Algemeen Pensioenfonds: Artikel 1. Definities


Per wetsartikel worden de (voorgestelde) wijzigingen met een kleur getoond, waarbij de kleur afhankelijk is van het betreffende kamerstuk waaruit de wijziging voortvloeit:

  • Het Wetsvoorstel algemeen pensioenfonds (Kamerstuk 34 117, nr. 2);
  • De nota van wijziging (Kamerstuk 34 117, nr. 10);
  • De aangenomen amendementen.

Artikel 1. Definities

Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

- aanspraakgerechtigde: persoon die begunstigde is voor een nog niet ingegaan pensioen;

- accountant: een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;

-algemeen pensioenfonds: een pensioenfonds dat een of meerdere pensioenregelingen uitvoert en daarvoor een afgescheiden vermogen aanhoudt per collectiviteitskring als bedoeld in artikel 123; algemeen pensioenfonds: een pensioenfonds dat een of meerdere pensioenregelingen of beroepspensioenregelingen als bedoeld in artikel 1 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling uitvoert en daarvoor een afgescheiden vermogen aanhoudt per collectiviteitkring;

- afkoop: iedere handeling waardoor pensioenaanspraken en pensioenrechten hun pensioenbestemming verliezen, behoudens in geval van toepassing van artikel 134 of artikel 3:160 van de Wet op het financieel toezicht;

- arbeidsongeschiktheidspensioen: een geldelijke, vastgestelde uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van de werknemer of gewezen werknemer, waarop recht bestaat na afloop van de periode bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Ziektewet of, indien de werknemer of gewezen werknemer Ziektewetuitkering ontvangt, na afloop van de periode bedoeld in artikel 29, vijfde en tiende lid, van de Ziektewet;

- basispensioenregeling: de collectieve pensioenregeling of het deel van de pensioenregeling waaraan de werknemer op basis van de pensioenovereenkomst gehouden is om deel te nemen;

- bedrijfstakpensioenfonds: een pensioenfonds ten behoeve van een of meer bedrijfstakken of delen van een bedrijfstak;

- beëindiging van de deelneming: het beëindigen van de pensioenverwerving op basis van een pensioenovereenkomst anders dan door:

a. het overlijden van de deelnemer; of
b. het ingaan van het ouderdomspensioen;

- bevoegde autoriteiten: de nationale autoriteiten van andere lidstaten dan Nederland die op grond van artikel 6, onderdeel g, van richtlijn 2003/41/EG zijn aangewezen om de in die richtlijn vastgelegde taken te verrichten;

- bijdrage: iedere geldsom die wordt voldaan aan een pensioenuitvoerder in het kader van de uitvoering van pensioenovereenkomsten en uitvoeringsovereenkomsten;

- bijdragende onderneming: een onderneming of ander lichaam, ongeacht of deze een of meer natuurlijke personen of rechtspersonen die optreden als werkgever of zelfstandige, dan wel een combinatie daarvan, omvat of hieruit bestaat, en die aan een pensioenfonds, beroepspensioenfonds, premiepensioeninstelling of pensioeninstelling uit een andere lidstaat bijdragen betaalt;

- bijzonder partnerpensioen: de aanspraak op partnerpensioen die op grond van artikel 57, eerste, tweede of derde lid, verkregen wordt door de gewezen partner;

- buitenlandse instelling: een instelling met zetel buiten Nederland, niet zijnde een pensioeninstelling uit een andere lidstaat, een verzekeraar met een zetel buiten Nederland, een van de Europese Gemeenschappen of een instelling als bedoeld in artikel 70, tweede lid;

- collectiviteitkring: een of meerdere pensioenregelingen of beroepspensioenregelingen als bedoeld in artikel 1 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling waarvoor een algemeen pensioenfonds een afgescheiden vermogen aanhoudt;

- deelnemer: de werknemer of gewezen werknemer die op grond van een pensioenovereenkomst pensioenaanspraken verwerft jegens een pensioenuitvoerder;

- dekkingsgraad: de verhouding tussen het vermogen inzake de bij een pensioenfonds ondergebrachte pensioenregeling of pensioenregelingen en de technische voorzieningen van een pensioenfonds;

- dienstbetrekking: de rechtsbetrekking tussen werkgever en werknemer;

- directeur-grootaandeelhouder:

a. persoonlijk houder van aandelen welke ten minste een tiende deel van het geplaatste kapitaal van de vennootschap van de werkgever vertegenwoordigen en waaraan stemrecht in de algemene vergadering is verbonden;
b. indirect persoonlijk houder van aandelen welke ten minste een tiende deel van het geplaatste kapitaal van de vennootschap van de werkgever vertegenwoordigen en waaraan stemrecht in de algemene vergadering is verbonden; of
c. houder van certificaten van aandelen, uitgegeven door tussenkomst van een administratiekantoor waarvan hij voor ten minste een tiende deel in het bestuur vertegenwoordigd is, welke ten minste een tiende deel van het geplaatste kapitaal van de vennootschap vertegenwoordigen en aan welke aandelen stemrecht in de algemene vergadering is verbonden;

- elektronisch: door middel van een elektronische informatiedrager die de ontvanger in staat stelt de verstrekte informatie duurzaam te bewaren;

- gedetacheerde werknemer: een werknemer die in een andere lidstaat wordt gedetacheerd om daar te werken en die krachtens titel II van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de gemeenschap verplaatsen (PbEG L 149), onderworpen blijft aan de wetgeving van de lidstaat van oorsprong;

- gepensioneerde: pensioengerechtigde voor wie het ouderdomspensioen is ingegaan;

- gewezen deelnemer: de werknemer of gewezen werknemer door wie op grond van een pensioenovereenkomst geen pensioen meer wordt verworven en die bij beëindiging van de deelneming een pensioenaanspraak heeft behouden jegens een pensioenuitvoerder;

- groep: een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;

- kapitaalovereenkomst: een pensioenovereenkomst inzake een vastgesteld kapitaal dat uiterlijk op de pensioendatum wordt omgezet in een pensioenuitkering;

- lidstaat: een lidstaat van de Europese Unie alsmede een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij de Overeenkomst betreffende Europese Economische Ruimte;

- nabestaandenpensioen: partnerpensioen of wezenpensioen;

- nettopensioen: ouderdomspensioen of nabestaandenpensioen in de vorm van een nettopensioen als bedoeld in afdeling 5.3B van de Wet inkomstenbelasting 2001;

- ondernemingspensioenfonds:

a. een pensioenfonds verbonden aan een onderneming of groep; of
b. een pensioenfonds verbonden aan meerdere ondernemingen of groepen door samenvoeging van de aan de afzonderlijke ondernemingen of groepen verbonden pensioenfondsen;

- ondernemingspensioenfonds: een pensioenfonds verbonden aan een onderneming of een groep;

