Algemeen Pensioenfonds - Artikel 112a. Vergunning en werkkapitaal algemeen pensioenfonds


Per wetsartikel worden de (voorgestelde) wijzigingen met een kleur getoond, waarbij de kleur afhankelijk is van het betreffende kamerstuk waaruit de wijziging voortvloeit:

Het Wetsvoorstel algemeen pensioenfonds (Kamerstuk 34 117, nr. 2);
De nota van wijziging (Kamerstuk 34 117, nr. 10);
De aangenomen amendementen. Wetsvoorstel tot wijziging van de Wet algemeen pensioenfonds (Kamerstuk 34 320, nr. 2).

Artikel 112a. Vergunning en werkkapitaal weerstandsvermogen algemeen pensioenfonds

1. Het is verboden zonder een daartoe door de toezichthouder verleende vergunning in Nederland het bedrijf van een algemeen pensioenfonds uit te oefenen.

2. De toezichthouder verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in het eerste lid indien de aanvrager zetel heeft in Nederland en aantoont dat zal worden voldaan aan het achtste lid en de artikelen 33, 34, 99, tweede lid, 101, 101a, 102a, 103, derde of vierde lid, 104, 105, eerste lid, 106, 106a, 111 en 143. De toezichthouder verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in het eerste lid indien de aanvrager zetel heeft in Nederland en aantoont dat zal worden voldaan aan:

a. het achtste lid en de artikelen 33 en 34;
b. een van de artikelen 100, 101 of 101a; en
c. de artikelen 102a, 103, derde of vierde lid, 104, 105, eerste lid, 106, 106a, 111 en 143.

3. De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.

4. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden en beperkingen worden gesteld met het oog op de belangen die deze wet beoogt te beschermen.

5. De toezichthouder kan de door hem verleende vergunning wijzigen of intrekken.

6. De vergunning is persoonlijk en niet overdraagbaar.

7. Een algemeen pensioenfonds meldt binnen drie maanden aan de toezichthouder:

a. dat gestart is met het gebruikmaken van de vergunning; en
b. het aanhouden van een nieuw afgescheiden vermogen.

Artikel 112, derde lid, is van overeenkomstige toepassing bij deze meldingen.

8. Een algemeen pensioenfonds beschikt over voldoende werkkapitaal weerstandsvermogen.

9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot dit artikel die onder meer betrekking hebben op de aanvraag, de procedure, de omstandigheden die kunnen leiden tot het wijzigen of intrekken van de vergunning en het werkkapitaal weerstandsvermogen.

Parlementaire geschiedenis

Memorie van toelichting (Kamerstuk 34 117, nr. 3) – Algemeen deel

1.1. Doel wetsvoorstel (p. 1)

(...)

Om het aanbod in potentie zo breed mogelijk te maken, wordt een ieder in de gelegenheid gesteld om een vergunning voor het uitoefenen van het bedrijf van algemeen pensioenfonds aan te vragen.

(...)

2.5. Met de introductie van het algemeen pensioenfonds ontstaan nieuwe mogelijkheden voor pensioenuitvoering (p. 5)

(...)

Zoals eerder gemeld, is bij de introductie van het multi-opf gebleken dat het vinden van een geschikte fusiepartner door veel liquiderende pensioenfondsen als een grote drempel wordt ervaren. Daarom kunnen naast werkgevers en werknemers ook derden, zoals een pensioenuitvoeringsbedrijf of een verzekeraar, een algemeen pensioenfonds oprichten en de bedrijfsvoering uitvoeren en een «instapmodel» aanbieden. Bovendien neemt hiermee de kans toe dat er voldoende partijen zullen zijn die de verantwoordelijkheid voor de bedrijfsvoering van een algemeen pensioenfonds op zich kunnen en willen nemen, zodat er een adequaat aanbod van algemene pensioenfondsen ontstaat waaruit werkgevers en werknemers kunnen kiezen.

(...)

3.2. Uitvoeringsmodel (p. 8-9)

Hierboven kwam al aan de orde dat, om het aanbod in potentie zo breed mogelijk te doen zijn, een ieder in de gelegenheid zal worden gesteld om een vergunning voor het uitoefenen van het bedrijf van algemeen pensioenfonds aan te vragen. Hoe meer ruimte wordt geboden, hoe groter de kans op een breed aanbod aan pensioenuitvoerders waaruit door werkgever en werknemer een aanbieder met de beste prijs-kwaliteitsverhouding gekozen kan worden.

(...)

Een aspect dat wel nieuw is, is de noodzaak van het hebben van een werkkapitaal. De betrokken partijen kunnen besluiten dit kapitaal zelf in te brengen zonder vergoeding voor het verstrekken van dat kapitaal, maar ze kunnen ook besluiten om het kapitaal te lenen van partijen op de financiële markten tegen een vergoeding. Bij algemene maatregel van bestuur zullen nadere eisen aan het werkkapitaal gesteld worden.

(...)

Het financieel toetsingskader (ftk) wordt toegepast per afgescheiden financieel geheel. Verzekeringstechnische risico’s die voortkomen uit het beheer van pensioenvermogens, positief of negatief, zijn en blijven voor rekening van de werkgever, pensioendeelnemers en -gerechtigden wier pensioenregeling(en) binnen een collectiviteitkring worden uitgevoerd. Buffers die moeten worden aangehouden in verband met deze pensioenrisico’s maken onderdeel uit van het pensioenvermogen dat in de collectiviteitkring is ondergebracht. Risico’s die behoren bij de bedrijfsvoering dienen louter ten laste of ten gunste te komen van het werkkapitaal dat dient ter dekking van de bedrijfsrisico’s. Dat werkkapitaal dient op elk moment aanwezig te zijn in het algemeen pensioenfonds.

3.3. Vergunningplicht (p. 9-11)

De Pensioenwet kent thans geen voorschriften met betrekking tot een ex-ante toetsing van een pensioenfonds. Met de inwerkingtreding van de Wet versterking bestuur pensioenfondsen, zal de toezichthouder uiterlijk zes weken voor de beoogde datum van oprichting van een pensioenfonds moeten worden geïnformeerd over een voornemen daartoe. Het pensioenfonds zal zich vervolgens binnen drie maanden na zijn oprichting moeten melden bij de toezichthouder. Bij die gelegenheid zal de oprichting moeten worden bevestigd aan de toezichthouder en zal een aantal documenten moeten worden overhandigd (de akte van oprichting, het reglement of de reglementen van het pensioenfonds, de uitvoeringsovereenkomst, de actuariële en bedrijfstechnische nota en eventuele overeenkomsten tot verzekering, overdracht of onderbrenging). Deze documenten en melding bieden de toezichthouder aangrijpingspunten voor het doorlopend toezicht op het pensioenfonds. Alleen voor het uitvoeren van buitenlandse pensioenregelingen dient thans van tevoren een vergunning te worden verkregen.

Vanwege de complexiteit van de gescheiden uitvoering van meerdere pensioenregelingen wordt een vergunningplicht voorgeschreven voor een algemeen pensioenfonds. Dat wil zeggen dat er ex-ante toetsing op een aantal kenmerken van het algemeen pensioenfonds geldt, opdat de borging van de kwaliteit van de pensioenuitvoering in de organisatie kan worden getoetst voordat deze met zijn dienstverlening begint. Een dergelijke toetsing ligt eveneens voor de hand bij de omvorming van een bestaand pensioenfonds tot een algemeen pensioenfonds. Het staat een ieder vrij om een vergunning voor het uitvoeren van het bedrijf van algemeen pensioenfonds aan te vragen. De toezichthouder zal dan de toetsingsprocedure starten.

