Algemeen Pensioenfonds - Artikel 100. Samenstelling paritair bestuur


Per wetsartikel worden de (voorgestelde) wijzigingen met een kleur getoond, waarbij de kleur afhankelijk is van het betreffende kamerstuk waaruit de wijziging voortvloeit:

Het Wetsvoorstel algemeen pensioenfonds (Kamerstuk 34 117, nr. 2);
De nota van wijziging (Kamerstuk 34 117, nr. 10);
De aangenomen amendementen.

Artikel 100. Samenstelling paritair bestuur

1. In het paritaire bestuur van een bedrijfstakpensioenfonds zijn de belanghebbenden op een zo evenwichtig mogelijke wijze vertegenwoordigd met dien verstande dat de vertegenwoordigers van werknemersverenigingen in de betrokken bedrijfstak of bedrijfstakken en de vertegenwoordigers van pensioengerechtigden tezamen ten minste evenveel zetels bezetten als de vertegenwoordigers van werkgeversverenigingen in de betrokken bedrijfstak of bedrijfstakken.

Vertegenwoordigers van pensioengerechtigden bezetten, zo nodig in afwijking van artikel 102, eerste lid, niet meer dan 25% van het aantal zetels dat door vertegenwoordigers van werkgeversverenigingen, vertegenwoordigers van werknemersverenigingen en vertegenwoordigers van pensioengerechtigden tezamen wordt bezet.

2. In het paritaire bestuur van een ondernemingspensioenfonds zijn de belanghebbenden op een zo evenwichtig mogelijke wijze vertegenwoordigd met dien verstande dat de werknemersvertegenwoordigers en vertegenwoordigers van pensioengerechtigden tezamen ten minste evenveel zetels bezetten als de werkgeversvertegenwoordigers.

Vertegenwoordigers van pensioengerechtigden bezetten, zo nodig in afwijking van artikel 102, eerste lid, niet meer dan 25% of, indien sprake is van de in artikel 102, tweede lid, bedoelde situatie 50%, van het aantal zetels dat door werknemersvertegenwoordigers, werkgeversvertegenwoordigers en vertegenwoordigers van pensioengerechtigden tezamen wordt bezet.

3. Indien een ondernemingspensioenfonds pensioenregelingen uitvoert voor meerdere ondernemingen of groepen wordt elke onderneming of groep door ten minste een werknemersvertegenwoordiger, een vertegenwoordiger van pensioengerechtigden en een werkgeversvertegenwoordiger vertegenwoordigd in het paritaire bestuur.

3. In het paritaire bestuur van een algemeen pensioenfonds is het eerste lid van overeenkomstige toepassing voor zover het algemeen pensioenfonds een pensioenregeling uitvoert voor een of meer bedrijfstakken of delen van een bedrijfstak; is het tweede lid van overeenkomstige toepassing voor zover het algemeen pensioenfonds een pensioenregeling uitvoert voor een onderneming of groep en is artikel 109 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling van overeenkomstige toepassing voor zover het algemeen pensioenfonds een beroepspensioenregeling uitvoert als bedoeld in artikel 1 van die wet.

4. Indien de statuten van een pensioenfonds voorzien in stemgerechtigde vertegenwoordigers in het paritaire bestuur van anderen dan werknemersverenigingen dan wel werknemers, werkgeversverenigingen dan wel de werkgever of pensioengerechtigden, worden die vertegenwoordigers voor de toepassing van het eerste, tweede en derde lid gelijkgesteld met vertegenwoordigers van pensioengerechtigden.

5. Het tweede tot en met vierde lid is niet van toepassing voor zover een onderneming of groep waaraan het ondernemingspensioenfonds was verbonden heeft opgehouden te bestaan.

6. Aan het paritaire bestuur van een pensioenfonds kunnen maximaal twee bestuurders worden toegevoegd die niet directe vertegenwoordigers zijn van de belanghebbenden bij het pensioenfonds. Het vierde lid is niet van toepassing op deze bestuurders.

7. Het bestuur stelt een profielschets op voor leden van het bestuur. Het bestuur kan een kandidaat bestuurder afwijzen indien deze niet aan de profielschets voldoet.

Parlementaire geschiedenis

Memorie van toelichting (Kamerstuk 34 117, nr. 3) - Algemeen deel

HOOFDSTUK 3. HOOFDLIJNEN VAN HET WETSVOORSTEL

(...)