- ondernemingsraad: de ondernemingsraad, bedoeld in de Wet op de ondernemingsraden;

- ontvangende pensioenuitvoerder: de pensioenuitvoerder aan wie in het kader van waardeoverdracht waarde wordt overgedragen;

- Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

- ouderdomspensioen: een geldelijke, vastgestelde uitkering voor de werknemer of de gewezen werknemer bij wijze van inkomensvoorziening bij ouderdom;

- overdrachtswaarde: de ten behoeve van de waardeoverdracht vastgestelde waarde van de over te dragen pensioenaanspraken of pensioenrechten;

- overdragende pensioenuitvoerder: de pensioenuitvoerder die in het kader van waardeoverdracht waarde overdraagt aan een andere pensioenuitvoerder;

- partner: echtgenoot, geregistreerde partner of partner in de zin van de pensioenovereenkomst;

- partnerpensioen: een geldelijke, vastgestelde uitkering voor de echtgenoot, de geregistreerde partner of de partner, de gewezen echtgenoot, de gewezen geregistreerde partner of gewezen partner wegens het overlijden van de werknemer of gewezen werknemer;

- partnerrelatie: huwelijk, geregistreerd partnerschap of partnerrelatie in de zin van de pensioenovereenkomst;

- pensioen: ouderdomspensioen, arbeidsongeschiktheidspensioen of nabestaandenpensioen, zoals tussen werkgever en werknemer overeengekomen;

- pensioenaanspraak: het recht op een nog niet ingegaan pensioen, uitgezonderd overeengekomen voorwaardelijke toeslagverlening;

- pensioenfonds: een rechtspersoon stichting die niet een premiepensioeninstelling is, waarin ten behoeve van ten minste twee deelnemers, gewezen deelnemers of hun nabestaanden gelden worden of werden bijeengebracht en worden beheerd ter uitvoering van ten minste een basispensioenregeling;

- pensioengerechtigde: persoon voor wie op grond van een pensioenovereenkomst het pensioen is ingegaan;

- pensioeninstelling uit een andere lidstaat: een op basis van kapitaaldekking gefinancierde instelling, ongeacht de rechtsvorm, die zetel heeft in een andere lidstaat dan Nederland en die onafhankelijk van enige bijdragende onderneming of bedrijfstak is opgericht met als doel het verstrekken van arbeidsgerelateerde pensioenuitkeringen op basis van een als volgt gesloten overeenkomst:

a. individueel of collectief tussen een of meerdere werkgevers en een of meerdere werknemers of hun respectievelijke vertegenwoordigers; of
b. met zelfstandigen,
en die hiermee rechtstreeks verband houdende werkzaamheden verricht;

- pensioenovereenkomst: hetgeen tussen een werkgever en een werknemer is overeengekomen betreffende pensioen;

- pensioenrecht: het recht op een ingegaan pensioen, uitgezonderd overeengekomen voorwaardelijke toeslagverlening;

- pensioenregeling:

a. een pensioenregeling op grond van een pensioenovereenkomst; of
b. indien de bijdragende onderneming zetel heeft in een andere lidstaat dan Nederland, een overeenkomst, een trustakte of voorschriften waarin is bepaald welke pensioenuitkeringen worden toegezegd en onder welke voorwaarden;

- pensioenreglement: de door de pensioenuitvoerder opgestelde regeling met betrekking tot de verhouding tussen pensioenuitvoerder en deelnemer;

- pensioenuitvoerder: een ondernemingspensioenfonds, een bedrijfstakpensioenfonds een bedrijfstakpensioenfonds, een algemeen pensioenfonds, of een premiepensioeninstelling of verzekeraar die zetel heeft in Nederland;

- pensioenverplichtingen: verplichtingen van de pensioenuitvoerder uit hoofde van pensioenaanspraken en pensioenrechten;

- premie: de in geld uitgedrukte periodiek vastgestelde structurele prestatie die verschuldigd is aan de pensioenuitvoerder en die bestemd is voor de verzekering van pensioen en de daaraan verbonden kosten;

- premieovereenkomst: een pensioenovereenkomst inzake een vastgestelde premie die uiterlijk op de pensioendatum wordt omgezet in een pensioenuitkering;

- premiepensioeninstelling: een premiepensioeninstelling die op grond van de Wet op het financieel toezicht in Nederland het bedrijf van premiepensioeninstelling mag uitoefenen;

- richtlijn 2003/41/EG: richtlijn nr. 2003/41/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 3 juni 2003 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (PbEG L 235/10);

- scheiding: echtscheiding, ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed, beëindiging van een geregistreerd partnerschap anders dan door dood, vermissing of omzetting van een geregistreerd partnerschap in een huwelijk of beëindiging van een partnerrelatie in de zin van de pensioenovereenkomst;

- schriftelijk: in schrifttekens op papier;

- toeslag: een verhoging van:

a. een pensioenrecht;
b. een pensioenaanspraak van een gewezen deelnemer, mits die verhoging bij een kapitaalovereenkomst niet voortvloeit uit rente- of winstdeling of bij een premieovereenkomst niet voorvloeit uit behaald beleggingsrendement;
c. een pensioenaanspraak van een deelnemer op grond van een uitkeringsovereenkomst gebaseerd op het middelloonstelsel of gebaseerd op een vastebedragenregeling, mits de verhoging geen verband houdt met een verhoging van de pensioengrondslag, de toename van het in aanmerking te nemen aantal jaren of een wijziging van de pensioenovereenkomst; of
d. een pensioenaanspraak van een gepensioneerde ten behoeve van zijn partner;

- toezichthouder: de Stichting Autoriteit Financiële Markten of De Nederlandsche Bank N.V., ieder voor zover belast met de uitoefening van het toezicht bij of krachtens artikel 151;

- uitkeringsovereenkomst: een pensioenovereenkomst inzake een vastgestelde pensioenuitkering;

- uitvoeringsovereenkomst: de overeenkomst tussen een werkgever en een pensioenuitvoerder over de uitvoering van een of meer pensioenovereenkomsten;

- uitvoeringsreglement:

a. de door een bedrijftakpensioenfonds opgestelde regeling met betrekking tot de verhouding tussen pensioenuitvoerder en werkgever;
b. de door een pensioenuitvoerder opgestelde regeling inzake de uitvoering van de pensioenovereenkomsten met zijn werknemers;
c. de door een algemeen pensioenfonds opgestelde regeling inzake de uitvoering van een beëindigde pensioenregeling of beroepspensioenregeling als bedoeld in artikel 23a of artikel 4a, derde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling;

- verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds: een bedrijfstakpensioenfonds waarin de deelneming verplicht is gesteld als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 en artikel 21, eerste lid, van de Wet privatisering ABP;

