34 117, nr. 13)

3.5 Vrijwillige pensioenregelingen

De leden van de ChristeUnie-fractie vragen om een toelichting of het hebben van een aparte ring voor vrijwillige netto pensioenregelingen niet tevens zal bijdragen aan de fiscale hygiëne. Acht de regering het wenselijk om een aparte ring voor vrijwillige regelingen binnen het algemeen pensioenfonds alsnog mogelijk te maken onder de voorwaarde dat de basisregeling(en) ook bij het betreffende algemeen pensioenfonds zijn ondergebracht, zo willen deze leden weten.

Het is juist dat het onderbrengen van vrijwillige nettopensioenregelingen in een aparte collectiviteitkring zal bijdragen aan de fiscale hygiëne. Als basispensioenregelingen (waaruit belaste uitkeringen worden gedaan) en nettopensioenregelingen (waaruit onbelaste uitkeringen worden gedaan) worden ondergebracht in aparte collectiviteitkringen, kan er geen vermenging van de middelen voor deze basis- en nettopensioenregelingen plaatsvinden.

Zoals is aangegeven in de memorie van toelichting van dit wetsvoorstel wordt met de introductie van een algemeen pensioenfonds één element uit de taakafbakening, te weten de domeinafbakening, verlaten. Een ander element uit de taakafbakening, namelijk de productafbakening, blijft met dit voorstel ongewijzigd. Zoals uitvoerig beschreven in de nota naar aanleiding van het verslag[Kamerstukken 2014/2015, 34 117, nr. 9, blz. 28–30.], kan mogelijk strijd ontstaan met deze afspraken over de productafbakening wanneer een aparte collectiviteitkring voor vrijwillige regelingen binnen het APF wordt toegestaan.

De productafbakening is ook van toepassing op de uitvoering van een nettopensioenregeling. Immers, nettopensioen is een vrijwillige pensioenregeling als bedoeld in artikel 117 van de Pensioenwet.

Het verslag van de plenaire behandeling Tweede Kamer (Handelingen 2014-2015, nr. 96, item 32)

[Opgenomen zijn de eerste en de tweede termijn van de staatssecretaris p. 22-23, 26]

Staatssecretaris Klijnsma:

Dan kom ik bij het laatste amendement, het amendement op stuk nr. 16 van de leden Van Weyenberg en Krol. Dat amendement gaat over de vrijwillige nettopensioenregeling binnen een aparte collectiviteitskring. Vanuit de wens om in het kader van dit wetsvoorstel te komen tot het realiseren van schaalvoordelen en tot beperking van bestuurlijke lasten en uitvoeringskosten heb ik tegen dit amendement geen bezwaar. Ook het oordeel over dit amendement laat ik aan de Kamer.

De heer Omtzigt (CDA):

Ik had bij dit amendement de vraag gesteld hoe je deze kwestie ontvlecht op het moment dat men met een pensioenregeling uit de API treedt. Dan zijn ze samengevoegd. Is daar dan in voorzien?

Staatssecretaris Klijnsma:

Ik vind dat de sociale partners vooraf heldere afspraken moeten maken over de vraag: stappen wij hier nu wel of niet in? Dan moet men ook goed doordenken over de voor- en nadelen. Het gaat in deze context meestal om DC-regelingen, 100.000-plusregelingen. Daar moet men goed over nadenken.

De heer Omtzigt (CDA):

Er komt nu iets heel raars in de wet te staan. De API was bedoeld om te ringfencen. Om alles wat bij één werkgever hoort, zit het ene ringetje. Om alles wat bij de andere werkgever hoort, zit een ander ringetje. Een gedeelte daarvan, nu nog een klein deel — als bepaalde verkiezingsprogramma's worden uitgevoerd, wordt het echter een groot deel — wordt samengevoegd. Je krijgt dan een pensioenfonds dat aan de bovenkant niet geringfenced is maar aan de onderkant wel. Dat is een heel raar mengsel. Er is geen enkele reden om dat te doen. Je kunt het niet uit elkaar halen. Dan schiet je je doel toch voorbij? Ik snap wel dat je schaalvoordelen wilt behalen maar je gaat recht in het hart van de API en het idee dat je als werkgever kunt kiezen om bij een API weg te gaan, want dat kun je niet meer. Je moet er als wetgever toch van tevoren bij stilstaan hoe je er eventueel uittreedt op het moment dat je ruzie hebt of op het moment dat je met de uitvoerder in de clinch ligt? Dit is overigens niet hetzelfde als die andere pensioenregeling. Hoe gaat dat? Dat hoort bij de wetsbehandeling, zeker als het oordeel over het amendement aan de Kamer wordt overgelaten.