3.5. Inrichting (van het bestuur) van een algemeen pensioenfonds (p. 13)

(...)

Een van de kenmerkende aspecten van pensioenfondsen is de betrokkenheid van de belanghebbenden bij de pensioenregeling bij het besturen van het fonds. Die betrokkenheid blijkt uit deelname aan het bestuur (bij paritaire bestuursvormen) of het belanghebbendenorgaan (bij onafhankelijke bestuursvormen).

Voor de paritaire bestuursvormen geldt dat iedere onderneming, bedrijfstak of beroepspensioenvereniging waarvan een pensioenregeling door het algemeen pensioenfonds wordt uitgevoerd, in het bestuur vertegenwoordigd is. Dit kan betekenen dat een paritair bestuur bij meerdere collectiviteitkringen al snel (te) groot wordt en dat een paritaire bestuursvorm met name geschikt zal zijn voor een algemeen pensioenfonds waarin één werkgever, of een klein aantal werkgevers, pensioenregelingen heeft ondergebracht.

In andere gevallen zal een onafhankelijke bestuursvorm meer voor de hand liggen. Het aantal werkgevers, dan wel het aantal collectiviteitkringen van het algemeen pensioenfonds, heeft als zodanig geen rechtstreeks gevolg voor de omvang van het bestuur omdat de (mede)zeggenschap van de belanghebbenden bij het fonds is neergelegd in een belanghebbendenorgaan.

(...)

HOOFDSTUK 7 UITKOMSTEN INTERNETCONSULTATIE

(...)

7.1 Alle bestuursmodellen zijn mogelijk (p. 24)

In het voorontwerp van wet werd gesteld dat het onafhankelijk bestuur het meest voor de hand liggende bestuursmodel is voor een algemeen pensioenfonds dat meerdere pensioenregelingen uitvoert die onderling niet solidair hoeven te zijn. In veel reacties is aangegeven dat er behoefte is om uit alle mogelijke bestuursmodellen een selectie te mogen maken. Daarbij werd gewezen op de marktwerking, die een natuurlijke evenwicht van aanbod en vraag in de bestuursmodellen reguleert. Ook werd het doel om het aanbod van algemene pensioenfondsen zo groot mogelijk te maken onderschreven en werd aangegeven dat juist het mogelijk maken van alle bestuursmodellen daarbij zou kunnen helpen.

(...)

HOOFDSTUK 8 TOEZICHTTOETSEN

(...)

8.1 Bestuursmodellen (p. 26)

In het voorstel van 19 augustus 2014 dat is voorgelegd aan DNB, hebben sociale partners de keuze uit alle vijf bestuursmodellen van de Pensioenwet. Volgens DNB zijn alleen de twee onafhankelijke modellen goed toegesneden op het algemeen pensioenfonds. Zo wijst zij erop dat er bij een paritair bestuursmodel in een algemeen pensioenfonds van iedere collectiviteitkring een of meerdere sociale partners tot het bestuur kunnen toetreden. In het geval het algemeen pensioenfonds uit meerdere collectiviteitkringen bestaat, kan zo een bestuur met een groot aantal leden ontstaan, wat de slagvaardigheid van het bestuur kan bemoeilijken. De AFM geeft aan de reactie van DNB op dit punt te onderschrijven. De regering is van mening dat een beperking in de keuze van bestuursmodellen te veel ingrijpt op het primaat van sociale partners over de besturing van het pensioenfonds. Daarnaast is door verschillende partijen aangedragen dat juist het beperken van de keuze van bestuursmodellen het aanbod van algemene pensioenfondsen substantieel zou kunnen beperken. De regering vertrouwt erop dat sociale partners eigenstandig tot een zorgvuldige afweging van het bestuursmodel zullen komen, mede in relatie tot de bestuurbaarheid van het algemeen pensioenfonds.

(...)