- verzekeraar: een verzekeraar die op grond van de Wet op het financieel toezicht in Nederland het bedrijf van levensverzekeraar of schadeverzekeraar mag uitoefenen;

- voorwaarden in verband met de partnerrelatie: huwelijkse voorwaarden, voorwaarden van een geregistreerd partnerschap of voorwaarden in verband met een partnerrelatie in de zin van de pensioenovereenkomst;

- vrijwillige pensioenregeling: het deel van de pensioenregeling waaraan de werknemer op basis van de pensioenovereenkomst de mogelijkheid heeft om deel te nemen;

- waardeoverdracht: iedere handeling waarbij de waarde van opgebouwde pensioenaanspraken of pensioenrechten wordt aangewend ten behoeve van:

1°. andere pensioenaanspraken of pensioenrechten bij dezelfde of een andere pensioenuitvoerder; of
2°. dezelfde pensioenaanspraken of pensioenrechten bij een andere pensioenuitvoerder;

- werkgever: degene die een werknemer krachtens arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht of publiekrechtelijke aanstelling arbeid laat verrichten;

- werkgeverspremie: het deel van de premie dat voor rekening komt van de werkgever;

- werknemer: degene die krachtens arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht of publiekrechtelijke aanstelling arbeid verricht voor een werkgever, met uitzondering van de directeur-grootaandeelhouder en de werknemer die onder de werkingsfeer van een verplichtgestelde beroepspensioenregeling als bedoeld in de Wet verplichte beroepspensioenregeling valt;

- werknemerspremie: het deel van de premie dat voor rekening komt van de werknemer;

- wezenpensioen: een geldelijke, vastgestelde uitkering voor een kind tot wie de overleden werknemer of gewezen werknemer als ouder in familierechtelijke betrekking stond of voor diens stief- of pleegkind, wegens het overlijden van de werknemer of gewezen werknemer;

- zetel: de plaats waar een rechtspersoon volgens zijn statuten of reglementen is gevestigd of, indien het een pensioenfonds of pensioeninstelling uit een andere lidstaat betreft, de plaats waar deze volgens zijn statuten of reglementen is gevestigd en zijn hoofdbestuur heeft of, indien het een pensioeninstelling uit een andere lidstaat betreft die geen rechtspersoon is of een natuurlijke persoon betreft, de plaats waar die pensioeninstelling of persoon zijn hoofdbestuur heeft.

Parlementaire geschiedenis

Memorie van toelichting (Kamerstuk 34 117, nr. 3) - Algemeen deel

HOOFDSTUK 3. HOOFDLIJNEN VAN HET WETSVOORSTEL

3.1. Karakteristieken van het algemeen pensioenfonds (p. 6-7)

Het algemeen pensioenfonds is een pensioenfonds in de zin van artikel 1 van de Pensioenwet. Er zijn nu drie typen pensioenfondsen: het ondernemingspensioenfonds, het beroepspensioenfonds en het bedrijfstakpensioenfonds. Het algemeen pensioenfonds zal een vierde type pensioenfonds zijn dat is toegerust op een financieel afgescheiden uitvoering van meerdere pensioenregelingen en zijn doelgroep niet hoeft te beperken tot een bepaald domein van werkgevers en werknemers. De dienstverlening van een algemeen pensioenfonds staat open voor pensioenregelingen die thans zijn ondergebracht bij ondernemingspensioenfondsen, niet verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen en voor verplichtgestelde beroepspensioenregelingen. Ook rechtstreeks verzekerde pensioenregelingen mogen door het algemeen pensioenfonds worden uitgevoerd. Het algemeen pensioenfonds staat eveneens open voor nieuwe pensioenregelingen. Bij beroepspensioenregelingen is sprake van een verplichtstelling tot deelneming in een pensioenregeling in plaats van in een pensioenfonds, met onderbrenging van de pensioenregeling naar keuze. Dat kan nu bij een pensioenuitvoerder, een verzekeraar, een PPI en straks ook bij een algemeen pensioenfonds.

Een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds zal zich daarentegen niet kunnen omvormen tot, of haar pensioenregeling(en) kunnen laten uitvoeren door, een algemeen pensioenfonds. Een reden hiervoor is een mogelijke marktverstorende werking. Op het moment dat (de dienstverlening van) een algemeen pensioenfonds openstaat voor verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen zal het algemeen pensioenfonds dat verplichtgestelde pensioenregelingen uitvoert profiteren van de door de overheid verleende verplichtstelling. Hiermee wordt immers een zekere schaalgrootte en financiële draagkracht gegarandeerd. Andere algemene pensioenfondsen zullen die voordelen niet kunnen genieten.

Een tweede reden is dat – anders dan bij beroepspensioenfondsen – de verplichtstelling gekoppeld is aan het pensioenfonds. Dit betekent dat een wijziging (in de vormgeving) van de verplichtstelling zou moeten plaatsvinden om het algemeen pensioenfonds mogelijk te maken voor deze fondsen. Het verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfonds zou immers opgeheven worden, en de verplichtstelling zal aan een deel van het algemeen pensioenfonds gekoppeld moeten worden. Het wordt niet opportuun geacht om een dergelijk wijziging, met mogelijk ingrijpende consequenties – bijvoorbeeld vanwege Europeesrechtelijke mededingingsregels – nu door te voeren zonder eerst een fundamentele discussie over de verplichtstelling te hebben gevoerd met alle betrokken belanghebbenden. Dit zou uitstekend kunnen in de aangekondigde brede stelseldiscussie, maar niet binnen dit wetsvoorstel – te meer omdat het op korte termijn nodig is een alternatief te bieden aan (kleinere) pensioenfondsen die de voordelen van schaalvergroting willen genieten. Mocht uit de brede stelseldiscussie blijken dat het voor verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen wenselijk is dat zij gebruik kunnen maken van (de dienstverlening van) het algemeen pensioenfonds, dan sluit de regering nadrukkelijk niet uit dat dit op een later moment tot aanpassingen zal leiden. Vooralsnog is echter een wijziging van de huidige praktijk van de verplichte deelneming in een pensioenfonds, zoals deze is geregeld in de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000, niet aan de orde bij de introductie van het algemeen pensioenfonds.

(...)

3.2. Uitvoeringsmodel (p. 8)

(...)

De Pensioenwet schrijft op dit moment geen specifieke rechtsvorm voor een pensioenfonds voor. In de praktijk is voor het overgrote deel sprake van een stichting. Hierbij speelt de overtuiging dat pensioenfondsen een specifieke maatschappelijke functie hebben: het verzorgen van de arbeidsgerelateerde oudedagsvoorziening van haar deelnemers. Daartoe beschikt een pensioenfonds over door deelnemers ingelegde gelden. Dit geld wordt belegd en de daarop behaalde rendementen komen ten bate van de deelnemers.