DNB verleent de vergunning, indien vooraf wordt aangetoond dat aan een aantal eisen wordt voldaan. Het gaat hierbij om eisen met betrekking tot de inrichting van het bestuur, de uitbesteding van taken, het interne toezicht en het belanghebbendenorgaan, de geschiktheid van de bestuurders en de intern toezichthouders, de inrichting van de statuten, bedrijfsvoering en het werkkapitaal. Bij de aanvraag moeten bij algemene maatregel van bestuur nader te bepalen gegevens worden gevoegd. Hierbij wordt onder meer gedacht aan de (concept) statuten. DNB kan voorschriften verbinden aan de vergunning of beperkingen stellen met het oog op de belangen die dit wetsvoorstel beoogt te beschermen.

DNB zal zich inspannen om zo tijdig mogelijk de relevante informatie voor het indienen van een vergunningaanvraag te ontsluiten via het op instellingen gerichte portal Open Boek Toezicht [http://www.toezicht.dnb.nl/index.jsp].

Ook heeft DNB aangegeven het vergunningverleningsproces voor het algemeen pensioenfonds zo efficiënt mogelijk te willen inrichten en de mogelijkheid te bieden om, al vóór inwerkingtreding van het wetsvoorstel, het vergunningtraject te starten. De vergunning kan overigens pas worden verleend na inwerkingtreding van de wet. Dit om de daadwerkelijke oprichting van algemene pensioenfondsen zoveel mogelijk te bespoedigen en partijen in staat te stellen hun vergunningaanvraag in te dienen op het moment van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel. Dit is belangrijk om tijdig alternatieven te kunnen bieden voor fondsen die hun verplichtingen elders willen onderbrengen. Partijen die een algemeen pensioenfonds willen oprichten kunnen bestaan uit bestaande pensioenfondsen en andere partijen, zoals vermogensbeheerders en verzekeraars. Daarnaast is het ook mogelijk voor huidige ondernemingspensioenfondsen en niet-verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen om zich om te vormen tot een algemeen pensioenfonds.

Er zijn voor werkgevers en werknemers verschillende opties om hun pensioenregeling te laten uitvoeren door een algemeen pensioenfonds. De eerste optie is te besluiten over te gaan tot onderbrenging van de pensioenregeling door een reeds bestaand algemeen pensioenfonds en het eigen pensioenfonds op te heffen. Een tweede optie is om over te gaan tot omvorming van het huidige fonds tot een algemeen pensioenfonds. Het fonds dient in dat kader een vergunning te verkrijgen voor het uitoefenen van het bedrijf van algemeen pensioenfonds. Alle eisen die gelden in het vergunningtraject voor een nieuw op te richten algemeen pensioenfonds zullen dan ook van toepassing worden op het pensioenfonds dat zich wil omvormen tot een algemeen pensioenfonds. Tot slot is het ook mogelijk dat door middel van een fusie wordt gekomen tot een algemeen pensioenfonds, zolang aan alle vergunningeisen wordt voldaan.

Gedurende alle hierboven beschreven opties zijn de rechten van de belanghebbenden gewaarborgd conform de huidige regels die gelden omtrent waardeoverdracht.

(...)

3.4. Ringfencing (p. 11-12)

Invulling ringfencing

Om financiële risico’s alleen terecht te laten komen in de collectiviteitkringen waar die hun oorsprong vinden geldt voor het algemeen pensioenfonds een stevigere juridische techniek van ringfencing. Door een goederenrechtelijke afscheiding van pensioenvermogens in een algemeen pensioenfonds voor te schrijven ontstaat er een werkkapitaal in verband met de bedrijfsvoering en verschillende collectiviteitkringen met pensioenvermogens. De scherpe afscheiding van de vermogens maakt het noodzakelijk een expliciete regeling te treffen voor vorderingen die wel op een pensioenvermogen kunnen worden verhaald.

(...)

3.6. Uitvoeringskosten (p. 14-15)

(...)

Ten eerste wordt de mogelijkheid geopend dat anderen dan sociale partners het benodigde werkkapitaal van een algemeen pensioenfonds zullen inbrengen. Tussen de verschaffers van het werkkapitaal en de afnemers van de diensten van een algemeen pensioenfonds worden expliciete afspraken gemaakt ten aanzien van uitvoeringskosten die in rekening kunnen worden gebracht. Ook kan in deze context niet worden volstaan met een aanmerkelijke kans dat partijen aan de zelfregulering zullen voldoen. Ten tweede zijn de aanbevelingen van de Pensioenfederatie niet toegesneden op pensioenuitvoerders die pensioenregelingen gescheiden uitvoeren. Voor pensioenfondsen die pensioenregelingen uitvoeren op basis van het uitgangspunt van één financieel geheel ligt een evenredige toedeling van de uitvoeringskosten voor de hand. Bij een gescheiden uitvoering van pensioenregelingen ligt toedeling van uitvoeringskosten op basis van typische karakteristieken die van invloed zijn op de dienstverlening in verband met een specifieke pensioenregeling meer in de rede. Werkgevers en werknemers die kiezen voor een strategie van beleggingen in waarden die vrij verhandelbaar zijn, zullen bijvoorbeeld niet snel bereid zijn om te delen in de kosten voor het beheer van alternatieve (gespecialiseerde en minder liquide) beleggingen in verband met beleggingen voor andere pensioenregelingen. Tot slot is van belang dat – ten behoeve van de bescherming van rechten van deelnemers – voor de gescheiden uitvoering van pensioenregelingen in een algemeen pensioenfonds een goederenrechtelijke scheiding van vermogens geldt die slechts kan worden doorbroken ten behoeve van het verhaal van expliciet in de uitvoeringsovereenkomst beschreven uitvoeringskosten op het beheerde pensioenvermogen. In het belang van werkgevers en werknemers wordt de wijze waarop de regeling voor het verhaal van deze uitvoeringskosten op het pensioenvermogen wordt vormgegeven, gestandaardiseerd door wettelijke eisen aan de inrichting van deze regeling te stellen.

(...)

HOOFDSTUK 4. IMPACT OP DE PENSIOENSECTOR

(...)

4.4. Ook derden kunnen een algemeen pensioenfonds oprichten (p. 16)

Het loslaten van de verbondenheid tussen het instituut pensioenfonds en de belanghebbenden bij de pensioenregelingen die worden uitgevoerd, het afscheiden van vermogens en het onderscheiden van de algemene bedrijfsvoering (inclusief werkkapitaal) enerzijds en beleidsbeslissingen ten aanzien van pensioenregelingen (inclusief pensioenvermogens) anderzijds maken het mogelijk dat een algemeen pensioenfonds ook door derden, zoals verzekeraars en pensioenuitvoeringsorganisaties, opgericht kan worden. Dat moet het mogelijk maken dat op korte termijn een voldoende groot aanbod ontstaat om liquiderende fondsen voldoende keuze te bieden bij het onderbrengen van hun pensioenregeling. Een ieder, dus ook sociale partners, verzekeraars en pensioenuitvoeringsorganisaties, kan een aantrekkelijk vehikel oprichten waarvoor dezelfde regels voor toezicht, fiscaliteit en besturing gelden.

Omdat ook verzekeraars een algemeen pensioenfonds kunnen oprichten en voor alle partijen dezelfde toegang- en uitoefeningvoorwaarden gelden, is er naar het oordeel van de regering sprake van een gelijk speelveld tussen verzekeraars en pensioenfondsen en wordt de taakafbakening niet geschonden. De mogelijkheid om een «leeg» algemeen pensioenfonds op te richten waarbij in eerste instantie nog geen pensioenregeling wordt uitgevoerd, moet hier aan bijdragen. Dit wordt nodig geacht om het potentiële aanbod van algemene pensioenfondsen waar werkgevers hun pensioenregeling kunnen onderbrengen zo groot mogelijk te maken en een gelijk speelveld te behouden.