Memorie van toelichting (Kamerstuk 34 117, nr. 3) - Artikelsgewijs deel

Artikel I, onderdeel E (p. 29)

In artikel 100, derde lid, van de Pensioenwet wordt een regeling opgenomen voor de samenstelling van een paritair bestuur van een algemeen pensioenfonds. Daarbij wordt aangesloten bij de «herkomst» van de pensioenregelingen die door het algemeen pensioenfonds worden uitgevoerd. Dat kunnen regelingen zijn van een onderneming of groep, een (deel van een) bedrijfstak of een beroepspensioenregeling in de zin van de Wet verplichte beroepspensioenregeling. Afhankelijk van de herkomst gelden de regels voor het ondernemingspensioenfonds (vertegenwoordigers van werknemers, pensioengerechtigden en de werkgever) het bedrijfstakpensioenfonds (vertegenwoordigers van werknemersverenigingen, werkgeversverenigingen en pensioengerechtigden) of het beroepspensioenfonds (vertegenwoordigers van de beroepspensioenvereniging). Indien het algemeen pensioenfonds voor zowel een onderneming als een bedrijfstak uitvoert zijn dus zowel de regels voor het ondernemingspensioenfonds als de regels voor het bedrijfstakpensioenfonds relevant.

Door de vervanging van het bestaande derde lid vervalt de regeling dat bij een multi-opf elke onderneming of groep in elke geleding in het paritaire bestuur een vertegenwoordiger moet hebben.

Nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstuk 34 117, nr. 9)

Hoofdstuk 3. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel

(...)

3.5 Inrichting (van het bestuur) van een algemeen pensioenfonds (p. 15-19)

(...)

Ook vragen deze leden of het mogelijk is dat pensioenfondsen, die een algemeen pensioenfonds oprichten met de huidige bestuurders, een onafhankelijk bestuursmodel opzetten.

(...)

Voor de tweede situatie geldt het volgende: het is in bepaalde gevallen mogelijk voor pensioenfondsen die een algemeen pensioenfonds oprichten met de huidige bestuurders om een onafhankelijk bestuur te hebben. Dit is bijvoorbeeld het geval als het pensioenfonds reeds een onafhankelijk bestuur heeft, of als de huidige bestuursleden zitting nemen in het belanghebbendenorgaan van de collectiviteitkring en er een nieuw onafhankelijk bestuur wordt ingesteld. Het is echter niet mogelijk dat een pensioenfonds dat een paritair bestuur heeft en een algemeen pensioenfonds opricht het huidige paritair bestuur de rol van een onafhankelijk bestuur van het algemeen pensioenfonds laat vervullen. Aangezien de bestuursleden als vertegenwoordiger van een van de drie geledingen benoemd zijn in het bestuur, kan er in dat geval geen sprake zijn van een status van onafhankelijkheid.

De leden van de VVD-fractie vragen of het klopt dat wanneer er gekozen wordt voor een paritair bestuur of een omgekeerd gemengd bestuur bij een algemeen pensioenfonds met meerdere collectiviteitkringen dat het voor kan komen dat bestuursleden uit collectiviteitkring A kunnen besluiten tot een toeslag in collectiviteitkring B. Ook vragen deze leden of de eisen die aan bestuurders van een algemeen pensioenfonds worden gesteld, dezelfde zijn als de eisen aan andere pensioenfondsen.

Het bestuur van een algemeen pensioenfonds neemt de besluiten in het pensioenfonds. Daarbij gaat het om de besluiten ten aanzien van het algemeen pensioenfonds als geheel en om de besluiten ten aanzien van de diverse collectiviteitkringen. Daarom zijn de vertegenwoordigers van de belanghebbenden ofwel in het bestuur zelf vertegenwoordigd ofwel in het belanghebbendenorgaan, dat goedkeuringsrechten heeft ten aanzien van onder andere het toeslagbeleid.

(...)

De leden van de PvdA-fractie vragen in hoeverre vertegenwoordigers van sociale partners in een paritair bestuur de mogelijkheid hebben om onderling afspraken te maken over het bezetten van bestuursplekken en of de regering het wenselijk zou vinden als in een omgekeerd gemengd model het toezichthoudend bestuur als geheel paritair vorm gegeven wordt, waarbij de eis van pariteit per collectiviteitkring of partij vervalt. De leden van de VVD-fractie vragen of één persoon binnen één belanghebbendenorgaan meerdere ondernemingen of groepen van deelnemers mag vertegenwoordigen. Ook vragen deze leden of een onafhankelijk deskundige, als vertegenwoordiger van een of meerdere werkgevers of een of meer groepen van deelnemers, in meerdere belanghebbendenorganen zitting mag hebben. Tot slot vragen deze leden of pensioengerechtigden zich kunnen laten vertegenwoordigen door een onafhankelijk deskundige en of een dergelijke onafhankelijke deskundige in meerdere belanghebbendenorganen zitting mag hebben.