De regering vindt andere rechtsvormen dan een stichting niet wenselijk, gelet op de conflicterende belangen die mogelijk kunnen bestaan tussen de kortetermijndoelstellingen van een algemeen pensioenfonds met een winstoogmerk en de lange termijnverplichtingen aan de deelnemers. Het is mogelijk voor derde partijen om een algemeen pensioenfonds op te richten. Indien daarbij ook andere rechtsvormen dan een stichting mogelijk zijn, zullen deze partijen daarvoor een vergoeding vragen. Het pensioenfonds zal dan geen andere keuze hebben dan die vergoeding periodiek als winstuitkering beschikbaar te stellen. Deze focus op de korte(re) termijn kan conflicteren met de noodzakelijke lange termijn van het pensioenfonds en haar deelnemers. Dat zal ten koste gaan van de beschikbare gelden voor de deelnemers. Een dergelijke situatie is onwenselijk.

Daarom wordt, voor het algemeen pensioenfonds, de keuze voor een rechtsvorm beperkt tot enkel de stichting. Een stichting mag namelijk geen winstuitkeringen aan derden doen. Daarmee is gewaarborgd dat de belangen van de deelnemers prioritair blijven voor het pensioenfonds. Wel kan een stichting een onkostenvergoeding van maximaal 5% van de inleggelden of het gestorte kapitaal uitkeren aan derden.

Tot slot merkt de regering in deze op dat het voor het behouden van een gelijk speelveld niet noodzakelijk is andere rechtsvormen mogelijk te maken. Derden kunnen immers nog steeds een algemeen pensioenfonds oprichten. Ook zal het nog steeds mogelijk zijn dat in het algemeen pensioenfonds, net als bij elk ander pensioenfonds, sprake is van uitbesteding van specifieke en kennisintensieve werkzaamheden – zoals het vermogensbeheer – aan commerciële pensioenuitvoerders die daarvoor vergoedingen ontvangen. Het voorschrijven van de stichtingsvorm voor pensioenfondsen brengt hier geen verandering in en laat dus ook het gelijke speelveld op dit punt ongewijzigd.

(...)

3.4. Ringfencing (p. 11-12)

De inrichting van de verschillende collectiviteitkringen in een algemeen pensioenfonds zal aan sociale partners worden gelaten. De reikwijdte van de collectiviteitkring moet blijken uit de statuten van het algemeen pensioenfonds. De reikwijdte van collectiviteitkringen binnen een algemeen pensioenfonds kan onderling verschillen. Omwille van een adequate bescherming van de pensioenrechten en -aanspraken van pensioendeelnemers en -gerechtigden zal de juridische techniek van de ringfencing (collectiviteitkringen en de daarbij horende vermogens worden afgescheiden) tussen de verschillende collectiviteitkringen evenwel dwingend worden voorgeschreven.

Voor wat betreft de ringfencing van de afzonderlijke afgescheiden vermogens wordt het aan de bij de betreffende pensioenregelingen betrokken werkgevers, in overleg met de werknemers, overgelaten of zij het uitvoeren van een of meerdere pensioenregelingen als één financieel geheel binnen een collectiviteitkring van het algemeen pensioenfonds wenselijk achten. De werkgever(s) dienen bij de beslissing over de reikwijdte van de collectiviteitkring (vertegenwoordigers van) alle belanghebbenden te betrekken. Dat betekent dat bestaande collectiviteitkringen die bijvoorbeeld zijn ontstaan door het onderbrengen van meerdere pensioenregelingen in ondernemingspensioenfondsen desgewenst intact kunnen blijven en als één geheel kunnen worden ingebracht in een collectiviteitkring van een algemeen pensioenfonds. De mogelijkheid tot introductie of behoud van collectivteitkringen is een belangrijke toegevoegde waarde van het algemeen pensioenfonds ten opzichte van asset pooling, waarbij geen onderscheidenlijke collectiviteitkringen kunnen worden aangebracht.

Het voorstel biedt voorts de mogelijkheid in een collectiviteitkring van het algemeen pensioenfonds een basispensioenregeling uit te voeren die door de betrokken werkgevers open wordt gesteld voor andere werkgevers. Om de lasten van het bestuur en uitvoeringskosten laag te houden zouden andere werkgevers ervoor kunnen kiezen om deze pensioenregeling volledig over te nemen en op te gaan in de collectiviteitkring waarvoor deze geldt. De partijen die op dat moment deel uitmaken van de collectiviteitkring dienen wel akkoord te gaan met de nieuwe toetreders tot de collectiviteitkring. Ook zouden een of meerdere onderneming ertoe kunnen besluiten om verschillende pensioenregelingen in één collectiviteitkring onder te brengen. Als een pensioenfonds dat niet wenst, bestaat er nog de mogelijkheid om voor één pensioenregeling een eigen collectiviteitkring aan te houden.

(...)

HOOFDSTUK 4. IMPACT OP DE PENSIOENSECTOR

(...)

4.3. Het wetsvoorstel tot introductie van een algemeen pensioenfonds wijzigt de domeinafbakening, maar niet de productafbakening (p. 15-16)

Pensioen is een arbeidsvoorwaarde. Deze arbeidsvoorwaarde kan op vele manieren worden ingericht en door vele uitvoerders worden uitgevoerd. Eisen aan de inrichting van het bestuur, toezicht, en de mogelijkheid een verplichtstelling uit te voeren zijn veelal gekoppeld aan de vraag of de uitvoerder een pensioenfonds of een verzekeraar is. Dit heeft geleid tot complexe afspraken over de verdeling van de uitvoeringsmogelijkheden tussen pensioenfondsen enerzijds en verzekeraars anderzijds, die zijn vastgelegd in de taakafbakening.

Met de introductie van een algemeen pensioenfonds wordt een element uit de taakafbakening, te weten de domeinafbakening, verlaten. Dit opdat het algemeen pensioenfonds zich kan richten op het realiseren van schaalvoordelen voor verschillende groepen van werkgevers en werknemers. Anders dan bij het multi-opf geldt bij het algemeen pensioenfonds niet de beperking dat de deelnemende ondernemingen eerder een eigen ondernemingspensioenfonds moeten hebben gehad, dat tenminste 5 jaar heeft bestaan. Een algemeen pensioenfonds kan voor iedere onderneming een of meerdere pensioenregelingen uitvoeren, ongeacht de vraag of de betreffende onderneming al eerder een ondernemingspensioenfonds had. Ook kunnen in het algemeen pensioenfonds pensioenregelingen van ondernemingen, groepen of bedrijfstakken worden ondergebracht die verder geen binding met elkaar hebben. Het toestaan hiervan wordt noodzakelijk geacht om tot een substantiële schaalvergroting en consolidatie te komen. De regering is zich ervan bewust dat ook met deze wijziging de afspraak over de domeinafbakening in de taakafbakening gewijzigd wordt.