(...)

HOOFDSTUK 6. REGELDRUK

(...)

6.3. Kosten van een vergunningvereiste zijn eenmalig en bedragen €27.000 (p. 22-23)

De administratieve lasten komen voort uit informatievereisten waaraan voldaan moet worden om een algemeen pensioenfonds te mogen oprichten. De Pensioenwet kent thans geen voorschriften met betrekking tot een ex-ante toetsing van een pensioenfonds. Wel is het zo dat met de inwerkingtreding van de Wet versterking bestuur pensioenfondsen, de toezichthouder uiterlijk zes weken voor de beoogde datum van oprichting van een pensioenfonds moeten worden geïnformeerd over een voornemen daartoe. Het pensioenfonds zal zich vervolgens drie maanden na zijn oprichting moeten melden bij de toezichthouder. Bij die gelegenheid zal de oprichting moeten worden bevestigd aan de toezichthouder en zal een aantal documenten moeten worden overhandigd (de akte van oprichting, het reglement of de reglementen van het pensioenfonds, de uitvoeringsovereenkomst, de actuariële en bedrijfstechnische nota en eventuele overeenkomsten tot verzekering, overdracht of onderbrenging). Deze documenten en melding bieden de toezichthouder aangrijpingspunten voor het doorlopend toezicht op het pensioenfonds. Alleen voor het uitvoeren van buitenlandse pensioenregelingen dient thans van tevoren een vergunning te worden verkregen.

Vanwege de complexiteit van de gescheiden uitvoering van meerdere pensioenregelingen wordt voor het uitvoeren van een algemeen pensioenfonds een vergunningplicht voorgeschreven. Dat wil zeggen dat er door DNB ex-ante toetsing op een aantal kenmerken van het algemeen pensioenfonds plaatsvindt, opdat de borging van de kwaliteit van de pensioenuitvoering in de organisatie kan worden getoetst voordat deze met zijn dienstverlening begint. Een dergelijke toetsing ligt eveneens voor de hand bij de omvorming van een bestaand pensioenfonds tot een algemeen pensioenfonds.

DNB verleent de vergunning indien vooraf wordt aangetoond dat aan een aantal eisen wordt voldaan. Het gaat hierbij om eisen met betrekking tot de inrichting van het bestuur, de uitbesteding van taken, het interne toezicht en het belanghebbendenorgaan, de geschiktheid van de bestuurders en de intern toezichthouders, de inrichting van de statuten, bedrijfsvoering en het werkkapitaal. Bij de aanvraag moeten bij algemene maatregel van bestuur nader te bepalen gegevens worden gevoegd. Hierbij wordt onder meer gedacht aan de (concept) statuten.

Als het algemeen pensioenfonds gebruik gaat maken van de vergunning moet dit binnen drie maanden worden gemeld aan DNB met overlegging van een aantal stukken, zoals de uitvoeringsovereenkomst(en) en de actuariële en bedrijfstechnische nota(s).

Het gaat hier om eenmalige kosten die gemaakt worden om informatie aan DNB te verstrekken tijdens de vergunningaanvraag en om bij daadwerkelijke gebruikmaking van de vergunning een aantal stukken te overleggen aan DNB. Met betrekking tot dit laatste gaat het om stukken die alle pensioenfondsen reeds dienen op te stellen en zijn daar dus geen extra kosten aan verbonden. Ook met betrekking tot het bij de vergunningaanvraag moeten aantonen van eisen gaat het in een aantal gevallen om eisen waaraan ook de huidige pensioenfondsen zonder vergunning moeten voldoen. Zo dienen alle pensioenfondsen aan te tonen over geschikte bestuurders en toezichthouders te beschikken. Hier zijn dus geen extra kosten aan verbonden.

Andere eisen die gaan gelden bij de vergunningaanvraag zijn wel nieuw en gelden dus niet voor de huidige pensioenfondsen. Het gaat dan bijvoorbeeld om de toetsing op het werkkapitaal. Oprichters van een algemeen pensioenfonds zullen moeten aantonen over voldoende werkkapitaal te beschikken en zullen hiervoor eenmalig kosten maken. Zoals eerder aangegeven zullen deze inspanningen zich naar verwachting in het lopende toezicht terugbetalen.

Zoals eerder gesteld kent de pensioenwet thans geen vergunningvereiste. Wel geldt er momenteel een vergunningvereiste voor het oprichten van een PPI. Het lijkt daarom logisch om aan te sluiten bij de berekeningen voor administratieve lasten die in de memorie van toelichting bij de wijziging van de wet op het financieel toezicht (Wft) en enkele andere wetten in verband met de introductie van en het toezicht op de premiepensioeninstelling zijn opgenomen[Kamerstukken II 2008/09, 31 891, nr. 3.]. Daarin werd, gezien de vergelijkbaarheid van de informatieverplichtingen verbonden aan de vergunningaanvraag voor de PPI met het verlenen van vergunningen onder de Wft, geraamd dat 600 uur moet worden besteed aan een vergunningsaanvraag. Omdat de vergunningsvereiste die gelden bij een PPI vergelijkbaar zijn met de vergunningvereiste die gelden bij een algemeen pensioenfonds, wordt de raming van 600 uur die besteed moet worden aan een vergunningsaanvraag overgenomen.

Bij het standaard uurtarief van € 45 bedragen de kosten per vergunning dus € 27.000. Bij een totaal van 5 algemene pensioenfondsen in 2015, bedragen de totale kosten € 135.000. Bij een totaal van 10 algemene pensioenfondsen in de periode 2015 tot en met 2017 bedragen de totale kosten € 270.000. Deze kosten zijn incidenteel.

(...)

HOOFDSTUK 7. UITKOMSTEN INTERNETCONSULTATIE

(...)

7.4 Er is een vergunning vereist (p. 25)

In sommige consultatiereacties werd erop gewezen dat er op dit moment geen vergunningplicht voor pensioenfondsen geldt, en werd stilgestaan bij de vraag of dit voor een algemeen pensioenfonds wel zou moeten gelden. Het algemeen pensioenfonds verschilt van de huidige pensioenfondsen omdat het meerdere pensioenregelingen gescheiden kan uitvoeren. Ter bescherming van de deelnemers in die verschillende pensioenregelingen wordt een vergunning voorgeschreven. Dat wil zeggen dat er ex-ante toetsing door DNB op een aantal kenmerken van het algemeen pensioenfonds plaatsvindt.

HOOFDSTUK 8. TOEZICHTTOETSEN

(...)

8.3 Vergunningaanvraag (p. 26)

Voor wat betreft de termijn voor de afhandeling van een vergunningaanvraag hecht DNB eraan om aan te sluiten bij de regels die voor alle andere vergunningplichtige financiële ondernemingen gelden; dat impliceert een beslistermijn van dertien weken, waarbij – op grond van de Algemene wet bestuursrecht – de termijn steeds wordt opgeschort tijdens de periode die DNB aan de aanvrager stelt om de aanvraag aan te vullen. Ook heeft DNB aangegeven het vergunningverleningsproces voor het algemeen pensioenfonds zo efficiënt mogelijk te willen inrichten en de mogelijkheid te bieden om, al vóór inwerkingtreding van het wetsvoorstel, het vergunningtraject te starten. De vergunning kan overigens pas worden verleend na inwerkingtreding van de wet. De AFM geeft in haar toezichttoets aan dat zij het wenselijk vindt om bij de vergunningverlening advies uit te kunnen brengen aan DNB. De regering kan deze voorstellen van de toezichthouders van harte ondersteunen en zal deze nader invullen in de eerder genoemde algemene maatregel van bestuur over de vergunningaanvraag. De toezichthouders zullen bij die nadere uitwerking worden betrokken.