Artikel 100 van de Pensioenwet bepaalt dat in een paritair bestuur de belanghebbenden op een zo evenwichtig mogelijke wijze vertegenwoordigd zijn. De regering is van mening dat artikel 100 – in de bredere context van de behoefte van sociale partners om te komen tot schaalvergroting en vermindering van bestuurlijke lasten – de mogelijkheid openlaat aan sociale partners en pensioengerechtigden om onderling afspraken te maken over de bestuurssamenstelling mits daar bij alle partijen overeenstemming over bestaat. Daarbij zal wel als randvoorwaarden moeten gelden dat de regels over vertegenwoordiging en samenstelling in beginsel worden gevolgd. Wel kan het zo zijn dat bijvoorbeeld twee werkgevers afspreken dat namens hen een vertegenwoordiger zitting neemt in het bestuur. Uiteraard moet daarbij sprake blijven van evenwichtige vertegenwoordiging. Het kan bijvoorbeeld niet zo zijn dat, indien een bestuur wenst te werken met stemverhoudingen, deze stemverhoudingen het uiteindelijke niveau en de verhouding van de vertegenwoordiging afwijken van de wettelijk bepaalde.

De Pensioenwet bepaalt in artikel 101a de regels omtrent de samenstelling en taakverdeling van het gemengd bestuur. In het zevende lid van artikel 101a is vastgelegd dat ook een omgekeerd gemengd bestuur kan worden gevormd, waarbij voor de samenstelling, zetelverdeling en benoeming van de niet uitvoerende bestuurders de artikelen 100 en 102 van de Pensioenwet van overeenkomstige toepassing zijn.

Artikel 115b, tweede lid van de Pensioenwet bepaalt dat voor de samenstelling van het belanghebbendenorgaan de artikelen 100, eerste tot en met het vijfde lid, en 102 van overeenkomstige toepassing zijn.

Indien er sprake is van een collectiviteitkring waarin vanwege de herkomst de regels van een bedrijfstakpensioenfonds gelden, dan zal een vertegenwoordiger van de werkgeversverenigingen meerdere werkgevers vertegenwoordigen. Verder is het mogelijk voor werknemers(verenigingen), werkgevers(verenigingen) en pensioengerechtigden om zich door een deskundige te laten vertegenwoordigen. Een deskundige kan in meerdere belanghebbendenorganen binnen een algemeen pensioenfonds zitting hebben. De taken van de belanghebbendenorganen zien immers op de specifieke collectiviteitkring waarvoor het belanghebbendenorgaan is ingesteld, zodat er geen belangenconflict kan optreden.

(...)

Het lid van de 50PLUS-fractie vraagt of de instelling van een verantwoordingsorgaan in een paritair bestuursmodel kan volstaan en hoe dan geborgd wordt, dat de achterban van de kringen daadwerkelijk invloed hebben op de wijze waarop met de door hen ingebrachte pensioengelden wordt omgegaan. Dit lid vraagt of het niet in de rede ligt, om alle belanghebbenden, deelnemers en gepensioneerden, instemmingsrechten te geven over de wijze waarop met de door hen ingebrachte pensioengelden wordt omgegaan. Dit lid vraagt de regering breed in te gaan op het vraagstuk van de vertegenwoordiging van de belangen van alle belanghebbenden, waaronder gepensioneerden in het algemeen pensioenfonds. Ook vraagt dit lid hoe toezicht, medezeggenschap en instemming van werkgevers, werknemers en gepensioneerden samenvattend is of wordt geborgd in het algemeen pensioenfonds?

Een van de uitgangspunten van pensioenfondsen is dat (mede)zeggenschap van belanghebbenden bij de pensioenregeling stevig verankerd is. In een algemeen pensioenfonds met een paritair bestuur worden de belanghebbenden op een zo evenwichtig mogelijke wijze vertegenwoordigd in het bestuur. Artikel 102 van de Pensioenwet stelt regels over de zetelverdeling en benoeming van pensioengerechtigden en werknemers in een paritair bestuur.

De regering is van mening dat met het toekennen van instemmingsrechten aan het verantwoordingsorgaan echter sprake is van dubbele zeggenschap en medezeggenschap. Immers, de belanghebbenden maken in het paritaire bestuursmodel onderdeel uit van het bestuur en via die weg is reeds voldaan aan het uitgangspunt dat belanghebbenden bij de pensioenregeling (mede)zeggenschap hebben.