Een ander element uit de taakafbakening, namelijk de productafbakening die tot uitdrukking komt in collectiviteit- en solidariteitseisen waaraan pensioenregelingen moeten voldoen om uitgevoerd te kunnen worden door pensioenfondsen, blijft met dit voorstel ongewijzigd.

(...)

HOOFDSTUK 7. UITKOMSTEN INTERNETCONSULTATIE

(...)

7.2 Alleen de rechtsvorm van de stichting is wenselijk (p. 25)

In het voorontwerp van wet werd voorgesteld om – conform de huidige pensioenwet – alle rechtsvormen toe te staan voor een algemeen pensioenfonds. In verschillende consultatiereacties is gewezen op een mogelijke spagaat tussen de korte termijn belangen van verschaffers van risicodragend kapitaal en de lange termijn belangen van het pensioenfonds en haar deelnemers. Tot slot is gewezen op het feit dat het voor een gelijk speelveld niet nodig is om een keuze te kunnen maken uit alle rechtsvormen. Het definiërende kenmerk is namelijk dat de oprichting van een algemeen pensioenfonds voor alle partijen openstaat en onder gelijke condities gebeurt. Ook met de beperking van een rechtsvorm van een stichting is dat het geval.

(...)

HOOFDSTUK 8. TOEZICHTTOETSEN

(...)

8.5 Stichting en bewaarder (p. 27)

De AFM geeft aan zich te kunnen vinden in het voorschrijven van de rechtsvorm van een stichting, maar het niettemin wenselijk te vinden om een verplichting op te nemen dat een algemeen pensioenfonds een bewaarder instelt, vanuit het oogpunt van bescherming van de belangen van de deelnemers en de werkgevers bij de uitvoering van het beleggingsbeleid. Het beschermen van de belangen van de deelnemers vindt de regering eveneens een belangrijk criterium. Juist daarom heeft de regering ook besloten de stichtingsvorm voor te schrijven, omdat deze rechtsvorm naar mening van de regering de meeste waarborgen biedt. Het instellen van een bewaarder zal naar mening van de regering echter zodanig belemmerend werken – vanwege het de facto creëren van een dubbele boekhouding – dat dit mogelijk het aanbod van algemene pensioenfondsen substantieel zal verkleinen. Het voorschrijven van de rechtsvorm van de stichting, in combinatie met de goederenrechterlijke ringfencing biedt, naar het oordeel van de regering een sterke waarborg ter bescherming van de deelnemers.

Memorie van toelichting (Kamerstuk 34 117, nr. 3) - Artikelsgewijs deel

Artikel I, onderdeel A (p. 27-28)

Aan de definities in artikel 1 van de Pensioenwet wordt het algemeen pensioenfonds toegevoegd. Het kenmerkende van het algemeen pensioenfonds is dat dit pensioenfonds (een of) meerdere pensioenregelingen uitvoert en daarvoor een afgescheiden vermogen aanhoudt voor iedere collectiviteitkring. De werkingssfeer van de collectiviteitkring, ofwel de pensioenregelingen en de uitvoeringsovereenkomsten die er onderdeel van uitmaken, moet worden vastgelegd in de statuten. Ondernemingspensioenfondsen en bedrijfstakpensioenfondsen zijn werkzaam voor een bepaald domein en vormen, ook als ze meerdere pensioenregelingen uitvoeren, altijd financieel een geheel. Het algemeen pensioenfonds kent verder geen domeinafbakening. In dit pensioenfonds kunnen dus pensioenregelingen van ondernemingen, groepen of bedrijfstakken worden ondergebracht die verder geen binding met elkaar hebben. Ook kunnen beroepspensioenregelingen in de zin van de Wet verplichte beroepspensioenregeling worden uitgevoerd.

De definitie van ondernemingspensioenfonds wordt aangepast aan het vervallen van het zogeheten multi-opf. Een ondernemingspensioenfonds is weer verbonden aan een onderneming of groep. Willen meerdere ondernemingen samenwerken in een pensioenfonds dan kan dit in het algemeen pensioenfonds.

Zoals in paragraaf 3.2 van het algemeen deel van de toelichting is aangegeven wordt voorgesteld te regelen dat pensioenfondsen de rechtsvorm van een stichting hebben. Daartoe wordt in de definitie van een pensioenfonds rechtspersoon vervangen door stichting.

Het algemeen pensioenfonds wordt toegevoegd aan de definitie van pensioenuitvoerder.

Nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstuk 34 117, nr. 9)

Hoofdstuk 3. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel

3.1 Karakteristieken van het algemeen pensioenfonds (p. 7-8)

(...)

Deze leden vragen ook naar de definitie van de collectiviteitkring en de voorwaarden waaronder deze kan worden aangegaan en of gewijzigd.

(...)

Een collectiviteitkring van een algemeen pensioenfonds bestaat uit een of meer pensioenregelingen die een financieel geheel vormen. De werkingssfeer van een collectiviteitkring moet worden vastgelegd in de statuten van het algemeen pensioenfonds door omschrijving van de pensioenregelingen en vermelding van de uitvoeringsovereenkomsten en uitvoeringsreglementen die onderdeel uitmaken van de collectiviteitkring. Met de bijgevoegde nota van wijziging wordt een definitie van collectiviteitkring aan de definities in de Pensioenwet toegevoegd. De inrichting van de collectiviteitkring is aan sociale partners. Een bestaande collectiviteitkring kan worden gewijzigd; er kunnen bijvoorbeeld werkgevers toetreden of uittreden en andere pensioenregelingen kunnen worden uitgevoerd. Het bestuur van het algemeen pensioenfonds beslist hiertoe. Bij een algemeen pensioenfonds met een onafhankelijk bestuur heeft het belanghebbendenorgaan een goedkeuringsrecht bij een besluit tot wijziging van de collectiviteitkring waaraan het belanghebbendenorgaan verbonden is.

(...)

In bijgaande nota van wijziging wordt daarnaast aan de definitie van een algemeen pensioenfonds toegevoegd dat dit ook beroepspensioenregelingen als bedoeld in de wet verplichte beroepspensioenregeling kan uitvoeren.

(...)