Memorie van toelichting (Kamerstuk 34 117, nr. 3) - Artikelsgewijs deel

Artikel I, onderdeel K (p. 30)

In artikel 112a, eerste lid, van de Pensioenwet wordt geregeld dat voor een algemeen pensioenfonds een vergunning nodig is. DNB verleent de vergunning indien aangetoond wordt dat aan een aantal verplichtingen zal worden voldaan. Het gaat hierbij met name om verplichtingen met betrekking tot de bestuursstructuur, de geschiktheid van de bestuurders en de intern toezichthouders, de bedrijfsvoering en de aanwezigheid van voldoende werkkapitaal.

Op grond van het derde lid moeten bij de aanvraag bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens worden gevoegd. Hierbij wordt onder meer gedacht aan de (concept) statuten.

DNB kan op grond van het vierde en vijfde lid voorschriften verbinden aan de vergunning of beperkingen stellen met het oog op de belangen die deze wet beoogt te beschermen en kan de vergunning ook wijzigen of intrekken.

In het zevende lid wordt geregeld dat als het algemeen pensioenfonds gebruik gaat maken van de vergunning dit binnen drie maanden moet worden gemeld aan DNB met overlegging van een aantal stukken zoals de uitvoeringsovereenkomst(en) en de actuariële en bedrijfstechnische nota(s). Als het algemeen pensioenfonds een nieuw afgescheiden vermogen gaat aanhouden moet dit ook worden gemeld onder overlegging van de bij dat afgescheiden vermogen horende uitvoeringsovereenkomst en actuariële en bedrijfstechnische nota.

Verder wordt in het achtste lid geregeld dat een algemeen pensioenfonds steeds moet beschikken over voldoende werkkapitaal. Bij algemene maatregel van bestuur zullen regels worden gesteld over dit werkkapitaal. Verder zullen regels worden gesteld over de aanvraag van een vergunning, de procedure en de omstandigheden die kunnen leiden tot wijzigen of intrekken van de vergunning.

Nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstuk 34 117, nr. 9)

Hoofdstuk 3. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel

3.1 Karakteristieken van het algemeen pensioenfonds (p. 9)

(...)

De leden van de PVV-fractie merken op dat ook derden een algemeen pensioenfonds kunnen oprichten, ook buitenlandse partijen. Acht de regering dit wenselijk, zo ja waarom, zo vragen deze leden. Deze leden vragen of het wetsvoorstel vooral de binnenlandse- of buitenlandse markt beoogt te bedienen. De leden van de VVD-fractie willen graag weten waarom er niet voor gekozen is om het algemeen pensioenfonds ook buitenlandse regelingen te kunnen laten voeren, of ook grensoverschrijdend te kunnen werken. Deze leden vragen de regering om aan te geven wat het doet om de pensioensector in Nederland ook voor internationale spelers (en regelingen) aantrekkelijk te maken.

Sinds de inwerkingtreding van de Europese richtlijn betreffende werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (Richtlijn 2003/41/EG) is het in Europa in principe mogelijk voor pensioenfondsen om met een vergunning uit het thuisland grensoverschrijdende pensioendiensten aan te bieden, dat wil zeggen buitenlandse pensioenregelingen uit te voeren. Dit geldt ook voor algemene pensioenfondsen.

Voor het uitoefenen van het bedrijf van een algemeen pensioenfonds is een vergunning vereist. Daarbij is niet mogelijk noch wenselijk een onderscheid te maken tussen het land waarin de vergunningaanvragende partij is gevestigd. Leidend is of de vergunningaanvragende partij kan voldoen aan alle eisen die worden gesteld voor het afgeven van een vergunning.

(...)

3.2 Uitvoeringsmodel (p. 10)

De leden van de VVD-fractie vragen hoe de risico’s, behorend bij de bedrijfsvoering, worden verdeeld over de verschillende collectiviteitkringen. Deze leden vragen hoe er wordt omgegaan met risicodeling bij nieuwe toetreders en het voor de deelnemer duidelijk wordt welke kwaliteit en uitvoeringskosten gemoeid zijn met pensioenvermogens in een collectiviteitkring? Deze leden vragen of een werkgever die verschillende pensioenregelingen heeft deze in verschillende collectiviteitkringen moet onderbrengen of in dezelfde collectiviteitkring.

Een algemeen pensioenfonds moet beschikken over voldoende weerstandsvermogen (voorheen werkkapitaal) om de risico’s horende bij de bedrijfsvoering te kunnen opvangen. In de algemene maatregel van bestuur is geregeld welke omvang dit weerstandsvermogen moet hebben. De risico’s behorende bij de bedrijfsvoering worden gedekt door het weerstandvermogen. Deze risico’s rusten dus niet op de collectiviteitkringen. Wel worden er kosten gemaakt door het algemeen pensioenfonds in verband met de bedrijfsvoering voor de collectiviteitkringen. Deze kosten worden vooraf gespecificeerd in de uitvoeringsovereenkomst tussen de werkgever en het algemeen pensioenfonds.

De omvang van het weerstandsvermogen is gerelateerd aan de omvang van het beheerde pensioenvermogen met een minimum en een maximum. Een nieuwe toetreder kan derhalve betekenen dat het beheerd vermogen toeneemt (met name indien de nieuwe toetreder bestaande aanspraken meeneemt) en dat kan betekenen dat het weerstandsvermogen moet toenemen (tenzij het maximum is bereikt).

(...)

3.3 Vergunningplicht (p. 12-13)

De leden van de VVD-fractie vragen of er ook een vergunning vereist is in de situatie dat een algemeen pensioenfonds een (gezamenlijke) regeling uitvoert.

De vergunningplicht van het algemeen pensioenfonds geldt onafhankelijk van het aantal collectiviteitkringen of uitgevoerde pensioenregelingen. Een algemeen pensioenfonds kan ook één collectiviteitkring zijn, met daarbinnen één of meer ondergebrachte pensioenregelingen. Wanneer de stichting een vergunning heeft verkregen voor het in Nederland uitoefenen van het bedrijf van algemeen pensioenfonds, kunnen gedurende het bestaan van het algemeen pensioenfonds nieuwe collectiviteitkringen worden toegevoegd. Daarvoor is een statutenwijziging noodzakelijk.

De leden van de VVD-fractie vragen of een algemeen pensioenfonds een premieovereenkomst die in de uitkeringsfase wordt omgezet in een levenslange nominale annuïteit, die ingekocht wordt bij een levensverzekeraar in dezelfde collectiviteitkring mag aanbieden, of dat die annuïteit in een andere collectiviteitkring moet worden ondergebracht.