Het lid van de 50PLUS-fractie vraagt of er voldoende borging is, dat «belanghebbenden», lees ook vertegenwoordigers van deelnemers en gepensioneerden, voldoende invloed zullen hebben op het reilen en zeilen van een algemeen pensioenfonds. Dit lid vraagt welke sturingsmogelijkheden, welke mogelijkheden tot inspraak, instemming, of meebeslissen zij hebben. Ook vraagt dit lid om nader in te gaan op de (invulling / uitwerking van de) «interne toezichtfunctie».

De deelnemers c.q. werknemers en de pensioengerechtigden zijn bij een algemeen pensioenfonds ofwel vertegenwoordigd in het paritair bestuur ofwel in het belanghebbendenorgaan voor hun eigen collectiviteitkring. Bij vertegenwoordiging in het bestuur hebben zij de zeggenschap die hoort bij bestuursdeelname, gericht op het gehele functioneren van het algemeen pensioenfonds. Bij vertegenwoordiging in het belanghebbendenorgaan is de (mede)zeggenschap beperkt tot de onderwerpen die uitsluitend de eigen collectiviteitkring betreffen. Daarbij gaat het dan bijvoorbeeld om goedkeuringsrechten ten aanzien van de premie en het toeslagenbeleid voor de eigen kring (artikel 115c, negende lid, onderdelen f en g, van de Pensioenwet).

Het interne toezicht bij een algemeen pensioenfonds wordt uitgeoefend door een raad van toezicht of door de niet-uitvoerende bestuurders indien er een gemengd bestuur is.

(...)

Nota naar aanleiding van het nader verslag (Kamerstuk 34 117, nr. 13)

3.3 Inrichting van (het bestuur van) een algemeen pensioenfonds (p. 5-7)

De leden van de PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de keuze om geen ex ante beperking te stellen in de keuze van bestuursmodellen. Desalniettemin vinden de leden het belangrijk dat deze situatie in de gaten wordt gehouden, ook omdat beide toezichthouders in hun advies hebben aangegeven om alleen te kiezen voor twee onafhankelijke modellen. Deze leden vragen of de Staatssecretaris daarnaast kan bevestigen dat het mogelijk is om de samenstelling van een paritair bestuur te handhaven als er nieuwe kringen worden toegevoegd aan een algemeen pensioenfonds? Ook de leden van de CDA-fractie en de fractie van D»66 vragen hiernaar.

Indien nieuwe collectiviteitkringen afkomstig zijn van ondernemingen of bedrijfstakken die nog niet in het algemeen pensioenfonds deelnemen, dan heeft dit in beginsel gevolgen voor de samenstelling van het paritair bestuur. Immers de regels voor de vertegenwoordiging van de belanghebbenden in het paritair bestuur gelden ook voor nieuwe toetreders. Wel is het mogelijk om, zoals in de nota naar aanleiding van het verslag is aangegeven (Tweede Kamer 2014/15, 34 117, nr. 9, pag. 16), afspraken te maken over bijvoorbeeld de vertegenwoordiging van meerdere werkgevers door één persoon.

Overigens merkt de regering in dit kader op dat voor de toezichthouder niet zozeer het gekozen bestuursmodel van belang is als wel de vraag of er van een werkbaar, doortastend en slagvaardig bestuur sprake is en zal zijn. Als de bestuurlijke omvang al te zeer gaat uitdijen, omdat steeds meer aansluitende partijen evenredig bestuurlijk vertegenwoordigd moeten zijn, kan de bestuurlijke efficiëntie onder druk komen. Dat kan ertoe leiden dat het bestuur zelf moet constateren dat de grenzen van een bepaald model in zicht komen.

(...)

De leden van de D66-fractie vragen wat er gebeurt indien een gesloten fonds zich zou aansluiten bij een APF met een onafhankelijk bestuur. Geldt in een dergelijk geval dat een werkgeversvertegenwoordiging in het belanghebbendenorgaan verplicht wordt gesteld? En is de regering van mening dat dit onwenselijk is, aangezien er in een dergelijk geval voor de werkgever geen financiële verplichtingen meer bestaan ten opzichte van het fonds? De leden van de ChristenUnie-fractie vragen waarom het bij een gesloten fonds verplicht wordt gesteld om een werkgeversvertegenwoordiging in het belanghebbendenorgaan te hebben. In het geval van aansluiting bij een APF met een onafhankelijk bestuur, zou dan sprake zijn van werkgeversvertegenwoordiging in het belanghebbendenorgaan terwijl de werkgever geen financiële verplichtingen meer heeft ten aanzien van het fonds.