3.7 Stichtingsvorm (p. 20-23)

De leden van de fracties van de VVD, D66 en ChristenUnie vragen een nadere toelichting over het voorschrijven van de stichtingsvorm voor het algemeen pensioenfonds. De leden van de VVD-fractie vragen of de regering kan aangeven wat de vereisten van een stichting zijn en de voor- en nadelen zijn van andere rechtsvormen. Deze leden vragen waarom eerder wel is overwogen om het algemeen pensioenfonds mogelijk te maken met winstoogmerk en waar het verschil zit tussen een fonds met winstoogmerk of enkel de uitvoeringsorganisatie met winstoogmerk. Deze leden vragen of het algemeen pensioenfonds ook enkel als uitvoeringsbedrijf kan opereren en zo nee, waarom dit niet kan. De leden van de D66-fractie vragen om een nadere toelichting over de mogelijk conflicterende belangen tussen de kortetermijndoelstellingen van een algemeen pensioenfonds met winstoogmerk enerzijds en de langetermijnverplichtingen aan de deelnemers anderzijds en vragen daarbij ook te betrekken hoe het toestaan van (gereguleerd) winstoogmerk van een algemeen pensioenfonds kan bijdragen aan een neerwaartse druk op de uitvoeringskosten en juist een positief effect kan hebben op de rendementen. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen om nader in te gaan op de vraag in hoeverre het pensioengeld van deelnemers en pensioengerechtigden bij een algemeen pensioenfonds met winstoogmerk al dan niet voldoende beschermd zou zijn. Deze leden vragen of een algemeen pensioenfonds met winstoogmerk uitsluitend winst behaalt op de kwaliteit en efficiëntie van de administratie en het vermogensbeheer, of dat het risico te groot is dat het ten koste gaat van de belangen van deelnemers en pensioengerechtigden en hoe dit meegewogen is in het besluit om alleen de rechtsvorm van de stichting mogelijk te maken.

In artikel 2:285, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, is de rechtsvorm van stichting gedefinieerd. Een stichting is een door een rechtshandeling in het leven geroepen rechtspersoon, welke geen leden kent en beoogt met behulp van een daartoe bestemd vermogen een in de statuten vermeld doel te verwezenlijken. Artikel 2:285, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek verbindt daaraan de nadere eis dat het doel van de stichting niet mag inhouden het doen van uitkeringen aan oprichters of aan hen die deel uitmaken van haar organen noch ook aan anderen, tenzij wat deze laatsten betreft de uitkeringen een ideële of sociale strekking hebben. Hierin verschilt de stichting van rechtsvormen zoals een besloten vennootschap of een naamloze vennootschap. Vanwege deze karakteristieken is de rechtsvorm van de stichting, in de context van de pensioensector, een uitermate geschikte vorm voor het algemeen pensioenfonds.

Dat blijkt ook uit het feit dat het overgrote deel van de pensioenfondsen de rechtsvorm van de stichting hanteert, ondanks het feit dat daar op dit moment geen verplichting toe bestaat. Hierbij speelt de overtuiging dat pensioenfondsen een specifieke maatschappelijke functie hebben: het verzorgen van de arbeidsgerelateerde oudedagsvoorziening van haar deelnemers. Daartoe beschikt een pensioenfonds over door deelnemers ingelegde gelden. Dit geld wordt belegd en de daarop behaalde rendementen komen ten bate van de deelnemers.

De regering vindt andere rechtsvormen dan een stichting niet wenselijk, gelet op de conflicterende belangen die mogelijk kunnen bestaan tussen de kortetermijndoelstellingen van een algemeen pensioenfonds met een winstoogmerk en de lange termijnverplichtingen aan de deelnemers. Het is mogelijk voor derde partijen om een algemeen pensioenfonds op te richten. Indien daarbij ook andere rechtsvormen dan een stichting mogelijk zijn, zullen deze partijen daarvoor een vergoeding vragen als aandeelhouder in het algemeen pensioenfonds. Het pensioenfondsbestuur zal ook de belangen van de aandeelhouders moeten meewegen. Daardoor zal de tegenstelling tussen de belangen van de aandeelhouders op de korte(re) termijn en de belangen en de noodzakelijke lange termijn van het pensioenfonds en haar deelnemers scherper worden. Een dergelijke situatie is onwenselijk.

Tijdens de internetconsultatie van het voorontwerp van wet in het voorjaar van 2014 is bovendien gebleken dat het voor een gelijk speelveld niet nodig is om een keuze te kunnen maken uit alle rechtsvormen. Het definiërende kenmerk is namelijk dat de oprichting van een algemeen pensioenfonds voor alle partijen openstaat en onder gelijke condities gebeurt. Ook met de eis dat de rechtsvorm een stichting zal zijn is dat het geval. Bovendien zal het voorschrijven van de stichtingsvorm geen beperkingen opwerpen voor de voorziene neerwaartse druk op uitvoeringskosten. Deze zal ontstaan als gevolg van een voldoende aanbod aan algemene pensioenfondsen. Het voorschrijven van de stichtingsvorm werpt geen beperkingen op.

Een uitvoeringsbedrijf kan met een winstoogmerk opereren. Dat verschilt niet van de huidige situatie waarbij dienstverleners (zoals vermogensbeheerders en administratiekantoren) tegen een vergoeding hun diensten verlenen. Het algemeen pensioenfonds is een pensioenfonds zoals gedefinieerd in artikel 1 van de Pensioenwet en kan daarom niet enkel een uitvoeringsorganisatie zijn.

De leden van de PvdA-fractie vragen een nadere toelichting op de (gemaximeerde) onkostenvergoeding die een algemeen pensioenfonds aan derden kan uitkeren. Zij vragen wat met «onkostenvergoeding» wordt bedoeld en of het bijvoorbeeld gaat om kosten voor het uitbesteden van het vermogensbeheer. Zij vragen bovendien waar de 5% op gebaseerd is en of deze gemaximeerde onkostenvergoeding in de wet is vastgelegd. De leden van de SP-fractie vragen de regering hoe de inzet om met het algemeen pensioenfonds de uitvoeringskosten te beperken zich verhoudt tot het percentage van maximaal 5% per jaar over het gestorte kapitaal of over de inleggelden, dat uitgekeerd kan worden aan het algemeen pensioenfonds ten behoeve van de uitvoering. De leden vragen of dat percentage met een toenemende omvang van het algemeen pensioenfonds niet lager gesteld zou moeten worden.

Voor alle stichtingen pensioenfondsen geldt dat zij over kapitaal moeten beschikken dat kan worden ingezet voor de bedrijfsvoering. In algemene pensioenfondsen wordt dit weerstandsvermogen expliciet gemaakt, omdat het wordt afgescheiden van vermogens die behoren bij collectiviteitkringen. Indien het benodigde weerstandsvermogen niet reeds aanwezig is in de stichting algemeen pensioenfonds zal dit moeten worden aangetrokken van derden. In het bijgevoegde ontwerpbesluit zijn het weerstandsvermogen en de eisen die daaraan gesteld worden nader uitgewerkt.