Indien daar de voorkeur aan wordt gegeven kan een bestaande uitvoeringsovereenkomst met een verzekeraar worden beëindigd en een (collectieve) waardeoverdracht worden gerealiseerd naar een andere pensioenuitvoerder, zoals een algemeen pensioenfonds. Omdat het karakter van een (algemeen) pensioenfonds verschilt van dat van een verzekeraar zal met de waardeoverdracht ook het karakter van de pensioenregeling veranderen. De pensioenregeling die voor de waardeoverdracht de vorm van een direct verzekerde regeling kende zal na de waardeoverdracht naar een (algemeen) pensioenfonds de kenmerken hebben van een pensioenregeling die door een pensioenfonds wordt uitgevoerd. Op het moment dat een premieregeling wordt uitgevoerd door een verzekeraar en de pensioendatum wordt bereikt, dan komt de deelnemer, gewezen deelnemer of aanspraakgerechtigde een keuzerecht toe ten aanzien van de levenslange uitkering die moet worden ingekocht. De deelnemer, gewezen deelnemer of aanspraakgerechtigde kan de uitkering inkopen bij een verzekeraar of een pensioenfonds, indien deze reeds pensioenaanspraken heeft jegens dat pensioenfonds. In het kader van het algemeen pensioenfonds zal de uitkering kunnen worden ingekocht in een collectiviteitkring van een algemeen pensioenfonds waarin de deelnemer, gewezen deelnemer of aanspraakgerechtigde reeds pensioenaanspraken heeft. Op het moment dat een premieregeling wordt uitgevoerd door een (algemeen) pensioenfonds bij het bereiken van de pensioendatum, dan volgt uit de pensioenovereenkomst of de opbouw- en de uitkeringsfase in dezelfde collectiviteitkring zijn ondergebracht of dat opbouw- en uitkeringsfase in twee collectiviteitkringen gescheiden worden uitgevoerd. Een algemeen pensioenfonds kan beide opties uitvoeren.

De leden van de VVD-fractie vragen of er al partijen zijn die het vergunningstraject gestart zijn. Deze leden vragen hoe lang duurt een vergunningsprocedure vermoedelijk duurt en of lessen zijn getrokken uit eerdere vergunningsprocedures zoals bij de premiepensioeninstelling (PPI).

Aangezien het ontwerpbesluit algemeen pensioenfonds, waarin de vergunningvereisten nader worden uitgewerkt, nog een concept betreft en dus nog niet vastgesteld is, is het nog niet mogelijk voor partijen om het vergunningtraject formeel te starten. Wel kunnen partijen kennisnemen van – en anticiperen op – de voorgenomen invulling van het vergunningstraject, het weerstandsvermogen en de kosten. Zoals in het conceptontwerpbesluit is opgenomen zal de beslistermijn voor de vergunningaanvraag van een algemeen pensioenfonds dertien weken bedragen. Hoe lang de vergunningaanvraagprocedure in een concreet geval feitelijk duurt, hangt mede af van de compleetheid en kwaliteit van de door de aanvrager ingediende bescheiden. Steeds wanneer de toezichthouder nadere informatie bij de aanvrager opvraagt, wordt de beslistermijn, conform de Algemene wet bestuursrecht, opgeschort.

De bij eerdere vergunningtrajecten met betrekking tot nieuwe vergunningplichtige financiële instellingen opgedane ervaringen worden meegenomen bij de voorbereidingen op de door algemene pensioenfondsen in te dienen vergunningaanvragen en het te volgen traject.

(...)

3.5 Inrichting (van het bestuur) van een algemeen pensioenfonds (p. 16)

Het algemeen pensioenfonds is een pensioenfonds en daarmee zijn de regels die gelden voor pensioenfondsen van toepassing, inclusief de eisen aan de geschiktheid van bestuurders. De toetsing van een bestuurder vindt plaats met inachtneming van de functie van een beleidsbepaler en het soort, de omvang, de complexiteit en het risicoprofiel van de onderneming. Hieruit volgt dat bij de toetsing van een bestuurder van een algemeen pensioenfonds onder meer rekening zal worden gehouden met de complexiteit om het algemeen pensioenfonds met meerdere collectiviteitkringen toch effectief aan te sturen met inachtneming van alle toepasselijke wet- en regelgeving.

De leden van de fracties van PvdA en D66 vragen om een nadere toelichting waarom is afgeweken van het advies van beide toezichthouders, om alleen de twee onafhankelijke modellen geschikt te verklaren voor een algemeen pensioenfonds.

De regering is van mening dat een ex ante beperking in de keuze van bestuursmodellen onwenselijk is. Daarnaast is door verschillende partijen aangedragen dat juist het beperken van de keuze van bestuursmodellen het aanbod van algemene pensioenfondsen substantieel zou kunnen beperken. Juist voor het vergroten van de keuzemogelijkheden voor de onderbrenging van een pensioenregeling is het van belang niet bij voorbaat de keuze voor de mogelijke bestuursmodellen te beperken.

(...)

3.7 Stichtingsvorm (p. 21)

(...)

Voor alle stichtingen pensioenfondsen geldt dat zij over kapitaal moeten beschikken dat kan worden ingezet voor de bedrijfsvoering. In algemene pensioenfondsen wordt dit weerstandsvermogen expliciet gemaakt, omdat het wordt afgescheiden van vermogens die behoren bij collectiviteitkringen. Indien het benodigde weerstandsvermogen niet reeds aanwezig is in de stichting algemeen pensioenfonds zal dit moeten worden aangetrokken van derden. In het bijgevoegde ontwerpbesluit zijn het weerstandsvermogen en de eisen die daaraan gesteld worden nader uitgewerkt.

(...)

3.8 Werkkapitaal (p. 23-25)

De leden van de VVD-fractie vragen wat de hoogte van het werkkapitaal is en waarvoor dit nodig is. Deze leden vragen welke partijen het bedrag kunnen inbrengen en of dit ook uit het vermogen van een pensioenfonds mag komen?

Een algemeen pensioenfonds dient over een wettelijk verplicht weerstandsvermogen (voorheen werkkapitaal) te beschikken. Het algemeen pensioenfonds is een nieuw type pensioenfonds dat zich van huidige pensioenfondsen onderscheidt door een nieuwe structuur van gescheiden uitvoering van pensioenregelingen. Daardoor kan in een algemeen pensioenfonds een evenwicht gevonden worden tussen enerzijds de eigen identiteit en solidariteit van de collectiviteitkring in stand houden en anderzijds schaalvoordelen worden gerealiseerd waarmee bestuurlijke lasten en uitvoeringskosten kunnen worden beperkt. Het toezicht en de waarborgen ter bescherming van de belangen van de deelnemers worden in lijn gebracht met die nieuwe structuur. Een van die waarborgen is het weerstandsvermogen.

Dit weerstandsvermogen dient om het bedrijfsrisico te dekken met als doel de continuïteit van het algemeen pensioenfonds te waarborgen. Bedrijfsrisico’s zijn risico’s die niet voor de verantwoordelijkheid van een collectiviteitkring of meerdere collectiviteitkringen komen, aangezien ze voor het algemeen pensioenfonds als geheel gelden. Het weerstandsvermogen dient op elk moment aanwezig te zijn in het algemeen pensioenfonds. Dit betekent ook dat het algemeen pensioenfonds beheersmaatregelen moet treffen om te allen tijde hieraan te kunnen voldoen.

Nadere informatie over de systematiek waarmee de hoogte van het weerstandsvermogen wordt vastgesteld is te vinden in het bijgevoegde conceptontwerpbesluit. Het weerstandsvermogen van het algemeen pensioenfonds moet het karakter hebben van «eigen vermogen».

De leden van de PvdA-fractie begrijpen dat een algemeen pensioenfonds werkkapitaal nodig heeft om pensioenregelingen uit te voeren. Zij gaan ervan uit dat in veel gevallen van bestaande pensioenregelingen (een deel van) de bestaande werkorganisaties mee zullen kunnen gaan naar het algemeen pensioenfonds. Deelt de regering deze verwachting? De leden van de fracties van de PvdA en 50PLUS vragen in hoeverre het mogelijk is om bij het samenvoegen van bestaande pensioenfondsen tot een algemeen pensioenfonds het werkkapitaal te financieren uit de bij de pensioenfondsen reeds bestaande vermogens c.q. buffers, zo vragen deze leden.