Voor het algemeen pensioenfonds zijn de regels voor de samenstelling van het bestuur en het belanghebbendenorgaan van een ondernemings- of bedrijfstakpensioenfonds van overeenkomstige toepassing. Voor een gesloten ondernemingspensioenfonds waarbij de werkgever ontbreekt is een aparte regeling getroffen in artikel 100, vijfde lid, van de Pensioenwet op grond waarvan de regels over de samenstelling van het bestuur niet van toepassing zijn indien de onderneming waaraan het ondernemingspensioenfonds verbonden was heeft opgehouden te bestaan. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing bij het belanghebbendenorgaan van een algemeen pensioenfonds. Bij een collectiviteitkring voor een gesloten pensioenregeling waarbij de onderneming van de werkgever heeft opgehouden te bestaan, zal dus sprake zijn van een belanghebbendenorgaan zonder werkgeversvertegenwoordiging. In de situatie dat de onderneming van de werkgever wel nog bestaat gelden de regels over de evenwichtige samenstelling en de getalsmatige vertegenwoordiging van werknemers en pensioengerechtigden enerzijds en de werkgever anderzijds wel. Daarbij geven de regels over de getalsmatige samenstelling aan dat werknemers en pensioengerechtigden ten minste evenveel zetels bezetten als werkgevers. Binnen dit kader kunnen afspraken worden gemaakt waardoor de rol van de werkgever geringer is. Overigens kan het ook bij een gesloten fonds van belang zijn dat de werkgever in het bestuur of het belanghebbendenorgaan deelneemt, aangezien de beslissingen die daar worden genomen invloed kunnen hebben op de werkgever.

Het verslag van de plenaire behandeling Tweede Kamer (Handelingen 2014-2015, nr. 96, item 32)

[Opgenomen zijn de eerste en de tweede termijn van de staatssecretaris p. 23-24]

Staatssecretaris Klijnsma:

Mevrouw Vermeij en de heer Knol vroegen hoe we erop toezien dat het bestuurlijk model van het algemeen pensioenfonds bij nieuwe toetredingen niet onder druk komt te staan. Wordt het bestuur niet te zwaar bij nieuwe toetreders? Ook vroegen zij of hierover bij de start van het algemeen pensioenfonds afspraken worden gemaakt. Bij de start van het algemeen pensioenfonds zal in ieder geval een bestuursmodel gekozen moeten worden. Een algemeen pensioenfonds dat een groter aantal collectiviteitskringen wil, kan kiezen voor een onafhankelijk bestuur. De bestuursomvang blijft daarmee beperkt. Het worden dan geen Poolse landdagen, zal ik maar zeggen.

In een paritair bestuur zijn de belanghebbenden in het bestuur vertegenwoordigd. Als nieuwe ondernemingen of bedrijfstakken toetreden, heeft dat gevolgen voor de samenstelling van het bestuur. Er kunnen afspraken gemaakt worden over bijvoorbeeld vertegenwoordiging van meerdere werkgevers door één persoon. Zoals in de nota naar aanleiding van het nader verslag is aangegeven, is het voor de toezichthouder van belang dat het bestuur werkbaar en slagvaardig is. Bij een te groot bestuur kan dat element onder druk komen te staan. Dat kan ertoe leiden dat het bestuur zelf moet constateren dat de grenzen van een bepaald model in zicht komen.

Mevrouw Vermeij (PvdA):

Het woord "kan" is veel gevallen en het komt ook vaak voor in de nota naar aanleiding van het nader verslag. Dat betekent toch dat het bestuur zelf tot de conclusie moet komen dat een bepaald model onwerkbaar is. Meestal is het dan al langere tijd heel erg onwerkbaar. Is het daarom niet aan de toezichthouder om daar al eerder naar te kijken? Ook vraag ik om, mochten heel veel pensioenfondsen aan een bepaald apf willen gaan deelnemen, daar een soort maximum aan te stellen. Je kunt je er iets bij voorstellen dat er heel veel kleintjes in gaan zitten, bijvoorbeeld meer dan tien. Je wilt inderdaad geen Poolse landdag. Dat zeggen we allemaal. We gebruiken echter de hele tijd een kanbepaling. Die leidt ertoe dat we pas iets gaan doen als de situatie onwerkbaar is geworden.