De (on)kostenvergoeding waarnaar wordt gevraagd ziet op eventuele betalingen van een algemeen pensioenfonds aan derden ter financiële compensatie voor door hen ingebracht weerstandsvermogen in een algemeen pensioenfonds. Omdat het algemeen pensioenfonds een stichting is zullen de derden geen aandeelhouders kunnen zijn in het weerstandsvermogen. De stichting zal kapitaalstortingen door derden kunnen accepteren, maar daar geen winstuitkeringen tegenover kunnen stellen. Deze stortingen door derden kunnen daarom louter schenkingen (om niet) betreffen dan wel (achtergestelde) leningen zijn waarover een rentevergoeding verschuldigd is.

Dit komt voort uit het uitkeringsverbod voor stichtingen dat is vastgelegd in artikel 2:285, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek. Voor de beoordeling van betalingen door stichtingen aan derden is bovendien de vennootschapsbelasting relevant. In artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit Vennootschapsbelasting 1971 wordt als voorwaarde aan een vrijstelling voor de vennootschapsbelasting gesteld dat alle baten van een (algemeen) pensioenfonds uiteindelijk aan de pensioengerechtigden ten goede moeten komen, behoudens een uitkering tot ten hoogste vijf percent per jaar over het gestorte kapitaal of over de inleggelden, dat wil zeggen een uitkering van ten hoogste vijf percent van het weerstandsvermogen.

Een combinatie van een rentevergoeding en een uitkering van baten van ten hoogste vijf percent per jaar van het weerstandsvermogen is slechts denkbaar bij eventuele (achtergestelde) leningen aan een algemeen pensioenfonds waarbij de rentevergoeding mede afhankelijk is gesteld van het resultaat van de bedrijfsvoering van het algemeen pensioenfonds. Indien dergelijke rentevergoedingen de vijf percent van het ingebrachte weerstandsvermogen zouden overstijgen, dan wordt niet voldaan aan de voorwaarden die zijn verbonden aan de vrijstelling van de vennootschapsbelasting en zal het algemeen pensioenfonds als geheel belastingplichtig zijn. Uitkeringen van een positief bedrijfsresultaat aan derden uit een algemeen pensioenfonds worden dus niet alleen tegengegaan door het winstuitkeringverbod dat voor stichtingen volgt uit het Burgerlijk Wetboek (artikel 2:285 van het Burgerlijk Wetboek), maar ook door de voorwaarden die zijn gesteld aan vrijstelling van de vennootschapsbelasting.

De relevantie van (achtergestelde) leningen in het algemeen, en van (achtergestelde) leningen waarbij de rentevergoeding mede afhankelijk is van het resultaat van de bedrijfsvoering in het bijzonder, zal naar verwachting beperkt zijn voor een algemeen pensioenfonds. In het ontwerpbesluit is vastgelegd uit welke vermogensbestanddelen het weerstandsvermogen van een algemeen pensioenfonds moet bestaan. Omdat het weerstandsvermogen ertoe dient om bedrijfsrisico’s van een algemeen pensioenfonds volledig te kunnen absorberen zullen de onderscheiden vermogensbestanddelen in principe geschikt moeten zijn om verliezen bij doorgaande bedrijfsvoering volledig op te vangen en in geval van faillissement of liquidatie achtergesteld moeten zijn bij alle andere schuldvorderingen.

Ten overvloede wordt nog opgemerkt dat met de term onkostenvergoeding niet wordt gedoeld op de kosten die verband houden met de uitvoering van de pensioenregeling die volgens de uitvoeringsovereenkomst ten laste kunnen worden gebracht van een afgescheiden vermogen of een premie voor een afgescheiden vermogen. Het gaat in deze context dus niet om (een maximering van) kosten van vermogensbeheer, transacties of pensioenadministratie die in rekening worden gebracht. Ook gaat het niet om prijsafspraken in verband met diensten van vermogensbeheer of pensioendienstverlening die extern worden ingekocht door een algemeen pensioenfonds.

Met betrekking tot de stichtingsvorm is nog het volgende van belang. Het uitkeringsverbod voor stichtingen staat er niet aan in de weg dat afgesproken wordt dat een eventuele bijdrage vanuit een collectiviteitkring aan het weerstandsvermogen van een algemeen pensioenfonds weer terug kan vloeien naar de collectiviteitkring op het moment dat wordt besloten de pensioenregeling elders onder te brengen. Het laten terugvloeien van een bijdrage aan het weerstandsvermogen naar een collectiviteitkring is immers onderdeel van de reguliere bedrijfsvoering. Pensioenfondsen kennen in de huidige situatie vrijwel allemaal de rechtsvorm van stichting en worden geconfronteerd met toe- en uittreding van werkgevers en de daarbij behorende vermogens. Ook bij een algemeen pensioenfonds moet bij vertrek van een collectiviteitkring het pensioenvermogen overgaan en ook het deel van het weerstandsvermogen voor zover er sprake is geweest van een bijdrage daaraan.

Het zou ook onwenselijk zijn indien de eerder geleverde bijdrage aan het weerstandsvermogen niet zou kunnen terugvloeien naar de collectiviteitkring. Met het vertrek van de collectiviteitkring is de dekking voor het daaraan verbonden deel van het bedrijfsrisico immers niet meer noodzakelijk aangezien de collectiviteitkring geen onderdeel meer zal zijn van het algemeen pensioenfonds.

(...)

3.10 Vrijwillige pensioenregelingen (p. 28-29)

De leden van de fracties van de VVD, de PvdA, de ChristenUnie en 50PLUS vragen naar de mogelijkheden om vrijwillige pensioenregelingen in een algemeen pensioenfonds uit te kunnen voeren. De leden van de fracties van de VVD, PvdA en 50PLUS vragen hoe wordt omgegaan met de vrijwillige nettopensioenregelingen voor inkomen boven € 100.000,–. De leden van de fracties van de VVD en ChristenUnie vragen daarbij naar de wenselijkheid van het scheiden van de uitvoering van (verplichte) Defined-Benefit regelingen en vrijwillige Defined-Contribution regelingen. De leden van de fractie van de VVD vragen bovendien naar de uitvoerbaarheid van excedentregelingen.

Zoals is aangegeven in de memorie van toelichting van dit wetsvoorstel wordt met de introductie van een algemeen pensioenfonds één element uit de taakafbakening, te weten de domeinafbakening, verlaten. Een ander element uit de taakafbakening, namelijk de productafbakening, blijft met dit voorstel ongewijzigd. Deze keuze is gemaakt in het kader van de doelstelling van de taakafbakening de kans op oneerlijke concurrentie en misbruik van de machtspositie die diverse pensioenfondsen (dankzij de verplichtstelling) hebben te voorkomen, als pensioenfondsen onbelemmerd op de markt optreden. Op grond van die taakafbakeningafspraken worden pensioenfondsen zowel wat betreft hun domein (welke werkgevers mogen zich bij een fonds aansluiten) als wat betreft de ≪producten≫ die zij mogen voeren beperkt.