In het bijgevoegde ontwerpbesluit algemeen pensioenfonds staat aangegeven dat het pensioenfondsen is toegestaan om een eventuele bijdrage aan het weerstandsvermogen van een algemeen pensioenfonds (hetzij bij omvorming tot een algemeen pensioenfonds, hetzij bij het onderbrengen van de pensioenregeling bij een reeds bestaand algemeen pensioenfonds) vanuit de kostenvoorziening voor toekomstige uitvoeringskosten te financieren.

Een pensioenfonds dient altijd op basis van artikel 126 van de Pensioenwet en de uitwerking daarvan in artikel 2, eerste lid van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen een voorziening te treffen voor toekomstige (kasstromen die voortvloeien uit) kosten voor administratie, communicatie en het doen van uitkeringen [Zie http://www.toezicht.dnb.nl/3/50-230555.jsp.]. Ook toekomstige kosten die samenhangen met de reeds opgebouwde pensioenaanspraken, zoals die van bestuur en bestuursondersteuning, advies en controle, vallen hieronder. Dit betreft de verwachte uitgaande kasstromen die voortvloeien uit de tot de datum van vaststelling opgebouwde pensioenverplichtingen. Deze voorziening is een onderdeel van de technische voorziening en beoogt het pensioenfonds in staat te stellen om deze kosten in voorkomend geval geheel zelf te kunnen dragen. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook bij discontinuïteit van de bijdragende onderneming(en) het pensioenfonds de uitvoeringskosten dient te kunnen dragen. Een pensioenfonds hoeft er daarbij overigens niet van uit te gaan dat het daadwerkelijk zelf te allen tijde de pensioenverplichtingen afwikkelt. Het mag daarbij ook uitgaan van een toekomstig moment van overdracht (liquidatie) bijvoorbeeld vanwege omstandigheden zoals het opzeggen van de uitvoeringsovereenkomst of het bereiken van een bepaalde schaalgrootte. Een pensioenfonds houdt op grond van dit artikel 126, tweede lid, onderdeel c, de methode en de grondslag voor de berekening van de technische voorziening voor uitvoeringskosten – nadat de voorziening eenmaal met een gedegen onderzoek is vastgesteld – van boekjaar tot boekjaar ongewijzigd, tenzij wijzigingen daarin gerechtvaardigd zijn als gevolg van veranderingen van de juridische, demografische of economische omstandigheden die aan de hypothesen ten grondslag liggen.

Omdat het onderbrengen van de pensioenregeling bij een algemeen pensioenfonds een voorbeeld van bovenbedoelde veranderingen is, kan het pensioenfondsen toegestaan worden een eventuele bijdrage aan het weerstandsvermogen van een algemeen pensioenfonds (hetzij bij omvorming tot een algemeen pensioenfonds, hetzij bij het onderbrengen van de pensioenregeling bij een reeds bestaand algemeen pensioenfonds) vanuit vrijvallende middelen ter dekking van deze voorziening te financieren. Vaak wordt voor het berekenen van deze kostenvoorziening de zogeheten «excassomethode» gebruikt. Hierbij wordt de voorziening uitvoeringskosten vertaald in een opslag in de totale technische voorziening en wordt deze opslag tevens toegepast bij de nieuwe opbouw (toevoeging aan de voorziening) en de uitkeringen (vrijval van de voorziening). Het staat pensioenfondsen, in overleg met DNB, evenwel vrij om een andere methode te gebruiken.

De voorziening zal tot op zekere hoogte ook per collectiviteitkring in een algemeen pensioenfonds noodzakelijk zijn en blijven. Het pensioenfonds dient permanent aan DNB aan te kunnen tonen dat de aangehouden kostenvoorziening voldoende is ter dekking van de kosten in de hier bedoelde situatie. Indien er, in casu als gevolg van de aansluiting bij een algemeen pensioenfonds, teveel wordt ingeteerd op deze kostenvoorziening, dient aangetoond te worden hoe binnen een periode van uiterlijk vijf jaar deze kostenvoorziening weer op peil wordt gebracht.

In het geval dat een bestaand pensioenfonds wordt omgevormd naar een algemeen pensioenfonds kan mogelijk (een deel van) de bestaande werkorganisatie mee naar het algemeen pensioenfonds. Dit is echter sterk afhankelijk van de feitelijke situatie bij het betreffende pensioenfonds en de keuzes die hierbij worden gemaakt.

De leden van de PvdA-fractie vragen waar, indien kapitaal geleend wordt tegen een vergoeding, deze vergoeding uit wordt gefinancierd. Deze leden vragen op welke manier wordt voorkomen dat de kapitaalverschaffer (ongewenste) invloed kan uitoefenen op de werkorganisatie, bijvoorbeeld bij het uitbesteden van taken of het inkopen van diensten. Deze leden doelen hierbij op bijvoorbeeld de volgende situatie: een bank verschaft een algemeen pensioenfonds het werkkapitaal onder voorwaarde dat een dochteronderneming van de bank het vermogensbeheer van het algemeen pensioenfonds krijgt toebedeeld. Vindt de regering het wenselijk als de kapitaalverschaffer commerciële aanbiedingen aan de deelnemers van het algemeen pensioenfonds doet? Zo nee, hoe wordt dit voorkomen? Kan de regering aangeven welke nadere eisen per AMvB aan het werkkapitaal gesteld zullen worden? Denkt de regering bijvoorbeeld aan het maximeren van de vergoeding, zo informeren genoemde leden. Het lid van de 50PLUS-fractie vraagt of het werkkapitaal een vast bedrag bedraagt of een percentage van de voorziening.

Het algemeen pensioenfonds is een pensioenfonds en daarmee zijn de regels die gelden voor pensioenfondsen ten aanzien van uitbesteding van toepassing. Bij het vermogensbeheer is bijvoorbeeld van belang dat het fondsbestuur de eindverantwoordelijkheid draagt voor het bepalen en uitvoeren van het beleggingsbeleid, inclusief het risicobeheer. Dit vraagt onder meer het hanteren van een kritische en onafhankelijke grondhouding ten opzichte van degenen die binnen en buiten het pensioenfonds zijn betrokken bij het opstellen en uitvoeren van het beleggingsbeleid, zoals adviseurs en uitvoerders. Ook dient het algemeen pensioenfonds te voorkomen dat er sprake is van personele unies op het niveau van beleidsbepalers of medebeleidsbepalers tussen het fonds en de derden waaraan werkzaamheden worden uitbesteed, tenzij sprake is van uitbesteding van werkzaamheden aan een werkgever. Een overeenkomst waarbij wordt afgesproken dat in ruil voor het verschaffen van weerstandsvermogen toebedeling van het vermogensbeheer plaatsvindt, past niet bij het voorgaande. Het bestuur kan dan de kritische en onafhankelijke grondhouding niet aannemen.

Voor de eisen die gesteld worden aan het weerstandsvermogen wordt kortheidshalve verwezen naar het bijgevoegde conceptontwerpbesluit algemeen pensioenfonds.

De leden van de ChristenUnie-fractie willen weten of de regering al meer inzicht kan bieden in de AMvB met betrekking tot de aanvraag, de procedure, de omstandigheden die kunnen leiden tot het wijzigen of intrekken van de vergunning en het werkkapitaal. Op welke wijze worden de belangen van de deelnemers bij de regels over de omvang van het werkkapitaal gewaarborgd, zo vragen deze leden. Genoemde leden vragen of de regering kan toelichten of het dragen van verzekeringstechnische risico’s door het werkkapitaal uitgesloten wordt.