Staatssecretaris Klijnsma:

Ik zeg niet voor niets, ook voor de Handelingen, dat het essentieel is dat de sociale partners zich van tevoren realiseren waar zij precies "ja" tegen zeggen. Ze moeten ook van tevoren bekijken hoe ze willen omgaan met eventuele in- of uittredingen. Ik leg dit dus bij de sociale partners maar het is heel goed dat wij dit nog een keer onderstrepen in de Handelingen.

De heer Omtzigt (CDA):

Wetgeving is niet bedoeld voor situaties waarbij sprake is overleg, maar voor situaties waarbij sprake is van een conflict. Juist daarvoor heb je wetgeving, of het nu gaat om een echtscheiding of dat sprake is van contractrecht. Als twee partijen met elkaar in de clinch liggen, moet je ergens op kunnen terugvallen. Dan moet je in de wet kunnen teruglezen hoe je het kunt oplossen, zodat partijen uit elkaar kunnen. Als partijen worden samengevoegd en je zet expliciet in de wet dat ze eruit mogen stappen, moet je ook vastleggen hoe het proces precies in elkaar zit. Dat gebeurt niet in het amendement. We krijgen later dus problemen als daarover geen afspraken worden gemaakt, hetgeen dus niet gebeurt. Komt ergens een manier van conflictresolutie in te staan, of wachten wij totdat een API-bestuur een keer ontploft?

Staatssecretaris Klijnsma:

De strekking van het amendement laat ik oordeel Kamer maar de aanvullende vragen die de heer Omtzigt in eerste termijn heeft gesteld, duid ik als volgt: Als men hier gebruik van zou willen maken — ik doel dan op de vrijwillige nettopensioenregelingen binnen één collectiviteitskring — moet men zich goed realiseren waar men "ja" tegen zegt. De verantwoordelijkheid daarvoor leg ik bij de sociale partners. Dit waren de amendementen.

(...)

Staatssecretaris Klijnsma (p. 26):

Ik kom bij de heer Van Weyenberg. Ik heb in mijn reactie op de amendementen al menig vraag beantwoord. Ik kijk even of er nog iets rest. Nee, dit ging echt over het amendement over de vrijwillige regelingen die niet in een aparte collectiviteitskring konden gaan. Ik ben daarop ingegaan.

De heer Van Weyenberg (D66):

Dat klopt, maar misschien wil de staatssecretaris nog iets uitgebreider ingaan op het feit dat met het amendement geen weerstandsvermogen wordt vereist terwijl dat in het apf wel het geval is. Kan zij aangeven hoe die twee zich tot elkaar verhouden? Ik heb door dat de staatssecretaris überhaupt geen fan is van het amendement van mevrouw Lodders en mevrouw Vermeij, maar daarin staat niet die eis van het weerstandsvermogen. Die eis is er wel voor partijen die een algemeen pensioenfonds starten. Kan de staatssecretaris nog ingaan op die vraag? Dat mag ook in tweede termijn.

Staatssecretaris Klijnsma:

Ja, dat is een goed plan, want eenduidigheid is natuurlijk wel een groot goed. Ik zal daar in tweede termijn nog even het mijne van zeggen.

Gewijzigd amendement van de leden Van Weyenberg en Krol ter vervanging van dat gedrukt onder nr. 16 (Kamerstuk 34 117, nr. 28)

Toelichting (p. 1-2)

In onderhavig wetsvoorstel wordt voor het algemeen pensioenfonds geregeld dat eventuele vrijwillige regelingen moeten worden uitgevoerd binnen dezelfde collectiviteitkring als de basisregeling. Er kunnen echter ook voordelen zijn aan het onderbrengen van vrijwillige regelingen in een afzonderlijke kring. Zo zal de deelnemerspopulatie van een vrijwillige regeling doorgaans anders samengesteld (kunnen) zijn dan de populatie van de basisregeling. Voorts kunnen de (uitvoerings)kosten voor de vrijwillige regeling – die vaak een ander karakter heeft dan de basisregeling – lager uitvallen, indien deze gedeeld kunnen worden door een groter collectief (namelijk samen met andere vrijwillige regelingen). Tot slot is het eenvoudiger om bij een afgescheiden vrijwillige nettoregeling de fiscale hygiëne te waarborgen. Met de in dit amendement voorgestelde wijziging, waarbij de verplichting om de basisregeling en de vrijwillige regeling binnen één collectiviteitkring onder te brengen wordt geschrapt, kunnen deze voordelen worden benut. De delegatiebepaling maakt het mogelijk om, indien dat wenselijk of noodzakelijk wordt geacht, nadere regels te stellen ten aanzien van de uitwerking, bijvoorbeeld het type vrijwillige regelingen waaraan wordt gedacht.

Met dit amendement wordt overigens niet getornd aan de verplichting uit artikel 117, eerste lid, van de Pensioenwet dat een pensioenfonds enkel een vrijwillige regeling kan uitvoeren indien dit een aanvulling is op een basispensioenregeling bij datzelfde pensioenfonds.