Bij dit wetsvoorstel zijn de afspraken over de domeinafbakening verlaten, opdat bij een algemeen pensioenfonds pensioenregelingen van verschillende werkgevers kunnen worden uitgevoerd in aparte collectiviteitkringen die elk een eigen governancestructuur hebben. Die vorm heeft tot gevolg dat als bij een van die collectiviteitkringen het kortinginstrument wordt toegepast, de andere collectiviteitkringen binnen het algemeen pensioenfonds door dat kortingsinstrument niet worden geraakt. Dan geldt ook voor elke collectiviteitkring het huidige uitgangspunt van de Pensioenwet dat elk pensioenfonds één financieel geheel is en dat een pensioenfonds meerdere pensioenregelingen en pensioensoorten kan uitvoeren die elk een eigenstandige kostendekkende premie hebben. In die vorm heeft elke collectiviteitkring – net als bij een pensioenfonds – de mogelijkheid bepaalde activiteiten extern onder te brengen (bv. bij een verzekeraar).

Nota van wijziging (Kamerstuk 34 117, nr. 10)

Onderdeel 1, onder 1, 5, 6, onder 1 (p. 4)

Een algemeen pensioenfonds kan ook (verplichtgestelde) beroepspensioenregelingen uitvoeren. Dit wordt nu verduidelijkt in de definitie van algemeen pensioenfonds.

Daarnaast wordt een definitie van collectiviteitkring opgenomen. Om die reden kan de verwijzing naar het begrip collectiviteitkring in artikel I, onderdeel O (artikel 115dc van de Pensioenwet) en de omschrijving in artikel I, onderdeel R (artikel 123 van de Pensioenwet) vervallen.

Onderdeel 1, onder 2, 2, 6, onder 2 en 3 en 9, onder 1, derde lid (p. 5)

Ook een gesloten pensioenfonds, dat wil zeggen een fonds zonder actieve deelnemers, kan de uitvoering overdragen aan een algemeen pensioenfonds. Het kan zo zijn dat bij een gesloten fonds geen werkgever meer betrokken is, bijvoorbeeld omdat de werkgever failliet is gegaan of anderszins de onderneming van de werkgever niet meer bestaat. Het algemeen pensioenfonds kan dan geen uitvoeringsovereenkomst sluiten met de werkgever. Omdat in de rangregeling van artikel 123 van de Pensioenwet geregeld is dat uitsluitend kosten opgenomen in de uitvoeringsovereenkomst in mindering kunnen worden gebracht op het pensioenvermogen is dit een probleem. Daarom wordt voorgesteld te regelen dat in die situatie het algemeen pensioenfonds een uitvoeringsreglement opstelt dat, voor zover van toepassing, voldoet aan de eisen die worden gesteld aan een uitvoeringsovereenkomst. «Voor zover van toepassing» omdat bij een regeling zonder actieve deelnemers er bijvoorbeeld geen sprake is van premiebetaling. In de rangregeling van artikel 123 wordt vervolgens geregeld dat de kosten opgenomen in het uitvoeringsreglement in mindering kunnen worden gebracht op het pensioenvermogen. In artikel 4a van de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt geregeld dat het bovenstaande ook geldt voor een gesloten beroepspensioenfonds. Over dit uitvoeringsreglement kan bijvoorbeeld in de overeenkomst van overdracht waarmee de waardeoverdracht van het gesloten fonds naar het algemeen pensioenfonds wordt geregeld afspraken worden gemaakt.

Nota naar aanleiding van het nader verslag (Kamerstuk 34 117, nr. 13)

3.5 Vrijwillige pensioenregelingen (p. 8-9)

De leden van de ChristeUnie-fractie vragen om een toelichting of het hebben van een aparte ring voor vrijwillige netto pensioenregelingen niet tevens zal bijdragen aan de fiscale hygiëne. Acht de regering het wenselijk om een aparte ring voor vrijwillige regelingen binnen het algemeen pensioenfonds alsnog mogelijk te maken onder de voorwaarde dat de basisregeling(en) ook bij het betreffende algemeen pensioenfonds zijn ondergebracht, zo willen deze leden weten.

Het is juist dat het onderbrengen van vrijwillige nettopensioenregelingen in een aparte collectiviteitkring zal bijdragen aan de fiscale hygiëne. Als basispensioenregelingen (waaruit belaste uitkeringen worden gedaan) en nettopensioenregelingen (waaruit onbelaste uitkeringen worden gedaan) worden ondergebracht in aparte collectiviteitkringen, kan er geen vermenging van de middelen voor deze basis- en nettopensioenregelingen plaatsvinden.

Zoals is aangegeven in de memorie van toelichting van dit wetsvoorstel wordt met de introductie van een algemeen pensioenfonds één element uit de taakafbakening, te weten de domeinafbakening, verlaten. Een ander element uit de taakafbakening, namelijk de productafbakening, blijft met dit voorstel ongewijzigd. Zoals uitvoerig beschreven in de nota naar aanleiding van het verslag [Kamerstukken 2014/2015, 34 117, nr. 9, blz. 28-30], kan mogelijk strijd ontstaan met deze afspraken over de productafbakening wanneer een aparte collectiviteitkring voor vrijwillige regelingen binnen het APF wordt toegestaan.

De productafbakening is ook van toepassing op de uitvoering van een nettopensioenregeling. Immers, nettopensioen is een vrijwillige pensioenregeling als bedoeld in artikel 117 van de Pensioenwet.

Het verslag van de plenaire behandeling Tweede Kamer (Handelingen 2014-2015, nr. 96, item 32)

[Opgenomen zijn de eerste en de tweede termijn van de staatssecretaris p. 24, 26]

Staatssecretaris Klijnsma:

De heer Van Weyenberg vroeg of andere commerciële partijen ook een algemeen pensioenfonds kunnen oprichten. Op zichzelf kunnen partijen een algemeen pensioenfonds oprichten, edoch het dient altijd een stichting te zijn. Dat betekent dat er geen winstoogmerk aan de orde kan zijn. De stichting is een uitermate geschikte rechtsvorm voor een algemeen pensioenfonds, want een stichting mag geen uitkeringen doen aan mensen, tenzij de uitkeringen een ideële of sociale strekking hebben. Dat is echt een fundamenteel verschil ten opzichte van een bv of een nv.

(...)

Staatssecretaris Klijnsma:

De heer Krol vroeg of er nog kans is op besmetting van de vermogens onderling. De vermogensscheiding is zeer strikt. Naast de administratieve ringfencing is er de zogeheten goederenrechtelijke scheiding. Dat wil zeggen dat het juridisch hard is binnen en buiten faillissement en dat het tegen iedereen in te roepen is. Ook is er toezicht op een goede administratieve scheiding in de bedrijfsvoering. Besmetting zal zich dus niet voordoen.