De belangen van de deelnemers worden gewaarborgd door de wettelijke eisen ten aanzien van het weerstandsvermogen van een algemeen pensioenfonds. Hierdoor wordt in het belang van de deelnemers de continuïteit van de bedrijfsvoering van het algemeen pensioenfonds bevorderd. De belangen van de deelnemers worden voorts uiteraard geborgd door een beoogde gezonde balans tussen verplichtingen en middelen op het niveau van de collectiviteitkring. Alle verzekeringstechnische risico’s worden gedragen door de afzonderlijke collectiviteitkringen en komen zodoende niet ten laste van het weerstandsvermogen van het algemeen pensioenfonds als geheel.

(...)

Hoofdstuk 6. Regeldruk (p. 38-40)

Het lid van de 50PLUS-fractie vraagt of, en zo ja, hoe de regering zich gaat inzetten voor het voorkomen van extra lasten. Dit lid onderschrijft de oproep van Actal,[Actal: Adviescollege toetsing regeldruk.] dat als gekozen wordt voor een vergunning, de mogelijkheden maximaal benut moeten worden, om het toezicht achteraf tot een minimum te beperken en vraagt een nadere toelichting. Dit lid vraagt of de regering kan verzekeren dat (administratieve) lasten per saldo niet toenemen door de invoering van het algemeen pensioenfonds. De kosten vermeld in de memorie van toelichting zijn gebaseerd op een standaardkostenmodel. Dit lid vraagt in hoeverre de uiteindelijke kosten (per algemeen pensioenfonds) nog van het geschetste beeld kunnen gaan afwijken.

De regering wil de regeldruk voor burgers, bedrijven en professionals terugdringen. Er moet echter altijd goed afgewogen worden of dat mogelijk is, of dat het toch nodig is om extra regels te stellen, zoals in dit geval ter bescherming van de belangen van de pensioendeelnemers. Gezien de hoogte van de pensioenvermogens die onder beheer zullen komen bij een algemeen pensioenfonds betreft het in verhouding een zeer beperkte administratieve lastenverhoging.

Het is van belang te onderkennen dat er onderscheid is tussen de beoordeling van DNB van een vergunningaanvraag en het lopend toezicht op een algemeen pensioenfonds nadat een vergunning is verleend. Bij vergunningverlening worden met name gegevens beoordeeld op het niveau van het algemeen pensioenfonds en in concept de standaard documenten die betrekking hebben op de collectiviteitkringen. In het lopend toezicht wordt de taak van DNB uitgebreider: DNB ziet dan niet alleen toe op onder meer de continuïteit, governance en het «in control» zijn op het niveau van de instelling algemeen pensioenfonds, maar tevens op de afzonderlijke collectiviteitkringen die aan het nieuwe ftk moeten voldoen. Dit betreft een wezenlijk andere taak met daardoor ook andere werkzaamheden dan de beoordeling van een vergunningaanvraag.

In het traject van de vergunningverlening dienen vergunningaanvragers aan te tonen dat zaken (in opzet) op orde zijn. De mogelijke extra inspanningen die oprichters hiervoor zullen moeten doen kunnen mogelijk leiden tot een soepelere opstart van contacten tussen de vergunninghouder en de toezichthouder in het lopende toezicht. In die zin kunnen de inspanningen zich terugverdienen. Bij de vergunningverlening wordt beoordeeld of het algemeen pensioenfonds in opzet aan de vergunningvereisten voldoet, maar uiteindelijk gaat zal de werking hiervan pas in het lopend toezicht kunnen worden getoetst. Er mag immers pas gestart worden met het uitoefenen van het bedrijf van algemeen pensioenfonds, wanneer een vergunning is verleend.

De leden van de VVD-fractie vragen welke toets na oprichting nog plaatsvindt en wat de kosten zijn voor een algemeen pensioenfonds om de informatie over de verschillende collectiviteitkringen te delen met de toezichthouder.

Na oprichting en een door DNB verstrekte vergunning staat het algemeen pensioenfonds onder doorlopend toezicht waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen toezicht op de collectiviteitkringen op grond van het nieuwe ftk, van toepassing op elke collectiviteitkring, en het toezicht op het algemeen pensioenfonds als geheel.

Een algemeen pensioenfonds dient binnen drie maanden aan de toezichthouder te melden dat gestart is met het gebruikmaken van de vergunning en het aanhouden van een nieuw afgescheiden vermogen. Bij deze meldingen dienen dezelfde bescheiden te worden gevoegd als door een regulier pensioenfonds bij de melding van haar oprichting moeten worden overgelegd.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen in hoeverre de vergunningvereiste voor het algemeen pensioenfonds lijkt op het vergunningvereiste voor een PPI aangezien een vergelijking wordt gemaakt met het vergunningvereiste voor het oprichten van een PPI om de administratieve lasten voor het algemeen pensioenfonds in te schatten. Verschuift het karakter van het algemeen pensioenfonds hiermee dan niet op richting het karakter van een financiële instelling ten koste van het pensioen als arbeidsvoorwaarde, zo willen deze leden weten.

Zoals de regering ook in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel heeft gemeld is pensioen een arbeidsvoorwaarde.

Het is niet mogelijk om de administratieve lasten die samenhangen met het vergunningsvereiste in te schatten op basis van een vergelijking met pensioenfondsen, omdat die in de huidige situatie geen vergunningseis kennen. Als praktische oplossing is ervoor gekozen om een vergelijking met de PPI te maken. Andere instellingen, zoals banken en verzekeraars kennen ook een vergunningseis, maar zijn van een dusdanige andere aard dat daarbij niet kan worden aangesloten. Wel kent de PPI elementen die ook onderdeel uitmaken van een algemeen pensioenfonds, zoals een werkkapitaal en een rangregeling.

Het feit dat bij de vergunningseis voor een algemeen pensioenfonds gebruik wordt gemaakt van inzichten die eerder in een ander wettelijk kader zijn opgedaan is behulpzaam bij de veilige uitvoering van de arbeidsvoorwaarde pensioen.

Het lid van de 50PLUS-fractie vraagt nader te verduidelijken, waarom vergunningverlening voor de oprichting van een algemeen pensioenfonds noodzakelijk wordt geacht. Dit lid vraagt waarom het gebruikelijke toezicht op pensioenfondsen onvoldoende bescherming zou bieden aan belanghebbenden.

Vanwege de complexiteit die gemoeid is met de financieel afgescheiden uitvoering van meerdere pensioenregelingen en ter bescherming van de belangen van (gewezen) deelnemers is een vergunning vereist. Dat stelt de toezichthouder in staat om een ex-ante toetsing op een aantal kenmerken van het algemeen pensioenfonds uit te voeren, opdat de borging van de kwaliteit van de pensioenuitvoering in de organisatie kan worden getoetst voordat deze met zijn dienstverlening begint. Een dergelijke toetsing geldt eveneens bij de omvorming van een bestaand pensioenfonds tot een algemeen pensioenfonds.

Het huidige toezicht is toegesneden op de huidige structuur van pensioenfondsen. In de huidige situatie is bij pensioenfondsen echter geen sprake van een structuur zoals met het algemeen pensioenfonds mogelijk wordt. Daarom wordt door middel van de vergunningplicht het toezicht op het algemeen pensioenfonds in lijn gebracht met de structuur van het algemeen pensioenfonds. De bij de vergunningaanvraag door een algemeen pensioenfonds te overleggen gegevens en bescheiden komen in grote lijnen overeen met de documenten die in verband met de wettelijke meldingsplicht door een nieuw pensioenfonds rond de oprichting aan DNB moeten worden verstrekt.