Staatssecretaris Klijnsma:

Ja, maar alle kleine fondsen moeten zich natuurlijk wel serieus genomen voelen. Het is dus erg belangrijk dat iedere keer opnieuw gekeken wordt hoe je een toegetreden fonds kunt verdisconteren met de eigenheid die daarbij hoort. De manier waarop we het nu hebben ingekleurd, betekent dat men inderdaad zelf kan kiezen hoe men dit vormgeeft, met dien verstande dat je met meerdere fondsen van één persoon gebruik kunt maken.

Mevrouw Vermeij (PvdA):

Die vertegenwoordiging kan dus plaatsvinden. Het lijkt mij te vroeg om met amendementen te komen, maar dit lijkt mij een mooi onderwerp om zeer uitgebreid mee te nemen in de evaluatie. Ik ga ook kijken of ik er in de tweede termijn wellicht een motie over kan indienen. Juist op dit punt vind ik de wet namelijk nog niet helemaal krachtig genoeg. Zoals de minister zelf zegt, ook in de nota naar aanleiding van het verslag: "Dat kan ertoe leiden dat het bestuur zelf moet constateren dat de grenzen van een bepaald model in zicht komen." Dat vergt veel van een bestuur, dat zich ook vertegenwoordigd wil voelen.

Staatssecretaris Klijnsma:

Klopt, maar de toezichthouder kan altijd ingrijpen als een fonds niet bestuurbaar is. Dat is altijd aan de orde.

De heer Van Weyenberg (D66):

Dat is waar. Mevrouw Vermeij zei al: tegen de tijd dat een bestuur zelf doorheeft dat het niet werkt en het zijn eigen bestuursmodel eigenlijk ongedaan maakt, ben je al een heel eind op streek. Dit lijkt erop dat we de put pas gaan dempen als het kalf verdronken is, omdat dan een onbestuurbare situatie is ontstaan. Ik zou de vraag van mevrouw Vermeij daarom willen herhalen, al zal ik hem niet opnieuw stellen.

Staatssecretaris Klijnsma:

Dat zou betekenen dat wij de wet zodanig moeten wijzigen dat we een plafond moeten aanbrengen, of een beperking van de omvang van besturen. Daar zou ik niet voor zijn. Ik vind dat wij met deze kanbepalingen en met de eenduidigheid rond bestuursleden voldoende mogelijkheden hebben geschapen. De stok achter de deur is natuurlijk altijd de toezichthouder, die ingrijpt als het de spuigaten zou uitlopen. Ik vind dat wij eerst gewoon op deze manier met de wet aan de slag moeten.

De heer Van Weyenberg vroeg waarom wij aan de voorkant het aantal bestuursmodellen niet beperkt hebben. Het beperken van de keuzemogelijkheden zou de mogelijkheden voor het apf kunnen inperken, want een apf dat voor meerdere ondernemingen of bedrijfstakken wil werken, kan bijvoorbeeld een onafhankelijk bestuur kiezen. Zo'n keuze voorkomt te grote besturen. Voor een algemeen pensioenfonds dat voor een werkgever of een klein aantal werkgevers uitvoert, kan een paritair bestuur een goede keuze zijn. Ik zou er niet voor zijn om nu het aantal bestuursmodellen te beperken.

(...)

De heer Klein vroeg mij om te bevestigen dat het geen verplichting is het paritair bestuur te wijzigen bij een nieuwe toetreding. Het antwoord daarop is: nee. Indien nieuwe ondernemingen of bedrijfstakken toetreden tot een algemeen pensioenfonds, dan heeft dit gevolgen voor het paritair bestuur. De regels voor vertegenwoordiging van belanghebbenden in het bestuur gelden ook voor nieuwe toetreders. Het is wel mogelijk afspraken te maken over bijvoorbeeld vertegenwoordiging van meerdere werkgevers door één persoon.

(...)

[Tweede termijn p. 35]

Staatssecretaris Klijnsma:

Ik loop de woordvoerders langs en hun bijdragen in de tweede termijn. Mevrouw Vermeij heeft me nog gevraagd naar de governance en de kanbepalingen. Ben ik bereid na twee jaar de stand van zaken rond het paritaire bestuur en de slagvaardigheid en de daadkracht te laten zien? Het antwoord daarop is volmondig ja.