Het lid van de 50PLUS-fractie vraagt of dieper kan worden ingegaan op de gevolgen van het algemeen pensioenfonds voor de communicatie met de deelnemers en aangeven welke maatregelen zijn voorzien voor het borgen van een goede communicatie. De leden van de VVD-fractie vragen of een algemeen pensioenfonds extra kosten maakt om richting verschillende collectiviteitkringen te communiceren

Er is geborgd dat een algemeen pensioenfonds goed communiceert met de deelnemers.

Ten eerste zullen DNB en de Autoriteit Financiële Markten (AFM) bij de vergunningverlening een beschrijving van de inrichting van de organisatie met betrekking tot de beheerste en integere bedrijfsvoering eisen. Voor wat betreft de beheerste en integere bedrijfsvoering dient onder andere een toelichting op het communicatiebeleid te worden ingediend. Onder een beheerste bedrijfsvoering valt immers ook het op orde hebben van de administratieve organisatie, inclusief het waarborgen dat de juiste informatie binnen de daarvoor gestelde termijnen aan de deelnemers verstrekt wordt.

Er wordt dan ook verwacht dat het algemeen pensioenfonds bij de vergunningaanvraag kan toelichten hoe het invulling geeft aan de communicatievereisten op grond van de Pensioenwet en lagere regelgeving en hoe zij borgt dat aan deze communicatievereisten (blijvend) wordt voldaan. Uit deze toelichting dient dan ook te blijken dat het bestuur een adequaat communicatiebeleid heeft, zoals bedoeld in artikel 2.6 van de Code pensioenfondsen.

Nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstuk 34 117, nr. 9) - Artikelsgewijs deel

Artikel 112a lid 6 (p. 42)

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen om een toelichting wat bedoeld wordt met dat de vergunning voor het uitoefenen van een algemeen pensioenfonds «persoonlijk» is.

In deze context wordt met «persoonlijk» bedoeld dat uitsluitend de stichting die de vergunning heeft verkregen de toegestane activiteiten mag (laten) uitvoeren. Om ieder mogelijk misverstand daarover te voorkomen is, net als in artikel 2:1 van de Wet op het financieel toezicht, met betrekking tot de op grond van die wet verleende vergunningen, expliciet bepaald dat de vergunning persoonlijk en niet overdraagbaar is. De aan een algemeen pensioenfonds verleende vergunning komt derhalve uitsluitend aan die specifieke entiteit toe en kan niet aan een ander (algemeen) pensioenfonds worden overgedragen.

Nota van wijziging (Kamerstuk 34 117, nr. 10)

Onderdeel 4 (p. 6)

In artikel 112a van de Pensioenwet wordt in het tweede lid duidelijker tot uitdrukking gebracht dat bij de artikelen over de bestuursmodellen die genoemd worden bij de vergunningaanvraag slechts aan het artikel hoeft te worden voldaan van het bestuursmodel waarvoor is gekozen.

Verder wordt in dit artikel het begrip werkkapitaal vervangen door weerstandsvermogen. Bij nader inzien is weerstandsvermogen een betere term omdat het gaat om vermogen ten behoeve van bedrijfsrisico’s dat steeds aanwezig moet zijn.

(...)

Onderdeel 11, artikel IIIB (p. 7)

In de bijlage bij de Wet bekostiging financieel toezicht wordt de aanvraag van de vergunning voor een algemeen pensioenfonds opgenomen als eenmalige toezichthandeling waarvoor kosten bij de aanvragers in rekening worden gebracht. De kosten voor de vergunning bedragen € 26.000.

Nota naar aanleiding van het nader verslag (Kamerstuk 34 117, nr. 13)

Hoofdstuk 6. Regeldruk (p. 14-15)

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering kan aangeven waarop de kosten van de vergunning (€ 27.000) zijn gebaseerd?

De kosten van de vergunning van € 27.000 die zijn gemeld in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel zijn gebaseerd op de aanname dat aanvragers van de vergunning voor een algemeen pensioenfonds 600 uur besteden met een standaard uurtarief van € 45. Zoals gesteld in de memorie van toelichting zal de precieze omvang van de administratieve lasten afhangen van de algemene maatregel van bestuur. Die was toen nog niet beschikbaar, maar inmiddels wel. Een eerste inschatting is dat de kosten van de vergunningaanvraag als gevolg van de algemene maatregel van bestuur zullen stijgen als gevolg van de leges die een vergunningaanvrager moet betalen (€ 26.000, de gebruikelijke leges voor vergunningplichtige instellingen zoals de PPI) en het weerstandsvermogen dat moet worden aangehouden. De precieze hoogte van de administratieve lasten als gevolg van de algemene maatregel van bestuur worden op dit moment door de regering in kaart gebracht.

Het verslag van de plenaire behandeling Tweede Kamer (Handelingen 2014-2015, nr. 96, item 32)

[Opgenomen zijn de eerste en de tweede termijn van de staatssecretaris p. 24-25]

Staatssecretaris Klijnsma:

De heer Van Weyenberg vroeg of andere commerciële partijen ook een algemeen pensioenfonds kunnen oprichten. Op zichzelf kunnen partijen een algemeen pensioenfonds oprichten, edoch het dient altijd een stichting te zijn. Dat betekent dat er geen winstoogmerk aan de orde kan zijn. De stichting is een uitermate geschikte rechtsvorm voor een algemeen pensioenfonds, want een stichting mag geen uitkeringen doen aan mensen, tenzij de uitkeringen een ideële of sociale strekking hebben. Dat is echt een fundamenteel verschil ten opzichte van een bv of een nv.

(...)

De vraag van mevrouw Vermeij ging over het startkapitaal. De pensioenfondsen die in een apf willen opgaan, kunnen het weerstandsvermogen, de zogeheten "excassokostenvoorzieningen", voor het startkapitaal gebruiken. Dat is dus ook de bedoeling.

(...)

Mevrouw Lodders heeft een vraag gesteld over het weerstandsvermogen, evenals mevrouw Vermeij. Waarom levert dat geen belemmeringen op? Het weerstandsvermogen heeft tot doel om operationele risico's op te vangen. Dat is nodig omdat bedrijfsvoering strikt gescheiden wordt van pensioenvermogens waar "slechts" beleggingsrisico's en langlevenrisico's neerslaan. Bij de hoogte van het weerstandsvermogen is rekening gehouden met het feit dat de drempel niet te hoog mag zijn. Bovendien wordt bekeken hoe bestaande voorzieningen voor de operationele kosten ingezet kunnen worden in dit weerstandsvermogen. Dat heb ik net ook al nader geduid in antwoord op mevrouw Vermeij.

(...)

[Tweede termijn p. 37]

Staatssecretaris Klijnsma:

Wat de vergunningverlening betreft, is de tijd inderdaad krap. Ik zal de Kamer in het najaar informeren over hoe DNB om denkt te gaan met pensioenfondsen die te maken zouden kunnen krijgen met punten van aandacht rond gesloten boekjaren. Daar wil ik de Kamer graag over informeren.

(...)

Staatssecretaris Klijnsma:

De heer Krol stelde een vraag over het weerstandsvermogen. Is dat niet dubbelop in verband met de buffers die vanwege het ftk al worden aangehouden? Het ftk heeft alleen betrekking op de pensioenrisico's, zodat het geen dubbeltelling is. Het weerstandsvermogen dekt immers risico's die de collectiviteitskring overschrijden. Dat is echt een andere vorm en geen dubbeling.